Artikel

“Welfare, not warfare”: sociale rechtvaardigheid en vrede horen samen

Peter Mertens

—13 juni 2026

Op 14 juni trekken we door de straten van Brussel. Niet voor een kleinigheid, maar voor een fundamentele keuze: “welfare, not warfare”. Welvaart, geen oorlog. Zorg, geen raketten. Pensioenen, geen gevechtsvliegtuigen. Scholen, geen tanks.

Shutterstock

De heersende klasse doet niets liever dan sociale rechtvaardigheid en vrede uit elkaar halen. Alsof de oorlogseconomie een buitenlands dossier is, ver weg van de boterhamdoos, de ziekenhuisfactuur of de pensioenleeftijd. Maar dat is precies de leugen die men ons wil doen geloven. De waarheid is eenvoudiger: dezelfde regeringen die zeggen dat er geen geld is voor onze sociale zekerheid, vinden plots miljarden voor wapens. Dezelfde politieke leiders die mensen langer willen laten werken, leggen de rode loper uit voor Lockheed Martin, Rheinmetall en andere wapensmeden. Dezelfde ministers die besparen op zieken, werklozen en gepensioneerden, schrijven blanco cheques uit voor de oorlogseconomie.

De kas is leeg, behalve voor wapens

Natuurlijk zijn beide strijdpunten met elkaar verbonden. De Belgische minister van Defensie, Theo Francken, steekt niet eens onder stoelen of banken dat hij extra geld voor militarisering wil halen bij de sociale zekerheid en de publieke diensten. Iedereen die opkomt voor een goed pensioen, betaalbaar onderwijs, sterke zorg of degelijke openbare diensten, botst dus vroeg of laat op de oorlogskoorts die publiek geld wil gebruiken voor peperdure militaire bestellingen.

Jarenlang kregen we te horen dat de kas leeg was. Geen geld voor meer zorgpersoneel, geen geld voor betaalbare energie, geen geld om wachtlijsten weg te werken, geen geld om pensioenen te versterken. Geen geld voor scholen waar het niet binnenregent, voor treinen die op tijd rijden of voor lonen die de prijzen bijhouden. Maar zodra het over militarisering gaat, verandert de toon. Dan is de kas plots niet leeg, dan heet schuld maken geen spilzucht maar moed, en dan is een miljard geen probleem, tien miljard geen taboe en dertig miljard slechts een begin.

Europa bewapent zich kapot, niet alleen om defensie uit te bouwen, maar vooral om buitenshuis te kunnen interveniëren. Het gaat om de oude koloniale reflex in een nieuw uniform.

In België ging het militaire budget in enkele jaren tijd door het plafond. Terwijl bijna alle departementen moeten besparen, krijgt het oorlogskabinet massaal geld bij. De komende jaren liggen er tientallen miljarden klaar voor gevechtsvliegtuigen, fregatten, raketten en gepantserde voertuigen. Tegelijk moet de bevolking inleveren: de pensioenmalus moet mensen langer op de werkvloer houden, langdurig zieken worden opgejaagd, werklozen worden gesanctioneerd, patiënten betalen meer voor medicijnen en de automatische index en premies liggen onder vuur. Dat is de begrotingslogica van de oorlogseconomie.

Men zegt: veiligheid heeft een prijs. Dat klopt. Maar de vraag is welke veiligheid, voor wie, en wie betaalt? Is een alleenstaande moeder veiliger wanneer haar energiefactuur onbetaalbaar wordt, maar er een nieuw fregat wordt besteld? Is een bouwvakker veiliger wanneer hij tot 67 of 70 moet werken, terwijl de regering miljarden uitgeeft aan aanvalswapens? Is een verpleegkundige veiliger wanneer haar afdeling onderbemand blijft, maar ziekenhuizen tegelijk worden klaargestoomd voor oorlogsscenario’s?

