Artikel

Kan de echte Adam Smith na 250 jaren opstaan ?

Karim Zahidi

—2 april 2026

Adam Smith wordt vaak opgevoerd als de oervader van de vrije markt. Zijn denken over arbeid en welvaart, staat en klassen, contrasteren evenwel sterk met de neoliberale bejubeling.

In Londen verscheen 250 jaar geleden An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations van de Schotse verlichtingsfilosoof Adam Smith (1723 – 1790). De Nederlandse vertaling luidt Een onderzoek naar de aard en de oorzaken van de welvaart van landen. Het werk geldt als een van de eerste systematische wetenschappelijke verhandelingen over politieke economie. 1 Smith onderzoekt de wetten die het ontstaan van de welvaart van landen bepalen en introduceert daarbij concepten die fundamenteel werden voor de economische theorie, zoals arbeidsdeling, productiviteit, het onderscheid tussen gebruiks- en ruilwaarde en een arbeidswaardeleer.

The wealth of nations vormde niet alleen het uitgangspunt van de klassieke politieke economie, maar leverde ook een analytische en ideologische basis voor het economisch liberalisme. Tegelijk is het boek geen technisch economisch traktaat, maar een breed menswetenschappelijk onderzoek naar de commerciële samenleving. Het verbaast dan ook niet dat het werk zowel filosofen als economen beïnvloedde, van Kant en Hegel tot David Ricardo, John Stuart Mill en Karl Marx.

Vandaag wordt Adam Smith vaak voorgesteld als een voorloper van het neoliberalisme. Prominente denkers van het neoliberalisme zoals Milton Friedman en Friederich Hayek verwijzen regelmatig naar hem. Zijn verdediging van individuele vrijheid, marktwerking en de bekende metafoor van “de onzichtbare hand” lijken dit beeld te bevestigen. Een nauwkeuriger lezing toont echter dat de verhouding tussen Smiths denken en het hedendaagse neoliberalisme complexer is dan deze vereenvoudigde voorstelling suggereert.

Context

Adam Smith was, samen met de filosoof David Hume, een van de centrale figuren van de Schotse Verlichting. Na studies in Glasgow en Oxford werd hij hoogleraar moraalfilosofie in Glasgow, waar hij in 1759 The Theory of Moral Sentiments publiceerde. Later verliet hij de universiteit om als privéleraar van de jonge hertog van Buucleugh door Europa te reizen. Zo kwam hij in contact met vooraanstaande denkers van zijn tijd, zoals de filosoof Voltaire en de economen Turgot en Quesnay. Na zijn terugkeer kon hij zich dankzij een pensioen volledig aan onderzoek wijden, wat in 1776 resulteerde in de publicatie van The wealth of nations.

Karim Zahidi is wiskundige en filosoof. Hij verricht onderzoek en doceert in de wetenschapsfilosofie en wijsgerige psychologie aan het Centrum voor Wijsgerige Psychologie van de Universiteit Antwerpen en het Centrum voor Logica en Wetenschapsfilosofie aan de UGent. Samen met Jan Blommaert schreef hij De paradox van Hayek. Vrijheid als privilege (EPO, 2014). Met Robrecht Vanderbeeken verzorgde hij de redactie van Debatfiches van de Vlaamse elite (EPO, 2022). Hij is ook voorzitter
van het Masereelfonds.

Kenmerkend voor de Schotse Verlichting is het geloof dat maatschappelijke vooruitgang mogelijk is, maar dat deze veeleer het resultaat is van geleidelijke historische ontwikkeling dan van rationeel ontwerp. Anders dan de continentale Verlichting, waar de rede vaak als autonome en universele gids werd beschouwd, wordt de rede in de Schotse traditie steeds begrepen als ingebed in sociale praktijken en historisch gegroeide instituties. Zij kan slechts vruchtbaar functioneren wanneer zij getemperd wordt door traditie, gewoonte en ervaring — anders dreigt zij te ontaarden in een gevaarlijke maakbaarheidswaan. Deze afkeer van abstract rationalisme verklaart ook het Schotse wantrouwen tegenover radicale hervormingen en hun nadruk op de behoedzame evolutie van bestaande structuren.

