Artikel

De neoconservatieve bocht in Frankrijk

Daniel Steinmetz-Jenkins

— 1 juli 2018

In 1968 noemde Raymond Aron de gebeurtenissen van de maand mei een ‘psychodrama’. Het kenmerkt de neoconservatieve bocht in het Franse gedachtegoed.

In de vroege lente van 1968 had Raymond Aron, de Koude-Oorlogsliberaal en socioloog, geen reden om te denken dat Frankrijk het toneel zou worden van massaal studentenprotest en arbeidersstakingen. In feite waren veel van zijn collega’s van mening dat het politieke radicalisme zijn greep op een jongere generatie aan het verliezen was en dat Arons liberale gedachtegoed eindelijk de erkenning zou krijgen die het al zolang was ontzegd. Pierre Manent legt uit: “Naar het einde van de jaren 60 toe, toen de publieke opinie en de samenleving op weg leken naar ‘het einde van de ideologieën’, of op zijn minst naar een lichte dooi in de ideologische spanning, en toen Raymond Aron op het punt stond in Frankrijk dezelfde erkenning te krijgen als in de Angelsaksische wereld of Duitsland, dwongen de ‘gebeurtenissen van mei 68’ hem naar de overzijde van wat toen de heersende opinie was in Franse intellectuele kringen.”1

Raymond Aron poogde om mei 68 te verbinden met de val van de Weimar Republiek.

Volgens Manent versperde mei ’68 niet alleen de weg voor Arons rijzende ster in Frankrijk maar betekende het ook het doodvonnis voor het ideologisch argument dat hij in zijn gerenommeerde werk L’Opium des intellectuels had gepopulariseerd. Waarom bleef Aron dan in de jaren 1970 de gebeurtenissen van mei ’68 interpreteren als een catastrofe ondanks zijn conclusie dat de protestbeweging niet meer dan een carnaval en een psychodrama was?

In zijn aanvankelijke bijdrages in Le Figaro over het studentenprotest en de arbeidersstakingen deed hij her en der wat suggesties aangezien hij van mening was veranderd over het karakter en de betekenis van de gebeurtenissen na mei. In juli 1968 gaf hij een aantal interviews aan Alain Duhamel, de toenmalige hoofdredacteur van Le Monde, die uiteindelijk in boekvorm werden uitgegeven als La Révolution introuvable. Aron argumenteerde in die interviews dat de revolutionairen van mei 68 het sovjetdespotisme en de technobureaucratische rationaliteit van de industriële maatschappij verwierpen. Het probleem is dat de ‘droom’ van een libertaire samenleving, gesymboliseerd door het idee van zelfbeheer, zoals beschreven door Claude Lefort en Edgar Morin, weinig voorstellen aandroeg voor de manier waarop de nieuwe politieke orde zou tot stand komen. De revolutionairen, zo zei Aron, slaagden er niet in “te bewijzen dat ‘zelfbeheer’ in de industrie, of aan de universiteit of in de maatschappij, of het beëindigen van de scheiding tussen de massa’s en de leiders, eender welke radicaal originele derde weg bood tussen min of meer geliberaliseerd socialisme en min of meer gesocialiseerd kapitalisme.”2

Het enige dat zij echt bereikten was het bewijs dat de Franse staat zwak was, wat volgens Aron schadelijke gevolgen had voor de politiek. Door een bres te slaan in de muur van de oude orde, opende Nieuw Links in werkelijkheid de sluizen voor de vijanden die het wilde aan de kant zetten. Vanuit dit perspectief worden Arons pogingen om mei ’68 te verbinden met de val van de Weimar Republiek duidelijk. Indien de revolutionairen − de eengemaakte socialistische partij, de trotskisten, de maoïsten en anderen van soortgelijk slag − waren geslaagd, zou dit volgens Aron hoogst waarschijnlijk geleid hebben naar een soort volksfrontregering die werd gedomineerd door de PCF of naar een rechtse regering. Maar, zo zei hij, “In het Westen werkt Nieuw Links voor Brezjnev of voor de Griekse kolonels, tenzij het tegen zijn zin en ongewild werkt voor zijn meest gehate vijanden, het liberale establishment in de VS en de republiek, dat het wil vernietigen.”3 Toch hoopte Aron in 1969 nog dat Nieuw Links de gevestigde machten zou wakker schudden en hen zou aanzetten tot “geleidelijke hervormingen” aan de universiteit en in de samenleving.4 In dat jaar publiceerde hij D’une sainte famille à l’autre. Essai sur le marxisme imaginaire, en stelde daarin volgende vraag:

