Artikel

Groene, goedkope en dus publieke energie

Wim Debucquoy

—23 november 2021

De geliberaliseerde energiemarkt bracht de consument enkel torenhoge energieprijzen en remde de transitie naar 100% hernieuwbare energie. We hebben een publieke aanpak nodig.

De voorbije maanden zijn de energieprijzen ontploft. Op de internationale markt vervijfvoudigde de aardgasprijs ten opzichte van begin dit jaar en voor elektriciteit stegen de groothandelsprijzen naar historische hoogtes. Een gezin met een variabel contract betaalde in september al gemiddeld 714 euro meer dan een jaar eerder en sindsdien zijn de prijzen nog verder gestegen.1 Intussen verloopt de omslag naar 100% hernieuwbare energie tergend langzaam: vijftien jaar na de invoering van de groenestroomcertificaten wordt amper 19% van de Belgische stroom met wind- en zonne-energie geproduceerd.

De voorstanders van de liberalisering van de energiemarkt beloofden eind 20ste eeuw met veel bravoure dat de markt zou zorgen voor concurrentie, efficiëntie en lagere prijzen. We kregen grote Europese monopolies, vervuiling en forse prijsstijgingen. Hoog tijd om die vrijemarktaanpak grondig ter discussie te stellen en om een alternatief uit te werken dat de belofte van goedkope en klimaatvriendelijke energie effectief waarmaakt.

20 jaar liberalisering: energie was nog nooit zo duur

Begin jaren 2000 werd in de meeste Europese landen de energiesector geliberaliseerd op aansturen van de Europese Ronde Tafel van Industriëlen. Het doel was van in het begin duidelijk: de in hun ogen verzwakte concurrentiepositie van Europese bedrijven op de wereldmarkt opkrikken. “We hebben één grote Europese markt nodig als een thuisbasis voor Europese bedrijven die de wereldmarkten willen veroveren”. De energiesector was toen 250 miljard waard, maar zat op slot en was in heel wat Europese landen nog in publieke handen. Sommige Europese lidstaten hielden immers vast aan het idee dat gas en elektriciteit geen luxe zijn maar levensnoodzakelijke behoeftes en hielden de energieprijzen daarom strak onder controle.2 Wat volgde was een ware strooptocht in heel Europa: overal werden lucratieve markten opengebroken voor het kapitaal.

Wim Debucquoy is burgerlijk ingenieur en klimaatactivist. Hij werkt momenteel als fractiemedewerker energie en klimaat voor de PVDA.

Met de liberalisering werden publieke energiebedrijven geprivatiseerd en opgesplitst. De productie, het transport, de distributie en de levering van elektriciteit en gas werden voortaan uitgevoerd door aparte bedrijven. Er kwamen Europese handelsbeurzen voor elektriciteit en aardgas. Energie was niet langer een basisbehoefte, maar een koopwaar als een andere. Net als bij de commercialisering en privatisering van andere sectoren, zoals de banken en nutsbedrijven, werd de liberalisering van de energiesector verkocht onder het mom van efficiëntie en goedkopere prijzen.

Sindsdien zijn de prijzen op de fossiele brandstofmarkten bijzonder volatiel. Omdat energie nu eenmaal een basisbehoefte is, is onze vraag vrij stabiel, hoe hoog de prijs ervan ook is: de vraagelasticiteit van energie is extreem laag, noemen ze dat in het economisch jargon. Maar als het aanbod de vraag niet kan volgen, schieten de prijzen pijlsnel de hoogte in.

Tijdens de COVID-crisis kende de productie wereldwijd een terugval en zakte de energievraag. Nu de economie aantrekt, stijgt de vraag naar aardgas opnieuw en dus ook de prijs. Daarnaast spelen ook bijkomende conjuncturele factoren een rol: in Azië (vooral China) groeit de vraag naar LNG (liquid natural gas) en in Europa steeg de vraag naar aardgas voor elektriciteitsproductie door de forse stijging van de Europese CO2-prijs, waardoor aardgas steenkool verdringt. Aan aanbodszijde zijn de reserves lager dan normaal door een relatief koude lente, door het feit dat in Noorwegen belangrijke boorplatformen stilliggen door groot onderhoud en doordat er minder gas stroomt door de aardgaspijpleidingen uit Rusland.3

Deze conjuncturele factoren hebben de prijzen ongetwijfeld omhoog geduwd maar verklaren geen vervijfvoudiging van de aardgasprijs. De oorzaak daarvan is veel dieper en structureler en heeft vooral te maken met de irrationaliteit en de anarchie van de vrije markt. Er is geen structurele schaarste aan aardgas, maar wel ongerustheid over de bevoorrading. Sinds de liberalisering zijn de energieprijzen onderhevig aan speculatie, marktmanipulatie en de waan van de dag. De prijs voor elektriciteit en aardgas varieert van uur tot uur. Zo kan tijdens momenten van piekverbruik de elektriciteitsbeurs gemakkelijk winsten opleveren voor de exploitanten van thermische centrales die noodzakelijk zijn voor het voldoen aan de elektriciteitsvraag en het evenwicht van het net moeten garanderen. Een exploitant kan altijd het opstarten van deze centrales uitstellen tot tijdstippen waarop de prijs het hoogst is en zo … de prijzen nog verder opdrijven.4

Conjuncturele factoren hebben de gasprijzen ongetwijfeld omhoog geduwd, maar verklaren geen vervijfvoudiging van de prijs.