Smith schrijft tegen de achtergrond van een Schotse samenleving in transitie van feodale naar commerciële verhoudingen. De onteigening van de gemene gronden en de opkomst van loonarbeid hadden de basis gelegd voor een kapitalistische orde — een ontwikkeling die in Schotland bovendien werd versneld door de verbintenis met Engeland via de Acts of Union (1707) en de daaropvolgende integratie in Britse handelsnetwerken. De belangrijkste sectoren van de Schotse economie waren landbouw, textielproductie en handel. Zwaardere industrieën zoals mijnbouw en zware metaalnijverheid kenden pas vanaf het laatste kwart van de 18e eeuw een meer beduidende groei. Het verwondert daarom niet dat de economische actoren die Smith voor ogen heeft, in de regel kleine producenten en handelaars zijn, en geen industriële kapitalisten. Smith heeft ook oog voor de globale context waarin de Schotse (en ruimer genomen de Europese) samenleving verandert. Zo besteedt hij ruime aandacht aan de economische impact van het kolonialisme. In wat volgt ga ik hier niet verder op in. Wel dient opgemerkt dat Smith, om economische redenen, geen voorstander is van het behouden of uitbreiden van het koloniaal systeem. 2

Wealth of Nations (verder kort WL) is een omvangrijk en thematisch veelzijdig werk, waarin systematische analyse en historische en sociologische beschouwingen elkaar afwisselen. Een volledige bespreking is hier onmogelijk. In wat volgt, behandel ik een aantal aspecten van Smiths denken die duidelijk maken dat er een aanzienlijke kloof bestaat tussen de neoliberale beeldvorming rond Adam Smith en de complexiteit van zijn werk.

Welvaart en arbeid

Smith wil onderzoeken wat een land welvarend maakt. Hij gaat daarbij uit de overtuiging dat de maatschappij waarin hij schrijft, de meeste welvarende maatschappij is die tot dan toe heeft bestaan en nergens ter wereld haar gelijke kent. 3 De centrale vraag luidt dan ook: “Waar komt die welvaart vandaan?” De openingszin van WL maakt meteen duidelijk dat arbeid voor Smith de eerste bron van welvaart is. Daarmee onderscheidt hij zich fundamenteel van een andere invloedrijke stroming binnen de politieke economie van zijn tijd: het mercantilisme. Volgens die stroming ligt de rijkdom van een natie in de hoeveelheid goud en zilver die ze bezit. Economisch beleid moet er, volgens de mercantilisten, op gericht zijn om meer edelmetaal binnen te halen dan het land verlaat, door export te stimuleren en import te beperken via invoerrechten. Daarom is handel voor het mercantilisme de eerste bron van rijkdom.

De vraag wat een “goed bestuurde samenleving” is, hangt bij Smith nauw samen met de manier waarop het maatschappelijk inkomen tussen verschillende klassen wordt verdeeld.

Volgens Smith berust dit op een fundamentele misvatting. De werkelijke rijkdom van een land bestaat niet uit edelmetaal, maar uit de jaarlijkse productie van goederen en diensten die voortkomt uit grond en arbeid, en beschikbaar is voor consumptie. In de eerste zin van WL stelt hij dan ook dat de jaarlijkse arbeid van een land “de eerste bron [is] waaruit dat land voorzien wordt van alle noodzakelijke artikelen en luxeartikelen die het jaarlijks consumeert”. Meer concreet stelt hij dat de reële rijkdom van de inwoners overeenkomt met het netto jaarlijkse inkomen dat overblijft na het onderhoud van het kapitaal. 4 Productie — en dus arbeid — is met andere woorden de fundamentele bron van welvaart. Met dit standpunt positioneert Smith zich ook tegenover de Franse fysiocraten. Hoewel zij ook het belang van arbeid benadrukten, meenden ze dat enkel landbouwarbeid een werkelijk overschot kon creëren. Smith verwerpt die beperking: voor hem is alle productieve arbeid — in landbouw, nijverheid en handel — een bron van rijkdom. 5

