Artikel

Marx, klassenstrijd en antiracisme

David Pestieau

— 1 juli 2018

De teksten van klassieke marxisten zijn inspirerend voor hedendaagse antiracistische uitdagingen.

Van de slavenhandel naar het nazisme, langs het kolonialisme om: de heersende klassen hebben altijd gebruik gemaakt van racisme om de arbeidersklasse te verdelen en hun imperialistische oorlogen te rechtvaardigen. In 2018 vieren we de tweehonderdste verjaardag van de geboorte van Marx. Kunnen we aan de hand van zijn stellingen de oorsprong van racisme en de band met het kapitalisme beter begrijpen en de middelen vinden om ertegen in te gaan? Met andere woorden: zijn klassenstrijd en antiracisme verenigbaar?

Tegen een karikatuur van het marxisme

Voor sommige aan de linkerzijde is antiracisme maar een secundaire kwestie, de sociale tegenstelling tussen kapitaal en arbeid is de enige fundamentele tegenstelling. Anderen beweren dan weer dat Marx de kwestie van het racisme nooit heeft besproken en we die kwestie dus niet vanuit het marxisme kunnen analyseren. Wij zijn echter van mening dat tweehonderd jaar na zijn geboorte een terugkeer naar Marx, naar de debatten en de strijd die hij in de 19e en 20e eeuw heeft geïnspireerd, het mogelijk maakt een verklaring te vinden voor de grote uitdagingen van onze tijd.

“De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis van de klassenstrijd”, is een van de beroemdste citaten van Marx uit Het Communistisch Manifest. Maar wat betekent dit citaat echt? Sommigen leiden eruit af dat het marxisme een deterministische economische theorie is, die zich beperkt tot de tegenstelling tussen werkers en kapitalisten in een nationaal kader. Zij beweren dan ook dat we niet op het marxisme kunnen steunen om zo’n essentiële kwesties als racisme en (neo)kolonialisme aan te pakken. Niets is echter minder waar.

Ten eerste: Marx maakt een materialistische analyse van de geschiedenis en vertrekt van de ontwikkeling van de productiekrachten (fabrieken, technologie…) en de materiële productieverhoudingen (de klassenverhoudingen). De materialistische, economische basis is dan in laatste instantie bepalend voor de superstructuur (de staat, het politieke beleid, de ideologie, de cultuur van de verschillende klassen). Maar Marx legt uit dat de superstructuur, de politiek, de ideeënstrijd… op hun beurt invloed kunnen uitoefenen op de klassenstrijd en uiteindelijk op de productieverhoudingen om de maatschappij te veranderen. Marx is niet deterministisch, hij toont namelijk aan hoe de mensen vanuit hun begrip van de wereld niet alleen die wereld kunnen beschrijven maar ook omvormen.

Ten tweede: ook al is voor Marx de strijd tussen kapitaal en arbeid de centrale tegenstelling in het kapitalisme, hij wijst ook van meet af aan op het internationale karakter van het systeem en benadrukt het belang van de internationale eenheid van de werkers. Vanaf de verschijning van Het Communistisch Manifest in 1848 maken Marx en Engels een onderscheid tussen de communisten en de andere arbeidersorganisaties, in het bijzonder op het punt “dat zij aan de ene kant in de nationale strijd van de proletariërs in de verschillende landen de gemeenschappelijke, van de nationaliteit onafhankelijke belangen van het proletariaat hoog houden en doen gelden”. Marx en Engels besluiten met hun ondertussen wereldberoemde slogan: “De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen. Zij hebben een wereld te winnen. Proletariërs aller landen, verenigt u !”

We moeten erover waken, schrijft de Italiaanse filosoof Losurdo, dat we geen binaire analyse maken van de maatschappij, die beperkt is tot één dimensie: “Laten we Het Communistisch Manifest opnieuw lezen: ‘De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis van de klassenstrijd’, en neemt ‘verschillende vormen’ aan. Uit het gebruik van de meervoudsvorm kunnen we afleiden dat de strijd tussen het proletariaat en de bourgeoisie of tussen de loonarbeid en de bezittende klasse slechts één vorm van klassenstrijd is. Er is ook de klassenstrijd van een natie die zich ontworstelt aan de uitbuiting en de koloniale onderdrukking.”1 Losurdo beschrijft hier het marxisme als een algemene theorie van het sociale conflict: “… elke strijd uit de geschiedenis […] is slechts de min of meer duidelijke uitdrukking van de strijd tussen de sociale klassen.”

Met andere woorden: de klassenstrijd mag niet herleid worden tot een binaire relatie tussen kapitaal en arbeid, tussen de burgerij en de werkers. In elke concrete situatie kan een bijzondere vervlechting van tegenstellingen een bepaalde hiërarchisering van de verschillende vormen van sociale klassenstrijd opleggen. Die hiërarchisering mag echter niet beletten dat elk van de vormen van klassenstrijd in overweging wordt genomen.2 En vooral dat die rangorde kan evolueren naargelang het land en de historische situatie.