De EU is de laatste jaren ook veel kwetsbaarder geworden voor prijsschommelingen op de markt en de waan van de dag. Onder andere omdat ze veel minder langetermijncontracten aan een (relatief) vaste prijs afsluit met het Russische Gazprom en meer aardgas aankoopt op de kortetermijnspotmarkt. Daar wordt aardgas verkocht voor de volgende dag en de prijs schommelt er in real time. Waarom doet de EU dan zoiets? Geograaf en geopolitiek analist Manlio Dinucci wijt dat aan de geopolitieke druk van de VS om de EU minder te laten afhangen van het Russische aardgas.5 Zodoende is de gasprijs, die altijd al onderhevig is aan de economische conjunctuur, nog gevoeliger voor speculatie en prijsschommelingen. “Het valt niet uit te sluiten dat de huidige hoge prijzen te wijten zijn aan een overreactie van de gasmarkten. Het peil van de gasvoorraden staat immers niet zoveel lager in vergelijking met het verleden”, zo stelt professor energiebeleid en internationale politiek Thijs Van de Graaf.6 Een energieanalist van de KBC stelt onomwonden: “Er is sprake van paniekaankopen”.7 In volle paniek stegen de prijzen voor elektriciteit en aardgas op de beurs op enkele uren tijd met 10 procent.8

Er spelen dus meerdere financiële, politieke en strategische factoren een belangrijke rol in de huidige, ongeziene prijsstijgingen. Doorslaggevend is evenwel dat de energieprijzen aan de grillen van de markt worden overgelaten. De uitfasering van fossiele brandstoffen kan die prijsstijgingen nog verergeren indien de markt niet aan banden wordt gelegd.

Voor elektriciteit leidt de geliberaliseerde energiemarkt nog het meest tot absurde resultaten. Het spel van vraag en aanbod brengt de prijzen normaal dicht bij de productiekosten, maar op deze energiemarkt geldt een bijzondere regel: de duurste prijs haalt de eindmeet. De marktprijs is gelijk aan de prijs van de duurste productie-eenheid die elektriciteit moet leveren om te voldoen aan de vraag. Dat heet het principe van marginale prijssetting. De logica hiervan? Ook voor de duurste productie-eenheid moet het rendabel zijn om elektriciteit te produceren, want we hebben die nodig om voldoende te produceren. In de realiteit is de duurste productie-eenheid van elektriciteit meestal een gascentrale. Als dan zowel de aardgasprijs als de CO2-prijs stijgt, stijgt de marktprijs voor elektriciteit. Elke producent krijgt altijd dezelfde marktprijs.

Dat maakt dat er fenomenale winnaars zijn in deze energiecrisis, namelijk vooral de producenten van kernenergie en windenergie. Die energietechnologieën hebben geen aardgas nodig en/of stoten geen CO2 uit. Daardoor zijn hun productiekosten niet gestegen maar is hun verkoopsprijs wel verdrievoudigd.9 Engie-Electrabel maakt zo naar schatting jaarlijks 1,5 miljard euro extra winst met de Belgische kerncentrales. De consument betaalt zich blauw en Engie-Electrabel boekt woekerwinsten, niet omdat de productiekosten van elektriciteit stegen, maar louter en alleen door een verknipte vrije markt.

Nu moet ook gezegd: ook voor de huidige prijsstijgingen hadden gezinnen, kleine zelfstandigen en kmo’s weinig gemerkt van de beloofde prijsdalingen. De federale regulator CREG berekende dat de elektriciteitsfactuur van een Vlaams gezin in 2018 dubbel zo hoog lag als in 2007, toen de Belgische energiemarkt volledig geliberaliseerd werd.10 De belangrijkste oorzaak is de marktconforme aanpak: alleen de privé beslist nog over investeringen, de overheid mag nog alleen sturen met subsidies, die vervolgens via allerlei heffingen en taksen worden doorgerekend aan de consument.

Met name de subsidies voor groene stroom, de beruchte groenestroomcertificaten, deden de factuur fors stijgen. In dit systeem ontvangen groenestroomproducenten een vergoeding door het verkopen van hun groenestroomcertificaat aan de leveranciers en/of de netbeheerder. Leveranciers moeten een bepaald percentage aan groenestroomcertificaten inleveren voor de stroom die ze verkopen en de netbeheerders worden verplicht de (overige) groenestroomcertificaten op te kopen voor een minimumprijs. De leveranciers en netbeheerders rekenen de kostprijs van de vergoeding door aan de eindverbruiker. Dankzij het systeem konden bedrijven grote zonneparken aanleggen en miljoenen euro subsidies opstrijken. Miljardair Fernand Huts legde de loodsen van zijn Katoen Natie in Kieldrecht vol zonnepanelen en krijgt tot op de dag van vandaag elk jaar minstens 13 miljoen euro subsidie. Het systeem veroorzaakte een enorme schuldenberg bij de netbeheerders, waardoor de distributietarieven door het dak gingen.11 Het resultaat is dat een gemiddelde gezin in het Waasland 147 euro méér betaalt voor elektriciteit.12 Het systeem van groenestroomcertificaten werd in Vlaanderen ondertussen uitgefaseerd voor particulieren (professionele kunnen blijven profiteren van het systeem), maar de enorme kosten van de groenestroomsubsidies blijven tot de dag van vandaag doorwegen op de factuur.13 Tot slot bestaat er bovenop alle heffingen en taksen nog de impact van de btw.14 In België bedraagt de btw op elektriciteit en aardgas 21%, evenveel als op luxegoederen als kaviaar of champagne.

Ook de consumentenmarkt zelf werd uitermate complex door de liberalisering, vooral door de wildgroei van tariefformules. Voor dezelfde kilowattuur stroom bieden sommige leveranciers tot acht verschillende tarieven aan. Volgens de CREG betalen circa 1 miljoen gezinnen minstens 500 euro te veel15 omdat ze verloren lopen in de jungle van de vrije markt en (onwetend) een veel te duur energiecontract hebben. Uit recent onderzoek van de CREG blijkt dat 7 op de 10 mensen de voorwaarden van hun energiecontract niet kennen en dat meer dan 40% van de gezinnen één van de tien duurste contracten op de markt heeft.16 Dat is géén toeval of een onvoorzien neveneffect van de liberalisering, maar net de kern van een geliberaliseerde energiemarkt: leveranciers proberen zoveel mogelijk winst te maken met dezelfde kilowattuur elektriciteit en dus de consument zoveel mogelijk te doen betalen door hem te mis/verleiden met een ogenschijnlijk ‘aantrekkelijk’ aanbod, al dan niet in de vorm van een tijdelijke promotie, groepsaankoop of andere deal.

