Artikel

Marx, Darwin en het sociaal darwinisme

Dirk Van Duppen

+

JOHAN HOEBEKE

— 1 juli 2018

Marx en Engels trokken parallellen tussen de evolutieleer van Darwin en hun historisch materialisme. In tegenstelling tot het sociaal darwinisme zagen ze de mens van nature wel als prosociaal.

Op 17 maart 1883 hield Friedrich Engels een korte grafrede op Highgate Cemetery in Londen voor de drie dagen eerder overleden Karl Marx. In die toespraak schetste Engels de twee belangrijkste ontdekkingen van Marx die hij vergeleek met de verdiensten van Darwin:

Zoals Darwin de wet van de ontwikkeling van de organische natuur heeft ontdekt, zo ontdekte Marx de ontwikkelingswet van de menselijke geschiedenis, het tot dusver onder ideologische woekerplanten verborgen feit dat mensen voor alles eerst moeten eten, drinken, wonen, zich kleden, voordat zij politiek, wetenschap, kunst, godsdienst enz. kunnen beoefenen; — dat dus de productie van de directe, stoffelijke levensmiddelen, en daarmee de op verschillende tijdstippen bereikte trap van ontwikkeling van een volk of van een tijdvak de grondslag vormt, waaruit zich de staatsinrichting, de rechtsopvattingen, de kunst en zelfs de godsdienstige voorstellingen van de betreffende mensen hebben ontwikkeld en waaruit zij dus ook moeten worden verklaard, – en niet omgekeerd, zoals tot nu toe is geschied.1

In de menselijke culturele evolutie, zegt Engels, is de ontwikkeling van de economische onderbouw en haar sociale verhoudingen doorslaggevend. En verder stelt hij dat in de evolutie van die economische onderbouw de productie en verdeling van de meerwaarde de speciale bewegingswet vormt: “Marx ontdekte ook de bijzondere bewegingswet van de huidige kapitalistische productiewijze en van de hierdoor voortgebrachte burgerlijke maatschappij. Met het ontdekken van de meerwaarde was hier plotseling licht geschapen …”

De reis met de Beagle van Engels

De vader van Engels was een katoenmagnaat uit Wuppertal, toen een van de modernste industriegebieden in Europa, en zo kwam de jonge Friedrich al van kindsbeen af in contact met de wereld van de technologie. Engels voltooide zijn legerdienst als kandidaat-officier bij de artillerie, waar hij zijn wetenschappelijke kennis verder uitbreidde. Maar de jonge Engels stond ook open voor nieuwe maatschappelijke ideeën. Om hem van zijn revolutionaire kompanen te isoleren werd hij door zijn vader naar Manchester gestuurd. Tegelijk zou hij in Engeland handelservaring kunnen opdoen in de familievennootschap. Hij kwam er terecht in een industriestad die een broeihaard was van Engelse radicalen en voorvechters van het algemeen stemrecht. Maar in Manchester deelde hij ook lief en leed met Mary Burns, een katoenarbeidster van Ierse afkomst.

Darwin ondernam een prachtige poging om de natuur in zijn historische ontwikkeling te openbaren.

Zij bracht hem in contact met de ellendige omstandigheden waarin de arbeiders leefden. Die grepen hem zo fel aan dat hij besloot er een boek over te schrijven: De toestand van de arbeidersklasse in Engeland.2 Hij was toen pas vijfentwintig, maar tot op heden geldt dit werk als voorbeeld van een socio-economische en epidemiologische studie. Wat de reis rond de wereld, aan boord van H.M.S. Beagle, van 1831 tot 1836 betekende voor de 23-jarige Charles Darwin, was voor Friedrich Engels twaalf jaar later, maar op dezelfde jonge leeftijd, zijn tocht doorheen deze arbeiderswijken. Darwin verzamelde op zijn reis het materiaal waarmee hij zijn evolutietheorie uitbouwde. Engels verzamelde tijdens zijn bezoek aan de arbeiderswijken het materiaal waarmee hij de ontwikkeling van de menselijke maatschappij onder het kapitalisme kon beschrijven.

Marx en Engels over The Origin of Species

Gezien zijn wetenschappelijke interesse had Engels al enkele dagen na het verschijnen van The Origin of Species (Over het ontstaan van soorten)3— het boek waarin Darwin zijn evolutietheorie door natuurlijke selectie voor het eerst bekendmaakte — gekocht en gelezen.

Hij schreef op 12 december 1859 een brief naar Karl Marx en sprak daarin zijn bewondering voor het boek uit. Engels was vooral in de wolken over twee zienswijzen van Darwin: ten eerste maakte die schoon schip met de deïstische teleologische opvatting over de natuur, de opvatting dat de door God geschapen mens ook het einddoel van de hele schepping is. En ten tweede ondernam Darwin een prachtige poging om de natuur in zijn historische ontwikkeling te openbaren4. Vooral dit laatste punt vonden Engels en Marx erg belangrijk omdat zij bezig waren de sociale geschiedenis van de mens op een wetenschappelijke manier te herschrijven.

De Engelse bourgeoisie beriep zich op de theorie van Malthus om de eerste wetten ter bescherming van de armen tegen te houden.