Marx verwijst hier naar de internationale arbeidsverdeling die verbonden is met de ongelijke ontwikkeling van het kapitalisme. De landen waar het kapitalisme het meest ontwikkeld is (zoals Groot-Brittannië) willen de wereld veroveren. Ze plunderen de rijkdom van andere landen, koloniseren en onteigenen ze en lokken zo andere vormen van conflict uit dan enkel tussen kapitaal en arbeid. De plundering van de kolonies is overigens ook een conditio sine qua non voor de ontwikkeling van het kapitalisme, zoals Marx uitlegt in Het Kapitaal: “De buiten Europa rechtstreeks door plundering, onderwerping en roofmoord buitgemaakte schat vloeide terug naar het moederland en werd daar in kapitaal omgezet.”3

Ook al is op het niveau van een kapitalistische metropool de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid de eerste tegenstelling, de stichters van het marxisme wijzen op de groeiende tegenstelling tussen de imperialistische landen en de onderdrukte landen. “Een natie kan niet tegelijk vrij worden en andere landen blijven onderdrukken”, schrijft Engels, het alter ego van Marx, al in 1847. De realiteit van de Engelse en Franse arbeidersklassen maakt Marx en Engels tot communisten maar het verzet van de volkeren zal hen naar het antikolonialisme drijven. De opstand van de Sepoys in India in 1858 was voor hen een keerpunt: terwijl de hele Europese pers jammert over “de slachtpartijen waarvan de Europeanen het slachtoffer zijn” en “de wreedheid” van de opstandelingen, zijn Marx en Engels de enigen die de opstandelingen verdedigen.

Wanneer op hun beurt de Chinezen in opstand komen tegen de westerse interventies, schrijven ze: “In plaats van zoveel misbaar te maken over de wreedheid van de Chinezen, zou men beter erkennen dat het gaat om een volksoorlog voor de overleving van de Chinese natie.”4 In Ierland, toen een kolonie van Engeland, werken Marx en Engels mee met de antikoloniale beweging van de Fenians: de “sociale kwestie” in het Ierland van de 19e eeuw beschouwen zij als “een nationale kwestie”. Voor Ierland, India of China wordt de klassenstrijd niets minder dan de strijd tussen de klassen die zich verzetten tegen de nationale onderdrukking en de klassen die de kolonisatie verdedigen.

Na Marx zal ook Lenin ingaan tegen een economistische, reductionistische visie van het marxisme die het sociale conflict reduceert tot de strijd tussen de werker en zijn patroon. In Wat te doen? (1902) schrijft hij:

Het bewustzijn van de arbeidersklasse kan geen waarachtig politiek bewustzijn zijn, indien de arbeiders niet hebben ingezien, op ieder en elk geval van willekeur en onderdrukking, gewelddadigheid en misbruik te reageren, onverschillig welke klassen deze gevallen ook mogen betreffen ; — en daarbij moeten zij juist van sociaaldemocratisch, en niet vanuit enigerlei ander standpunt reageren.5

Lenin roept de werker op zich te verzetten tegen de economische uitbuiting maar ook tegen alle andere vormen van onderdrukking (discriminatie, racisme, autoritarisme, politiegeweld…) die hij aan den lijve ondervindt en waarvan ook andere lagen van de maatschappij het slachtoffer zijn. Voor Lenin is de radicale strijd voor gelijke rechten onontbeerlijk om zich te bevrijden van het kapitalisme. En hij toont aan dat de aanval van het kapitalisme op de rechten van de nationale minderheden meteen ook een test is om de rechten van heel de bevolking aan banden te leggen.

Engels schrijft al dat een land dat een ander land onderdrukt zelf onvrij is.

Voor Lenin is de strijd voor de fundamentele verandering van de maatschappij “niet een enkelvoudige handeling, niet een slag aan een front, maar geheel een tijdperk van felle klassenbotsingen, een lange reeks van slagen aan alle fronten, d.w.z. op het terrein van alle kwesties der economie en der politiek.” Ongeacht of het gaat om het gevecht voor democratische rechten of de strijd tegen het nationalisme, racisme en antisemitisme of nog voor de verdediging van het recht van de onderdrukte naties om zich te bevrijden van het kolonialisme… Hij voegt eraan toe dat een omverwerping van de sociale orde “kan ontbranden niet alleen uit een grote staking of een straatdemonstratie, een hongeroproer, een militaire opstand, of een muiterij in de koloniën, maar ook uit elke willekeurige politieke crisis … of in verband met een referendum over de kwestie van de afscheiding van een onderdrukte natie enz.”6

Kortom: Lenin benadrukt de vele vormen van onderdrukking onder het kapitalisme en de noodzaak er zich tegen te verzetten en daarvoor verschillende strijdvormen aan te wenden.

Marx en de strijd voor gelijke rechten

Met de Amerikaanse revolutie van 1776 en de Franse revolutie van 1789 moet de feodaliteit plaatsmaken voor het kapitalisme. De feodaliteit wordt gekenmerkt door een klassenscheiding tussen landheren en lijfeigenen, een politiek systeem van willekeur dat zich beroept op het goddelijk recht. Van gelijkheid en politieke vrijheid is geen sprake, integendeel, ze worden ijverig bestreden. De landheer beslist over leven en dood van de lijfeigene.