Breekt er in de westerse ontwikkelde industriële maatschappijen een revolutionaire periode aan? Een kleine maar zeer gewelddadige minderheid van studenten heeft de karakteristieke stijl van fascistische bewegingen overgenomen en komt tegelijk op voor de ideeën van de internationalisten, links, de libertariërs en zelfs de pacifisten. Maar ze hebben nog altijd geen ideologie gevonden die een filosofische analyse verdient.5

In zijn artikel “Liberté, libérale ou libertaire” ( 1969 ) gaf hij aan dat Nieuw Links in die tijd geen coherente ideologie had.6 Tegen 1971 echter was Aron van gedacht veranderd en had hij Nieuw Links gereduceerd tot een romantische en utopische ideologie, die heel erg beïnvloed was door Trotsky en Marcuse. Om die redenen begon hij Nieuw Links te zien als een variant van het marxisme dat politieke steun zou verlenen aan de PCF of de PS op het ogenblik dat beide partijen zich verenigden in het Programme commun.7

Aanzwellende anticommunistische paranoïa

Zijn bezorgdheid kende evenwel een mondiale dimensie. Achter Arons vernietigende kritiek op het detentebeleid van Nixons regering schuilt dezelfde reden als voor zijn afwijzing van de gebeurtenissen van mei 68: zijn toenemende angst voor het gevaar van een communistische overname van West-Europa. In 1973 argumenteerde hij in Imperial Republic dat met de eerste termijn van Nixon, diens bezoek aan Peking en Moskou en de beëindiging van de oorlog in Vietnam niet alleen een einde was gekomen aan de Koude Oorlog maar aan heel het naoorlogse tijdperk.8 Voor Aron was Nixons detentebeleid een stap in de richting van isolationisme, te wijten aan de militaire nederlaag in Vietnam. Dat beleid, beweerde hij, gaf de algemene stemming onder het Amerikaanse volk weer, een stemming die volgens hem gebaseerd was op valse aannames:

In hun afkeer van de verschrikkingen en absurditeiten van de oorlog in Vietnam hebben ze, om hun onthechting van de buitenwereld te rationaliseren, een fictief beeld in elkaar geflanst van invloedsferen die voor eens en altijd vastliggen, een Sovjet-Unie die zich voorgoed neerlegt bij het status quo, Japan en Europa die al uitgegroeid zijn tot grootmachten en een leger dat nooit meer moet ingezet worden.9

Maar waarom dan, vraagt Aron zich af, is de Sovjet-Unie bereid zoveel geld te pompen in de verdere uitbouw en modernisering van zijn vloot, luchtmacht en leger? Het verval van de marxistische ideologie, verzekert hij, heeft de Sovjetmacht ontdaan van zijn revolutionaire impulsen maar heeft de machtshonger van het Kremlin niet gestild.

Aron was van mening dat de algemene aanvaarding van de detente zowel zijn eigen landgenoten als de VS had misleid over een mogelijke machtsgreep van de Sovjets. De westerse handel met de Sovjet-Unie droeg bij tot de economische en militaire ontwikkeling van dat land maar politieke verandering bleef uit. Het detentebeleid vernietigde de bipolaire wereldorde van de Koude Oorlog waaraan Aron de voorkeur leek te geven. “Tijdens de Koude Oorlog ging het geweld iets te ver ; in tijden van detente zijn de relaties minder gespannen maar het verhindert niet dat de Sovjet-Unie het ene na het andere land in Afrika of elders overneemt.”10

Dit stemde overeen met het idee van indamming dat Aron al heel lang verdedigde en dat volgens hem, in de bewoording van Anders Stephanson, “een volslagen bevredigend systeem van vreedzame coëxistentie” inhield. 11 Doordat de VS zijn verantwoordelijkheden als wereldmacht opgaf en in feite de NAVO overbodig maakte, stortte het systeem van vreedzame coëxistentie in elkaar. De Sovjet-Unie, beweerde hij, stond klaar om van de geboden kans te profiteren:

Het is duidelijk dat de Sovjet-Unie op militair vlak nooit zo sterk is geweest als nu. De Sovjetleiders zijn van mening dat de VS momenteel zwak is, dat het zijn politieke wil verloren heeft en daarom bereid is grotere risico’s te nemen. West-Europa van zijn kant riskeert, zelfs zonder een militaire aanval, zijn volledige vrijheid en politieke autonomie te verliezen en zal moeten zwichten voor de militaire superioriteit van de Sovjets. Het is juist dat er geen onmiddellijke bedreiging is maar de trend gaat wel die richting uit.12

Door militair zo goed als op gelijke voet te komen met de VS kon de Sovjet-Unie nu overal ter wereld aanwezig te zijn. Voor het eerst, argumenteerde Aron, was het een echte wereldmacht geworden. Een totale oorlog tussen de grootmachten was volgens hem onwaarschijnlijk vanwege de niet te overziene risico’s van kernwapens. Maar het zou leiden tot kleine oorlogen, zoals de Zesdaagse Oorlog, en minder harde militaire confrontaties tussen de grootmachten. Het zag ernaar uit, zei Aron, dat op de lange termijn West-Europa een surrogaat zou worden voor de Sovjetmacht.

Net om die redenen verwierp hij SALT I. De onderhandelingen over de beperking van strategische wapens ( SALT ) wilden het aantal Amerikaanse en Russische kernraketten en lanceerinstallaties beperken en worden beschouwd als het belangrijkste succes van de detentestrategie van de tandem Nixon-Kissinger. De eerste onderhandelingsronde, bekend onder de naam SALT I ( 1969-1972 ), gaf de VS een voordeel wat betreft het aantal kernkoppen en de Sovjet-Unie een overwicht van 40 % in het aantal lanceerinstallaties. “Maar vertegenwoordigde de Amerikaanse superioriteit op het hoogste niveau van de geweldschaal niet een essentieel element van Amerikaanse afschrikking, niet met het oog op de veiligheid van het Amerikaanse grondgebied maar van West-Europa?” vroeg Aron zich af.13

Het is die context — die belangrijker is dan het ‘psychodrama’ van 68 — die cruciaal is voor een goed begrip van het neoconservatieve traject dat Aron in de jaren zeventig heeft afgelegd. Detente betekende voor hem niet dat de Amerikanen de Koude Oorlog hadden verloren maar dat West-Europa — ingeval de VS hun voorraad kernwapens niet bleven aanvullen — hulpeloos stond tegenover de Sovjet-Unie. Daar ligt de echte rechtvaardiging van Arons kritiek op de internationale mensenrechten en de bocht naar het liberalisme in Frankrijk, en ook zijn toekomstige steun aan Ronald Reagan.

De drijfveer voor Arons steun aan de NAVO en de VS was zijn anticommunisme.

De drijfveer voor Arons steun aan de NAVO en de VS was uiteindelijk zijn anticommunisme. Zijn ongerustheid over mei ’68, de totstandkoming van het Programme Commun en de Amerikaanse weigering om vanwege de oorlog in Vietnam zijn verantwoordelijkheid te nemen als wereldmogendheid waren enkel ingegeven door zijn angst voor het communisme, die nog toenam naarmate de bipolaire orde uiteenviel, de VS heel de wereld had meegesleept in een inflatie-economie en het internationaal systeem aan de rand van een belangrijke machtsherschikking stond. De Amerikanen waren te zwak en de Europeanen te decadent geworden om zich bewust te zijn van de ernst van de situatie. Zoveel staat in elk geval te lezen in “L’Adieu aux armes”, zijn nawoord bij Penser la Guerre Clausewitz:

De grote illusie van de Europeanen is misschien niet zozeer dat ze wedden op redenen maar wel dat zij het tegendeel van die weddenschap verkeerd interpreteren. Om te voorkomen dat mensen elkaar vernietigen, moeten ze gered worden van de oorlog. De Europeanen zouden graag nog een stap verder gaan en ‘afscheid van de wapens’ nemen. Dekolonisatie eindigt wanneer alle of bijna alle volkeren de soevereiniteit hebben verworven. Ze zouden kunnen samenwerken aan de opbouw van een wereldmaatschappij. Oorlog lijkt wel degelijk verschrikkelijk en absurd. Maar de marxist-leninisten van Moskou juichen burgeroorlogen toe. Ook Jean-Paul Sartre was dronken van de menigte die de Bastille met geweld inneemt en rondloopt met het hoofd van de directeur op een staak… Wat [ vandaag ] ontbreekt is de zin van de geschiedenis en de tragedie.14

In het begin van de internationale mensenrechtenbeweging, toen de wereld aan de afgrond van een neoliberale revolutie stond, werd het anticommunisme een almaar grotere obsessie voor Aron. De toenemende militarisering wees er volgens hem op dat de Sovjets profiteerden van een opkomend multipolair systeem dat door de detente werd vergemakkelijkt.

