Artikels

Wat is menselijk kapitaal?

Peter Fleming

— 1 juli 2018

De theorie van menselijk kapitaal werd tijdens de Koude Oorlog ontwikkeld als een ideologisch wapen. Nu helpt het de arbeidswereld te uberiseren.

Chicago, 1960. De Verenigde Staten zitten vast in een lange, dure en gevaarlijke Koude Oorlog met de Sovjet-Unie. In het gebouw van de afdeling Economie van de University of Chicago voeren twee academici een geanimeerd privégesprek. Theodore ‘Teddy’ Schultz is lang en slungelachtig. Hij groeide op op een farm in South Dakota, werd door zijn vader van school gehaald, maar slaagde er toch in zich op te werken tot lid van de academische wereld. Eerst als hoofd van het departement Economie in 1944, en in 1960 werd hij voorzitter van de American Economic Association. Schultz heeft sterke banden met de Ford Foundation, in de dagen van de Koude Oorlog een belangrijke dekmantel voor CIA-programma’s.

Friedman vatte de theorie van menselijk kapitaal vrolijk samen in een pittige oneliner : there is no such thing as a free lunch

Zijn jongere gesprekspartner is Milton Friedman, die zich in 1946 aansloot bij wat later de Chicago School genoemd zou worden. Friedman was klein, hij mat slechts 1,52 m, maar als verbale tegenstander genoot hij een stevige reputatie. Ook Friedman zal later met de CIA flirten en Chileense economen trainen in de kunst van de neoliberale ‘schoktherapie’. Zijn knowhow kwam goed van pas toen de Chileense marxistische president Salvador Allende in 1973 van de macht verdreven en vermoord werd. Richard Nixon zei dat hij wilde horen hoe de Chileense economie het uitschreeuwde.

Toen de twee mannen tegenover elkaar stonden in het donkere, met eiken lambrisering beklede kantoor, moesten ze een groot probleem aanpakken. De Amerikaanse overheid had een nieuwe rol weggelegd voor economen aan universiteiten : ze mochten niet langer mompelende professoren zijn (met pijp en tweedjasje ), ze moesten ideologische wapens ontwikkelen die net zo belangrijk waren als de intercontinentale ballistische raketten waaraan in Californië gewerkt werd op de luchtmachtbasis Vandenberg. Leden van de Chicago School hadden er alle vertrouwen in dat ze een belangrijke bijdrage aan de strijd konden leveren.

Maar hoe konden ze dat voor elkaar krijgen?

Schultz schuift zenuwachtig heen en weer in zijn lederen fauteuil. Economische groei moet het antwoord zijn, stelt hij met klem. Friedman knikt bevestigend, maar fronst stilletjes zijn wenkbrauwen terwijl Schultz zijn redenering uiteenzet. In Moskou heeft Nikita Chroestsjov net aangekondigd dat de “groei van de industriële productie en de landbouwproductie de strijdram is waarmee wij het kapitalistische systeem zullen wegvegen”. Die schaamteloze provocatie zorgde voor heel wat ophef toen die in 1959 werd voorgelezen in de economische commissie van het Amerikaans Congres.

Friedman zegt geen woord — een zeldzaamheid die Schultz aan­grijpt om zijn visie verder uit de doeken te doen. Zijn plan heeft ook een heel pragmatisch aspect. Natuurlijk is groei een hot topic na de toespraak van Chroestsjov, maar een aantal machtige technocraten in de Amerikaanse regering hebben almaar meer oor naar de ideeën van Schultz, vooral de Raad van Economische Adviseurs (Council of Economic Advisers). Zij hebben van het Oval Office de opdracht gekregen een groeistrategie uit te werken die de Sovjet-Unie omver zal blazen en de genadeklap geven.

Hoewel Schultz er onwankelbare, neoklassieke ideeën over groei en ontwikkeling op na houdt, heeft hij uit zijn eerdere studies over landbouw­productiviteit geleerd dat meer overheidsinvesteringen in onderwijs absoluut noodzakelijk zijn om de groeiplannen van de Verenigde Staten te realiseren. Zo kan de Verenigde Staten immers niet alleen een wetenschappelijke voorsprong uitbouwen in de race naar de ruimte, het zal ook een troef zijn voor de bredere talentenreserves van het land, waardoor het productiever zal worden en de Sovjets zal verslaan in hun eigen ‘groeispel’.

Plots onderbreekt Friedman hem. Hij is het eens met Schultz dat economische groei absoluut noodzakelijk is. Maar meer overheidsuitgaven zijn niet de juiste oplossing. Je ziet zo voor je hoe Friedman zijn vermoeide afdelingshoofd eens te meer bestookt met een donderpreek over het kwaad van overheidsbemoeienis en centrale planning. De Sovjetvijand moet aangepakt worden met de echte waarden van de Verenigde Staten, zoals individuele vrijheid en kapitalistisch ondernemerschap. De overheid is het probleem, niet de oplossing. Friedmans ideale held is de selfmade ondernemer. Hij haalde vaak een grap aan van vaudeville­komiek Will Rogers om zijn critici die voor meer overheid waren de mond te snoeren : wees blij dat je niet de hele overheid krijgt waarvoor je betaalt!

