Artikel

Toespraak aan stakende mijn-werkers

Mother Jones

—25 juni 2026

Mary G. Harris Jones, geboren in 1837, kreeg van een openbaar aanklager de bijnaam “de gevaarlijkste vrouw van Amerika”. Vanwege haar activisme kreeg ze in verschillende Amerikaanse staten een toegangsverbod, en werd ze herhaaldelijk gearresteerd en opgesloten. Als vakbondsorganisator en lid van de Socialist Party of America stond ze in de frontlinie van de Amerikaanse mijnstakingen tijdens de eerste twee decennia van de 20e eeuw.

Ze doorkruiste het hele land om arbeiders te organiseren. Dat waren hoofdzakelijk mijnwerkers, maar evengoed vrouwen en kinderen. Zo organiseerde ze onder meer een kindermars naar Washington om te protesteren tegen hun gedwongen arbeid.

De mijnwerkersstakingen van Cabin Creek en Paint Creek, die duurden van 1912 tot 1913, kregen massale steun van Mother Jones. Ze vormden het begin van wat de West Virginia Coal Wars werd genoemd: een periode van bijna tien jaar vol stakingen en militante acties in de mijnsector. De mijnwerkers eisten loonsverhoging, betere werkomstandigheden en de erkenning van hun vakbond, de United Mine Workers. Toen de werkgevers die eisen weigerden, liepen de spanningen op en huurden de bedrijven gewapende agenten in om de beweging te breken. De stakers reageerden door zich op hun beurt te bewapenen, met de hulp van activisten van de socialistische partij. Daarop kondigde de gouverneur van West-Virginia de staat van beleg af in de regio, wat de spanningen alleen maar deed toenemen. In 1920 bereikten die een absoluut hoogtepunt en ontketenden ze de Battle of Blair Mountain, de grootste opstand in de Verenigde Staten sinds de Burgeroorlog.

Mother Jones bleef een centrale figuur in deze “mijnenoorlogen” tot aan haar arrestatie. Ze werd opgesloten in een militaire gevangenis en veroordeeld tot twintig jaar cel wegens het aanzetten tot geweld. Onder druk van een grootschalige mobilisatie liet de gouverneur haar uiteindelijk vrij na amper 85 dagen opsluiting. Ze nam haar activistische werk weer op en ging ermee door tot haar overlijden in 1930, op meer dan 90-jarige leeftijd.

 

D vanavond toont aan dat er een ziekte door deze staat woekert die moet worden uitgeroeid. Het volk heeft er geduldig onder geleden. Ze hebben beledigingen, onderdrukking en wreedheden verdragen. Ze hebben een beroep gedaan op hun gouverneur, ze hebben een beroep gedaan op de rechtbanken, ze hebben een beroep gedaan op de procureur-generaal, en elke keer werden ze afgewezen. Ze werden genegeerd. Naar het volk hoeft niet geluisterd te worden. De grote bedrijven krijgen wél gehoor.

De vorige keer dat we hier op het Capitoolterrein waren, hadden jullie een petitie bij de gouverneur om een vreedzame oplossing voor deze toestand te vragen. De mijneigenaars, de bankiers en de plunderaars van de staat gingen door de zijdeur naar binnen en kregen gehoor, en jullie niet.

Nu stellen de mijneigenaars voor om een commissie op te richten. De mijnwerkers dienden een lijst met namen in om uit te kiezen. En de mijneigenaars zeiden: “We zullen geen commissie hebben.” Maar toen ze erachter kwamen dat het Congres, de federale overheid, jullie verdomde systeem van schuldslavernij kwam onderzoeken, toen waren ze plots bereid om die commissie te aanvaarden.

Hierna staken ze de koppen bij elkaar — de sluwe breinen van de uitbuiters kwamen bijeen. En wat voor commissie hebben ze klaargestoomd ? Een bisschop, een prediker die beweert in naam van Jezus te spreken; een advocaat en een lid van de staatsmilitie uit Fayette City. In godsnaam, wat weten die kerels nu van jullie miserie in Cabin Creek en Paint Creek ? Zien jullie niet hoe hard ze jullie beledigen ? Jullie eigen ambtenaren doen jullie intelligentie geweld aan. Ze zien jullie als een stel vijanden, in plaats van degenen die het zware werk doen. Als ze eerlijk waren geweest, hadden ze drie mijnwerkers, drie uitbuiters en twee burgers gekozen. (…)

Mother Jones (1836-1930) — geboren in Ierland, vluchtte op haar vijfde naar Amerika. Na de dood van haar man en vier kinderen aan gele koorts (1867) stortte ze zich in de arbeidersstrijd. Ze organiseerde mijnwerkers, textielarbeiders, trambestuurders — en voerde strijd tegen kinderarbeid. Tot op haar negentigste bleef ze agitator en organisator. Een stem die nooit zweeg.