Oorlogszuchtig en conservatief

In 1976 en 1977 behaalde l’Union de la gauche grote successen in de provinciale en gemeenteraadsverkiezingen en alles wees erop dat ze in 1978 ook de parlementsverkiezingen zouden winnen. Daarnaast zou de neergang van de VS de Sovjet-Unie de kans geven om de politieke en economische heerschappij over West-Europa te verwerven. Dat verklaart waarom Aron en zijn volgelingen zich bleven zorgen maken over een communistische revolutie, zelfs nadat l’Union de la gauche in september 1977 in elkaar was gestort.15

In dit opzicht had Plaidoyer pour l’Europe décadente maar één doel: “De Europeanen waarschuwen voor het gevaar van zelfgenoegzaamheid ten aanzien van het communisme dat weer de kop opstak.”16 Volgens de historicus Gwendal Châton zou Arons boek een doorslaggevende rol spelen in de antitotalitaire opvattingen die de aroniens verdedigen in het tijdschrift Commentaire, dat Aron en zijn voormalige student Jean Casanova in 1978 hebben opgericht.

In de late jaren 1970 tot het begin van de jaren 1980 werd Commentaire gekenmerkt door zijn strijd tegen de ‘Sovjethegemonie’ buiten de grenzen en het ‘onbereikbare socialisme’ in het binnenland. In de lente van 1978, kort voor de verkiezingen schreef Aron het artikel voor de voorpagina van het tijdschrift: “Incertitudes françaises”. Het moedigt op dezelfde manier als Plaidoyer pour l’Europe décadente de strijd tegen het communisme aan. Ondanks de breuk tussen de PCF en de PS waarschuwde Aron zijn collega’s dat de PS nog altijd leden van de PCF in de regering zou kunnen opnemen, wat zou kunnen resulteren in “jaren van misschien revolutionaire, misschien despotische chaos.”17 “Incertitudes françaises” was tot ver in de jaren 1980 bepalend voor de opvattingen van Commentaire. Om die redenen werd Commentaire volgens Châton de theoretische basis van het nieuwe “antitotalitaire front […] Het is onmiskenbaar dat het giscardo-barrisme het echte politieke centrum van die krant was.”18

Opmerkelijk bij Commentaire zijn de relaties met de Amerikaanse neoconservatieve intelligentsia. Zo traden Norman Podhoretz en Irving Kristol toe tot de adviesraad van Commentaire. Kristol, de hoofdredacteur van Public Interest en de peetvader van de neoconservatieve beweging in de VS, had Aron ontmoet via het Congres voor Culturele Vrijheid. Hij had ook verschillende van Arons boeken in het Engels uitgegeven toen hij hoofdredacteur was bij Basic Books. Podhoretz was hoofdredacteur van het neoconservatieve tijdschrift Commentary. We moeten niet ver zoeken waar Commentaire zijn naam haalde.19 Onder Podhoretz kreeg Commentary de reputatie een “omstreden tijdschrift” te zijn “dat joods links omvormde tot neoconservatief rechts.20 Midge Dector, de echtgenote van Podhoretz, huurde Raymond Aron in als erepresident van het Comité voor de Vrije Wereld.

Achter de benaming ‘Amerikaans neoconservatisme’ schuilt een post-68 grensoverschrijdend verschijnsel met intellectuele wortels in het Franse liberalisme.

Uit de thema’s van Commentary en Commentaire in de late jaren 1970 blijkt de zeer gelijklopende politieke bezorgdheden: kritiek op nieuw links, angst voor de toenemende Sovjethegemonie en aanzienlijke terughoudendheid betreffende de politieke leefbaarheid van Jimmy Carters nadruk op internationale mensenrechten ( die het duidelijkst tot uiting komt in de publicatie van het beroemde artikel “Dictatorships and Double Standards” van Jeane Kirkpatrick in 1979 ).21