Friedman sluit zich daarmee aan bij de ideeën van de Oostenrijker F.A. Hayek, een ijverige voorstander van de vrije markt, die in 1950 naar de University of Chicago was gekomen. Tijdens zijn ballingschap in Londen in de jaren 1940 had Hayek het rabiate, anticommunistische traktaat De weg naar slavernij geschrevenReader’s Digest publiceerde er een ingekorte versie van en zo werd de schrijver ervan beroemd. Hayeks aan fanatisme grenzende geloof in het kapitalistische individualisme en alles wat tegen de Sovjet-Unie inging, heeft het gesprek tussen Schultz en Friedman ongetwijfeld beïnvloed.

De twee academici nemen een pauze om hun gedachten te ordenen. Dan brengen ze het concept van menselijk kapitaal te berde. Waarschijnlijk kaart Schultz het aan, in een poging een gemeenschappelijke basis te vinden voor hem en zijn kleine discussiepartner. Helaas zou het in deze discussie de doodsteek betekenen voor de oudere academicus.

Eigenlijk was het idee van menselijk kapitaal niet nieuw. Adam Smith had er al veel eerder op gewezen hoe de kennis en vaardigheden die werknemers hebben verworven (bv. door training, scholing enz. ) economische waarde kunnen toevoegen aan een bedrijf. Maar Schultz was zich pas kort ervoor voor het idee gaan interesseren. Hij moedigde nieuwe faculteitsleden en doctoraatsstudenten aan om een beter onderbouwde, formalistische theorie van menselijk kapitaal uit te werken. De legende wil dat Schultz plots inzag hoe belangrijk menselijk kapitaal was toen hij een bezoek bracht aan een arm boerengezin. Hij vroeg de arme boeren waarom ze zo tevreden waren. Hun antwoord : omdat we onze kinderen naar school hebben kunnen laten gaan. Dat zou ervoor zorgen dat de familie tot ver in de toekomst een veilig inkomen zou hebben.

Ook Friedman was gefascineerd door het idee van menselijk kapitaal, maar vanuit een andere invalshoek. Enkele jonge collega’s — onder wie Gary Becker, Friedmans doctoraatsstudent die in dat facet van de economie naam zou maken — hadden enkele belangrijke doorbraken gerealiseerd. Eén idee in het bijzonder trok de aandacht van Friedman. In tegenstelling tot geld of machines kan dit type kapitaal niet conceptueel losgemaakt worden van de persoon die het bezit. Het is een onlosmakelijk onderdeel van hemzelf. Bij uitbreiding kan iemands menselijk kapitaal dus geen eigendom zijn van iemand anders, want dat zou slavernij zijn. Dus wie moet de verantwoordelijkheid op zich nemen om erin te investeren en wie plukt de vruchten ervan? We krijgen een idee van hoe Friedman erover dacht dankzij een vroege paper1 van Becker, waarin hij betoogde waarom het voor een bedrijf irrationeel is om te investeren in training en opleiding van werknemers, aangezien die investering op een dag letterlijk de deur uit kan stappen en voor een concurrent kan gaan werken.

Friedman was het waarschijnlijk eens met Schultz dat de theorie van menselijk kapitaal het ideologische wapen was waarnaar ze op zoek waren om de economische bedreiging van de Sovjets te counteren. De naam van de theorie zelf impliceerde dat de belangen van de mensen van nature hand in hand gaan met de waarden van het kapitalisme. Maar dat zorgde meteen ook voor de nodige spanning tussen de twee economen. Schultz’ interpretatie van de theorie van menselijk kapitaal — met al zijn gepraat over programma’s van overheidsinvesteringen en centrale planning — vloekte met het beeld van de vrije, onafhankelijke pseudokapitalist die iedereen verondersteld werd te zijn.

De felheid waarmee Friedman zijn visie beargumenteerde lijkt een gevoelige snaar te hebben geraakt. Dat blijkt duidelijk in de eerste toespraak die Schultz gaf als voorzitter van de American Economic Association, in december 1960.2 Zoals te verwachten was, beklemtoonde hij hoe belangrijk het is dat de overheid in menselijk kapitaal investeert en de gevolgen daarvan voor de economische groei. Aan het einde van zijn speech zegt Schultz dat een collega om verduidelijking heeft gevraagd over een cruciaal detail : “Moet de winst die voortvloeit uit overheidsinvesteringen in menselijk kapitaal toekomen aan de personen in wie geïnvesteerd is?”