Oorlog naar buiten, militarisering naar binnen

De oorlogskoorts maakt de samenleving niet veiliger, integendeel. Men drijft angst en paniek op om steeds meer wapentuig op te stapelen en een nieuwe generatie klaar te stomen voor oorlog. De militarisering kruipt de samenleving binnen: in scholen, universiteiten, ziekenhuizen, media en huiskamers. Jongeren worden aangesproken als toekomstige soldaten. Militaire campagnes beloven discipline, avontuur en een loon, terwijl ze zwijgen over de rauwheid van oorlog en dood. Onderzoek aan universiteiten wordt steeds vaker richting militaire industrie geduwd. Ziekenhuizen krijgen plannen voorgeschoteld waarin de zorglogica ondergeschikt wordt aan militaire noodscenario’s. De grens tussen civiel en militair vervaagt.

Peter Mertens is socioloog, algemeen secretaris van de PVDA-PTB (België) en auteur van Muiterij, hoe onze wereld kantelt (EPO, 2023) en De laatste dagen van het oude normaal. Europa, Trump en tegenmacht (EPO, 2026)

Dat is gevaarlijk. Een samenleving die zich voorbereidt op oorlog, verandert van binnenuit. Ze went aan bevelen, wantrouwt kritiek en applaudisseert op het ritme van de oorlogstrom. Pacifisten worden weggezet als naïef, vakbondsmensen als onverantwoordelijk en oppositiepartijen als bondgenoten van de vijand. Militarisering naar buiten gaat altijd gepaard met militarisering naar binnen: met het creëren van een binnenlandse vijand, het inperken van democratische ruimte en het normaliseren van autoritaire reflexen.

Wij weigeren die chantage. Wij weigeren de afbraak van pensioenen, sociale zekerheid en democratische rechten die door meer dan een eeuw arbeidersstrijd zijn opgebouwd. Wij weigeren te aanvaarden dat jongeren kanonnenvoer zijn en ouderen budgetposten. Wij weigeren een toekomst die zou moeten bestaan uit meer wapens en meer oorlog, betaald door langer werken, minder zorg, en hogere facturen.

Europa bewapent zich kapot

Het is naïef om te denken dat een gemilitariseerd, verkrampt en overbewapend Europa ons dichter bij vrede zal brengen. Europa bewapent zich kapot, niet alleen om defensie uit te bouwen, maar vooral om buitenshuis te kunnen interveniëren. Fregatten voor de Rode Zee, gepantserde voertuigen voor de Sahel en militaire aanwezigheid rond grondstoffenroutes hebben weinig te maken met landsverdediging en alles met de belangen van grote bedrijven.

Het gaat om kobalt, lithium, uranium, gas, olie en toevoerketens. Het gaat om de oude koloniale reflex in een nieuw uniform. De namen veranderen en de technologie evolueert, maar de machtsstructuren blijven herkenbaar: Europa bouwt een nieuw imperialisme uit, onder leiding van een steeds groter Duits militair apparaat.

Een samenleving die zich voorbereidt op oorlog, verandert van binnenuit. Militarisering naar buiten gaat altijd gepaard met militarisering naar binnen.

Je wordt niet veiliger door de ander steeds meer te bedreigen. Dat leidt tot een veiligheidsdilemma: wat de ene kant defensief noemt, ziet de andere als offensief, en zo bewapent iedereen zich verder. De uitkomst laat zich raden: in plaats van veiligheid wordt de situatie gevaarlijker. We hebben nood aan gemeenschappelijke veiligheid, waarbij de veiligheid van de ene niet ten koste gaat van de andere. Wie vrede wil, moet vrede voorbereiden. Dat betekent diplomatie, ontwapening, internationale samenwerking, respect voor internationaal recht en veiligheidsstructuren waarin ook tegenstanders met elkaar praten. Dat is geen naïviteit, maar het enige realisme dat werkt. De overgrote meerderheid van conflicten eindigt uiteindelijk toch aan tafel.

Sociale strijd en vredesstrijd zijn één strijd

De arbeidersbeweging kan niet stil zijn over militarisering en oorlog. De vredesbeweging kan niet zwijgen over sociale rechtvaardigheid. “Welfare” gaat hand in hand met het verwerpen van “warfare”. Onze kracht ligt precies in het verbinden van die strijdpunten: de verpleegkundige die meer handen aan het bed wil, de leerkracht die kleinere klassen wil, de arbeider die een waardig pensioen wil, de jongere die geen oorlogstoekomst wil, de klimaatactivist die weet dat militarisering ook ecologische vernietiging betekent, de vredesactivist die diplomatie eist en de vakbondsmilitant die weigert dat de sociale zekerheid wordt geplunderd.