Pas een jaar later vond Marx de tijd om het boek van Darwin te lezen. Ook hij was onder de indruk en schreef aan Engels: “Hoewel het in de onbehouwen Engelse stijl is geschreven, houdt dit boek de natuurhistorische grondslagen in voor onze zienswijze.” Met de onbehouwen stijl verwees Marx naar het gebrek aan filosofische en dialectische achtergrond die hem door zijn studie van de werken van Hegel zo vertrouwd was geraakt. Hij schreef ook een commentaar op het boek aan Ferdinand Lassalle, een Pruisisch socialist: “Het boek van Darwin is betekenisvol en ik vind er een wetenschappelijk basis in voor de historische klassenstrijd.”5

Vooral de toepassing van de wetenschappelijke methode op de organische natuur kon Marx sterk waarderen. Hij pleitte er dan ook voor om dezelfde wetenschappelijkheid aan de dag te leggen in de studie van de menselijke geschiedenis en maatschappij:

De wetenschap is ervaringswetenschap en bestaat uit het toepassen van een rationele methode op wat zintuiglijk gegeven is. Inductie, analyse, vergelijking, waarneming en experimenteren zijn de voornaamste voorwaarden van een rationele methode, ook voor analyse van maatschappelijke kwesties. […] Het werk van Darwin geeft ons een basis in de natuurwetenschappen voor het begrijpen van de historische klassenstrijd.6

In zijn later geschreven Anti-Dühring benadrukte Friedrich Engels opnieuw de bijzondere bijdrage van Darwin:

En wij moeten erkennen dat de moderne natuurwetenschap voor deze proef een uiterst rijk, dagelijks toenemend materiaal heeft geleverd en zo heeft bewezen dat het er in de natuur, in laatste instantie, dialectisch en niet metafysisch aan toegaat, dat zij zich niet eeuwig in dezelfde kring voortbeweegt, maar een werkelijke geschiedenis doormaakt. Hier moet voor alles Darwin worden genoemd. Hij heeft de metafysische natuurbeschouwing een geweldige schok toegebracht door zijn ontdekking dat de gehele tegenwoordige organische natuur, planten en dieren en dus ook de mens, het product is van een gedurende miljoenen jaren voortgezet ontwikkelingsproces.7

Darwin in Het Kapitaal

In zijn monumentale werk Het Kapitaal vernoemt Karl Marx het werk van Charles Darwin in de vierde voetnoot van het hoofdstuk over Machinerie en grootindustrie. Marx schrijft:

Darwin heeft de aandacht gevestigd op de geschiedenis van de natuurlijke technologie, dat wil zeggen op de vorming van de organen van planten en dieren als productie-instrumenten voor het leven van de planten en dieren. Verdient de geschiedenis van het ontstaan van de productieve organen van de mens in de maatschappij, van de materiële basis van iedere afzonderlijke maatschappij-organisatie niet evenzeer de aandacht ? En zou deze geschiedenis niet veel gemakkelijker te schrijven zijn omdat […] de geschiedenis van de mensen zich onderscheidt van de geschiedenis van de natuur doordat de eerste wél en de laatste niet door ons is gemaakt ? De technologie onthult het actieve handelen van de mens ten opzichte van de natuur, onthult het directe productieproces van zijn leven en daardoor ook zijn maatschappelijke levensomstandigheden en de geestelijke voorstellingen die hij zich hierbij maakt.8

In tien lijnen schetst Marx hier zijn historisch materialisme, vertrekkende vanuit Darwin. Hij vergelijkt de biologische evolutie van de organen als productie-instrumenten voor plant en dier met de culturele evolutie van technologie en werktuigen als productie-instrumenten voor de mens. De mens en zijn productie-instrumenten noemt Marx de productiekrachten. Door de ontwikkeling van de productiekrachten wordt de mens meer en meer de drijvende kracht van de evolutie. Deze ontwikkeling bepaalt eveneens de verhouding van de mens tot de natuur, alsook zijn sociale verhoudingen in het productieproces en zijn levensomstandigheden. Marx noemt dit de productieverhoudingen. Deze bepalen op hun beurt de geestelijke voorstellingen of mentale concepten die de mens construeert, kortom zijn denken. Marx:

Bij het beschouwen van maatschappelijke omwentelingen moet men altijd onderscheid maken tussen de materiële, natuurwetenschappelijk nauwkeurig te constateren omwenteling in de economische productievoorwaarden enerzijds en anderzijds de juridische, politieke, religieuze, artistieke of filosofische, in een woord de ideologische vormen, waarin de mensen zich van dit conflict bewust worden en het uitvechten.