Schultz wil daarop ja antwoorden. Hij vindt overheidsinvesteringen in de vaardigheden van mensen essentieel en is van mening dat dat als een openbaar goed beheerd moet worden. De personen kunnen die vaardigheden gebruiken voor hun persoonlijk voordeel. Zo kan door de staat gefinancierd tertiair onderwijs gebruikt worden om iemands inkomen in de loop van zijn leven te verhogen. Maar de investering zal op het einde van de rit bredere positieve effecten hebben op de economie, zogenaamde ‘externaliteiten’. Maar op dat moment begint Schultz te twijfelen. Hij lijkt te beseffen dat de intellectuele basis is verschoven en het is alsof hij een beetje in de war raakt.

De beleidsverschillen die achter die vraag schuilgaan, snijden diep en zitten vol verwarrende elementen over het toewijzen van middelen en over welvaart. Fysiek kapitaal dat tot stand komt door overheidsinvesteringen wordt doorgaans niet als een cadeau aan individuen overgedragen. Het zou het proces van het toewijzen van middelen sterk vereenvoudigen als overheidsinvesteringen in menselijk kapitaal op dezelfde manier behandeld zouden worden.

In een voetnoot van de gepubliceerde versie van de toespraak ver­nemen we wie die lastige collega was. Friedman, natuurlijk. Het antwoord dat Friedman van Schultz kreeg, is begrijpelijkerwijs ambivalent en men kan dus twee mogelijke conclusies trekken. Ten eerste, de winst op menselijk kapitaal die voortvloeit uit overheidsinvesteringen (bv. belastingen ) moet in overheidshanden blijven. Het probleem is dat dat zou neerkomen op socialisme. En bovendien weten we ook al dat de persoon niet van zijn menselijk kapitaal kan worden losgekoppeld.

Dus blijft alleen de tweede conclusie over. Als de winst op menselijk kapitaal die voortvloeit uit overheidsinvesteringen (bv. belastingen ) geen ‘cadeau’ is aan de individuele begunstigde, dan moet hij of zij een deel van de kosten of alle kosten voor zijn of haar rekening nemen. Kortom, dit is geen geschenk. Het kamp van Schultz kon de strijd niet winnen. De pogingen van de regering om zijn ideeën toe te passen en de federale investeringen in onderwijs drastisch op te schroeven werden in 1961 en 1963 gekelderd. Tegenstanders schilderden ze af als recepten voor stagnerende welvaart of erger.

Het verhaal van de theorie van menselijk kapitaal staat gelijk met desinvesteren in mensen, van investeren is geen sprake.

Wat belangrijker is, is dat de gevolgen van Friedmans beslissende confrontatie met Schultz nog altijd voelbaar zijn, en niet op een positieve manier. Zo loopt er een duidelijke rode draad van zijn overwinning in het debat in 1960 over wie verantwoordelijk is voor investeringen in menselijk kapitaal naar de ondertussen catastrofaal opgelopen studieschulden in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en tal van andere landen die het neoliberalisme een tikje te weinig kritisch omarmd hebben. Wil je een universitair diploma en wil je vooruit in het leven maar kun je dat niet betalen? Dan neem je toch een studentenlening om die stap te kunnen zetten, met voorwaarden die je tot aan je graf zullen achtervolgen. De onderliggende boodschap van de theorie van menselijk kapitaal blijkt simpel te zijn, en in de jaren 1970 vatte Friedman ze vrolijk samen in een pittige slogan : there is no such thing as a free lunch, gratis bestaat niet.

Als iedere mens zelf een productiemiddel is, dan vervalt het conflict dat de kern vormt van het kapitalistische arbeidsproces automatisch.

Friedman had ontdekt dat de theorie van menselijk kapitaal meer kon zijn dan enkel een manier om meer economische groei te realiseren. De manier waarop het mensen conceptualiseerde, was ook een ideologisch wapen, vooral als het erop aankwam het discours van het communisme, dat arbeid centraal plaatste, van repliek te dienen, en dat zowel buiten als binnen de Verenigde Staten. De theorie van menselijk kapitaal is immers de ultieme conservatieve tegenzet op de marxistische slogan dat de arbeiders zich meester moeten maken van de productiemiddelen. Als iedere mens zelf een productiemiddel is, dan vervalt het zogezegde conflict dat de kern vormt van het kapitalistische arbeidsproces automatisch. Dat begon Schultz ook te dagen en hij stemde ermee in dat arbeiders weleens de facto kapitalisten zouden kunnen zijn : “Arbeiders zijn kapitalisten geworden, niet door het bezit van bedrijfsaandelen te verdelen, zoals het meestal geformuleerd wordt, maar door het verwerven van kennis en vaardigheden die economische waarde hebben.”