Als arbeid de eerste bron is van welvaart, ligt het voor de hand om welvaart in termen van arbeid te meten. Smith maakt daarbij een belangrijk onderscheid tussen gebruikswaarde en ruilwaarde. De gebruikswaarde van een goed verwijst naar het nut dat het heeft — water bijvoorbeeld is onmisbaar voor het leven. De ruilwaarde daarentegen verwijst naar wat een goed kan opleveren in ruil voor andere goederen. Smith merkt op dat deze twee niet altijd evenredig zijn: water heeft een enorme gebruikswaarde, maar meestal een lage ruilwaarde. (Sier)diamanten daarentegen hebben weinig praktisch nut maar wel een hoge ruilwaarde. Als ruilwaarde en gebruikswaarde niet samenhangen, rijst de vraag wat dan wél de ruilwaarde bepaalt. Smiths antwoord zit vervat in zijn arbeidswaardeleer: de ruilwaarde hangt samen met de hoeveelheid arbeid die een goed belichaamt. In ruilverhoudingen worden goederen in principe uitgewisseld in verhouding tot de arbeid die erin vervat ligt. 6

In de praktijk worden goederen natuurlijk niet rechtstreeks tegen elkaar geruild en wordt de ruilwaarde ervan niet uitgedrukt in termen van de hoeveelheid arbeid. De koop en verkoop verloopt via geld en de waarde van een goed wordt uitgedrukt in geld. De reële geldprijs van een goed is volgens Smith evenredig met zijn waarde. De prijs die een koper betaalt op de markt valt echter niet noodzakelijk samen met de reële prijs. De marktprijs schommelt van dag tot dag onder invloed van vraag en aanbod. Wanneer vraag en aanbod in evenwicht zijn, valt de marktprijs samen met de reële prijs. Deze arbeidswaardeleer wordt later verder ontwikkeld door o.a. David Ricardo en Karl Marx.

Als arbeid de maatstaf is, moeten verschillen in welvaart tussen landen samenhangen met verschillen in arbeidsproductiviteit. Volgens Smith is de spectaculaire toename van de productiviteit in Europa vooral te danken aan de ver doorgedreven arbeidsdeling, wat hij illustreert met het iconisch geworden voorbeeld uit de speldenmakersbranche. 7 De welvaart die daaruit voortvloeit strekt zich, volgens Smith, in een “goed bestuurde samenleving” uit “tot de onderste lagen van de bevolking”. 8 Het historisch proces dat tot arbeidsdeling leidt, is grotendeels spontaan en wortelt in de natuurlijke menselijke neiging “om te onderhandelen en te marchanderen en het ene ding tegen het andere te ruilen”. 9

Doorheen WL probeert Smith te verduidelijken wat zo een “goed bestuurde samenleving” precies inhoudt en welke instellingen nodig zijn om de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit te bevorderen en de welvaart te laten stijgen. De vraag wat een “goed bestuurde samenleving” is, hangt nauw samen met de manier waarop het maatschappelijk inkomen tussen verschillende klassen wordt verdeeld.

Klassenverhoudingen

Volgens Smith bestaat de maatschappij uit drie klassen waaronder het jaarlijks inkomen van een land moet worden verdeeld: zij die leven van de grondpacht (landeigenaars), zij die leven van het arbeidsloon (arbeiders) en zij die leven van de winst (fabrikanten en handelaars). Smith benadrukt dat die verdeling onderwerp is van klassenstrijd waarbij de belangen van de fabrikanten niet alleen tegengesteld zijn aan de belangen van de twee andere klassen maar ook aan het algemeen belang.