Allan Bloom, de auteur van het beroemde boek Closing the American Mind, schreef geregeld bijdragen voor Commentaire. Zijn artikel voor de eerste uitgave verscheen onder de titel “Un vrai philosophe, Léo Strauss.”22 Strauss was een leraar van Bloom en een politieke theoreticus aan de Universiteit van Chicago ( 1949-1969 ). Hij wordt al dan niet terecht beschouwd als “een bezielende grondlegger van het Amerikaanse neoconservatisme.23 Jim George verklaart nader:

…neoconservatieven hebben van Strauss een soort thematische agenda overgenomen die ijvert voor de herinvoering van een sterk nationalisme en culturele eenheid in westerse maatschappijen ; de waarde van een eenvoudige religieuze en filosofische moraliteit en ( uiteindelijk ) een ‘oorlogscultuur’ als basis voor het behoud van die eenheid ; het aanwenden van maximale kracht door de westerse democratieën tegen een endemische bedreiging ; en een meer algemene aanpak van ‘vrede door kracht’ in het buitenlands beleid van de VS, de politieke en ideologische leider van de moderne westerse beschaving. Van Strauss komt ook het idee dat de heerschappij van de elite cruciaal is als we niet willen dat het liberalisme van na de Verlichting verder het ( klassieke ) democratische bestuursmodel bedreigt en dat de neoconservatieve elite het recht, om niet te zeggen de verplichting heeft om de massa’s te beliegen zodat de ‘juiste’ politieke en strategische beslissingen worden genomen en doorgevoerd.24

Commentaire publiceerde doorgaans enkele vertalingen van de artikelen van Strauss samen met tal van bijdragen over zijn werk.25 De Strauss-adept in Frankrijk was Pierre Manent. Hij werd vaak beschouwd als de rechtmatige erfgenaam van Raymond Aron en ongetwijfeld had hij de hand in de promotie in Commentaire van het door Strauss geïnspireerde werk van Bloom, samen met dat van Harvey Mansfield, een van de voormalige studenten van Strauss.26 Dit suggereert dat achter de benaming “Amerikaans neoconservatisme” een post-’68 grensoverschrijdend verschijnsel schuilt met intellectuele wortels in het Franse liberalisme.

In lijn met zijn steun aan de Amerikaanse neoconservatieven schaarde Aron zich ook achter de presidentskandidatuur van Ronald Reagan. In een artikel dat in 1982 verscheen in Encounter schreef hij dat de “algehele superioriteit van de Sovjet-Unie in materieel en in aantallen niet gold voor heel de wereld”.27 Vooraleer de redenen op te sommen voor de Amerikaanse neergang die hij de voorbije tien jaar meende gezien te hebben, zei Aron dat hij het grondig eens was met Reagan dat de Amerikaanse militaire machine verzwakt was. Hoewel Aron Reagans retoriek betreurde, gaf hij toe dat hij het globaal eens was met de nucleaire strategie van diens regering.

Net in de meest reactionaire en oorlogszuchtige periode van zijn leven werd Aron gelauwerd als de liberale intellectuele held van Frankrijk.

In hetzelfde jaar ging Aron in debat met de economist John K. Galbraith in het tv-programma Apostrophes. De presentator Bernard Pivot kon uit het gesprek afleiden dat het woord “liberaal” aan beide zijden van de Atlantische Oceaan een andere betekenis had. In de VS betekende het “progressief”, in Europa “conservatief”. Galbraith drukte zijn sympathie uit voor de Europese sociaaldemocraten, met inbegrip van de Franse socialistische partij, terwijl Aron een fervente supporter was geweest van president Valérie Giscard d’Estaing. Galbraith zei dat hij voor de Amerikaanse Democratische Partij was, terwijl Aron zijn goedkeuring hechtte aan het beleid van Ronald Reagan, vooral dan zijn buitenlands beleid.28 Vóór de komst van Reagan had Aron altijd de voorkeur gegeven aan een Democraat in het Witte Huis.