Wat de Sovjet-Unie daarvan vond, daar hebben we het raden naar. De theorie van het menselijk kapitaal zorgde ervoor dat de arbeiders letterlijk ‘verdwenen’ uit het overheersende discours van wat het kapitalisme drijft. Het was een ingenieuze zet om in heel de VS prokapitalistische sympathieën te verspreiden, en dan vooral bij de werkende klassen die begonnen te vermoeden dat hun werkgever de echte vijand was. De kapitalisten gooiden het opeens over een heel andere boeg : “Hoe kun je tegen ons zijn? Je bent zelf een van ons!”

Margaret Thatcher en Ronald Reagan werden verkozen en zo vond de theorie van het menselijk kapitaal in de Angelsaksische wereld een vruchtbare politieke omgeving. Wat volgde in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en in andere landen kan het best omschreven worden als een massale decollectiviseringsgolf. De samenleving bestond niet meer. Alleen individuen en hun familie deden er nog toe. Vooral Hayek was een openbaring voor de Iron Lady en ze prees hem dan ook onophoudelijk.

Volgens die nieuwe visie op economie kunnen arbeiders niet gezien worden als een specifieke klasse met gemeenschappelijke belangen. Ze maakten niet eens deel uit van een bedrijf … dat was te gemeenschappelijk. Misschien waren ze zelfs niet eens arbeiders! Qua menselijk kapitaal stond de homo economicus dus eigenlijk buiten het bedrijf, hij streefde in zijn eentje zijn belangen na en investeerde in zijn vaardigheden om de beste deal uit de brand te slepen. Die fantasie van een ‘land van alleen maar vrije mensen’ grensde vaak aan het surrealistische. Boeken over popmanagement die je in de jaren 1980 en 1990 in luchthavens kon kopen zijn daarom vaak hilarisch. Zo schrijft Charles Handy in The Age of Paradox (1994 ) : “Karl Marx zou blij zijn. Hij droomde van de dag waarop de arbeiders de productiemiddelen zouden bezitten. Nu is het zover.” Peter Drucker durfde zelfs te stellen dat de ‘post­kapitalistische samenleving’ was aangebroken en zei dat de Verenigde Staten het meest socialistische land van de wereld was, want alle arbeiders bezaten toch enig kapitaal.

Maar wat niet om te lachen is, is dat neoklassieke ideeën zoals de theorie van menselijk kapitaal de arbeidsmarkt ingrijpend hebben veranderd. Alleen omdat werknemers in zo’n ultra-individualistisch systeem werden geduwd, kon de verderfelijke trend van flexi-jobs en nulurencontracten voet aan de grond krijgen in de economie. Sommigen kwalificeren dat als de uberisering van werknemersfuncties, werknemers omvormen tot zelfstandige bedrijfsleiders en zo alle werkgeverskosten afschuiven op de werknemer : opleiding, uniformen, voertuigen en zo goed als al de rest.

In de jaren 1960 zag Friedman een samenleving waarin we allemaal welvarende, voorspoedige ondernemers zouden zijn. Wat we echt kregen, was loonsvermindering, minder vakantie- en ziektedagen, een chronisch gebrek aan vaardigheden, creditcardschulden en talloze uren zinloos werk. Het komt er dus op neer dat het verhaal van de theorie van menselijk kapitaal in westerse economieën gelijkstaat met desinvesteren in mensen, van investeren is geen sprake.

De reden daarvoor is dat de theorie is ontstaan in een extreme periode in de 20e eeuw, toen velen geloofden dat het lot van de mensheid op het spel stond. Daarom moet het ook zo gezien worden, als een behoorlijk excentriek en grotendeels onrealistisch overblijfsel van de Koude Oorlog. Alleen in die hoogst ongewone omstandigheden was het mogelijk dat individualisten zoals Hayek en Friedman ernstig werden genomen en dat er naar hen werd geluisterd. Als reactie op het communistische collectivisme ontwikkelde de Chicago School een diametraal tegenovergesteld maatschappijbeeld, een maatschappij met geïsoleerde individuen die elke vorm van sociale cohesie die niet tot een transactie leidt automatisch mijden. De enige drijfveer van die individualisten is de ethiek van concurrentieel eigenbelang. Alles draait om geld. Ze zijn onzeker en paranoïde. Geen wonder dat we ons tegenwoordig zo slecht voelen.

Dit artikel is een vertaling van What is human capital? en verscheen op www.aeon.co.

Footnotes

  1. Gary S. Becker, Human Capital : A Theoretical and Empirical Analysis, with Special Reference to Education, 1975, tweede uitgave, National Bureau of Economic Research, p. 13-44.
  2. Theodore W. Schultz, Investment in Human Capital, in The American Economic Review, Vol. 51, nr. 1, maart 1961, p. 1-17.