Artikels

De eigendom heruitvinden

Dries Goedertier

+

ROBRECHT VANDERBEEKEN

— 22 december 2017

Paradoxaal genoeg liep de crisis van 2008 uit op een versnelling van de privatisering. In zijn inspirerend boek Reclaiming Public Ownership gaat Andrew Cumbers op zoek naar nieuwe eigendomsvormen.

Réiventer la propriété

Even leek het erop dat de financiële crisis van 2008 veel heilige huisjes inzake staat, economie en samenleving zou slopen. De injectie van gigantische publieke middelen in de financiële sector, de nationalisatie van sleutelbanken, het viel allemaal moeilijk te rijmen met de neoliberale dogma’s. Helaas, nu het stof van de crisis wegtrekt, zien we dat er in de financiële sector weinig of niets veranderd is. En de regering Michel laat weten Belfius weer te willen verkopen aan de privésector.

Publieke eigendom impliceert ook gezamenlijk beheer.

In die context dringt er zich een debat op over de gewenste eigendomsvormen van een economie die productief en efficiënt moet zijn en tegelijk sociaal en ecologisch rechtvaardig. De commonskunnen in dat debat een rol spelen. Er is een stroming die de commons ziet als een derde factor, die naast de twee andere – meer onderdrukkende factoren – de staat en het kapitaal kan bestaan. Wij zien dat anders. Waarom zouden we niet kunnen ijveren voor een niet-geprivatiseerde dienstverlening die zowel nieuwe commons als de oude openbare diensten integreert? Daarbij rijst de vraag op welke schaal – lokaal, nationaal of internationaal – we publieke eigendom en commons best organiseren.

Met zijn boek Reclaiming Public Ownership. Making Space for Economic Democracy heeft Andrew Cumbers een waardevolle bijdrage geleverd aan dat debat. Deze geograaf en politiek econoom van de University of Glasgow reikt denkpistes aan over nieuwe vormen van publiek eigenaarschap die economische democratie mogelijk moeten maken.

Eigenaarschap

Onder publieke eigendom verstaat Andrew Cumbers alle eigendomsvormen in gemeenschappelijke handen en beheer die ingrijpen in de drie pijlers van een kapitalistische economie: de loonarbeidsverhoudingen, de private eigendom en de markt.

Omdat deze definitie zo breed is, kan publieke eigendom voor Cumbers zowel slaan op overheidsbedrijven en openbare diensten als op werknemers-coöperatieven en commons. Hij stuurt daarmee aan op een open debat met verschillende stromingen die wel streven naar hetzelfde doel maar daarom niet altijd dezelfde weg kiezen.

Publieke eigendom impliceert, zo schrijft Cumbers, ook gezamenlijk beheer. Wil een economie in het teken staan van het algemeen belang, dan moeten werknemers, burgers en consumenten er samen vorm en richting aan kunnen geven. Net daarom is het eigendomsvraagstuk ook zo cruciaal. De privatisering van essentiële openbare diensten reduceert de economische beslissingsmacht immers tot een smalle concentratie in handen van enkelen. Cumbers legt hier de link met de toenemende sociale ongelijkheid, want door de privatisering van de openbare diensten verliest de overheid cruciale instrumenten om beleidsdoelstellingen te realiseren die normaliter uit een democratisch besluitvormingsproces zouden voortvloeien. Zo maakt private eigendom van de energiebedrijven het de overheden bijzonder moeilijk werk te maken van de noodzakelijke sociaal-ecologische transitie. En private eigendom van rusthuizen maakt toegankelijke en menswaardige zorg bijzonder moeilijk. Wat dan nog rest aan beleidsinstrumenten is heel mager. Alleen subsidies kunnen private bedrijven nog verleiden tot investeringen in duurzame energie, zorg, openbaar vervoer of onderwijs. Doeltreffend kun je dat niet noemen.

Limieten aan de planning …

Cumbers pleit voor publieke eigendomsvormen met meer collectieve besluitvorming, betrokkenheid en participatie dan vroeger doorgaans het geval was. In het eerste deel van zijn boek trekt hij lessen uit de ervaringen van de gemengde economie in het Westen en van de planeconomieën in de Sovjet-Unie en China.