Om zich te bevrijden van het feodalisme, van de verstikkende willekeur en de belemmering van de markt zal het opkomende kapitalisme in de 18e eeuw de noodzaak van gelijke rechten voor iedereen erkennen. Het is een immense ommekeer in vergelijking met het Ancien Régime en legt tevens de politieke basis voor de bourgeoisie om de aristocratie van haar privilegies te ontdoen. De afkondiging van de rechten van de mens en van gelijkheid en vrijheid voor iedereen ten tijde van de Amerikaanse en Franse revolutie betekent niet dat er ook een einde komt aan de uitbuiting, de onderdrukking en de discriminaties. Integendeel zelfs, het kapitalisme zal de deuren wagenwijd open zetten voor de ontwikkeling van het racisme.

Marx analyseert die ogenschijnlijke paradox: de afkondiging van gelijke rechten betekent niet dat de meerderheid van de bevolking er onder het kapitalisme ook kan gebruik van maken. Hij schrijft: “Iedere paragraaf van de Constitutie bevat namelijk zijn eigen antithese […] in de algemene frase de vrijheid, in de kanttekening de opheffing van de vrijheid. […] bleef het constitutionele bestaan van de vrijheid ongeschonden, onaangetast, hoezeer haar reële bestaan dan ook om hals mocht zijn gebracht.”7

Marx legt de economische bron van die paradox bloot: de bourgeoisie heeft de burgerlijke rechten afgekondigd om de adel te verdringen en niet om de rest van het volk gelijke rechten toe te kennen. Dat volk moet immers uitgebuit en onderdrukt worden. Wat Marx doet opmerken: “De praktische toepassing van het mensenrecht der vrijheid is het mensenrecht van het privaatbezit.”8 Na de afkondiging van de universele rechten van de mens wordt meteen een groot deel van deze rechten beperkt of onthouden. In de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal in de metropolen worden de rechten van de werkers aan banden gelegd, bijvoorbeeld in Frankrijk door de wet Le Chapelier (1791). Die wet verbiedt zo goed als het recht op organisatie en staking, dat een bedreiging zou vormen voor “het eigendomsrecht”. En zo zal ook het censuskiesrecht de arbeidersklasse en de armste lagen van de bevolking meer dan een eeuw (en de vrouwen anderhalve eeuw) discrimineren.

Maar het zijn vooral de slaven en de gekoloniseerde volkeren die het meest verstoken blijven van gelijke rechten. Zij hebben geen enkel recht en de koloniale heersers bedienen zich van racisme om deze ongelijkheid te rechtvaardigen. Zo ontwikkelt de slavernij in de VS zich razendsnel na de burgerlijke revolutie: “Het totale aantal slaven in Amerika bedroeg ongeveer 33.000 in 1700, steeg naar bijna drie miljoen in 1800 om uiteindelijk een piek van meer dan zes miljoen te bereiken in de jaren vijftig van de 19e eeuw.”9 Die toename is rechtstreeks verbonden met de duizelingwekkende ontwikkeling van het kapitalisme, in het bijzonder in de Britse textielindustrie, die gevoed werd met katoen uit de VS. Dit werd de driehoekshandel genoemd: Afrikaanse zwarten worden als slaven gedeporteerd naar Amerika waar ze worden uitgebuit en de bevoorrading van Europa met Amerikaanse producten moeten mogelijk maken.

En zo belanden we dus bij die ogenschijnlijke paradox: de liberale revolutie in de VS zwaait met de principes van vrijheid en gelijkheid maar gaat gepaard met de ontwikkeling van de slavernij op raciale basis. In de eerste decennia na de onafhankelijkheid van 1776 bezaten zowat alle Amerikaanse presidenten slaven: Washington bijvoorbeeld maar ook Jefferson, de auteur van de Onafhankelijkheidsverklaring, en Madison, een van de belangrijkste opstellers van de Grondwet. In de VS zal de slavernij duren tot het einde van de Secessieoorlog in 1865.

In Frankrijk moet Napoleon het loodje leggen tegen de zwarte slaven van Saint-Domingue (nu Haïti) onder leiding van Toussaint Louverture (1800). De Haïtiaanse slaven hadden het devies van de Franse Revolutie “Vrijheid, gelijkheid, broederschap” letterlijk genomen, tot grote woede van hun Franse meesters, die van geen gelijkheid wilden weten. Uit die opmerkelijke revolutie wordt op het Amerikaanse continent de eerste staat geboren die de slavernij afschafte. In bijna heel Latijns-Amerika zal de slavernij verdwijnen dankzij de beweging voor vrijheid en onafhankelijkheid van Simon Bolivar, die sterk beïnvloed was door de Haïtiaanse revolutie. Een revolutie die Marx en de opkomende socialistische beweging zal inspireren.