Marx zag een overeenkomst tussen maatschappij en natuur maar hij benadrukte in hetzelfde eerste deel van Het Kapitaal ook het verschil tussen menselijke technologieën en dierlijke activiteiten:

Een spin verricht werkzaamheden die lijken op die van een wever. Wanneer een bij zijn honingraat bouwt, overbluft hij menig menselijk architect. Maar zelfs de slechtste architect onderscheidt zich van de beste bij doordat hij de bouw van de vertrekken heeft gepland vooraleer hij die bouwde.9

Het was tenslotte Engels die in een weinig gekende verhandeling De rol van de arbeid in de overgang van aap tot mens (1876) dialectisch verder uitspitte “hoe de instinctmatige arbeidsvorm evolueerde tot een vorm van arbeid die enkel bij de mensen voorkomt”.10 De stelling van een co-evolutie tussen de menselijke hersenen, zijn handen, zijn werktuigen en zijn arbeid, die Engels in dit essay veronderstelde, is vandaag experimenteel bevestigd.11 De logica die Engels hanteerde, waarbij de mens op een punt zal komen om ofwel bewust met de natuur in harmonie samen te leven, ofwel bewust in staat is deze natuur en uiteindelijk zichzelf als soort te vernietigen is ecologie avant-la-lettre en vandaag brandend actueel. De befaamde evolutionaire wetenschapper Stephen Jay Gould bestempelde deze verhandeling van Engels dan ook als “een briljant exposé […] het beste dat in de negentiende eeuw werd geschreven over de genetisch-culturele co-evolutie”.12

Darwin en het sociaal darwinisme

Er bestaat een legende dat Marx Het Kapitaal aan Darwin wou opdragen en dat Darwin dit beleefd had geweigerd. Maar deze legende berust op een misverstand. De zogenaamde brief van Marx aan Darwin was in feite geschreven door Marx’ schoonzoon, Edward Aveling, die een atheïstische versie van de evolutietheorie had geschreven en die aan Darwin wou opdragen. De beleefde weigering werd later gevonden onder de brieven van Eleanor Marx en verkeerdelijk geïnterpreteerd als een brief van Darwin aan Karl Marx.

Karl Marx had wel een persoonlijk gesigneerd exemplaar van de tweede editie van Het Kapitaal (1873) naar Darwin gestuurd en kreeg een beleefd briefje terug. “Ik dank u en ik ben vereerd dat u me uw groot werk over het kapitaal hebt toegezonden”, schreef Darwin terug. “Ik wens uit mijn hart dat ik meer waard was om dit te mogen ontvangen, door meer over het diepgaande en belangrijke onderwerp van de politieke economie te begrijpen.”13 Het exemplaar van Marx is later in de archieven van Charles Darwin teruggevonden, maar buiten de eerste bladzijden had Darwin het boek niet opengeslagen. Jammer, want had Darwin een beter en diepgaander begrip van de politieke economie gehad, dan had hij zich wellicht kritischer uitgelaten over de ideeën van Malthus en de latere sociaal darwinisten.

Hoewel Darwin zich overwegend afzette tegen de sociaal darwinisten van zijn tijd, liet hij zich soms ook door hen beïnvloeden. Het contrast tussen de visie van Darwin en Marx op de problematiek van de Ierse migranten is hierbij zeer verhelderend. Zo citeerde Darwin in zijn tweede meesterwerk De afstamming van de mens (The Descent of Man) kritiekloos de sociaal darwinist Greg:

Zoals Dhr. Greg het stelt: ‘ De zorgeloze, smerige, oneerzuchtige Ier vermenigvuldigt zich als konijnen; de spaarzame, vooruitziende, zichzelf respecterende, ambitieuze Schot, streng van zeden, spiritueel in zijn geloof, scherpzinnig en gedisciplineerd wat betreft intelligentie, brengt zijn beste jaren door met zwoegen en celibaat, huwt laat en laat weinig nakomelingen achter. […] In de eeuwige strijd om het bestaan zal het het inferieure en minder bevoordeelde ras zijn dat de overhand zal krijgen, niet omwille van zijn goede kwaliteiten maar ingevolge zijn gebreken.14

Marx daarentegen maakte over hetzelfde probleem volgende klassenanalyse:

De gewone Engelse arbeider haat de Ierse arbeider als een concurrent die zijn levensstandaard naar beneden haalt. […] Hij koestert religieuze, sociale en nationale vooroordelen tegen hem. Hij verhoudt zich zowat tot hem zoals de arme blanken tot de negers in de voormalige slavenstaat der Verenigde Staten. […] Dit antagonisme is het geheim van de onmacht der Engelse arbeidersklasse, ondanks haar organisatie. Dit is het geheim van hoe de kapitalistische klasse haar macht weet te behouden.15

In een brief aan Engels in juni 1862 gaf Marx volgende kritische commentaar op The Origin of Species (Over het ontstaan van soorten): “Darwin herkent in de dieren en planten zijn Engelse samenleving met haar arbeidsverdeling, haar competitie, het openen van nieuwe markten, uitvindingen en de strijd om te overleven van het malthusianisme. Het is zoveel als Hobbes’ Bellum omnium contra omnes (Oorlog van allen tegen allen). Het doet mij ook denken aan Hegels Fenomenologie, waarin hij de burgerlijke samenleving beschrijft als een geestelijk dierenrijk, terwijl Darwin het dierenrijk beschrijft als een burgerlijke samenleving.” Marx sloeg daarmee de nagel op de kop. Hij wees erop dat de burgerlijke economische ideeën van Darwins tijd vervlochten zaten in zijn natuurwetenschappelijke theorie.