Loop met me mee, die kreken op, en zie de bloedhonden van de mijneigenaars, goedgekeurd door jullie eigen ambtenaren. Zie hoe ze vrouwen beledigen, zie hoe ze de spoorweg opkomen. Ik ging daarheen en ze volgden me als honden. Maar op een dag zal ik hén volgen. Als ik ze naar de hel zie afdalen, dan gooi ik zelf nog kolen op het vuur.

Ik kijk naar de kleine kinderen die geboren worden onder zulke afschuwelijke omstandigheden. Ik kijk naar de kleine kinderen die hier op straat zijn gegooid.

Nu, laat me jullie dit vragen. Die mijnwerker — een mijnwerker van wie ze in de mijn een been hebben afgeroofd en hem er nooit een cent voor hebben betaald — toen hij protesteerde, vielen ze nog geen week geleden zijn huis binnen en gooiden heel zijn aardse hebben en houden naar buiten. Hij, zijn vrouw en zes kinderen hebben de hele nacht langs de kant van de weg geslapen. Dát valt niet te ontkennen. Stel dat wij een mijneigenaar met vrouw en kinderen hadden genomen en buiten op de weg hadden gesmeten en hen de hele nacht buiten hadden laten slapen: dan zouden de kranten moord en brand schreeuwen over ‘anarchie’. (…)

Maar wanneer ze deze mijnwerkers bestelen, en hun kinderen — mijn medeburgers, landgenoten — aan hun lot overlaten op straat en hun moeders beledigen — geloven jullie dan echt dat zij zullen opgroeien tot goede burgers ? Ik niet. Die woede en bitterheid blijven in hen zitten. Als ze opgroeien, komt het eruit, ze zullen doden, ze zullen moorden om het degenen die hen beroofden betaald te zetten. Ik wil dat jullie daarmee ophouden. (…) Ik wil dat de kinderen de beste invloeden krijgen, dat ze goed onderwijs krijgen, dat vrouwen niets anders kennen dan het goede. Ik wil aan deze natie een edelere mannelijkheid en een grootsere vrouwelijkheid nalaten. (…)

Neem bezit van dat parlementsgebouw, die grond, die is van jullie. Jullie hebben dat parlementsgebouw gebouwd, is het niet ? Jullie betalen de ambtenaren, nietwaar ? Jullie hebben voor die grond betaald, of niet soms ? Van wie is het dan ? Waarom heeft de militie jullie dan weggejaagd ? Ze hebben jullie gehypnotiseerd. Het probleem is altijd geweest dat ze het slavensysteem in stand wilden houden. (…) Ze hypnotiseren jullie. Ze willen dat de pastoors jullie wijsmaken dat er, wanneer jullie sterven, een bed klaarstaat in de hemel. (…) Jullie zijn een bende lafaards en jullie hebben niet genoeg merg in jullie ruggengraat om de staarten van twee zwarte katten mee in te vetten. Als jullie mannen waren met een greintje revolutionair bloed in de aderen, dan zouden jullie die voetsoldaten van Baldwin toch niet pikken ? Nee, dat zouden jullie niet doen. (…)

Ik heb eerder onder staat van beleg geleefd (…), maar nooit werd het tot dat uiterste gedreven. We mochten op z’n minst nog onze mensen bezoeken. Hier in West Virginia kun je nergens naartoe. Je mag geen bijeenkomst houden. Ik wil jullie dit zeggen: wij zullen het recht op vrije meningsuiting blijven uitoefenen, ook al huren ze de hele staatsmilitie in om ons te vermoorden. Dat recht geven wij niet op. (…) Ik heb hier brieven van de slaven van de Norfolk en Western: “In Godsnaam, Mother, kom hierheen en doe iets voor ons.” Ik heb er van New River: “In Godsnaam, kom en doe iets voor ons, help ons.” (…)

Overal waar de arbeiders vechten tegen de plunderaars, daar ben ik.

Is er dan niets mis ? Zeg dan, jongens stop ermee. Eeuwen en eeuwen en eeuwen lang hebben ze de zweep over jullie gelegd. (…) Nu zal iedere burger toegeven: als je een huis huurt, heb je het recht om aan je tafel uit te nodigen wie je maar wilt, is het niet ? Maar toch komen de bloedhonden langs, en moet jij eruit. Is dat nu iets waar de staat trots op moet zijn ? Is dat iets dat jullie als burgers goedkeuren ?