Het aandeel van de economische koek dat naar de arbeiders gaat, d.w.z. het loon, wordt vastgelegd in een contract tussen twee partijen met tegengestelde belangen: de arbeider wil een zo hoog mogelijk loon ontvangen, de patroon een zo laag mogelijk loon uitbetalen. Deze partijen zijn echter niet gelijkwaardig: het zijn de patroons die meestal aan het langste eind trekken. Een belangrijke reden daarvoor is dat de patroons het voordeel hebben dat er nauwelijks wetten zijn “tegen de verbintenissen [tussen patroons] om de prijs van arbeid te laten dalen, maar heel wat tegen verbintenissen [tussen arbeiders] om die te laten stijgen”. 10 Smith wijst hier met andere woorden op het klassenkarakter van de staat: hij staat ten dienste van een bepaalde klasse. 11

Smith heeft duidelijk geen grote sympathie voor de klasse van fabrikanten en handelaars. “Aangezien ze hun gedachten doorgaans sterker op het belang van hun eigen bedrijfstak richten dan op dat van de samenleving”, moeten hun beleidsvoorstellen “met de grootste behoedzaamheid” worden bestudeerd, waarschuwt hij. Ze mogen nooit worden “overgenomen voordat ze langdurig en zorgvuldig met de meest angstvallige aandacht en vooral ook met zeer veel argwaan zijn onderzocht” . Ze zijn immers, aldus Smith, afkomstig van een klasse “die er doorgaans belang bij heeft om het volk te bedriegen en zelfs te onderdrukken”. 12 Het contrast met de neoliberale bejubeling van de ondernemer kan moeilijk groter zijn.

De idee van de onzichtbare hand is voor Smith geen algemeen geldende economische wetmatigheid. De idee dat handelen uit eigenbelang steeds het algemeen belang bevordert, wijst hij resoluut af.

Wat de verdeling betreft, merkt Smith eerst en vooral op dat het rechtvaardig is dat degenen die leven van hun arbeidsloon een royale vergoeding krijgen voor hun arbeid. Zij zijn het immers die “de hele bevolking voeden, kleden en van woningen voorzien”. Een land waar “het overgrote deel van de leden [loonarbeiders] in armoede en ellende moeten leven” kan bijgevolg geen “bloeiende, gelukkige samenleving zijn”. 13

Smiths tweede punt is dat de winstmarges — in tegenstelling tot lonen en pacht — niet evenredig stijgen of dalen met de welvaart, “integendeel, zij [winstmarge] is gewoonlijk laag in rijke landen” en “altijd het hoogst in landen die het snelst in verval raken”. 14 Want, zo argumenteert Smith, hoge winsten zetten een veel grotere rem op de welvaartstoename (en dus het algemeen belang) dan hoge lonen. 15 Smith verwijt de ondernemers en kooplieden dan ook hypocrisie omdat “ze zwijgen over de schadelijke gevolgen van hun eigen voordelen [hoge winsten]” en enkel klagen over de (veel minder) schadelijke “voordelen van anderen [hoge lonen]”. 16 Het is opmerkelijk dat Smiths kritiek op hoge winsten vandaag eerder wordt gedeeld door tegenstanders van het neoliberalisme dan door degenen die zich, in hun verdediging van het neoliberalisme, op zijn naam beroepen.

Smiths idee dat hoge winsten problematisch zijn, komt voort uit zijn overtuiging dat hoge winsten het signaal zijn voor het feit dat de markt niet naar behoren werkt. Immers, wanneer de markt naar behoren werkt, is ze een mechanisme dat door competitie de winsthonger in toom houdt.