Hobbes, Malthus en de natuurlijke selectie

Het mens- en samenlevingsbeeld van de zeventiende eeuwse Engelse politieke filosoof Thomas Hobbes luidde als volgt: De mens is als een wolf voor zijn medemens en de samenleving is als een oorlog van allen tegen allen. De achttiende eeuwse Engelse politieke econoom Thomas Malthus nam dat hobbesiaans beeld over en onderbouwde het met zijn bevolkingstheorie die stelt dat zonder remmende factoren de bevolking meetkundig of exponentieel toeneemt maar dat de bestaansmiddelen slechts toenemen aan een rekenkundig of lineair tempo. Daardoor blijft de aarde voor altijd door overbevolking geteisterd en zal er altijd hongersnood, ellende, armoede en onzedelijkheid heersen.

Malthus trekt de conclusie dat er altijd een strijd om het bestaan zal zijn, waarbij de sterkeren overleven en reproduceren en de zwakkeren worden geëlimineerd. Liefdadigheid en armenkassen zijn onzin omdat ze er alleen toe bijdragen om de overtollige bevolking in stand te houden en zelfs te doen toenemen. Beter is volgens Malthus om het bevolkingsoverschot zoveel mogelijk in te perken. Malthus verklaarde droogweg dat het recht van elke mens op bestaansmiddelen pure onzin is. Malthus verwoordde die gedachte, die vandaag ook herkenbaar is in het maatschappelijk debat, als volgt:

Een man die wordt geboren in een al bezette wereld heeft — indien hij zijn eten niet kan krijgen van zijn ouders, die hem dat verschuldigd zijn, en indien de gemeenschap zijn arbeid niet kan gebruiken — niet het minste recht op het kleinste stukje brood. En hij hoort niet thuis waar hij is. Er is voor hem geen bestek gelegd aan de feestdis van de natuur. Zij vraagt hem te verdwijnen en ze zal haar bevel snel uitvoeren ware het niet dat sommige gasten medelijden zouden tonen. Geven zij daaraan toe en maken zij plaats, dan zullen meteen veel bedelaars de eetzaal vullen. Zo zal de orde en harmonie worden verstoord en waar overmaat heerste, zal die omslaan in schaarste; de gelukzaligheid van de gasten zal ontregeld zijn bij het zien van de ellende en armoede in de feestzaal en door de opdringerige kreten van hen die terecht razend zijn omdat ze de voorraden niet vinden waarop ze dachten recht te hebben.16

Spencer misbruikte de ideeën van Darwin om een pseudowetenschappelijke verdediging van het racisme op te bouwen.

Het is dan ook geen verrassing dat midden de negentiende eeuw de Engelse bourgeoisie zich beriep op de theorie van Malthus om te trachten in het parlement de eerste sociale wetten ter bescherming van de armen tegen te houden. Malthus schreef zijn essay ook tegen de achtergrond van de Franse revolutie en als antwoord op vooruitstrevende en revolutionaire ideeën.

Charles Darwin inspireerde zich voor zijn theorie van evolutie door natuurlijke selectie in The Origin of Species op de ideeën van Malthus. Hij verwerkte in The Origin elementen van zijn conservatieve wereldbeeld maar hij gaf er toch een andere interpretatie aan. Darwin neemt Malthus’ metafoor voor de schaarste aan natuurlijke rijkdommen over om de biologische wereld te beschrijven, maar met één cruciaal verschil. Darwin beseft immers dat in de biologische wereld de feestmaaltijd niet statisch is, en dat geldt zowel voor de gerechten als voor de genodigden. De gerechten, dat zijn de natuurlijke rijkdommen en de omgeving, veranderen voortdurend. Dit heeft tot gevolg dat de genodigden, de soorten, die gewend zijn aan die gerechten en die zich niet kunnen aanpassen aan nieuwe gerechten, van tafel verdwijnen om plaats te maken voor nieuwe genodigden, de varianten, die zich door toeval wél kunnen vinden in de nieuwe gerechten. Ook zij zouden op hun beurt plaats moeten maken voor nieuwkomers die zich aanpassen aan opnieuw veranderde tafelgerechten.

Voor Darwin zijn het dus de natuurlijke variabiliteit en het toeval die aan de basis liggen van de voortdurende creativiteit van de natuur. Deze dynamiek staat haaks op de natuurwet van evenwicht, verdedigd door Malthus. Het dynamische aspect van de evolutie bracht Darwin op het idee dat in de mechanismen van de natuurlijke selectie ook voortdurend veranderingen optreden en dat de struggle for life kan evolueren van competitie naar groepssamenwerking.17

Marx, Engels en het sociaal darwinisme

Marx en Engels hadden van meet af aan een fundamenteel kritische houding tegenover de theorieën van Hobbes en Malthus. Engels had in zijn boek De toestand van de arbeidersklasse in Engeland in 1843 de natuurwet van Malthus al aan de kaak gesteld: “De bevolkingstheorie van Malthus en de armenwet als gevolg ervan zijn een openlijke oorlogsverklaring van de bourgeoisie aan het proletariaat.” Engels schrijft dat de crisis geen crisis is van overbevolking, maar wel een crisis van overproductie:

Malthus heeft eveneens op zijn manier gelijk wanneer hij beweert dat er steeds overbodige bevolking is en dat er altijd te veel mensen op de wereld zijn; hij heeft pas ongelijk wanneer hij beweert dat er meer mensen zijn dan er met de voorhanden levensmiddelen kunnen worden gevoed. De overbodige bevolking wordt veeleer veroorzaakt door de crisis van overproductie. De concurrentie van de arbeiders onderling, de ten top gevoerde prestaties van ieder afzonderlijk, de arbeidsdeling, de invoering van machines en de exploitatie van de natuurkrachten maken een massa arbeiders brodeloos. […] Maar deze brodeloze arbeiders raken buiten de markt: zij kunnen niets meer kopen en de vroeger door hen verbruikte hoeveelheid handelswaren wordt nu niet meer verlangd en behoeft dus niet meer te worden geproduceerd. De vroeger bij deze productie betrokken arbeiders geraken dus ook weer brodeloos en vallen uit de markt. En zo gaat dat steeds verder, steeds dezelfde kringloop …18

Nog voor hij Karl Marx goed kende, had Friedrich Engels hiermee in 1843 reeds de fundamentele tegenstelling beschreven die leidt tot de kapitalistische crisis van overproductie.

Ook Marx trok fel van leer tegen de ideeën van Malthus. Volgens Marx gebruikte de burgerij Malthus zowel om haar geweten te sussen als om de slachtoffers zelf de schuld van hun miserie toe te schuiven. De moderne sociologie noemt dit blaming the victim. In Loonarbeid en kapitaal uit 1849 schreef de jonge Marx:

Intussen is de theorie van Malthus, die graag als natuurwet zo wordt uitgedrukt, dat de bevolking sneller groeit dan de levensmiddelen, de bourgeois des te meer welkom omdat zij zijn geweten tot rust brengt, hem de hardvochtigheid tot morele plicht maakt, de gevolgen van de maatschappij tot gevolgen van de natuur maakt, en aan de andere kant maakt dat hij de ellende van het proletariaat als diens eigen schuld en straf kan beschouwen. De proletariër kan immers het natuurinstinct door zijn verstand beteugelen en zo door morele waakzaamheid de natuurwet tegenhouden in haar schadelijke ontwikkeling.19

Spencer: de ideoloog van het sociaal darwinisme

Recht tegenover de graftombe van de vader van het marxisme op Highgate Cemetery ligt het graf van de vader van het sociaal darwinisme, Herbert Spencer (1820-1903). Het sociaal darwinisme is een ideologie die een pseudowetenschappelijke rechtvaardiging voor het racisme geeft, uitgaande van het recht van de sterkste en het bestaan van superieure en inferieure volkeren. Volgens die ideologie is competitie tussen individuen of groepen, met als gezond gevolg de eliminatie van de zwaksten, de te koesteren natuurlijke toestand van de menselijke samenleving.

De in zijn tijd veel bejubelde victoriaanse sociale filosoof Herbert Spencer was de eerste die het begrip survival of the fittest formuleerde. Dat was in het begin van de jaren 1850 en wel in het kader van de malthusiaanse theorie van vooruitgang door eliminatie van de zwakken. Charles Darwin zou het begrip natural selection vervangen door survival of the fittest in zijn The Origin of Species en wel bij de vijfde uitgave ervan.

Spencer wordt de vader van het sociaal darwinisme genoemd. Hij misbruikte ook de ideeën van Darwin om een pseudowetenschappelijke verdediging van het racisme op te bouwen. In de negentiende eeuw, de tijd van de verlichting, van wetenschappelijke en technologische vooruitgang en van industrialisatie waren bijbelse argumenten ter verantwoording van racisme nauwelijks nog geloofwaardig. Een (pseudo)-wetenschappelijke rechtvaardiging kwam de bourgeoisie goed van pas.

Darwin vertrok van de feiten die hij als natuurkundige vaststelde om van daaruit zijn inzichten over de evolutie te distilleren. Herbert Spencer daarentegen hanteerde geen empirische methode. Zijn basiswerk Statics uit 1851 was een poging om de vrijhandel in een natuurwet te gieten. De titel verwijst nogal overmoedig naar de natuurkundige staticawetten met de suggestie dat zijn wetten van de vrijhandel een even vaststaand gegeven zouden zijn als de wetten van de fysica. Hij misprees de grondaristocratie die alleen haar eigen belangen behartigde en daarom bijvoorbeeld alles in het werk stelde om de invoer van goedkope tarwe tegen te gaan.

De Homo sapiens kan zo een Homo supersapiens worden als de Homo socialis in hem kan bloeien.