Marx zal de krachten in de VS die strijden tegen de slavernij en de zuidelijke slavenhouders steunen. In een brief aan president Lincoln schrijft hij:

… de rebellie van de slavenhouders luidt de noodklok voor een algemene kruistocht van de eigendom tegen de arbeid” en stelt dat “zolang de werkers (blanke Amerikanen) toelaten dat hun Republiek door de slavernij bezoedel wordt ; zolang ze de hemel prijzen dat ze − in vergelijking met de zwarten die een meester hadden en zomaar verkocht werden zonder dat ze er iets konden tegen inbrengen − genieten van het voorrecht zichzelf te verkopen en zelf hun werkgever te kiezen, zij niet in staat waren te strijden voor de echte emancipatie van de arbeid of de emancipatiestrijd van hun Europese broeders te steunen.10

Want de ontwikkeling van het racisme heeft gediend ter rechtvaardiging van de uitsluiting van de zwarten van het terrein waar “de democratie” wordt uitgeoefend, en om de slavernij “democratisch” te legitimeren. De Canadese marxistische schrijfster Ellen Meiksins Wood verwoordt het zo: “Het was net de structurele druk tegen het niet-economisch onderscheid die het noodzaakte de slavernij te rechtvaardigen door de slaven uit te sluiten van het menselijk ras en hen te herleiden tot non-persons die buiten het normale universum van vrijheid en gelijkheid stonden.”11

Marx, Ierland en de strijd tegen het racisme

In de eerste jaren van hun verblijf in Engeland in de jaren 1850 hopen Marx en Engels dat de Engelse werkers de pioniers worden van de bevrijding van de arbeidersklasse. Zij leven en werken immers in het hart van het meest ontwikkelde kapitalisme. Maar al snel worden ze geconfronteerd met de verdeeldheid tussen de Engelse en de Ierse werkers.

De Haïtiaanse slaven hadden het devies van de Franse Revolutie “Vrijheid, gelijkheid, broederschap” letterlijk genomen.

Ierland is op dat ogenblik een Engelse kolonie. De Engelse grootgrondbezitters onteigenen systematisch Ierse grond en het verzet ertegen wordt genadeloos onderdrukt, in die mate dat sommigen het vergeleken met het geweld tegen de indianen in Amerika. Veel inwoners verlaten het eiland en emigreren naar de VS of naar Groot-Brittannië zelf, waar ze dubbel onderdrukt worden: als werknemers in het kapitalistisch systeem en als Ieren met een lager loon en een inferieure status. Daardoor kunnen de kapitalisten de lonen van heel de arbeidersklasse onder druk zetten. Maar die bijkomende onderdrukking van de Ierse werkers is een politieke kwestie want de Ierse werker heeft minder rechten en kan op elk moment uitgewezen en verjaagd worden. Om die onderdrukking ideologisch te rechtvaardigen zwengelt de burgerij de nationalistische vooroordelen en het gevoel van superioriteit aan bij de Engelse werkers.

De onderwerping van Ierland verhindert de emancipatie van de Engelse arbeidersklasse, beweert Marx. En hij gaat nog verder:

Wat fundamenteel is, is dat elk industrieel en commercieel centrum in Engeland nu een arbeidersklasse bezit, die in twee vijandige kampen verdeeld is, Engelse proletariërs en Ierse proletariërs. De gewone Engelse arbeider haat de Ierse arbeider als een concurrent die zijn levensstandaard naar beneden haalt. […] Hij koestert religieuze, sociale en nationale vooroordelen tegen hen. Hij verhoudt zich zowat tot hen zoals de arme blanken tot de negers in de voormalige slavenstaat der Verenigde Staten.12

Hier merk je duidelijk dat Marx dit racisme tegen de Ieren beschouwt als een instrument voor economische, politieke en ideologische onderdrukking. En hij wijst op het grote gevaar van dat racisme voor de strijd tegen het kapitalisme: “Dit antagonisme is het geheim van de onmacht der Engelse arbeidersklasse, ondanks haar organisatie. Het is het geheim van hoe de kapitalistische klasse haar macht weet te behouden en daar is ze zich ten volle van bewust. […] De taak van de Internationale is dus van bij elke gelegenheid het conflict tussen Engeland en Ierland op de eerste plaats te zetten en overal openlijk de kant van Ierland te kiezen. De organisatie moet er in het bijzonder op gericht zijn in de Engelse arbeidersklasse het bewustzijn op te wekken dat de nationale emancipatie van Ierland voor haar geen abstracte kwestie van rechtvaardigheid of humanitaire gevoelens is maar de eerste voorwaarde voor haar eigen sociale ontvoogding.”13

“Hij kwam tot de slotsom dat om de werkmens te bevrijden, om het kapitalistisch systeem niet alleen in Engeland maar wereldwijd ten val te brengen, ook het koloniale systeem moest sneuvelen”14, legt Mary Gabriel, auteur van een biografie van Marx, uit. De analyse van Marx legt de basis voor de analyse van het moderne racisme: een machtig wapen om de werkers te verdelen en hen binnen de imperialistische centra met elkaar te doen wedijveren. Dat wapen zal ook dienen om het kolonialisme en de imperialistische oorlogen in het buitenland te rechtvaardigen.

Imperialisme en de strijd tegen het chauvinisme

In de tweede helft van de 19e eeuw breekt het kapitalisme door de nationale grenzen. Het gaat op zoek naar nieuwe afzetmarkten en opent het tijdperk van het zogenoemde imperialisme. Het is de tijd van de Europese kolonisatie van Afrika en Azië en ook van de opbouw van nieuwe rijken. Die periode markeert tegelijk een nieuwe fase in de ontwikkeling van het racisme in Europa.