Het contrast met de industriële grootverbruikers is groot: zij betalen tot 20 keer minder voor elektriciteit.17 In tegenstelling tot een residentiële klant of een kmo, worden tariefformules voor grootverbruikers niet geadverteerd, maar zijn ze het resultaat van een onderhandeling tussen de grootverbruiker en de leverancier van zijn keuze. De grootverbruikers krijgen vanuit de overheid ook gigantische kortingen op de heffingen en taksen. Hoe meer ze verbruiken, hoe minder heffingen en taksen ze moeten betalen.18 Hierdoor worden de kosten die verrekend zitten in de heffingen voornamelijk gedragen door de gezinnen, kleine zelfstandigen en kmo’s.

De productiekosten van kern- en windenergie zijn niet gestegen, maar hun verkoopsprijs is wel verdrievoudigd.

Samenvattend, door de liberalisering betaalde de consument nog nooit zoveel voor zijn elektriciteit of aardgas en floreren de grote energiebedrijven. In de periode 1998-2007 vonden 247 grote fusies en overnames plaats in de Europese elektriciteitssector19. De liberalisering leidde tot een nog grotere machtsconcentratie van grote Europese multinationals en monopolievorming. Door de liberalisering verloor de overheid ook alle controle op de elektriciteitsprijs. De productiecapaciteit kwam volledig in handen van grote multinationals. De liberalisering maakte ons totaal afhankelijk van wat private aandeelhouders beslissen en maakte de overheid machteloos tegen prijsstijgingen en zorgde ervoor dat de ze enkel nog kan ingrijpen via het fiscaal aspect van de factuur. Deze logica wordt door geen enkele partij in vraag gesteld. De traditionele partijen vinden het blijkbaar normaal dat de markt het voor het zeggen heeft, met alle gevolgen van dien.

Een rem op de transitie

De liberalisering van de energiemarkt zet ook een serieuze rem op de energietransitie. Die zet immers het hele businessmodel van de fossiele en nucleaire energieproducenten op de helling. De opkomst van hernieuwbare energie bedreigt hun inkomsten en winstmarges, en stellen zware verliezen in het vooruitzicht.

Initiële reactie energiemultinationals: saboteren

De initiële reactie van de Europese energiemultinationals was het tegenwerken van hernieuwbare energie. Ze bleven investeren in fossiele energie, weigerden te investeren in hernieuwbare energie en lobbyden met succes op het hoogste Europese niveau om alle steun aan hernieuwbare energie te saboteren.

Zo verenigde de toenmalige CEO van Engie-Elektrabel, Gerard Mestrallet, in 2013 de grootste energiemultinationals in de Magritte-groep om weerwerk te bieden aan de opkomst van hernieuwbare energie. Alle grote Europese energiemultinationals (RWE, E.ON, Enel, Vattenfall, Iberdrola, etc.) waren lid van de groep, op uitzondering van EDF Luminus.20 Ze eisten dat steun voor groene stroom werd afgebouwd en verzetten zich tegen een Europese doelstelling voor hernieuwbare energie. Ze lobbyde actief op Europees niveau door te argumenteren dat de hernieuwbare energiesector “volwassen” was en dat subsidies voor hernieuwbare energie de elektriciteitsmarkt verstoren. Hun aanpak werkte: in 2014 stelde de Europese Commissie nieuwe en veel strengere regels op voor staatssteun aan milieu- en energieprojecten. Daarmee verbood de Europese Commissie het succesvolle Duitse model van feed-in tarieven21 dat tot een snelle groei van hernieuwbare energie had geleid. Vanaf 2016 zijn enkel nog martkconforme staatsteuninstrumenten toegestaan.

De kleine transitiebocht van de energiemultinationals

Ondanks het verzet van de grote energiemultinationals en dankzij massale staatssteun brak hernieuwbare energie toch door. Dankzij technologische vooruitgang, verbetering van de productiemethodes en schaalvoordelen daalden de productiekosten van hernieuwbare energie spectaculair: in de periode 2009-2019 daalde de kostprijs van onshore windenergie met 70%, die van zonne-energie zelfs met 89%.22 Langzamerhand begon het bij de energiemultinationals door te dringen dat de energietransitie naar hernieuwbare energie niet te stoppen was én dat er grof geld mee te verdienen valt. Het besef groeide ook dat met de klimaatcrisis de omslag naar hernieuwbare energie onvermijdelijk werd. Met het klimaatakkoord van Parijs in 2015 werd (enkel en alleen) blijven vasthouden aan fossiele elektriciteitsproductie geen optie meer.
Vandaag de dag is hernieuwbare energie immers de goedkoopste bron van elektriciteitsproductie. Alle energiemultinationals hebben de laatste jaren daarom de switch naar hernieuwbare energie ingezet: die is big business geworden. Zo kondigde Engie-Elektrabel in mei van dit jaar in haar nieuwe strategie23 aan dat 40% van haar toekomstige investeringen (15-16 miljard in de periode 2021-2023) naar hernieuwbare energie gaat.24

Tegelijkertijd zien we dat de energiemultinationals hun winsten uit fossiele en nucleaire energie zoveel mogelijk trachten te beschermen. Zo probeerde Engie-Electrabel – met succes – in de periode 2009-2015 om de levensduur van haar oudste kerncentrales, Doel 1 en 2 en Tihange 1, te verlengen. Ook nu woedt de strijd rond de Belgische kernuitstap nog volop. Er is zelfs een internationaal verdrag dat de (fossiele) investeringen van multinationals beschermt: het energiehandvestverdrag (Energy Charter Treaty of ECT). Krachtens dat ECT mogen bedrijven overheden voor privétribunalen dagen, de zogenaamde Investor-State Dispute Settlement, als zij zich benadeeld voelen door beleidsmaatregelen. Toen de Nederlandse overheid besliste om tegen 2030 steenkool te verbieden, eiste de Duitse energiemultinational RWE een schadevergoeding van 1,4 miljard euro.25 Engie-Electrabel sleepte op zijn beurt Hongarije voor een ECT-tribunaal voor het reguleren van de energieprijzen om haar bevolking te beschermen. Het aantal rechtszaken onder het energiehandvestverdrag is de laatste 10 jaar geëxplodeerd.26

Het contrast met de industriële grootverbruikers is groot: zij betalen tot 20 keer minder voor elektriciteit.

