|
Een goede satiricus weet hoe hij tegen de schenen van het establishment moet schoppen. Twain, die ook vicevoorzitter was van de Anti-Imperialistische Liga in de VS, zorgde voor sensatie met de publicatie van zijn satirisch essay To the person sitting in the darkness in 1901. “Elke krant in Engeland en Amerika besteedde er in een editorial aandacht aan, met felle kritiek of met lovende woorden, al naar gelang hun visie en overtuigingen.” Aanleiding voor het essay was de Chinese ‘Bokseropstand’ tegen Japans en westers imperialisme in 1899-1901, en vooral de klaagbrieven van Amerikaanse missionarissen die ook in de klappen hadden gedeeld en nu schadevergoedingen eisten aan Chinese dorpen. Hierop kroop Twain in zijn pen. Niet alleen om de paternalistische en hebzuchtige missionarissen de mantel uit te vegen (hij noemt de broeders een ergere plaag dan lepra of de pokken), maar ook om de hypocrisie aan te klagen van westerse grootmachten die beweerden ‘beschaving’ te brengen terwijl ze tegelijk geweld, plundering en onderwerping organiseerden. Twain veinst dat hij mee nadenkt met de Amerikaanse imperialisten over hoe zij het Europese veroveringsspel optimaal kunnen spelen. De titel zelf is een sarcastische verwijzing naar het gedicht The White Man’s Burden van Rudyard Kipling, die het beeld gebruikt van de kolonisator die het licht van de beschaving brengt naar de duistere uithoeken van de wereld. De Europeanen gaan daarbij echter te brutaal te werk en dat is bad for business, schertst Twain, omdat het verzet uitlokt. Bij de ‘bevrijding’ van Cuba kon Washington nog enige nobele intentie veinzen, maar de listige verovering van de Filipijnen had haar masker doen afvallen. In het essay geeft Twain zijn cynisch advies om het imago van de Amerikaanse veroveringspolitiek te redden. |
De uitbreiding van de Zegeningen van de Beschaving naar onze Broeder die in Duisternis Verkeert is in het algemeen een goede en winstgevende zaak geweest; en er zit nog geld in als er zorgvuldig mee wordt omgesprongen, maar naar mijn mening niet genoeg om een aanzienlijk risico aan te raden. De Mensen die in Duisternis Verkeren worden te schaars — te schaars en te verlegen. En de duisternis die nu nog overblijft, is slechts van middelmatige kwaliteit en niet duister genoeg voor het spel. De meeste Mensen die in Duisternis Verkeren, hebben meer licht gekregen dan goed was voor hen of nuttig voor ons. We hebben ondoordacht gehandeld.
Er moeten twee Amerika’s zijn: een dat de gevangene bevrijdt en een dat de nieuwe vrijheid van een voormalige gevangene van hem afneemt, zonder reden ruzie uitlokt en hem dan doodt om beslag te leggen op zijn land.
De Zegeningen van de Beschaving boezemen hun geen vertrouwen meer in. Meer nog — ze hebben een onderzoek opgestart. Dat is niet goed. Er is niets mis met de Zegeningen van de Beschaving en ze vertegenwoordigen een goede commerciële aanwinst; er zou geen betere kunnen zijn, in een schemerig licht. In het juiste licht en op de juiste afstand, met de goederen een beetje onscherp, bieden ze dit begeerlijke vertoon aan de Heren die in Duisternis verkeren:
liefde, rechtvaardigheid, zachtmoedigheid, christendom, bescherming van de zwakken, matigheid, wet en orde, vrijheid, gelijkheid, eervol handelen, barmhartigheid, onderwijs,
enzovoort.
Ziezo. Dat zal verkopen als zoete broodjes. Het zal elke idioot die waar dan ook in duisternis verkeert, overhalen. Maar niet als we ermee sjoemelen. We moeten dit punt echt benadrukken. Dit merk is strikt bestemd voor de export — blijkbaar. Privé en vertrouwelijk is daar niets van aan. Privé en vertrouwelijk is het slechts een dekmantel, fris en mooi en aantrekkelijk, met de speciale patronen van onze Beschaving die we reserveren voor Thuisconsumptie, terwijl zich binnenin de baal het Feitelijke Ding bevindt dat de klant die in Duisternis Verkeert, koopt met zijn bloed en tranen en land en vrijheid. McKinley, Chamberlain, de Kaiser, de Tsaar en de Fransen hebben het Feitelijke Ding geëxporteerd zonder de fraaie verpakking errond. Dat is slecht voor het Spel. Het toont aan dat deze nieuwe spelers nog onervaren zijn.