Racisme mag dan al in eerste instantie de economische motor zijn van het systeem dat de burgerij naar de kolonisatie duwt, er spelen ook andere, meer politieke motieven mee. De heersende klassen willen de werkende klasse verdelen en het chauvinisme propageren, dit exclusieve en agressieve patriottisme. De wereld van de arbeid is verarmd en begint zich te organiseren in vakbonden en coöperaties. De Eerste Internationale van de werkers ziet het levenslicht in 1864, de Commune van Parijs doet in 1871 het Europese continent daveren op zijn grondvesten. De krachten van de gevestigde orde slaat de schrik om het hart en zij zien kansen in de kolonisatie: het ‘overtollige’ proletariaat kan afgevoerd worden naar de kolonies, wat meteen ook de sociale revolte in de metropool kan temperen.

Ernest Renan schrijft kort na de Commune van Parijs: “De kolonisatie is een politieke noodzaak van de eerste orde. Een natie die niet koloniseert is onherroepelijk gedoemd tot het socialisme, tot de oorlog tussen de rijke en de arme.”15 Om te voorkomen dat ze uit het zadel wordt gelicht, ijvert de heersende klasse openlijk voor een soort ‘sociaal imperialisme’. Zo rechtvaardigt zij tegenover de arbeidersklasse de koloniale veroveringen en beloont een kleine minderheid van werkers (die Lenin “de arbeidersaristocratie” zal noemen) met wat kruimels van de koloniale taart om het spook van een sociale revolutie af te weren.

Dit staat haaks op de opvattingen van de stichters van het marxisme. “Het is mogelijk dat de revolutie uitbreekt in India en omdat het proletariaat dat strijdt voor de bevrijding geen koloniale oorlogen kan voeren, moet dit proces zijn beloop krijgen. […] Hetzelfde kan zich ook elders voordoen, bijvoorbeeld in Algerije en Egypte en voor ons zou dat zeker het beste zijn”16, schrijft Engels vanaf 1882. Hij laat hier het verband zien tussen de nationale bevrijdingsstrijd in de landen van het Zuiden en de strijd voor het socialisme in het Noorden.

Bij de eeuwwisseling zullen er in de Europese arbeidersbeweging twee tegengestelde stromingen ontstaan. In de ene scharen Bernstein en consorten zich achter de logica van “het sociaal imperialisme, de andere wordt vertegenwoordigd door Lenin en vele anderen en zij vinden inspiratie in het internationalisme van Marx. De Duitser Bernstein, de vader van het sociaaldemocratisch reformisme, schrijft:

Zonder de koloniale uitbreiding van onze economie zou de huidige ellende in Europa nog veel groter zijn en zouden we veel minder de hoop kunnen koesteren die ooit uit te roeien. Zelfs als we rekening houden met de misdaden van het kolonialisme wegen de voordelen van onze kolonies almaar zwaarder door.17

Ook in België heeft dit sociaalimperialisme een meerderheid van de leiders van de wereld van de arbeid voor zich gewonnen. De voorzitter van de Belgische Arbeiderspartij Vandervelde is niet tegen het principe van de kolonisatie, hij is enkel gekant tegen de meest uitgesproken excessen. In zijn boek La Belgique et le Congo schrijft hij: “Afstand doen van de kolonie staat […] gelijk met morele vernedering”18, terwijl hij in Les derniers jours de l’Etat du Congo een oproep lanceert “aan de duizenden jongeren die in de ministeries en administraties wachten op een schamele positie […]. Als ze gezond zijn van lijf en leden, dat ze dan naar Kongo trekken. Ze krijgen er een betere behandeling, veelvuldige gelegenheden zichzelf te bewijzen en, vooral, een vrijer en interessanter leven, midden in al die mogelijkheden van de nieuwe landen, in de majestueuze eenzaamheid van woud en rimboe.”19 Vandervelde rekruteert dan ook actief kolonialen en kiest duidelijk de kant van de koloniale onderdrukking.

Racisme ontwikkelde zich ter rechtvaardiging van de uitsluiting van de zwarten van het democratische veld.

Dit sociaalimperialisme van de eerste helft van de 20e eeuw wil sociale hervormingen afdwingen in de metropolen maar legitimeert tegelijk de koloniale uitbreiding (en de repressie). In dezelfde lijn gaan ze tijdens de Eerste Wereldoorlog − die vooral een oorlog voor de herverdeling van de kolonies is − de imperialistische mogendheden ondersteunen. Het zal ook het chauvinisme stevig verankeren in de hoofden van miljoenen werkers in de kapitalistische metropolen.

Tegenover de stroming, vertegenwoordigd door Bernstein, zal Lenin net als Marx het kolonialisme bestempelen als een product van het kapitalisme en imperialisme, en zijn aandacht richten op de onderdrukte naties.