In feite hanteren de energiebedrijven dus een dubbele strategie: na de oorspronkelijke sabotage investeren ze nu zelf in hernieuwbare energie maar tegelijk trachten ze hun winsten uit bestaande fossiele en nucleaire centrales zo lang mogelijk in stand proberen te houden. Dat mag niet verbazen: hun doel is om nu eenmaal zoveel mogelijk winst te maken. En dat is nu precies het grote probleem. Een snelle uitfasering van fossiele brandstoffen en een transitie naar 100% hernieuwbare energie gaat onvermijdelijk frontaal in tegen de belangen van de energiemultinationals. Het is dan ook geen toeval dat energiemultinationals tot op de dag van vandaag massaal blijven investeren in fossiele brandstoffen.27

Falende marktaanpak

In een geliberaliseerde markt worden de investeringsbeslissingen volledig overgelaten aan privébedrijven. Maar energiemultinationals investeren enkel in projecten als ze winstgevend genoeg zijn, niet omdat ze maatschappelijk nuttig of nodig zijn. Alleen als de overheid massale subsidies of prijsgaranties aanbiedt, zijn ze bereid om te investeren. Het resultaat is een chaotische, versnipperde aanpak en een veel te laag investeringspercentage. Tot op de dag van vandaag bestaat er geen globaal, gestructureerd plan voor de energietransitie.

De huidige aanpak bestaat uit drie elementen: subsidies aan grote multinationals, prijsprikkels en ecotaksen voor de consument en een blind vertrouwen in de emissiehandel.

De Europese Green Deal vormt een keerpunt voor de energiemultinationals. Het Europese grootbedrijf had intussen de enorme winstopportuniteiten van de “groene economie” al ontdekt, maar zat met een dilemma: investeert het te vroeg in een nieuwe, veelbelovende groene markt (bv. waterstof of elektrische auto’s), dan zal zijn investering verlieslatend zijn. Investeert het te laat, dan zal een concurrent het grootste marktaandeel al ingepikt hebben. De Europese Green Deal is een oplossing voor dit dilemma. Met massale subsidies vangt de staat de risico’s op en garandeert ze de bedrijfswinsten tijdens de transitie. Van zodra deze markten “matuur” en “competitief” zijn, moet de overheid er zich niet meer mee bezig houden. Het is de essentie van de neoliberale, Europese Green Deal: er worden miljarden euro subsidies gegeven aan de grote Europese multinationals voor het ontwikkelen van nieuwe groene markten. De kosten van de investeringen worden gecollectiviseerd, de winsten geprivatiseerd.

Het Belgische relanceplan is in hetzelfde bedje ziek. De rol van de overheid wordt grotendeels beperkt tot het geven van subsidies aan infrastructuurinvesteringen en particuliere investeringen. Zo krijgt Arcelor Mittal 450 miljoen euro subsidies op een investering van 1,1 miljard om haar staalproductie in Gent te vergroenen met (groene) waterstof, terwijl het bedrijf vorig jaar nog voor 2,2 miljard euro eigen aandelen opkocht om zijn beurskoers omhoog te drijven.28 Het vermogen van de familie Mittal alleen al wordt geschat op 17 miljard euro.

Ook bij het CRM, het subsidiemechanisme voor de nieuwe gascentrales, dat de federale regering invoerde voor het opvangen van de kernuitstap, zien we dezelfde kwalijke logica (zie kader).Het CRM-mechanisme moet er in de eerste plaats voor zorgen dat de winsten van de energiemultinationals gegarandeerd blijven opdat ze blijft investeren. De CRM zal de Belgische belastingbetaler naar schatting meer dan drie miljard euro kosten, de opbrengsten van de nieuwe gascentrales gaan integraal naar Engie-Electrabel, winnaar van de eerste CRM-veiling.29

De energiemultinationals trachten hun winsten uit fossiele en nucleaire energie zoveel mogelijk te beschermen.

Met het CRM-mechanisme geeft de overheid massaal subsidies aan fossiele productiecapaciteit. De subsidies voor nieuwe gascentrales dreigen ons nog decennia afhankelijk te maken van fossiel gas. Een nieuwe gascentrale moet minstens 20-25 jaar draaien tegen dat ze is afgeschreven terwijl onze energievoorziening ten laatste tegen 2035 CO2-neutraal moet zijn.30 We investeren deze middelen beter rechtstreeks investeren in toekomstbestendige technologieën zoals hernieuwbare energie, energieopslag, vraagbeheer, etc. in plaats van in fossiele (over)capaciteit. Door de energieproductie opnieuw in publieke handen te nemen, vloeit de winst terug naar de burgers en kan de overheid garanderen dat de klimaatdoelstellingen gehaald worden.