En stilaan verschijnt Amerika op het toneel, en onze Meester van het Spel 1 speelt het slecht — speelt het zoals de heer Chamberlain het speelde in Zuid-Afrika. 2 Het was een vergissing; het was ook een vergissing die je niet zou verwachten van een Meester die het zo goed deed in Cuba. In Cuba speelde hij het gebruikelijke Amerikaanse spel en het was aan het winnen, want het spel is op geen enkele manier te verslaan. De Meester zei in verband met Cuba: “Hier is een onderdrukte en kleine natie zonder vrienden, die bereid is om te vechten voor haar vrijheid; wij gaan samenwerken en de kracht van zeventig miljoen sympathisanten en de middelen van de Verenigde Staten inzetten: speel!” Alleen een gezamenlijk Europa kan die hand spelen en Europa kan nergens voor samenwerken. Daar, in Cuba, volgde hij onze grote tradities op een manier die ons met trots vervulde, ook vanwege het diepe ongenoegen dat zijn spel op het Europese vasteland opriep. Vurig geïnspireerd spuide hij die opruiende woorden dat gedwongen annexatie een “criminele agressie zou zijn”; en met die uitspraak vuurde hij nog een “schot af dat in heel de wereld te horen was”. De herinnering aan die mooie uitlating zal worden overleefd door de herinnering aan geen enkele van zijn daden, behalve één — dat hij het binnen het jaar vergat, samen met de eervolle boodschap.
Want nu was daar de Filipijnse verleiding. Ze was sterk; te sterk en hij maakte die grote fout: hij speelde het Europese spel, het spel van Chamberlain. Het was jammer; die fout was heel jammer; die ene grote fout, die onherroepelijke fout. Want het was precies de plaats en de tijd om opnieuw het Amerikaanse spel te spelen. En zonder kosten. Er lagen ook weer rijke winsten voor het grijpen; rijk en blijvend; onverwoestbaar; een fortuin dat voor altijd overdraagbaar zou zijn aan de kinderen van de vlag. Geen land, geen geld, geen overheersing — nee, iets dat vele malen meer waard is dan die rotzooi: ons aandeel, het schouwspel van een natie van lang gekwelde en belaagde slaven die door onze invloed zijn bevrijd; ons aandeel voor het nageslacht, de gouden herinnering aan die eerlijke daad. Het spel lag in onze handen. Als het volgens de Amerikaanse regels was gespeeld, zou Dewey uit Manilla zijn weggevaren zodra hij de Spaanse vloot had vernietigd — nadat hij aan land een bord had geplaatst waarop buitenlandse eigendommen en levens werden verzekerd tegen schade door de Filipijnen en nadat hij de Mogendheden had gewaarschuwd dat bemoeienis met de geëmancipeerde patriotten zou worden beschouwd als een daad van onvriendelijkheid tegenover de Verenigde Staten. De Mogendheden kunnen de handen niet in elkaar slaan, zelfs niet voor een slechte zaak, en niemand zou het bord beschadigd hebben.

Dewey had elders zijn gang kunnen gaan en het bekwame Filipijnse leger het kleine Spaanse garnizoen laten uithongeren en naar huis sturen en de Filipijnse burgers de door hen gewenste regeringsvorm laten inrichten en met de broeders en hun twijfelachtige aanwinsten kunnen afrekenen volgens de Filipijnse ideeën van eerlijkheid en rechtvaardigheid — ideeën die sindsdien zijn getest en van een even hoog niveau zijn bevonden als alle andere die in Europa of Amerika gangbaar zijn.
Maar we speelden het spel van Chamberlain en verloren de kans om nog een Cuba en nog een eervolle daad aan ons goede palmares toe te voegen.
Hoe meer we de fout onderzoeken, hoe duidelijker we zien dat het slecht zal aflopen voor de Handel. De Persoon die in Duisternis verkeert zal bijna zeker zeggen: “Hier zit een reukje aan — het is vreemd en onverklaarbaar. Er moeten twee Amerika’s zijn: een dat de gevangene bevrijdt en een dat de nieuwe vrijheid van de voormalige gevangene van hem afneemt, zonder reden ruzie met hem uitlokt en hem dan doodt om beslag te leggen op zijn land.”