Hij inspireert zich daarbij op ‘marktsocialisten’ zoals Geoffrey Hodgson, Theodore Burczak en Alexander Nove. Die trachten socialistische aspiraties naar meer democratische, gelijke en coöperatieve eigendomsvormen te combineren met een blijvende rol voor de markt in de economische coördinatie en in de toewijzing van middelen. Met Friedrich Hayek menen marktsocialisten dat centrale planning heel moeizaam functioneert omwille van de moeilijkheid alle relevante sociaaleconomische informatie te verzamelen en te integreren. Consumptienoden en productieomstandigheden veranderen voortdurend. Veranderingen voorspellen is niet eenvoudig. Heel wat relevante informatie en kennis schuilt in ongeschreven, ongeregistreerde gewoontes, regels, sociale praktijken en routines waar je maar moeilijk de vinger op kunt leggen. Deze tacit knowledge (Michael Polanyi) of ‘stilzwijgende kennis’ is een vorm van kennis die ‘in het hoofd’ zit en moeilijk traceerbaar is. Ze verspreidt zich in de samenleving via complexe arbeidsverdelingen. Het doen en laten van consumenten en producenten, van managers en werknemers in al hun verhoudingen is ermee verbonden. Het was, zeker in een pre-digitaal tijdperk, bijzonder moeilijk dat te codificeren en beschikbaar te maken voor een centraal plan.

Markten daarentegen – Cumbers heeft het over het vrijwel onbestaande – ideaaltype van de vrije markt, worstelen minder met dat probleem omdat de beslissingsbevoegdheid er in theorie gedecentraliseerd is. Er is geen centrale instantie die alles moet opvolgen en daar is in de vrije markt ook geen nood aan. Door deze decentralisatie ontstaat meer ruimte voor experimenten met nieuwe productieprocessen, nieuwe producten en nieuwe managementmethodes. Planeconomieën daarentegen worstelen met een tendens tot autoritarisme, met een kleine elite die de relevante economische beslissingen neemt en met bureaucratische structuren die de interactie en uitwisseling van ideeën belemmeren zodat innovatie uitblijft.

Toch geeft Cumbers een genuanceerd beeld van de planeconomie. Zeker voor sectoren die gericht zijn op grootschalige productie kon een centrale bepaling van de noden tot een meer efficiënte toewijzing van middelen leiden dan dat de prijssignalen van de markt dat doen. Volgens Alexander Nove was de Sovjet-Unie bijvoorbeeld zeer goed in langetermijnplanning inzake energiebehoeften. Beslissen over de energievoorziening binnen tien of twintig jaar doe je met kwantitatieve inschattingen van vraag en aanbod, niet met prijzen.

…en aan de markt

Ook de ervaringen van Groot-Brittannië, Frankrijk en Zuid-Korea met staatsbedrijven komen in het boek aan bod. De nationalisering van talloze sectoren in Groot-Brittannië na de Tweede Wereldoorlog heeft er de macht van de kapitalistische klasse niet ondergraven. De financiële belangen van de City legden permanent een hypotheek op het productieve potentieel van de Britse economie. Daardoor konden overheidsbedrijven in Engeland, in tegenstelling tot die in Frankrijk bijvoorbeeld, niet ten volle bijdragen tot economische modernisering en een hogere levensstandaard. Het is een waardevolle les dat overheidsbedrijven hun economische en sociale meerwaarde maar kunnen realiseren wanneer de invloed van de financiers op de economie onder controle blijft.

Cumbers stelt kritische vragen over het soort commons dat zich zowel van het kapitaal als van de staat wil losrukken.

Hayeks idee van een perfect competitieve vrije markt is volgens Cumbers theoretische fictie, ver weg van de realiteit. De vrijemarkteconomie heeft evengoed tot bureaucratische megabedrijven en tot machtsconcentratie geleid door zichzelf bedienende aandeelhouders en topmanagers. En net zoals planeconomieën worstelen deze bedrijven met de tacit knowledge die schuilgaat in de verhouding tussen producenten en consumenten, tussen managers en werknemers en tussen werknemers onderling.