In die verdediging van de vrijhandel nam Spencer een vooruitstrevend standpunt in, maar tegelijk was hij gekant tegen elke wetgeving in het voordeel van de opkomende arbeidersklasse. Volgens Spencer waren de armen zelf verantwoordelijk voor hun armoede. Staatsinmenging om hun lot te verbeteren was dan ook uit den boze. Dat denkpatroon was eigen aan de Engelse klasse van industriëlen die zich van de oude aristocratie wilden bevrijden, maar zich ook wilden behoeden voor de opkomst van de arbeidersbeweging. Deze mengeling van liberale radicaliteit en reactionair conservatisme sloeg aan.

Het kloeke borstbeeld van Karl Marx kijkt letterlijk neer op het graf van zijn antagonist Herbert Spencer. Waarschijnlijk is dit een historische toevalligheid, maar ze is symbolisch zeer opmerkelijk. Het misbruik van de ideeën van Darwin door de bourgeoisie onder de vorm van het sociaal darwinisme was iets waar Marx en Engels van meet af aan voor hadden gewaarschuwd. Het woord sociaal wordt hier gebruikt in de betekenis van betrekking hebben op de maatschappij, niet in de morele betekenis van het woord. In die laatste betekenis is het sociaal darwinisme de meest asociale ideologie die er bestaat en Darwin zelf was ertegen. Overigens spraken Marx en Engels eerder van bourgeois darwinisme.

Kritieken van Engels op Darwin

In een brief van 12 november 1875 aan de Russische revolutionair Lavrov zet Friedrich Engels nogmaals zijn belangrijkste kritieken op de ideeën van Charles Darwin bijeen.

“De hele darwinistische theorie van de strijd om het bestaan is gewoon de projectie van de natuur op de mensenmaatschappij en omgekeerd, van Hobbes’ theorie over de oorlog van iedere mens tegen iedere mens en van de burgerlijke economische theorie van de concurrentie, samen met de malthusiaanse bevolkingstheorie.” Marx en Engels zetten zich van meet af aan af tegen het hobbesiaans, malthusiaans of sociaal darwinistisch mensbeeld.

De strijd om het bestaan bij de mens verandert in een strijd om de genietingen van het surplus, een strijd niet langer voor de loutere middelen van bestaan, maar voor de sociaal geproduceerde middelen die nodig zijn voor verdere sociale ontwikkeling. Bij de mens wordt de strijd om het bestaan een strijd om de bestaansmiddelen en werktuigen. Eens de mens in staat was meer te produceren dan nodig was om te overleven en te reproduceren, wordt de strijd om het bestaan een strijd voor de productie en verdeling van deze meerwaarde. Anders gezegd, dan is het de klassenstrijd die de drijfkracht vormt van de menselijke geschiedenis. Terwijl in het werk van Darwin alles draait om competitie in de strijd om het bestaan, is het vooral de samenwerking die overal opvalt in de organische natuur. In mijn opinie was ons sociaal instinct een van de belangrijkste hefbomen in de ontwikkeling van de mens uit de aap (bedoeld wordt de gemeenschappelijke voorouder).20

We vinden nergens aanwijzingen dat Marx of Engels Darwins tweede belangrijk werk The Descent of Man hebben gelezen. Dat is te begrijpen gezien het boek in 1871 verscheen, net op het moment dat Marx en Engels intensief bezig waren met de Commune van Parijs. In dit boek bekampt Darwin overwegend, op een paar uitzonderingen na, de sociaal darwinistische ideeën van zijn tijd en legt hij veel nadruk op het belang van samenwerking, groepsselectie en de sociale instincten in de evolutie van de mens. Daarom zijn de hierbovenstaande twee laatste kritieken van Engels op Darwin in zijn brief aan Lavrov volgens ons onterecht.

De sociale instincten van de mens

In The Descent of Man (1871) waagt Darwin het uiteindelijk zijn evolutietheorie toe te passen op de mens. Hij tast daarbij in alle openheid alle hypothesen af. Zo gaat hij expliciet in tegen de ideeën van zijn halve neef, de statisticus en sociaal darwinist Francis Galton:

Wij beschaafde mensen doen ons uiterste best om het eliminatieproces (van de zwakken) tegen te gaan. […] Daardoor kunnen de zwakke leden van de beschaafde samenleving zich verder voortplanten. Niemand die zich heeft beziggehouden met het fokken van huisdieren, zal eraan twijfelen dat dit nadelig moet zijn voor het mensenras.

Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe dat onze empathie met de minder fortuinlijke zelf een product is van natuurlijke selectie en dat we het nobelste in ons zouden schenden indien we de minder fortuinlijke niet zouden helpen:

De hulp die wij voelen te moeten verstrekken aan de hulpeloze is voornamelijk een gevolg van ons instinct tot sympathie, dat we oorspronkelijk hebben verworven als deel van onze sociale instincten, en dat zich vervolgens meer en meer uitbreidde. Zelfs de dwang van onze koele rede kan deze sympathie niet intomen zonder dat we het edelste deel van onze natuur verloochenen.21

In deze passage rukt Darwin de evolutietheorie uit de handen van het sociaal darwinisme. Immers, met de mens heeft de evolutie een verandering ondergaan.