De waarheid is dat de Persoon die in Duisternis verkeert zoiets zegt; en in het belang van de Handel moeten we hem ervan overtuigen om op een andere en gezondere manier naar de Filipijnse kwestie te kijken. Wij moeten zijn meningen voor hem bijstellen. Ik geloof dat het mogelijk is, want de heer Chamberlain heeft de mening van Engeland over de Zuid-Afrikaanse kwestie op een zeer slimme manier geregeld en met succes. Hij presenteerde de feiten — sommige feiten — en liet die goedgelovige mensen zien wat de feiten betekenden. Hij deed het statistisch, wat een goede manier is. Hij gebruikte de formule: “Twee keer 2 is 14, en 2 van 9 is 35.” Cijfers zijn effectief; cijfers zullen de kiezers overtuigen.
Nu is mijn plan nog gedurfder dan dat van de heer Chamberlain, hoewel het er blijkbaar een kopie van is. Laten we openhartiger zijn dan de heer Chamberlain. Laten we brutaal alle feiten presenteren, geen enkele uit de weg gaan en ze vervolgens uitleggen aan de hand van de formule van de heer Chamberlain. Deze gedurfde eerlijkheid zal de Persoon die in Duisternis Verkeert verbazen en verblinden, en hij zal de Uitleg aanvaarden nog voor zijn mentale visie de tijd heeft gehad om weer scherp te focussen. Laten we hem zeggen:
“Onze zaak is eenvoudig. Op 1 mei vernietigde Dewey de Spaanse vloot. Hierdoor kwam de Archipel in handen van de echte en rechtmatige eigenaars, de Filipijnse natie. Haar leger telde 30.000 man en ze waren in staat om het kleine Spaanse garnizoen weg te jagen of uit te hongeren; dan kon het volk een regering instellen naar hun keuze. Volgens onze tradities moest Dewey nu zijn waarschuwingsbord neerzetten en weggaan. Maar de Meester van het Spel bedacht toevallig een ander plan — het Europese plan. En handelde ernaar. Het plan was een leger te sturen — ogenschijnlijk om de inheemse patriotten te helpen hun lange en dappere strijd voor onafhankelijkheid tot een goed einde te brengen, maar in werkelijkheid om hun land van hen af te pakken en te behouden. Dat wil zeggen, in het belang van de Vooruitgang en de Beschaving. Het plan werd stap voor stap en naar volle tevredenheid uitgevoerd. We sloten een militaire alliantie met de goedgelovige Filippino’s en zij omsingelden Manilla aan de landzijde en met hun waardevolle hulp werd de plaats met zijn garnizoen van 8.000 of 10.000 Spanjaarden veroverd — iets wat we op dat moment niet alleen hadden kunnen realiseren. We verzekerden ons van hun hulp — met sluwheid. We wisten dat ze vochten voor hun onafhankelijkheid en dat ze daar al twee jaar mee bezig waren. We wisten dat ze er vanuit gingen dat wij ook voor hun waardige zaak vochten — net zoals we de Cubanen hadden geholpen om voor de Cubaanse onafhankelijkheid te vechten — en we lieten hen in de waan. Totdat Manilla van ons was en we het zonder hen konden stellen. Toen legden we onze kaarten op tafel. Natuurlijk waren ze verrast, dat was normaal, verrast en ontgoocheld, teleurgesteld en bedroefd. Zij vonden het on-Amerikaans, oneigenlijk, het strookte niet met onze gevestigde tradities. En dat was ook logisch, want we speelden het Amerikaanse spel alleen in het openbaar — privé was het Europees. Het was netjes gedaan, heel netjes, en ze waren compleet van slag. Ze konden het dan ook niet begrijpen; we hadden die naïeve patriotten immers zo vriendelijk — zo hartelijk zelfs — bejegend. (…)”.
Een vlag voor de Filipijnse provincie is alvast gemakkelijk te regelen. We nemen gewoon onze gebruikelijke vlag, verven de witte strepen zwart en vervangen de sterren door de schedel en gekruiste botten.
Kitchener3 weet hoe hij moet omgaan met vervelende mensen die vechten voor hun huis en hun vrijheden, en we moeten laten uitschijnen dat we Kitchener slechts imiteren en geen nationaal belang hebben in deze zaak, behalve dat we bewonderd willen worden door de Grote Familie van Naties, in welk verheven gezelschap onze Meester van het Spel een plaats voor ons heeft gekocht op de achterste rij.