Cumbers vindt dat er voor een economische democratie en voor een goede omgang met de tacit knowledge een waaier aan economische eigendomsvormen nodig is. Een economie met verschillende modellen van eigendom en beheer kan de monopolisering van kennis verhinderen en onderlinge communicatie en gedeelde innovatie stimuleren. Daarom pleit hij voor een gecontroleerde marktwerking en voor gedecentraliseerde, flexibele economische structuren, bijvoorbeeld in de consumptiesectoren met hun complexe vraag en hun veelvoud aan individuele voorkeuren. In combinatie met arbeiders-coöperatieven kan dat ook de kapitalistische loonarbeidsverhoudingen onder druk zetten.

Maar Cumbers onderstreept dat een streng gecontroleerde markteconomie met coöperatieve bedrijven op zich nog geen paal en perk stelt aan de oriëntatie op het eigenbelang van die markteconomie. Ook het eigenbelang van coöperatieve ondernemingen leidt ons niet in de richting van een economie met universele rechten waarin iedereen een menswaardig bestaan kan opbouwen. Daarom is de rol van planning en van publieke eigendom van het staatstype nog lang niet uitgespeeld.

Cumbers nodigt de marktsocialisten uit na te denken over nieuwe publieke eigendomsvormen. Hij geeft evenwel toe dat hij vaag blijft over cruciale vraagstukken zoals het vraagstuk over de rol van de markt in het financiewezen. Dat is jammer, gezien zijn analyse over het debacle van de Britse overheidsbedrijven. Een uitgewerkte visie over de markt ontbreekt, wat Cumbers ruiterlijk toegeeft. Hij wil vooral benadrukken dat we niet al onze eieren in één korf mogen leggen.

Verwacht niet alle heil van de commons

Ook niet in de korf van de commons. Cumbers voert een constructieve dialoog met commons-denkers Massimo De Angelis en John Holloway. Hij put inspiratie uit hun engagement voor gemeenschappelijk eigendom en democratische participatie. Zij definiëren commons als niet-kapitalistische organisatievormen met het oog op een economie waarin gebruikswaarde, sociale nood, wederkerigheid, solidariteit en horizontale besluitvorming centraal staan.

Ondanks zijn sympathie ervoor stelt Cumbers kritische vragen over het soort commons dat zich zowel van het kapitaal als van de staat wil losrukken. Hij vraagt zich af of het haalbaar is en überhaupt wenselijk? In het stellige streven naar autonomie kan de afkeer voor de staat zich vertalen in een zelfgekozen isolement. De prioriteit ligt dan eenzijdig bij het lokale, als de schaal bij uitstek voor nieuwe economische en politieke praktijken en experimenten. Politiek komt dan neer op de horizontale combinatie van lokale bewegingen en plaatsen zonder dat daar verticale structuren aan te pas komen.

Cumbers hekelt de vaagheid bij De Angelis en Holloway over hoe dat dan wel moet gebeuren. Er zijn volgens hem grenzen aan het organisatorisch vermogen van lokale commons om de nationale schaal te omzeilen via horizontale netwerken, al houdt hij geen pleidooi voor een politiek die uitsluitend via staatsinitiatief werkt. Integendeel, hij benadrukt de nood aan zelforganisatie van onderuit. Maar een schikking met de staat is volgens hem onvermijdelijk om de commons te behoeden voor incorporatie in de circuits van het kapitaal. In navolging van Antonio Gramsci beschouwt Cumbers de staat als een terrein van strijd waarop de linkerzijde in het verleden successen heeft geboekt. Hij sluit aan bij de kritiek dat staatsbedrijven vaak kapitalistische belangen hebben gediend en hyperbureaucratisch waren. Dat moet anders en hier is voor de commons een belangrijke rol weggelegd. Maar de staat verwerpen, werkt contraproductief.

Het belang van schaal

Net als David Harvey vestigt Cumbers de aandacht op het geconstrueerde en onvermijdelijk tijdelijke karakter van ruimtelijke plaatsen en schalen. Het kapitalisme reorganiseert de ruimte continu. Cumbers ziet een contrast tussen dat opmerkelijke vermogen de ruimte voortdurend te herscheppen en de eerder starre keynesiaanse nationale welvaartsstaat. De neoliberale globalisering leidde tot gewijzigde schaalverhoudingen. Nationale staten raakten geprangd tussen supranationale structuren zoals de Europese Unie en een nieuw regionalisme waarmee regio’s hun eigen concurrentiepositie willen boosten.