Ook feministische, antiracistische en internationale solidariteitsbewegingen maken deel uit van diezelfde tegenmacht. Zij staan niet naast elkaar, zij versterken elkaar. Want de oorlogseconomie raakt iedereen: ze rooft middelen weg uit de zorg, duwt jongeren richting militarisering, bedreigt democratische rechten, voedt racisme en vijandbeelden, versnelt de klimaatcrisis en maakt van Europa opnieuw een machtsblok dat de economische belangen van de grote Europese monopolies overal ter wereld militair wil “veiligstellen”.

14 juni: een Europese tegenmacht op straat

De organisatoren van de betoging op 14 juni zijn erin geslaagd een unieke en brede coalitie op de been te brengen. De twee grote vakbonden, het ABVV en het ACV, hebben de mars opgenomen in hun actieplannen tegen de asociale Arizona-regering. Zij begrijpen dat de strijd voor fatsoenlijke lonen, sterke openbare diensten en goede pensioenen onlosmakelijk verbonden is met het verzet tegen het oorlogskabinet.

Maar de betoging van 14 juni wordt tegelijk een kruispunt van Europese weerstand. Uit Italië komt de ervaring van vakbonden en vredesbewegingen die de afgelopen jaren grote acties organiseerden tegen oorlog, wapenleveringen en militaire escalatie. Dokwerkers, syndicalisten, vredesactivisten en sociale bewegingen weigerden er telkens opnieuw om de Middellandse Zee te laten veranderen in een logistieke corridor voor oorlog.

“Welfare, not warfare” is een kompas. Het zegt dat onze samenleving niet gebouwd moet worden rond angst, concurrentie en bewapening, maar rond solidariteit, sociale rechten en vrede.

Uit het Verenigd Koninkrijk komt de kracht van een vredesbeweging die samen met vakbonden en antiracistische organisaties massa’s mensen op straat bracht tegen oorlogspolitiek, tegen de genocide in Gaza en tegen de medeplichtigheid van Europese regeringen. Uit Duitsland komen jongeren die de klaslokalen verlieten om te zeggen dat hun toekomst niet die van kanonnenvoer is. Hun schoolstakingen tegen dienstplicht en militarisering tonen een generatie die niet aanvaardt dat haar scholen verkommeren terwijl de Bundeswehr overal reclame maakt. Ook het verzet van Duitse zorgwerkers, artsen en ziekenhuispersoneel tegen de militarisering van de gezondheidszorg is een belangrijk signaal: ziekenhuizen moeten mensen genezen, niet worden omgevormd tot schakels in een oorlogsinfrastructuur.

Naast de wereld van de arbeid staat de jeugd op de barricaden, schouder aan schouder met de klimaatbeweging, vrouwenbewegingen, antiracistische organisaties, ngo’s zoals 11.11.11, vredesorganisaties en internationale netwerken zoals Stop ReArm Europe. Precies die breedte maakt 14 juni zo belangrijk. De betoging brengt samen wat men uit elkaar probeert te spelen: sociale strijd en vredesstrijd, vakbonden en jongeren, klimaatactivisten en zorgwerkers, Belgische bewegingen en Europese netwerken zoals de partijen en organisaties van Europees Links.

Op 14 juni komen we dus niet alleen op straat tegen oorlog. We komen op straat voor het leven. “Welfare, not warfare” is geen leiddraad voor één dag, maar een kompas. Het zegt dat onze samenleving niet gebouwd moet worden rond angst, concurrentie en bewapening, maar rond solidariteit, sociale rechten en vrede. Het zegt dat de machinekamer van het land niet draait dankzij generaals en aandeelhouders, maar dankzij de mensen die werken, zorgen, leren, onderwijzen, vervoeren, genezen en bouwen.

Origineel verschenen op Jacobin.de : https://jacobin.de/artikel/gerechtigkeit-frieden-bruessel-demo-peter-mertens-ptb