In 1902, wanneer hij het heeft over het neerslaan van de Boxeropstand in China in 1900, beschuldigt Lenin de westerse invallers ervan dat ze zich op de Chinezen hebben geworpen “als wilde beesten die hele dorpen aan de vlammen hebben overgeleverd…” Lenin noemt het een onderneming die uit is op “het corrumperen van het politiek bewustzijn van de volksklassen”. Om komaf te maken met “de ontevredenheid van het volk” probeert men “de ontevredenheid met de regering af te wentelen op iemand anders”. De kolonisatie, zegt hij, moedigt de sociale verandering en de revolutie in het Oosten aan (in de gekoloniseerde en halfgekoloniseerde landen) terwijl ze, althans op korte termijn, de heersende macht in het Westen versterkt. Hij wijst ook op het ontstaan van een arbeidersaristocratie, een kleine minderheid uit de arbeidersklasse die zich materieel en ideologisch laat omkopen door de heersende klassen. Hij roept dan ook op om het westers imperialisme te bekampen, ook binnen de arbeidersbeweging, terwijl in het Oosten zonder dralen de antikoloniale revolutie moet ondersteund worden.

De Russische Revolutie van 1917 lokt een nieuwe golf van historische gebeurtenissen uit, in het bijzonder de dekolonisatie. “De inwoners van Azië en Afrika”, “honderden miljoenen mensen”, die zich verzetten tegen het door de kapitalistische metropolen opgelegde juk, “hebben beseft dat zij mens willen zijn en geen slaaf”, zegt Lenin. Wanneer de Russen de geheime akkoorden van Sykes-Picot (tussen Engeland en Frankrijk voor de onderlinge verdeling van het Midden-Oosten) openbaar maken, staat er in de Arabische wereld een nooit geziene nationalistische beweging op. In Azië gaan China en ook Vietnam vanaf de jaren 20 inspiratie vinden in het marxisme voor hun beweging van nationale bevrijding.

Het nazisme

De marxistische analyse is van groot belang voor de studie van de opkomst van het nazisme, dat gevoed werd door een fanatiek racisme en zal leiden tot de grootste slachtpartij van de twintigste eeuw. Die analyse toont aan dat het nazisme niet kan losgemaakt worden van de ontwikkeling van het kapitalisme en evenmin kan voorgesteld worden als een exces of een accident de parcours van dit kapitalisme.20 Uit die analyse blijkt ook dat de nederlaag van het nazisme, dat de belichaming is van dit racisme en kolonialisme, niet beperkt bleef tot Duitsland maar ook een nederlaag was voor de reactionaire krachten op wereldvlak en een nieuwe fase van vooruitgang in de antiracistische en antikoloniale strijd inluidde.

Want ook al kondigt kanselier Bismarck in 1871 het ontstaan van het Tweede Rijk af, Duitsland is nog verre van een echte natie. De ontwikkeling van het kapitalisme blijft er ten achter en op de Conferentie van Berlijn in 1885, waar Bismarck hoopt een koloniaal rijk in de wacht te slepen, is het resultaat maar mager (in vergelijking met Groot-Brittannië en Frankrijk). Duitsland begint meteen aan de opbouw van een leger met de ambitie wereldwijd oorlog te voeren om nieuwe kolonies buit te maken en de achterstand in te halen.

Toch zullen sommige groepen industriëlen, zoals de belangrijkste leiders van het ijzer- en staalkartel van het Ruhrgebied, beweren dat de Duitse keizer en zijn kanselier Bismarck onvoldoende aanvallend te werk gaan en stichten in 1890 het Alldeutscher Verband21 (de Pangermaanse Liga).

Om de expansie- en veroveringsdrang van de Duitse industrie te rechtvaardigen halen die pangermanisten de mosterd bij het sociaal darwinisme: de Kampf ums Dasein (het gevecht voor het bestaan), het recht van de sterkste, de noodzaak van meer levensruimte voor het snel groeiende Duitse volk om zijn voortbestaan te verzekeren. De verovering van nieuwe gebieden in het Oosten zou dat Lebensraum concrete vorm moeten geven. In de hoofden van de pangermanisten moet de staat de orde en de “raszuiverheid” van het volk verdedigen door het te onderwerpen aan de autoriteit. De eenheid van de natie vereist de uitsluiting van minderheden en van al wie er andere gedachten op na houdt.

“Een natie die niet koloniseert is onherroepelijk gedoemd tot het socialisme.”
( Ernest Renan )

Maar ook interne problemen, in het bijzonder sociale spanningen, moeten beteugeld worden en het bestaan van nationale minderheden ter discussie gesteld. De uitzetting of gedwongen assimilatie van de Slavische en Joodse volkeren in de geannexeerde gebieden staat hoog op de agenda.

Om de arbeidersklasse weg te houden van het internationalistisch socialisme werkt het Alldeutscher Verband een alternatief uit: het nationaalsocialisme. Het promoot ook een nieuw imperialistisch antisemitisme. Het wil de arbeiders die beïnvloed zijn door het socialisme een doel geven: de strijd tegen “het Joodse grootkapitaal”, dat met alle zonden van Israël wordt beladen en in geen geval de eenheid van de Duitse natie, die de industriëlen zo nauw aan het hart ligt, in gevaar mag brengen.