Charles Darwin schreef ook reeds in 1871 dat de culturele evolutie bij de mens veel meer bijdraagt tot de vorming van zijn morele vermogens dan de biologische evolutie door natuurlijke selectie. Darwin besluit De afstamming van de mens met een passage waarin elk woord van belang is. “Hoe belangrijk de strijd om het bestaan ook is geweest en zelfs nog altijd is, toch zijn er wat betreft het edelste deel van de menselijke natuur andere werkzame factoren die belangrijker zijn. Want de morele kwaliteiten worden, direct of indirect, veel meer bevorderd door de effecten van gewoonten, de redeneervermogens, het onderwijs, de religie, dan door natuurlijke selectie; hoewel je aan deze laatste werking de sociale instincten, die de basis hebben geleverd voor de ontwikkeling van de morele zin, zeker mag toeschrijven.”

Verschuiving in het mensbeeld

Vandaag kennen we een verschuiving van een nog steeds overwegend hobbesiaans mens- en samenlevingsbeeld naar een visie van de mens als primordiaal een sociale supersamenwerker die weliswaar in staat is tot het kwade. Dat hobbesiaanse mensbeeld werd dus destijds zowel door Marx, Engels als Darwin reeds verworpen.

Nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen in verschillende onderzoeksdomeinen onderbouwen die verschuiving in de visie op de menselijke natuur. Dit recent wetenschappelijk bewijs hebben we samengebracht in ons boek De Supersamenwerker.22 Vergelijkend onderzoek laat zien dat van alle zoogdieren de mens als het meest premature en hulpbehoevende wezen wordt geboren. Hij kan maar overleven dankzij de zorg van anderen. Daarom heeft de natuur doorheen de evolutie bij de mens sterke sociale instincten geselecteerd.

Zo heeft van alle zoogdieren de Homo sapiens de langste kindertijd, waarin het mensenkind afhankelijk is van zijn ouders en van de gemeenschap. Dat gaat gepaard met een sterke drang tot opvoeden en aanleren bij de moeder en andere leden van de gemeenschap. Vergeleken met de andere primaten heeft de mens een langdurige coöperatieve opvoeding. Je moet met twee zijn om een kind te maken, maar je hebt een heel dorp nodig om het groot te brengen, luidt een Afrikaans gezegde. In tegenstelling tot de andere primaten heeft de mens na de menopauze nog een lange levensverwachting. Daardoor spelen bij de mens grootouders een cruciale rol bij het overleven en opgroeien van de kleinkinderen.

Wat de reis rond de wereld betekende voor Darwin, betekende de tocht door de arbeiderswijken van Manchester voor Engels

Verder lieten antropologen zien dat in de geschiedenis de jager- en verzamelaarmaatschappijen, maar ook vandaag mensen wereldwijd en over alle culturen heen over een rechtvaardigheidsgevoel beschikken. De overgrote meerderheid van mensen beschouwen gelijkheid en solidariteit als wezenlijke waarden. Gedragseconomen toonden ook aan dat mensen spontaan altruïstischer en tot meer samenwerking bereid zijn dan het neoliberale beeld van de Homo economicus ons vertelt. Psychologen leverden dan weer het bewijs dat kruipers en peuters een sterk spontaan hulpgedrag hebben, zonder dat ze daarvoor een beloning moeten krijgen. Zelfs onderzoek naar het gedrag van baby’s van nog geen half jaar oud liet zien dat zij spontaan onderscheid maken tussen wie lief en wie stout is.

En neurowetenschappers ontdekten dat onze hersenen geprogrammeerd zijn om andermans pijn en verdriet te voelen, en ons goed te doen voelen als we zelf goed zijn voor anderen. Zij stelden vast dat neurohormonen de mensen gevoelens van vertrouwen geven, aanzetten tot delen en samenwerken, en een verbondenheid met anderen creëren die gelijkaardig is aan deze tussen moeder en kind. De langste zenuwbaan van ons onwillekeurig zenuwstelsel, de nervus vagus, heeft bij de zoogdieren in de loop van de evolutie een voorste tak ontwikkeld. Deze zenuwtak is via de hersencentra verbonden met onze zintuigen. Ze staat in voor oogcontact, voor wenken vanuit het gelaat, voor stemintonatie of om het oor te scherpen. Bij alle zoogdieren, maar bovenal bij de mens, creëert deze zenuwbaan openheid voor elkaar, aantrekking en verbinding. Hersenscans laten zien dat een groot deel van onze evolutionair jongste hersendelen, de neocortex genaamd, gericht is op onze relaties met anderen. Minstens tien neurologische circuits in het evolutionair jongste deel van ons brein zijn verbonden met empathie. Ook onze huid is met haar fijnmazig net van zenuwtakjes een sociaal orgaan bij uitstek. Aanraken, aaien, kussen, voelen, een schouderklopje, liefkozen of gewoon een hand geven: het zijn allemaal gebaren van sociale interactie. De architectuur van ons zenuwstelsel is gericht op de ander. De menselijke intelligentie, de meest succesvolle eigenschap in de darwinistische evolutie, is voor alles een resultaat van het menselijk vermogen tot sociaal leren, wat zelf voortspruit uit al die prosociale kenmerken die in de menselijke natuur dominant aanwezig zijn.