 

  1. Subsidies voor gascentrales: het CRM-mechanisme
    CRM staat voor Capaciteits Renumeratie Mechanisme. Het mechanisme werd ingevoerd door de Belgische Vivaldi-regering om de bevoorradingszekerheid te verzekeren na de kernuitstap in 2025. In het CRM-mechanisme krijgen producenten subsidies voor het beschikbaar maken en houden van bestaande én nieuwe productiecapaciteit. Het CRM zal naar schatting tussen 238 en 253 miljoen euro per jaar kosten (3,6 tot 3,8 miljard euro in totaal).31 In theorie komen alle technologieën in aanmerking voor subsidie, in de praktijk gaat het grootste deel van de subsidies naar nieuwe gascentrales. In de eerste CRM-veiling van oktober 2021 haalde Engie-Electrabel voor circa 900 miljoen euro subsidies binnen voor een periode van 15 jaar. In ruil daarvoor engageert het zich voor de bouw van twee nieuwe gascentrales waarvan de investeringskosten op circa 1 miljard euro geraamd worden.32De liberalisering zorgde er immers voor dat er de laatste 20 jaar amper geïnvesteerd werd in vervangcapaciteit voor de verouderde Belgische kerncentrales. Ondanks die achterstand betwist de federale regulator CREG dat we gevaar lopen dat het licht uitgaat bij de kernuitstap. De CREG stelt onomwonden dat de Belgische bevoorradingszekerheid gegarandeerd blijft, ook zonder nieuwe gascentrales.33De invoering van het CRM-mechanisme moet vooral een (dreigend) falen van de geliberaliseerde energiemarkt in de transitie naar 100% hernieuwbare energie opvangen. Elektriciteitsproducenten halen hun inkomsten immers uit de verkoop van elektriciteit op de groothandelsmarkt. Om de bevoorradingszekerheid te garanderen moet de energiemarkt zelf voldoende inkomsten genereren om investeerders te overtuigen om voldoende te investeren in productiecapaciteit. Maar naarmate er meer hernieuwbare energie geproduceerd wordt, dalen de inkomsten uit klassieke (fossiele) elektriciteitsproductie en zijn nieuwe investeringen minder en minder aantrekkelijk. Naarmate er meer en meer hernieuwbare energie beschikbaar is, zullen andere (back-up) centrales nog maar sporadisch draaien, voornamelijk in periodes van weinig wind of zon. Die (back-up) eenheden kunnen onmogelijk winstgevend zijn met hun beperkte inkomsten uit de groothandelsmarkt. In een geliberaliseerde energiemarkt is een subsidiemechansime dus “onvermijdelijk” voor het winstgevend houden van andere (back-up) capaciteit.

Een ander element van de marktaanpak waar we dringend moeten van afstappen is het dogma dat we het consumentengedrag het best sturen via prijsprikkels, dat we vervuilende consumptie meer moeten belasten en dus fossiele brandstoffen duurder moeten maken via een CO2-taks of een “klimaattaksshift”, waarbij taksen op elektriciteit verschoven worden naar fossiele brandstoffen. De energietransitie heeft immers nood aan massale elektrificatie en momenteel wordt elektriciteit meer belast dan aardgas of stookolie. In de heersende marktlogica is de oplossing: aardgas en stookolie veel duurder maken en elektriciteit veel goedkoper. Verwarmen met een elektrische warmtepomp – wat veel duurzamer is – wordt goedkoper en zo worden gezinnen aangezet om over te schakelen op het duurzame alternatief.

Drie fundamentele problemen

Eerst en vooral betekent deze aanpak dat we nog stééds de ecologische transitie financieren via de factuur. Net als het doorrekenen van de subsidies aan energiemultinationals via heffingen op de energiefactuur, wegen ook eco- en consumptietaksen op de koopkracht van de gezinnen, terwijl de opbrengsten gaan naar de multinationals. We moeten stoppen om klimaat- en energiebeleid te financieren via de energiefactuur of consumptietaksen.34 Dat is per definitie regressief. De lagere inkomens en de hele werkende klasse dragen zo altijd relatief meer bij dan de rijken. Beleid moet gefinancierd worden via een rechtvaardige fiscaliteit, gebaseerd op inkomsten- en vermogensbelastingen. Al die heffingen, prijsprikkels en ecotaksen zijn rampzalig voor de steun aan een ecologische politiek. Duurzame energie wordt dan gelijkgesteld met een hogere energiefactuur en de “klimaatrealisten” en klimaatsceptici grijpen deze perverse logica met twee handen aan om mensen op te zetten tégen meer klimaatactie.

Ten tweede: met ecotaksen en prijsprikkels worden enkel de consumenten aangesproken, terwijl het grootbedrijf, dat bepaalt wat, hoe en hoeveel er geproduceerd wordt, volledig buiten schot blijft. Een derde bezwaar is dat zo’n aanpak, zolang er niet voor iedereen voldoende alternatieven beschikbaar zijn, fundamenteel onrechtvaardig zal zijn. Zolang mensen voor hun verplaatsingen en verwarming aangewezen zijn op fossiele energie, zal een prijsverhoging van die energie kwetsbare mensen enkel in de armoede duwen en de ongelijkheid vergroten. Neem bijvoorbeeld gezinnen die nog verwarmen met stookolie. Stookolie is zeer vervuilend en het verbruik ervan moet zo snel mogelijk uitgefaseerd worden. De vraag is echter: hoe doen we dit? Via een prijsmechanisme of op een planmatige manier? De logica van een CO2-taks of “klimaattaksshift” gaat volledig voorbij aan de sociale realiteit. Wat met gezinnen die in een huurwoning wonen of niet genoeg kapitaal hebben om te renoveren en een warmtepomp te installeren? De gezinnen die nog met stookolie verwarmen zitten vaak in een precaire situatie. Het resultaat van de CO2-taks of klimaattaksshift is enkel dat mensen met stookolie meer zullen betalen, zonder dat ze de mogelijkheid hebben om over te schakelen naar een warmtepomp. Ze zal dus grote (a)sociale gevolgen hebben, veel weerstand oproepen, maar weinig efficiënt zijn. Een CO2-taks of andere vormen van consumptietaksen helpen mensen ook op geen enkele manier om de noodzakelijke investeringen in isolatie of duurzame verwarming te doen. Een transitie gebaseerd op individuele financiële prikkels in plaats van op ecologische planning met bindende normen, publieke investeringen en collectieve oplossingen zal de bestaande ongelijkheid enkel vergroten.