Noorwegen en Denemarken zijn landen die hun energiesector een democratisch en ecologisch elan geven dankzij diverse en geschaalde publieke eigendomsstructuren.

Beweren dat één specifieke schaal dé schaal bij uitstek is van het sociaaleconomische beleid is daarom onhoudbaar. Cumbers vindt het dan ook onverstandig één schaal te verkiezen boven de andere als het gaat om de uitbouw van nieuwe vormen van publieke eigendom, waarbij hij opmerkt dat schalen ook politiek geconstrueerd zijn. In België bijvoorbeeld wil de N-VA confederalisme en de ontmanteling van de Belgische welvaartsstaat om Vlaanderen aantrekkelijker te maken voor investeerders. Cumbers ziet ook in zulk een gedecentraliseerde en geregionaliseerde schaal mogelijkheden voor openbare diensten. Want waarom zou Vlaanderen als economische ruimte en verbeelde gemeenschap per definitie moeten samenvallen met het beeld dat ondernemers als Fernand Huts ervan optrekken? Zaak is de hegemonische gelijkschakeling tussen de belangen van neoliberale ondernemers en die van de Vlamingen door te knippen. Wie de strijd aangaat met de competitiviteitsagenda van de N-VA en voor Belgische solidariteit en sociale zekerheid pleit, moet meer aandacht besteden aan plaats en schaal in het uitwerken van een alternatief. Onder andere het mobiliteitsbeleid van minister Ben Weyts dwingt ons ertoe plaats en schaal ernstig te nemen. Met de nieuwe indeling in een kernnet, een aanvullend net en het ‘vervoer op maat’ krimpt de rol van De Lijn en ontstaat ruimte voor privaat initiatief. Maar als winstvooruitzichten het aanbod bepalen, vallen kleine afgelegen gemeenten als eerste uit de boot. Er zal zogezegd meer inspraak zijn van de gemeenten. Maar zonder een groter mobiliteitsbudget zal dat enkel leiden tot politiek gekibbel en interstedelijke concurrentie. Rijke steden zullen eventueel zelf vervoerdiensten kunnen aanbieden. Arme steden zullen met lege handen achterblijven. Dat geeft helder aan dat de linkerzijde zich best niet terugplooit op het lokale.

Want steden en gemeenten kunnen heel goed het voortouw nemen in het ongedaan maken van privatiseringen. Volgens een recent rapport hebben wereldwijd minstens 1600 steden besloten de nutsvoorzieningen terug in eigen handen te nemen. Het rapport toont echter ook aan dat politieke organisatie en mobilisatie op een hogere schaal nodig is om lokaal een goede dienstverlening te garanderen. Soms kan ook het omgekeerde. Cumbers pleit ervoor waardevolle lokale projecten op te schalen – bijvoorbeeld door allianties tussen steden – zodat de voordelen ervan voor iedereen in een regio of land beschikbaar zijn. Hij geeft het voorbeeld van de Britse National Health Services. Deze NHS was geënt op de Tredegar Medical Aid Society, een lokale mutualiteit van mijnwerkers in Zuid-Wales. Aneurin Bevin, de drijvende kracht van Labour achter de NHS, wou de voordelen ervan uitbreiden tot de hele bevolking. “We are going to Tredegarise you, zei hij plechtig aan het Britse volk.

Publieke eigendom voor de 21e eeuw

Cumbers is geïnspireerd door de Oostenrijkse socialist Otto Neurath. Volgens Neurath moest een programma van socialisatie de positieve bijdrage erkennen van zowel coöperatieven als van grootschalige productiebedrijven om een collectieve economie te realiseren. Ook Karl Kautsky zag in een socialistische samenleving verschillende eigendomsvormen (nationale, stedelijke, productie- en consumptiecoöperatieven, zelfs private) naast elkaar bestaan. Cumbers haalt daarmee socialistische denktradities over eigendomsvormen en schaal van onder het stof. Daarin schuilt de meerwaarde van zijn werk. Verscheidenheid is de rode draad in zijn boek. Daarbij vertrekt hij vanuit het inzicht dat een trade-off nodig is, een wisselwerking tussen centralisatie en decentralisatie, alsook tussen marktwerking en publiek-publieke samenwerking. Hij moedigt ons aan diverse vormen van publieke eigendom met elkaar te combineren zodat ze elkaar versterken en al doende na te denken over de beste schaal om ze te implementeren.