Dit imperialistisch antisemitisme is zeer nefast. De vertegenwoordigers van die theorie bevestigen dat het socialisme op zich een verdienstelijke doelstelling is maar dat het marxistisch socialisme, dat zegt dat elke geschiedenis een geschiedenis van de klassenstrijd is, op een historische en theoretische misvatting berust. De klassen moeten verenigd worden en de eenmakende factor is “het bloed”, “het ras”. Maar “het meest verderfelijke ras”, dat uit is op “de vernietiging van het Duitse ras”, is in hun ogen het Joodse met zijn methoden van “internationalisme” en “klassenstrijd”. Die methoden hebben de Joden binnengebracht in het Duitse “eerbare” socialisme om “de Duitse natie te verzwakken” (het beste bewijs voor hen: Marx was een Jood). Dit is een nieuwe vorm van sociaal imperialisme (die later zou overgaan in nationaalsocialisme) waarin het “echte Duitse socialisme” de noodzaak van de strijd voor het Lebensraum” erkent.

Op het einde van de Eerste Wereldoorlog is dit imperialistisch antisemitisme nog niet de dominante stroming. In de Duitse bourgeoisie overheerst de steun die ze heeft verkregen van de sociaaldemocratische leiders om ten oorlog te trekken op basis van een ‘klassiek’ nationalisme. De oorlog brengt echter niet de verhoopte overwinning: een deel van de werkers, na vier jaar oorlog de uitputting nabij, komen begin november 1918 in opstand en werken zo mee aan de beëindiging van de oorlog.

Een fractie van die almaar grotere Duitse burgerij met aan het hoofd generaal Erich Ludendorff22, zal dan streven naar de zo snel mogelijke totale vernietiging van de sociaaldemocratie en de communistische partij en de oprichting van een ‘nationale’ arbeidersbeweging. Die fractie zal Adolf Hitler (en zijn nazipartij) vanaf het begin steunen. Hitler, die het antisemitisme van het Alldeutscher Verband overneemt, ziet in die vorm van racisme een machtig instrument om de Duitse arbeidersklasse te verdelen, haar weg te leiden van het marxisme en haar te ‘nationaliseren’ om de belangen te dienen van de dominante klassen in Duitsland.

Hitler wordt de spreekbuis van de meest reactionaire Duitse krachten en verkondigt dat Duitsland in Oost-Europa en in Rusland een continentaal koloniaal rijk moet vestigen. Op 27 januari 1932 stelt hij zijn plannen voor aan de Duitse industriëlen. “Gedurende heel de 19e eeuw hebben ‘de blanke volkeren’ een onaantastbare dominante positie veroverd na een proces dat werd ingezet met de verovering van Amerika en zich heeft ontwikkeld onder het teken van het ‘aangeboren en absolute gevoel van overheersing van het Europese blanke ras’. Door het koloniale systeem ter discussie te stellen en de ‘verwarring in het Europese blanke gedachtegoed’ te vergroten, betekent het bolsjewisme een dodelijk gevaar voor de beschaving. Als we die bedreiging het hoofd willen bieden, moeten wij de ‘overtuiging van de superioriteit en dus van het (superieure) recht van het blanke ras’ herbevestigen, wij moeten ‘de dominante positie van het blanke ras over de rest van de wereld verdedigen’.”23

Het is een door en door contrarevolutionair programma van kolonisatie en slavernij. We mogen niet aarzelen, zegt Hitler, “een Herrenrecht van buitensporige brutaliteit uit te oefenen”. In juli 1942 vaardigt Hitler een richtlijn uit voor de kolonisatie van de Sovjet-Unie: “De slaven moeten voor ons werken. Als wij ze niet meer nodig hebben, laat ze dan maar sterven.” Het is dat systeem van volkerenmoord dat zich te pletter zal lopen tegen het antifascistische verzet van heel Europa. Het is dat systeem dat in Stalingrad verslagen en almaar meer achteruit gedreven zal worden tot aan de uiteindelijke nederlaag in Berlijn.

Het nazisme mag dan al de belichaming zijn van het racisme en het kolonialisme en dienen om tegelijk de buitenlandse vijand (de te koloniseren landen) te bestrijden en de binnenlandse vijand (de klasse van de werkers) te verdelen, de nederlaag van dat nazisme betekent meteen ook een grote nederlaag voor de meest reactionaire vormen van racisme, toegebracht door een internationaal antifascistisch front.

Verschillende vormen van klassenstrijd combineren

In de dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog worden de klassenverhoudingen op wereldvlak volledig omgegooid. Het antifascistisch verzet (en de angst voor het communisme bij de heersende klassen) in combinatie met de sterke groei van de sociale beweging zorgt voor een ongeziene ontwikkeling van de sociale zekerheid en stijging van het levensniveau in de Europese landen. Die verandering in de klassenverhoudingen leidt tevens tot een krachtige dekolonisatiebeweging in de landen van de Derde Wereld en de toenemende isolering van de verdedigers van het biologisch racisme overal ter wereld. Het tijdperk “waarin ‘de blanke volkeren’ een onbetwiste dominante positie hebben veroverd”, zoals Hitler zei, is definitief voorbij.