Natuurlijk moeten we het niet wagen om de rapporten van onze generaal MacArthur naast ons neer te leggen — oh, waarom blijven ze die beschamende dingen toch drukken ? — we moeten ze terloops van onze tong laten rollen en het risico erbij nemen:
“De afgelopen tien maanden hebben we 268 doden en 750 gewonden geteld; aan Filipijnse kant waren er 3.227 doden en 694 gewonden te betreuren.”
We moeten klaar staan om de Persoon die in Duisternis verkeert te grijpen, want hij zal wegzwijmelen bij die bekentenis en zeggen: “Goede God, die ‘negers’ sparen hun gewonden, en de Amerikanen slachten hun gewonden af!”
We moeten hem weer bij bewustzijn brengen, hem vleien en vertroetelen en hem verzekeren dat de wegen van de Voorzienigheid de beste zijn en dat het atypisch zou zijn voor ons om de schuld bij hen te leggen. En dan, om hem te laten zien dat we alleen maar imitators zijn en geen bedenkers, moeten we de volgende passage voorlezen uit de brief van een jonge Amerikaanse soldaat op de Filipijnen aan zijn moeder, gepubliceerd in Public Opinion, van Decorah, Iowa, waarin hij de afloop van een zegevierende veldslag beschrijft:
“We hebben er nooit één in leven gelaten. Als er een gewond was, maakten we hem af met onze bajonetten.”
Nu we alle historische feiten aan de Persoon die in Duisternis Verkeert hebben voorgelegd, moeten we hem weer bij zijn positieven brengen en ze hem uitleggen. We moeten hem zeggen:
“Ze zien er twijfelachtig uit, maar in werkelijkheid zijn ze dat niet. Er zijn leugens verteld, ja, maar voor een goed doel. We zijn verraderlijk geweest, maar dat was alleen zodat echt goed zou kunnen voortkomen uit ogenschijnlijk kwaad. Het is waar dat we een misleid volk, een volk dat te goeder trouw was, hebben verpletterd. We hebben ons gekeerd tegen de zwakken en zij die geen vrienden hadden en die ons vertrouwden. We hebben een rechtvaardige en intelligente en goed geordende republiek uitgeroeid. We hebben een bondgenoot een mes in de rug gestoken en een gast in het gezicht geslagen. We hebben een Schaduw gekocht van een vijand die hem niet mocht verkopen. We hebben een vriend die ons vertrouwde, beroofd van zijn land en zijn vrijheid. We hebben onze fatsoenlijke jonge mannen uitgenodigd om een in diskrediet gebracht musket te dragen en bandietenwerk te verrichten onder een vlag die bandieten gewend zijn te vrezen, niet ze te volgen. We hebben de eer van Amerika verkwanseld en zijn gezicht besmeurd voor de wereld, maar bij elk detail hadden we de beste bedoelingen. We weten dit. Het Hoofd van elke Staat en Soevereiniteit in het Christendom en negentig procent van elk wetgevend lichaam in het Christendom, inclusief ons Congres en onze vijftig Wetgevende Staten, zijn niet alleen lid van de kerk, maar ook van het Fonds van de Zegeningen van de Beschaving. Die alles omringende opeenhoping van getrainde moraal, hoge principes en rechtvaardigheid kan geen verkeerde dingen doen, geen oneerlijke dingen, geen hardvochtige dingen, geen onreine dingen. Ze weet waarover het gaat. Maak je niet ongerust, het is in orde.”
Nu dan, dat zal de Persoon overtuigen. Je zult het zien. Het zal de Handel herstellen. Het zal ook de Meester van het Spel verkiezen op de vrijgekomen plaats in de Drie-eenheid van onze nationale goden. En daar, op hun hoge tronen, zullen de Drie zetelen, vele eeuwen lang, in het zicht van het volk, elk getooid met het embleem van zijn dienst: Washington, het Zwaard van de Bevrijder; Lincoln, de Gebroken Ketenen van de Slaaf; de Meester, de Herstelde Ketenen.
Het zal de Handel een prachtige nieuwe start geven. Je zult het zien.