Hoe moeten we dan het liberalisme van na mei ’68 van Raymond Aron interpreteren? In 1978 zei Ralf Dahrendorf, destijds Arons meest loyale Duitse bewonderaar, dat Arons politiek “harder” was geworden door zijn frustraties met 1968 en ook door zijn ontgoocheling in de VS, die afstand had gedaan van de wereldmacht, zoals bleek uit SALT I en SALT II ( 1972-1979 ). De opkomst van een “machtsvacuüm” op wereldvlak, merkte Dahrendorf op, “moet hem zorgen baren”.29 Twintig jaar later zei Dahrendorf dat “1968 Aron de laatste vijftien jaar van zijn leven bleef achtervolgen”.30 Het ogenblik waarop Aron werd gelauwerd als de liberale intellectuele held van Frankrijk in de jaren 1970, viel net in de meest reactionaire en oorlogszuchtige periode van zijn leven. Bij zijn dood − en zoals blijkt uit het tv-programma Apostrophe − stond zijn liberalisme al op gelijke lijn met de standpunten van de Republikeinse Partij in de VS. Het is dan ook niet overdreven te zeggen dat Aron aan de basis lag van een neoconservatieve bocht met diepe wortels in mei 68

Footnotes

  1. Pierre Manent, “Raymond Aron—Political Educator,” in Raymond Aron, In Defense of Political Reason, Lanham, MD Rowman & Littlefield, 1994, p. 15.
  2. Raymond Aron, The Elusive Revolution, New York, Praeger, 1969, p. 5.
  3. Ibid., xix.
  4. Ibid.
  5. Raymon Aron, Marxismes imaginaires. D’une sainte famille à l’autre, Parijs, Gallimard, 1969, p. 20.
  6. Raymond Aron, “Liberté, libérale ou libertaire,” in Études Politiques, Parijs, Gallimard, 1972, p. 235–276.
  7. Raymond Aron, “Remarques sur le nouvel âge idéologique,” in Klaus Von Beyme, ed., Theorie und Politik, Den Haag, Nijoff, 1971, p. 226–41.
  8. Raymond Aron, The Imperial Republic: The United States and the World: 1945–1973, New Jersey, Prentice-Hall, 1974, p. 326.
  9. Ibid., p. 326–327.
  10. Raymond Aron, “The Committed Observer,” p. 232.
  11. Zie Anders Stephanson, Kennan and the Art of Foreign Policy, Cambridge, Harvard University Press, 1992, p. 153.
  12. Raymond Aron, “An Interview with Raymond Aron,” Encounter, oktober 1976, p. 64.
  13. Raymond Aron, Memoirs, p. 400.
  14. Aron, Clausewitz: Philosopher of War, New York, Simon & Schuster, 1986, p. 412.
  15. Geciteerd in Châton, “Taking Anti-totalitarianism Seriously,” p. 31.
  16. Châton, “Taking Anti-totalitarianism Seriously”, p. 31.
  17. Raymond Aron, “Incertitudes françaises,” Commentaire 1, nr. 1 , 1978, p. 15.
  18. Châton, “Taking Anti-totalitarianism Seriously”, p. 31.
  19. Deze informatie komt uit Adam Fuller’s book, Taking the Fight to the Enemy: Neoconservatism in the Days of Ideology, Lanham, Lexington Books, 2012, p. 234–235.
  20. Benjamin Balint, Running Commentary: The Contentious Magazine That Transformed the Jewish Left Into the Neoconservative Right, 2010, New York, PublicAffairs.
  21. Jeane Kirkpatrick, “Dictatorships and Double Standards,” Commentary Magazine 68, nr.5, november 1979, p. 34–45. Kirkpatrick studied at Sciences Po.
  22. Alan Bloom, “Un vrai philosophe, Léo Strauss,” Commentaire 1, nr. 1, 1978, p. 91–105.
  23. Eugene R. Sheppard, Leo Strauss and the politics of exile: the making of a political philosopher, 2005, p. 1.
  24. Jim George, “Leo Strauss, Neoconservatism and US Foreign Policy: Esoteric Nihilism and the Bush Doctrine” , vol. 42, nr. 2, 2005, p. 174.
  25. A list of articles in Commentaire written by and on Leo Strauss can be found here: www.cairn.info
  26. On Manent’s relationship to Strauss and Aron, see his, Seeing Things Politically: Interviews with Benedicte Delorme-Montini, South Bend, St. Augustine’s Press, 2015, p. 35–58.
  27. Raymond Aron, “Hope and Despair in the Western Camp: Reply to an American Friend”, Encounter, juni 1982, p. 15.
  28. The video can be found here: www.ina.fr.
  29. Ralf Dahrendorf, “Special Forward to Raymond Aron’s: War and Industrial Society: A Reappraisal”, in Millennium: Journal of International Studies, vol. 7, nr. 3, 1978, p. 196.
  30. Dahrendorf, The Modern Social Conflict, p. 114.