De Homo sapiens kan zo een Homo supersapiens worden als de Homo socialis in hem kan bloeien. Recent werd de mens door een van de belangrijkste hedendaagse evolutionaire wetenschappers, Martin Nowak van Harvard, dan ook als een supersamenwerker uitgeroepen.23 Hedendaags socio-psychologisch onderzoek naar wat mensen motiveert en gelukkig maakt en naar de negatieve impact van ongelijkheid op het menselijk welzijn is de proef op de som van de uitkomsten van al die recente observaties.24

Er zijn in de geschiedenis van de wetenschappen weinig dergelijke verschuivingen gekend die onderbouwd zijn door zo’n grote hoeveelheid robuust bewijsmateriaal, dat op zulke korte tijd tot stand is gekomen in zulk groot aantal verschillende wetenschappelijke disciplines en op verschillende onderzoeksdomeinen zoals de neurowetenschappen, de evolutionaire psychologie, de paleo-antropologie, de evolutionaire dynamica, de sociologie, de gedragseconomie en de epidemiologie.

Net zo verbazingwekkend is het feit dat Darwin, Marx en Engels een groot deel van deze verschuiving in het mensbeeld al in de negentiende eeuw beschreven. “De essentie van mens zijn is het ensemble (het samenspel en geheel) van zijn sociale relaties”25, schreef Marx. “Het is niet het bewustzijn van de mensen dat hun zijn bepaalt, maar omgekeerd hun maatschappelijk zijn, dat hun bewustzijn bepaalt.” 26De maatschappelijke omstandigheden bepalen in belangrijke mate of de positieve zijde van onze natuur zoals de neiging tot empathie, altruïsme, solidariteit en samenwerking, dan wel de evolutionair oudere instincten zoals zelfzucht, concurrentiedwang, agressie en dominantie de bovenhand halen.

Deze nieuwe wetenschappelijke inzichten voeden een culturele tegenhegemonie tegen de neoliberale visie op de menselijke natuur die stelt dat bij de mens voor alles het individualisme en de hebzuchtige concurrentie zouden domineren. Schrijver en Nobelprijswinnaar José Saramago drukte het als volgt uit: “Als de omstandigheden zo bepalend zijn voor zijn voor de mens, laat ons dan die omstandigheden meer menselijk maken.”

Footnotes

  1. Friedrich Engels, Rede aan het graf van Karl Marx op de begraafplaats te Highgate (1883).
  2. Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, 1845.
  3. Charles Darwin, The origin of species (Over het ontstaan van soorten), 1859.
  4. G. Pancaldi, “The technology of nature: Marx’s thoughts on Darwin”, in The natural and the social sciences (uitg. I. Bernard Cohen), Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, 1994, p. 257-274.
  5. Marx to Ferdinand Lassalle, 30 januari 1860. Geciteerd in Jonathan Sperber, Karl Marx, Liveright Publishing Company, 2014, New York, p. 394.
  6. Karl Marx geciteerd in Friedrich Engels, De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap. Inleiding bij de uitgave in het Engels van 1892.
  7. Friedrich Engels, Anti-Dühring, 1876.
  8. Karl Marx, Het Kapitaal, 1867, deel 1. Hoofdstuk 13.
  9. Karl Marx, Het Kapitaal, 1867 deel 1. Hoofdstuk 5 Afdeling III, 1.
  10. Friedrich Engels, De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens, 1876.
  11. D. Robson, The story in the stones. How did a simple ape become the smartest creature on Earth ?New Scientist, 1 maart 2014, p. 34-39.
  12. Stephen Jay Gould, An Urchin in the Storm: Essays about Books and Ideas, Norton & Company, 1987, p. 111.
  13. The Friends of Charles Darwin, “Didn’t Karl Marx offer to dedicate Das Kapital to Darwin ?“.
  14. Charles Darwin, The descent of man and selection in relation to sex, 1871.(Nederlandse vertaling).
  15. Brief van Karl Marx aan Sigfrid Meyer en August Vogt in New York.
  16. R.J. Mayhew, Malthus: The Life and Legacies of an untimely Prophet, Harvard University Press, p. 125.
  17. P. Tort, L’effet Darwin: sélection naturelle et naissance de la civilisation, Seuil, 2008, p. 77.
  18. Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, 1845.
  19. Karl Marx, Loonarbeid en kapitaal, 1849.
  20. Friedrich Engels, Marx-Engels Correspondence, 1875, Engels to Pyotr Lavrov.
  21. Charles Darwin, The descent of man and selection in relation to sex, John Murray, 1871, Hoofdstuk V. (Nederlandse vertaling).
  22. Dirk Van Duppen, Johan Hoebeke, De Supersamenwerker, EPO, 2016.
  23. Martin Nowak, Richard Highfield, Supercooperators. Evolution, altruism and human behaviour or why we need each other to succeed, Free Press, 2011.
  24. Richard Wilkinson, Kate Pickett, The spirit level: why more equal societies almost always do better, Allen Lane, 2009.
  25. Zesde stelling over Feuerbach. “The sixth thesis on Feuerbach and the determination of human nature by social relations“, 1845.
  26. Karl Marx, Parijse manuscripten, 1844.