Eigenbelang, markt en de onzichtbare hand

Dat brengt ons onmiddellijk bij het bekendste idee uit Smiths werk: de onzichtbare hand. De frase komt in WL slechts eenmaal voor in een zeer specifieke context. 17 Smith merkt namelijk op dat investeerders er vaak voor kiezen om te investeren in het eigen land (i.p.v. het buitenland) en zo het algemeen belang van het land te bevorderen. Niet dat zij bewust algemeen belang nastreven van het land: zij streven hun eigenbelang na. Maar, “zoals bij zoveel andere zaken wordt hij er hier door een onzichtbare hand toe gebracht om een doel te bevorderen dat hij volstrekt niet op het oog had”. Dat is aldus Smith “niet altijd nadelig voor het land” of algemeen belang. 18

De idee van de onzichtbare hand is hier slechts een metafoor en geen algemeen geldende economische wetmatigheid. De idee dat handelen uit eigenbelang steeds het algemeen belang bevordert, wijst Smith resoluut af. De belangen van de handelaars en fabrikanten zijn immers vaak tegengesteld aan het algemeen belang, volgens Smith. Om hun belangen veilig te stellen vormen ze kartels en maken ze prijsafspraken om prijzen kunstmatig hoog te houden, en dit ten koste van het publiek. 19 In zulke gevallen is er duidelijk geen sprake van een onzichtbare hand.

Dat eigenbelang een belangrijk rol speelt in het economisch leven is duidelijk. In een bekende passage schrijft Smith dat we “onze maaltijd niet danken aan de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker, maar aan het feit dat ze hun eigen belang voor ogen hebben” en dat we in deze omstandigheden “ons niet tot hun menselijkheid wenden maar tot hun eigenliefde”. Toch bedoelt hij weerom duidelijk niet dat mensen enkel en alleen door eigenbelang worden gedreven.

In The Theory of Moral Sentiments argumenteert Smith dat menselijk handelen niet kan worden herleid tot een zuivere berekening van eigenbelang. Mensen worden volgens hem geleid door morele gevoelens, in het bijzonder door het vermogen tot “sympathie”, waardoor ze hun gedrag afstemmen op het oordeel van anderen. Smith positioneert zich hier tegen denkers als Thomas Hobbes en Bernard de Mandeville die argumenteren dat de mens alleen gedreven wordt door eigenbelang (zelfbehoud) en zich daarom niet laat leiden door morele gevoelens. Economisch handelen is bij Smith dan ook steeds ingebed in een netwerk van sociale normen en verwachtingen. Dit beeld staat op gespannen voet met neoliberale interpretaties die Smith voorstellen als de theoreticus van een autonome markt bevolkt door uitsluitend op eigen voordeel gerichte individuen. 20 Voor Smith kan de markt slechts functioneren wanneer ze wordt gedragen door vertrouwen, rechtszekerheid en morele gewoonten die niet volledig door wetgeving kunnen worden afgedwongen. Wetten kunnen weliswaar bepaalde vormen van misbruik beperken, maar ze kunnen de morele praktijken waarop het commerciële verkeer steunt niet vervangen. Wanneer de markt op dergelijke manier is ingebed, fungeert ze als een disciplineringsmachine. Enerzijds beloont de markt deugden zoals spaarzaamheid en vlijt, aldus Smith, anderzijds bestraft ze doorgedreven egoïsme (wie bv. uit eigenbelang probeert zijn waar tegen een te hoge prijs te verkopen vindt geen kopers).

Vrijheid en de rol van de staat

De vraag hoe eigenbelang zich verhoudt tot sociale normen en instituties leidt rechtstreeks naar zijn opvatting van vrijheid. Als individuen hun belangen slechts binnen een bepaalde institutionele orde kunnen nastreven, rijst immers de vraag welke ruimte zij moeten krijgen om te handelen en welke rol de staat daarin speelt.