De logica van een CO2-taks of “klimaattaksshift” gaat volledig voorbij aan de sociale realiteit.

Een sociaal rechtvaardige klimaatpolitiek gaat uit van de sociale noden van de mensen. Ze baseert zich op het principe dat groene energie een basisrecht is en dus, te allen tijde, betaalbaar en toegankelijk moet zijn. In plaats van te pleiten voor het verhogen van de taksen op fossiele energiedragers om de taksen op elektriciteit te kunnen verlagen, moeten de taksen op elektriciteit verschoven worden naar de begroting zodat ze gefinancierd worden via een rechtvaardige fiscaliteit. Een sociale klimaatpolitiek heeft nood aan ecologische planning, geen taksen. Ze vermindert de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen van gezinnen en dus ook hun uitstoot via publieke investeringen zodat iedereen toegang heeft tot duurzame alternatieven.

Een laatste element van de huidige marktaanpak is het blind vertrouwen in de emissiehandel en de koolstofmarkten. Het principe van de koolstofmarkt is dat van een “cap and trade”-systeem. In een koolstofmarkt wordt er een uitstootlimiet op de totale toegestane CO2-uitstoot ingevoerd (“cap”). Deze uitstootlimiet daalt vervolgens elk jaar. Bedrijven moeten emissierechten of -quota voorleggen voor elke ton CO2 die ze uitstoten en kunnen hun overtollige emissierechten verkopen aan andere bedrijven (“trade”). In theorie moet een koolstofmarkt bedrijven aanzetten om de nodige investeringen te doen.
Maar de ervaringen van de laatste 15 jaar met het Europese emissiehandelssysteem ETS tonen dat dit ijdele hoop is. Zo daalde de uitstootlimiet met een belachelijk laag tempo35 en kregen veel bedrijven hun uitstootrechten gratis. Bovendien konden veel bedrijven tijdens de financiële crisis van 2008 (toen de productie en de uitstoot een scherpe daling kenden) ongebruikte emissierechten opslaan om ze later te gebruiken of door te verkopen. Daardoor hebben circa 90 van de 100 meest vervuilende bedrijven in Europa sinds 2008 bijna niets voor hun CO2-uitstoot moeten betalen en hadden ze ook geen reden om te investeren.36 Meer nog: in België kregen sommige van de meest vervuilende bedrijven (ArcelorMittal, Carsid, BASF …) de afgelopen jaren zelfs meer gratis emissiequota dan ze in werkelijkheid uitstootten. “De vervuiler betaalt niet, de vervuiler krijgt betaald” titelde Knack vorig jaar naar aanleiding van onderzoek van het onderzoeksbureau CE Delft. Die berekende dat de Belgische industrie in totaal al 2,1 miljard euro verdiende aan het Europese ETS systeem.37 Het resultaat is dat de uitstoot van de zware industrie binnen het ETS systeem stagneerde sinds 2013.38

Een van de grootste uitdagingen voor het klimaat is de multinationals dwingen hun productieprocessen klimaatneutraal te maken. Dat lukt niet met emissiehandel. Die biedt de grote vervuilers vooral mogelijkheden om hun uitstoot af te kopen zonder hun eigen uitstoot te verminderen. Nochtans blijft de Europese Commissie vasthouden aan het ETS-systeem en belooft ze alleen een zoveelste hervorming. In het kader van de internationale klimaatonderhandelingen pushen verschillende landen zelfs voor de invoering van een internationale koolstofmarkt. Deze dreigt de bodem uit het klimaatakkoord van Parijs te slaan39.

De neoliberale, Europese Green Deal kent miljarden euro subsidies toe aan de grote Europese multinationals voor het ontwikkelen van nieuwe groene markten.

In de plaats van te vertrouwen op koolstofmarkten en emissiehandel moeten we bedrijven bindende normen opleggen, die voor elke sector en elk bedrijf worden berekend, zodat rekening wordt gehouden met de technische bijzonderheden van elk bedrijf. Zo verplichten we de bedrijven om de omslag naar een klimaatneutrale productie te maken en de nodige investeringen te doen.

Weg van de markt, naar publieke energie

De geliberaliseerde energiemarkt en een marktaanpak zijn niet in staat om de energietransitie op een efficiënte, effectieve en sociaal rechtvaardige manier te realiseren. Daarvoor moeten we breken met de logica van de markt40 en een cruciale, dwingende rol toekennen aan de overheid. Om de klimaatcrisis effectief en doelmatig aan te pakken én om dit op een sociaal rechtvaardige manier te doen hebben we dringend nood aan overheidsinitiatief, met een planmatige aanpak, bindende normen en massale publieke investeringen.

Zo kan enkel een publieke aanpak ervoor zorgen dat we al onze woningen op een sociale en effectieve (en dus snelle) manier isoleren. De huidige aanpak van isolatiepremies schiet duidelijk tekort. Ze heeft een sterk Mattheus-effect41 aangezien enkel eigenaars met voldoende middelen ervan gebruik kunnen maken. Huurders of mensen die niet genoeg middelen hebben om hun huis te isoleren worden in de steek gelaten. Het resultaat is dat onze isolatiegraad veel te laag ligt. Ze moet minstens driemaal hoger liggen. Indien de overheid beslist om een renovatieverplichting in te voeren zonder publieke middelen vrij te maken, zal een groot deel van bevolking nog steeds haar woning niet kunnen isoleren. Een publieke aanpak kan dit veranderen: door het oprichten van een klimaatbank kunnen we via een derdebetalerssysteem stapsgewijs collectieve wijkisolaties uitvoeren. In een derdebetalerssysteem worden de investeringen voorgefinancierd door de overheid. De kosteloze lening wordt vervolgens terugbetaald door een daling van de energiefactuur. Zo’n publieke aanpak is sociaal én ecologisch. Ze garandeert dat de isolatiedoelstellingen gehaald worden en ze is toegankelijk en betaalbaar voor iedereen. Voor hernieuwbare energie zouden we eenzelfde publieke aanpak moeten toepassen. In plaats van te rekenen op individuele premiesystemen voor zonnepanelen met onvoldoende effectiviteit, moeten we inzetten op massale, publieke investeringen zodat er een zonnepaneel kan liggen op elk dak.