Emile Vandervelde is niet tegen de kolonisatie, hij is enkel gekant tegen de meest uitgesproken excessen

In 1949, na een eeuw van koloniale overheersing, ziet het moderne China het levenslicht en slaat zijn eigen weg in. Ho Chi Minh en Vietnam verslaan de Fransen in Dien Bien Phu (1954) en drijven de VS terug met het Têtoffensief (1968). Het Arabisch nationalisme van het FLN in Algerije en het Egypte van Nasser, is sterk beïnvloed door de marxistische stromingen. In heel de wereld groeit de antiracistische beweging, vooral in de VS met de burgerrechtenbeweging waarvan de radicale tak (van Malcolm X tot de Black Panthers) nauw aanleunt bij het marxisme. Het laatste koloniale rijk, dat van Portugal, valt in 1974 uiteen na de aftocht uit zijn kolonies Angola en Mozambique. Ook het racistische apartheidsregime moet op de schop en dat gebeurt in 1990, onder de gezamenlijke druk van het verzet van het ANC (waarin de Zuid-Afrikaanse communistische partij een van de belangrijkste bondgenoten is) en de nederlaag van de Zuid-Afrikaanse troepen in Angola met de steun van het Cubaanse leger van Fidel Castro.24

Het antiracisme en antikolonialisme hebben gezorgd voor grote vooruitgang dankzij de combinatie van de klassenstrijd in de anti-imperialistische en antikapitalistische strijd, en de gemeenschappelijke strijd voor de eenheid van de werkers.

Het racisme en het (neo)kolonialisme daarentegen hebben zich kunnen verspreiden telkens de heersende klassen erin slaagden de arbeidersklasse te verdelen op basis van nationale en racistische vooroordelen, telkens zij erin slaagden de werkers van het Noorden op te zetten tegen de volkeren van het Zuiden, telkens zij erin slaagden het chauvinisme op te leggen in de arbeidersbeweging en de verschillende vormen van klassenstrijd van elkaar los te maken.

Nu wij het hoofd moeten bieden aan het neoliberale tegenoffensief dat dertig jaar geleden werd gelanceerd, mogen wij het internationalisme en de theorie van de klassenstrijd van Marx niet naast ons leggen. We moeten ze weer als leidraad nemen en nieuw leven inblazen want het marxisme is een onontbeerlijke inspiratiebron om met succes de strijd tegen racisme en kapitalisme te combineren.

Footnotes

  1. Domenico Losurdo, La lutte des classes. Une histoire politique et philosophique, 2016, Delga.
  2. Zo verschilde de hiërarchisering van de klassenstrijd, het karakter en de klassenallianties in de strijd tegen de nazibezetters tijdens de Tweede Wereldoorlog van die in het naoorlogse kader.
  3. Karl Marx, Het Kapitaal, Deel I, “De zogenaamde oorspronkelijke accumulatie, 6. Wordingsgeschiedenis van de industriële kapitalist”.
  4. Karl Marx, New York Daily Tribune, 5 juni 1857.
  5. Lenin, Wat te doen ? , “III. Trade-unionistische en sociaaldemocratische politiek, de politieke onthullingen en de ‘ opvoeding tot revolutionaire activiteit”.
  6. Lenin, De socialistische revolutie en het recht der naties op zelfbeschikking, 1916.
  7. Karl Marx, De 18  Brumaire van Louis Bonaparte, 1851.
  8. Karl Marx, Over het Joodse vraagstuk, 1843.
  9. World Slavery, 1492-1800, Verso, London-New-York, 1997, p. 3.
  10. Brief van Marx aan Lincoln, verschenen in Der Social-Demokrat, 30 december 1864.
  11. Ellen Meiksins Wood, Capitalism and human emancipationNew Left Review, I/167, januari-februari 1988, onze vertaling ( nvdr ).
  12. Brief van Marx aan Siegfried Mayer en August Vogt à New York, 9 april 1870.
  13. Idem.
  14. David Pestieau, Interview Mary Gabriel. Liefde en kapitaal, gisteren en vandaagLava, december 2017.
  15. Ernest Renan, Œuvres complètes, Calmann-Lévy, 1947, p. 12.
  16. Brief van Engels aan Kautsky, 12 september 1882.
  17. Bernstein, Sozialistiche Monatshefte, 1900, p. 559.
  18. Geciteerd in Jo Cottenier, Patrick De Boosere, Thomas Gounet, De Generale 1822-1992, EPO, 1992, p. 104.
  19. Idem, p. 67.
  20. Reinhard Opitz, Faschismus und Neofaschismus, Band I, 1984, Pahl Rugenstein Verlag.
  21. Alldeutsch betekent in hun ogen alle Duitsers, niet alleen de inwoners van het keizerrijk maar ook de Duitsers in Oostenrijk-Hongarije en in de Oost-Europese landen.
  22. Door de Duitse nationalisten beschouwd als de grootste strateeg van de Eerste Wereldoorlog.
  23. Geciteerd in Losurdo, op.cit.
  24. Fidel Castro over de Cubaanse solidariteit in Afrika : “Het bloed van Afrika stroomt door onze aderen.” Hij verwijst hiermee naar de talrijke Cubanen van Afrikaanse afkomst op het eiland.