Alles gaat nu goed; alles is precies zoals we het zouden willen. We hebben de Archipel en we zullen hem nooit opgeven. We hebben ook alle reden om te hopen dat we binnenkort de kans krijgen om ons contract met Cuba te verbreken en het land iets beters in de plaats te geven. Het is een rijk land en velen van ons beginnen al in te zien dat het contract een sentimentele vergissing was. Maar nu — juist nu — is de beste tijd om wat winstgevend rehabilitatiewerk te doen — werk dat ons zal installeren en comfort bieden, en dat roddels ontmoedigt. We kunnen niet voor onszelf verbergen dat we persoonlijk een beetje inzitten met ons uniform. Het is een van de dingen waar we trots op zijn. Het is vertrouwd met eer, het heeft ervaring met grote daden en is nobel. We houden ervan, we vereren het. En dus maakt die missie ons ongemakkelijk. En onze vlag — nog zo’n trots van ons, onze grootste ! We hebben haar zo aanbeden, en telkens we haar in verre landen zagen — haar onverwacht zagen opdoemen in die vreemde lucht, terwijl ze ons welkom en zegen toezwaaide — hielden we onze adem in en ontblootten ons hoofd. En even konden we geen woord uitbrengen bij de gedachte aan wat ze voor ons betekende en de grote idealen waar ze voor stond. Daar moeten we inderdaad iets aan doen: de vlag en het uniform mogen daar niet zijn. Ze zijn daar niet nodig; we kunnen het op een andere manier aanpakken. Engeland doet dat al met het uniform en dat kunnen wij ook. We moeten soldaten sturen — daar komen we niet onderuit — maar we kunnen ze vermommen. Zo doet Engeland het in Zuid-Afrika. Zelfs de heer Chamberlain zelf is trots op het eervolle uniform van Engeland en kleedt het leger daar in een lelijke en weerzinwekkende en gepaste vermomming van gele stof zoals wordt gebruikt voor quarantainevlaggen, die worden gehesen om gezonde mensen te waarschuwen voor vuile ziektes en een weerzinwekkende dood. Die stof wordt kaki genoemd. We zouden hetzelfde kunnen doen. Het is licht, comfortabel, grotesk en misleidt de vijand, want hij kan zich niet voorstellen dat er een soldaat onder verborgen zit.
Een vlag voor de Filipijnse provincie is alvast gemakkelijk te regelen. We kunnen een speciale hebben — onze Staten doen het al: we nemen gewoon onze gebruikelijke vlag, verven de witte strepen zwart en vervangen de sterren door een doodskop met gekruiste botten.
En we hebben die Civiele Commissie daar niet nodig. Omdat ze geen bevoegdheden heeft, moet ze die uitvinden, en dat soort werk kan niet door iedereen effectief worden uitgevoerd; daar is een expert voor nodig. We willen niet dat de Verenigde Staten daar vertegenwoordigd zijn, maar alleen het Spel.
Met behulp van deze voorgestelde amendementen kan de Vooruitgang en Beschaving in dat land een hoge vlucht nemen, en het zal de Personen die in Duisternis Verkeren absorberen, en wij kunnen onze zaken weer hervatten als vanouds.
Het bovenstaande fragment beslaat iets meer dan de helft van Twains originele tekst. In de selectie van het uittreksel hadden we vooral aandacht voor het Amerikaanse imperialisme in de Filipijnen.
Footnotes
- Twain verwijst naar president William McKinley, en in de brede zin naar de nieuwe generatie Amerikaanse imperialisten zoals vice-president Theodore Roosevelt.
- De Britse minister van Kolonies Joseph Chamberlain voerde een brutale oorlog tegen de Boerenrepublieken in Zuid-Afrika nadat daar goud en diamant werd aangetroffen.
- Herbert Kitchener paste als bevelhebber van de Britse troepen in Zuid-Afrika de tactiek van de verschroeide aarde toe, liet Boerenboerderijen vernietigen en introduceerde het concentratiekamp voor burgers als repressiemiddel.
Wit pak, flinke snor en wilde bos haar, sigaar in de hand en altijd voorzien van een droog gevoel voor humor. In de Verenigde Staten is het een klassiek archetype in cartoons, films en memes. En het verwijst naar Mark Twain (1835-1910), bij zijn dood door de New York Times uitgeroepen tot “de grootste humorist die het land ooit heeft voortgebracht”. Nobelprijswinnaar William Faulkner noemde hem “de vader van de Amerikaanse literatuur”. Twain schreef romans, essays en satire en was de meest gevraagde publieke spreker van zijn tijd. Zijn kinderboeken over de avonturen van Tom Sawyer en Huckleberry Finn zijn nog altijd een vaste waarde in het onderwijs en de brede populaire cultuur. Ondanks zijn literaire status is de tegendraadse Twain echter altijd een folk hero gebleven. Een beetje als wat Victor Hugo en Coluche voor Frankrijk zijn, maar dan in één en dezelfde persoon.