De klimaatcrisis is te ernstig om de levensnoodzakelijke transitie over te laten aan het winstbejag van de grote bedrijven. De overheid moet de grote vervuilers dwingende klimaatdoelstellingen opleggen, zodat die gedwongen worden om zélf te investeren. En de overheid moet zelf massaal investeren in hernieuwbare en betaalbare energie, warmterecuperatie, openbaar vervoer, isolatie, slimme netwerken en onderzoek.

Een sociale klimaatpolitiek heeft nood aan ecologische planning, geen taksen.

Tot slot hebben we dringend nood aan een openbare energievoorziening, in handen van de samenleving en onder democratische controle. Alleen op die manier kunnen de we chaos van de vrije markt vervangen door de geplande uitbouw van een duurzaam energiesysteem. Energie is veel te belangrijk om in handen te laten van de aandeelhouders van een handvol energiemultinationals die hun winsten laten voorgaan op onze maatschappelijk noden. De private wurggreep op energie werkt remmend, is vervuilend, stuurt slecht en is duur. Energie is een basisbehoefte en dé sleutelsector voor een sociaal rechtvaardige en effectieve klimaattransitie. We kunnen de energieprijs niet laten bepalen door de jojo van de markt. De huidige energiecrisis toont nogmaals aan dat de geliberaliseerde energiemarkt (groene) energie niet voor een betaalbare prijs kan leveren. In plaats van gezinnen over te laten aan de jungle van de vrije energiemarkt, moet de overheid de prijs van energie reguleren. We moeten een cruciale sector zoals onze energievoorziening opnieuw in publieke handen nemen. Power to the people.