Heel goed dan. Op verkiezingsdag komen ze naar jullie toe. En ik zeg jullie dit: op 5 november is je stembiljet je bajonet. Trek naar de stembus en plant dat stembiljet recht in hun hart. Dan kunnen ze geen militie meer hebben.

Ze stelen de stembus niet als jullie je plicht doen. Ik zou die bloedhonden van de grote bedrijven mijn stembiljet wel eens willen zien stelen, als ik er een had. Ik zou met hen afrekenen. Die zou naar de machinewerkplaats mogen voor reparatie, en hij zou niet snel weer buiten staan als ik met hem klaar was.

Jullie daar, die krom lopen onder het gewicht van die bedrijven, ik hoop het voor jullie. (…) Dat is mijn missie: doen wat ik kan om de mensheid vooruit te trekken en haar ketens te breken. De mijnwerkers staan dicht bij mij. De staalarbeiders ook. Ik ga onder hen allen. Toen ik destijds de Mexicaanse kwestie opnam, trok ik naar het Congres om de zaak daar aan te kaarten. (…) Het kwam voor de grote commissie. Dalzell (republikeins congreslid en verdediger van de grote industriële belangen, red.) zei tegen mij: “Mother Jones, waar woont u?” Ik zei: “In de Verenigde Staten, mijnheer.” “In welk deel van de Verenigde Staten?” vroeg hij. Ik zei: “Overal waar de arbeiders vechten tegen de plunderaars, daar ben ik. Soms ben ik in Arizona om de bloedzuigende piraten en dieven van de Southern Pacific te bestrijden,” zei ik. “Soms ben ik daarboven in het staalbekken om die moordenaars en plunderaars te bestrijden, soms ben ik in Pennsylvania om de plunderaars, de moordenaars en de bloedzuigers daar te bestrijden, en bij de Eeuwige God, we vagen jullie weg en zullen jullie de deuren doen sluiten.” (…)

Iets anders wat ik voor mijn mensen doe, is hen tonen hoe het Leger des Heils is ontstaan. Het kapitalisme had het nodig. Toen de machinerie ontwikkelde, begon het kapitalisme zich uit te breiden; een oligarchie van Wall Street begon haar greep uit te breiden, en die had een Leger des Heils nodig om in te spelen op de hersenen van de arbeiders en hen tevreden te houden. (…) Ik laat soms zien hoe het Leger des Heils, de kerk en elke andere instelling vercommercialiseren in het tijdperk waarin wij leven. Ik maak ze niet belachelijk. Op hun manier doen ze goed werk. Ik keur ze niet goed, omdat ik weet dat ze kapitalistisch zijn in hun opzet.

Wanneer de Mail of een andere krant beweert dat ik hen belachelijk maak, dan verklaar ik dat als onwaar. Ik toon de arbeiders altijd hoe ze gehypnotiseerd worden, en het kan me niet schelen of het nu om het Leger des Heils gaat, of om de kerk of om de bisschop in deze commissie.

De samenstelling van deze commissie bestaat uit de drie vleugels van het kapitalisme. Er zit geen enkele vleugel van de arbeiders in die commissie. Aan de vragen die ze stellen, ziet u klip-en-klaar dat ze niets begrijpen van jullie ziekte of jullie ellende, en dat ze er nooit een studie van hebben gemaakt.

Welnu, mijn broeders, ik laat me niet muilkorven door de Mail. Ik ben eerder al belaagd door dat glibberige zwijn, maar het heeft me nooit doen terugwijken. Ik heb in het midden van de nacht de degens gekruist met de bloedhonden, maar het heeft mij nooit de rode vlag doen neerleggen. Ik zeg hun: wij vechten tot het bittere einde. (…)

De hele machinerie van het kapitalisme is tot op het bot rot. Deze bijeenkomst vanavond markeert een mijlpaal in de vooruitgang van de mijnwerkers en arbeiders van de staat West-Virginia. Ik zal bij jullie zijn, en de voetsoldaten van Baldwin zullen verdwijnen. Jullie zullen geen lijfeigenen zijn, jullie zullen marcheren, van overwinning naar overwinning, richting menselijke vrijheid; jullie zullen opstaan als mannen in de nieuwe dag en de slavernij zal haar genadeslag krijgen. Ze moet sterven.

Dit fragment is slechts een deel van een lange toespraak van Mother Jones. We kozen om de zeer specifieke verwijzingen naar gebeurtenissen en personen weg te laten om zo de passages over haar algemenere visie te behouden. Bron van de originele tekst: History Is A Weapon (HIAW)