Cumbers haalt socialistische denktradities over eigendomsvormen en schaal van onder het stof.

Een uitgewerkte blauwdruk is hier om evidente redenen onmogelijk. Toch prikkelt Cumbers ons met een vrij concreet beeld van hoe een socialistische economie er zou kunnen uitzien. Hij doet dat door zes verschillende vormen van publieke eigendom te identificeren: de bedrijven in volle staatseigendom, bedrijven die gedeeltelijk in staatshanden zijn, de lokale of stedelijke bedrijven, de bedrijven in handen van werknemers, de productiecoöperatieven en de consumentencoöperatieven. Zo’n diverse, meerschalige economie in publieke handen moet de strategische sleutelsectoren in handen nemen, ze moet bijdragen tot inkomensgelijkheid en ecologische rechtvaardigheid en ze moet de participatie van werknemers, consumenten en burgers stimuleren. Trade-offs zijn onvermijdelijk omdat geen enkele publieke eigendomsvorm in staat is al deze doelstellingen alleen te realiseren. Een klassiek overheidsbedrijf kan een sleutelsector uitbaten en van cruciaal belang zijn voor de uitwerking van plannen om grootschalige problemen zoals de klimaatopwarming aan te pakken. Stedelijke bedrijven zijn daar ook toe in staat, maar scoren beter als het aankomt op controle door de lokale gemeenschap over bijvoorbeeld strategische grondstoffen. Productiecoöperatieven en commons zijn dan weer erg bevorderlijk voor het genereren van participatie en betrokkenheid van werknemers en gebruikers bij de organisatie van de onmiddellijke productie. Ze zijn vanwege hun schaal evenwel minder geschikt om grote publieke beleidsdoelstellingen te realiseren.

Cumbers beschrijft Noorwegen en Denemarken als landen die hun energiesector een democratisch en ecologisch elan hebben gegeven dankzij diverse en geschaalde publieke eigendomsstructuren. Vooral het Deense model is inspirerend. Een bloeiende windenergiesector heeft er wortels in lokale gemeenschappen en is er gebaseerd op coöperatieve, stedelijke en kleinschalige private bedrijven. De Deense overheid stond in voor de coördinatie, zette doelstellingen voorop en voerde een gunstige belasting- en subsidiepolitiek om de deelname van burgers aan coöperatieven te stimuleren. Sommige bedrijven zijn er voor de helft in handen van een lokale overheid en voor de andere helft coöperatief. Het Deense model illustreert treffend wat Cumbers met herschaling en trade-off bedoelt.

Ook andere auteurs denken in deze richting. In haar laatste boek geeft Naomi Klein nog een ander voorbeeld van opschaling. De Canadian Union of Postal Workers werkte een plan uit om ieder postkantoor van het land in te zetten als een knooppunt voor de distributie van wat de vakbond ‘gemeenschapskracht’ noemt, met een groene en sociale transitie als doel. Mensen zouden er bijvoorbeeld hun elektrische voertuigen kunnen opladen. Postkantoren zouden ook banktaken vervullen en leningen verstrekken voor de oprichting van energiecoöperatieven. En waarom zouden postmannen en -vrouwen geen lokale producten – voedsel bijvoorbeeld – kunnen leveren, of toezien op het welzijn van zorgbehoevenden? Eerder dan een defensieve strijd te voeren tegen de volgende stap in de privatisering, zouden vakbonden samen met burgerbewegingen een offensieve stap vooruit kunnen zetten in een gezamenlijke strijd voor openbare diensten die op een veelzijdige manier een maatschappelijke en ecologische meerwaarde genereren voor lokale en nationale gemeenschappen.