Footnotes

  1. “Studie over de stijging van de elektriciteits- en aardgasprijzen in België”, CREG, 24 september 2021,
  2. Zie over de privatisering van de energiemarkt Tom De Meester, Opgelicht, de energiezwendel van Electrabel en co. Epo, Berchem, 2013.
  3. CREG 2021.
  4. Aurélien Bernier, “Prix de l’énergie, une folie organisée”, Le Monde Diplomatique, november 2021.
  5. “Esplodono i prezzi nella battaglia del gas, Manlio Dinucci”, Il Manifesto, 12 oktober 2021.
  6. Gas genoeg, maar raakt het geleverd?”, De Standaard, 21 september 2021.
  7. “China stuwt gasprijzen verder de hoogte in”, De Standaard, 1 oktober 2021.
  8. “Energieprijzen door het dak: op enkele uren tijd werden elektriciteit en gas opnieuw 10 procent duurder”, De Morgen, 28 september 2021.
  9. “Kerncentrales winnaar van hoge energieprijzen”, De Standaard, 29 september 2021.
  10. “Elektriciteitsfactuur verdubbeld sinds liberalisering energiemarkt”, De Tijd, 22 maart 2019.
  11. De Vlaamse regering probeerde de schuldenberg af te bouwen door de invoering van een extra heffing op de factuur, de Turteltaks. De Turteltaks werd echter vernietigd door het Grondwettelijk Hof na een succesvolle campagne van de PVDA.
  12. Tom De Meester, ibid.
  13. De kost van groene stroomsubsidies bedraagt circa 20% van de elektriciteitsfactuur in Vlaanderen en bedraagt voor een gezin met een gemiddeld gebruik meer dan 200 euro per jaar.
  14. Die btw is een belasting op een belasting: ze wordt ook geheven op alle heffingen en taksen met uitzondering van de federale bijdrage, de Vlaamse bijdrage energiefonds en de Waalse redevance de raccordement au réseau électrique.
  15. “1 Miljoen belgische huishoudens zouden meer dan € 500 kunnen besparen op hun gas- en elektriciteitsfactuur”, CREG, 15 december 2020.
  16. “De CREG heeft een grote bevraging uitgevoerd over het gedrag van de gezinnen op de energiemarkt”, CREG, 28 juni 2021.
  17. De industriële grootverbruikers (verbruik > 10 GWh/jaar), samen goed voor meer dan 30% van de Belgische elektriciteitsvraag, betaalden in 2019 tussen de 15 en 95 EUR/MWh voor elektriciteit. De consument betaalde hetzelfde jaar gemiddeld 300 EUR/MWh. Bron: studie over de elektriciteitsbelevering van grote industriële klanten in België in 2019, CREG studie (F)2126, 15 oktober 2020.
  18. Dit mechanisme wordt “degressiviteit” genoemd.
  19. François Leveque en Ricardo Monturus, “Mergers & Acquisitions within the European Power and Gas Sectors”, CERNA, École des Mines de Paris, januari 2008.
  20. De verklaring hiervoor is dat EDF veel minder geïnvesteerd heeft in fossiele brandstoffen en haar portfolio voor 75% uit kernenergie bestaat. Ze verzette zich ook tegen de opkomst van hernieuwbare energie, maar haar uitdagingen zijn heel anders dan die van de andere Europese energieproducenten.
  21. Bij een feed-in tarief of teruglevertarief krijgt de producent een vaste prijs voor levering in plaats van inkomsten uit de energiemarkt. Feed-in-tarieven bleken uiterst effectief om het aandeel van duurzame energie te vergroten. Teruglevertarieven zijn ook gunstig voor consumenten die hun eigen energie willen produceren, omdat ze eenvoudig te begrijpen en gemakkelijk te gebruiken zijn. De grote energiebedrijven hadden hier grote moeite mee omdat hun vroegere klanten nu zelf hun eigen elektriciteit begonnen te produceren.
  22. “Lazard’s levelized cost of energy analysis – Version 13.0”, Lazard, november 2019.
  23. Maxime Van De Weyer, “Renouvelables et simplification, Engie dévoile sa nouvelle stratégie”, L’Echo, 18 mei 2021.
  24. De multinational wil de gemiddelde jaarlijkse groei in hernieuwbare energiecapaciteit van +3 GW vandaag optrekken naar +4 GW tussen 2022 en 2025. Tussen 2026 en 2030 moet dit stijgen naar +6 GW per jaar. De energiegroep wil zo de totale capaciteit aan hernieuwbare energie opschalen van 31 GW vandaag naar 50 GW in 2025 en 80 GW in 2030. Zie https://www.engie.com/sites/default/files/assets/documents/2021-05/ENGIE%20SU%202021%20Presentation%20VDEFF.pdf.
  25. Korneel Delbeke, “Energiereus RWE eist compensatie voor Nederlandse kolenuitstap”, De Standaard, 5 februari 2021.
  26. In de periode 1998-2007 waren er maar 19 rechtszaken. In de periode 2010-2019 waren er in totaal 102 rechtszaken.
  27. Nieuw onderzoek toont dat de fossiele brandstofindustrie en energiemultinationals vooral in hernieuwbare energie investeren in Europa, maar in de rest van de wereld volop blijven investeren in fossiele brandstoffen: in het globale zuiden zou minder als 1% van de totale investeringen van olie en gasbedrijven naar hernieuwbare energie gaan (https://energymonitor.ai/finance/corporate-strategy/data-reveals-where-big-oil-is-building-renewables-businesses).
  28. “ArcelorMittal investeert 1 miljard in groen staal in Gent”, De Tijd, 29 september 2021.
  29. De kost van de CRM-subsidies wordt doorgerekend op de energiefactuur, maar de federale overheid heeft zich geengageerd om de stijging van de factuur te compenseren door andere kosten uit de factuur te verschuiven naar de begroting. De CRM wordt dus de facto betaald via belastingsgeld.
  30. “Net Zero by 2050: A Roadmap for the Global Energy Sector”, Internationaal Energieagentschap (IEA), 18 mei 2021.
  31. “Cost assessment of the Capacity Remuneration Mechanism”, Haulogy, 22 januari 2021.
  32. “Zes conclusies over de gascentrales en de kernuitstap”, De Tijd, 2 november 2021.
  33. Netbeheerder Elia en de regering overschatten de nood aan vervangcapaciteit sterk omdat ze in haar berekeningen weigert rekening te houden met de impact van klimaatverandering. De bevoorradingszekerheid staat vooral onder druk tijdens zeer strenge winters (met als gevolg een extreme piek in verbruik). Met de klimaatopwarming daalt de kans op zulke extreme winters echter significant. Bij het bepalen van het veilingsvolume van de CRM weigerde de regering rekening te houden met de impact van klimaatverandering (bron: Yi Yao, Wim Thiery & Sebastian Sterl, “Winter is leaving, reduced occurrence of extremly cold days in Belgium and implications for power system planning”, VUB, 18 maart 2020 en “Voorstel over de parameters waarmee de hoeveelheid in het kader van het capaciteitsmechanisme aangekochte capaciteit wordt bepaald”, (E)2067, CREG, 24 maart 2020).
  34. Dit wil niet zeggen dat we de extreme luxeconsumptie van de allerrijksten (megajachten, privéjets, ruimtereizen, etc.) niet dringend aan banden moeten leggen. Een recente studie van Oxfam over klimaatongelijkheid toonde dat de rijkste 1% tegen 2030 verantwoordelijk zal zijn voor 16% van de wereldwijde uitstoot (bron: “Carbon inequality in 2030: Per capita consumption emissions and the 1.5⁰C goal”, Oxfam, 5 november 2021). De beste manier om deze extreme luxeconsumptie aan banden te leggen zijn gerichte maatregelen op de rijken zoals een vermogensbelasting.
  35. De uitstootlimiet daalde met -1,74% tussen 2013 en 2020 en met -2,2% vanaf 2020. In het voorstel van de Europese Commissie voor de hervorming van het ETS systeem als onderdeel van de Green Deal zou de uitstootlimiet afnemen met -4,2%.
  36. Martial Toniotti, “ETS: de vervuilingsmarkt van multinationals”, Solidair, 3 november 2021
  37. “De vervuiler betaalt niet, de vervuiler krijgt betaald”, Knack, 9 december 2020.
  38. De uitstoot van de industrie bedroeg 717,8 miljoen ton in 2013 en 698 miljoen ton in 2019. Dat is een daling van slechts 2,7% op 7 jaar tijd. Cijfers ETS Dashboard, Sandbag, geraadpleegd 25 augustus 2020, https://sandbag.be/index.php/eu-ets-dashboard/.
  39. Een internationale koolstofmarkt dreigt een perverse financiële prikkel te geven aan landen om hun nationale klimaatdoelstellingen niet te verhogen. Momenteel voldoet bijna geen enkele nationale klimaatdoelstelling om de doelstellingen van het klimaatakkoord van Parijs te halen. Maar met een internationale koolstofmarkt kunnen landen hun “overschot”, de uitstootreductie die ze realiseren boven hun eigen nationale doelstelling, verkopen op de internationale koolstofmarkt. Met een internationale koolstofmarkt hebben landen er dus financieel belang bij om hun eigen doelstellingen niet te verhogen. Ze dreigt dus tot een negatieve spiraal van ambities te leiden.
  40. Jos D’haese, “De markt dumpen om het klimaat te redden”, Lava, oktober 2018
  41. Het Matteus-effect is het verschijnsel dat rijken meer dan armen of onevenredig veel profiteren van bepaalde regelingen, zelfs al is de betrokken regeling bedoelt om het tegenovergestelde te bereiken.