Een cruciale bijdrage

Een economie kan niet enkel op commons steunen, enkel op centrale planning of enkel op markten. Vanuit die stelling gaat Cumbers op zoek naar de dynamiek van toewijzingsmechanismen met naast publieke eigendom en planning een blijvende maar niettemin beperkte en gecontroleerde rol voor private eigendom, competitie en markten. Zijn verhaal laat ruimte voor lokale, regionale en nationale verscheidenheid. De ruimtelijke schaal, de meest geschikte eigendomsvorm en het passende regelgevende en institutionele raamwerk kan verschillen van sector tot sector en van context tot context. Cumbers presenteert schematisch een aantal mogelijkheden. Daarbij heeft hij het ook over de financiële sector: openbare investeringsbanken moeten een publiek en dus democratisch mandaat krijgen om te investeren in de sleutelsectoren van de economie. Dergelijke banken zijn volgens de Griekse politieke econoom Costas Lapavitsas onmisbaar opdat de geest van publieke dienstbaarheid het in de bredere economie zou halen van het private winstbejag. In termen van schaal laat Cumbers ruimte voor zowel nationale als lokaal verankerde openbare banken.

Steden en gemeenten kunnen heel goed het voortouw nemen in het ongedaan maken van privatiseringen.

Toch een punt van kritiek. Het voorbeeld van Denemarken toont hoe de strijd tegen de opwarming van de aarde zich dient te beroepen op een combinatie van het publieke initiatief van centrale overheden, lokale besturen en burgercoöperatieven. Volgens Cumbers is het kapitalisme een falend economisch stelsel omdat ongelimiteerde groei onvermijdelijk botst op de natuurlijke grenzen van de planeet. Marktwerking en private eigendom moeten volgens hem wel kunnen blijven bestaan in sectoren die consumptiegoederen en diensten voortbrengen. Maar uit het exposé van Cumbers wordt niet duidelijk of er markten mogelijk zijn die niet gebukt gaan onder de expansieve accumulatielogica van het kapitaal. Kunnen we zoiets installeren als niet-kapitalistische markten waarin groei geen sine qua non is? Daarbij, hoe kunnen we verhinderen dat marktconcurrentie tussen coöperatieve bedrijven leidt tot overproductie? Hoe zorg je ervoor dat de consumptie van deze marktgoederen ecologisch duurzaam blijft? Cumbers heeft niet meteen een antwoord op deze vragen en blijft heel vaag over de rol van markten in een socialistische economie. Gezien de grenzen aan de groei lijkt democratische planning alleszins onvermijdelijk.

Er zijn nog een aantal minpunten. Ondanks zijn nadruk op schaal gaat Cumbers niet echt in op de neoliberale begrotingsverdragen van de Europese Unie die een rem zetten op de uitbouw van een publiek alternatief. Wat kunnen we daartegen inbrengen? Zijn er op Europese schaal initiatieven mogelijk zoals openbare investeringsbanken?

Deze open vragen ten spijt biedt het boek heel wat inspiratie, argumenten en perspectieven voor vakbonden, burgerbewegingen en partijen die in de organisatie van onze samenleving een meer centrale plaats willen toebedelen aan publieke eigendom. Cumbers stippelt een denkpiste uit waarin verschillende visies – ondanks hun tegenstellingen – toch aansluiting vinden bij elkaar. Hij bouwt bruggen. Daardoor veranderen stellingenoorlogen in wederzijds probleemoplossende perspectieven. Zo neemt hij met de nodige nuance al heel wat hindernissen in het uitdenken van een alternatief voor het neoliberalisme.

Tegelijk zet hij daarmee ook het debat over de commons op scherp. Want in onze contreien, anders dan bijvoorbeeld in Groot-Brittannië, zit dat debat nog sterk onder de stolp van lokale alternatieve initiatieven die de belofte van een postkapitalistische maatschappij in zich zouden dragen. Hoe kunnen burgerinitiatieven dan uitgroeien tot een massamobilisatie van onderuit die een beweging pro publieke eigendom op gang trekt, zodat we onze samenleving uit de wurggreep van het neoliberalisme kunnen terugwinnen?

Andrew Cumbers, Reclaiming Public Ownership. Making Space for Economic Democracy, 2016, Zed Books, 264 p. ISBN 978-1780320069.