Het antwoord dat Smith op deze vraag formuleert, vat hij samen in zijn idee van een “systeem van natuurlijke vrijheid”. In zo’n systeem is iedereen vrij om “zijn eigen belangen op zijn eigen manier na te streven en om zijn bedrijvigheid en kapitaal met die van alle anderen of alle andere klassen te laten concurreren zolang hij de wetten [van de rechtvaardigheid] niet overtreedt”. 21 D.w.z. dat de “natuurlijke vrijheid” er precies in bestaat om zich gepast te gedragen in een marktomgeving volgens burgerlijke normen. Wanneer het systeem van natuurlijke vrijheid doorbroken wordt, kan de markt niet langer de rol van disciplineringsmachine spelen.

Smiths wantrouwen tegen staatsinmenging komt deels voort uit de intuïtie dat de staat vaak de klassenbelangen van fabrikanten en handelaars dient.

Omdat Smith ervan uitgaat dat alle individuele eigendom zijn oorsprong vindt in de arbeid van het individu en omdat die arbeid “zijn heiligste en meest onschendbare eigendom is”, is elke beperking op het gebruik ervan een “manifeste aantasting van de gerechte vrijheid” van het individu. Dat geldt in het bijzonder ook voor de armen. Hij bekritiseert uitvoerig de gildenrestricties en vestigingsbeperkingen die armen verhinderen hun arbeid vrij aan te bieden. Dat de staat dergelijke barrières in stand houdt, toont volgens hem aan dat hij niet het algemeen belang, maar gevestigde belangen dient. Eenzelfde kritiek richt hij op het Brits handels- en koloniale beleid, dat volgens hem vooral specifieke commerciële groepen bevoordeelt. 22 We zien dat Smiths wantrouwen tegen staatsinmenging deels voortkomt uit de intuïtie dat de staat vaak bepaalde klassenbelangen dient.

Het wantrouwen tegenover staatsinmenging berust nog op een andere intuïtie. Smith is ervan overtuigd dat staatsambtenaren minder voorzichtig zullen zijn bij het besteden van belastinggelden dan bij hun eigen vermogen. Wie met andermans middelen werkt, mist de prikkel van het eigenbelang, aldus Smith, en is geneigd tot achteloosheid of verkwisting, wat niet bevorderlijk is voor het algemeen belang. Hij trekt deze logica door naar andere economische spelers zoals naamloze vennootschappen. Ook hier geldt dat de directeur van een dergelijke vennootschap werkt met vermogen van anderen en bijgevolg evenmin geneigd zal zijn om spaarzaam of bedachtzaam met die middelen om te springen. 23 Smith laat zich hier opvallend kritisch uit over een organisatievorm die later centraal zou worden in het moderne kapitalisme. Zijn wantrouwen tegenover naamloze vennootschappen (joint stock companies) en aandeelhouderskapitalisme vloeit voort uit dezelfde intuïtie die zijn kritiek op staatsmacht draagt: wie over andermans middelen beschikt, heeft niet vanzelf de prikkel om er zorgvuldig mee om te gaan. 24 Hij is sceptisch over de idee dat de algemene vergadering van aandeelhouders effectief controle uitoefent op de directeurs. Volgens hem maken ze zich niet druk over wat de vennootschap precies onderneemt zolang ze maar een passend dividend ontvangen. 25

Smith maakt duidelijk dat natuurlijke vrijheid haar grens vindt waar individuele handelingen de veiligheid of stabiliteit van de samenleving ondermijnen. Het is dan ook niet in tegenstrijd met de natuurlijke vrijheid dat de staat dergelijke handelingen verbiedt. In zijn bespreking van het bankwezen verdedigt hij expliciet de regulering van de uitgifte van papiergeld en andere kredietpraktijken, omdat het falen van banken niet enkel private gevolgen heeft, maar de hele economie kan ontwrichten. Financiële instabiliteit is geen louter individueel risico, maar een systeemrisico dat overheidsingrijpen rechtvaardigt. Smith gelooft dus niet dat markten steeds zelfregulerend werken. Opnieuw lijken veeleer de critici van de neoliberale deregulering van de financiële sector in de geest van Smith te redeneren dan zij die in zijn naam verdere liberalisering bepleiten. 26

Smith argumenteert algemener dat de staat drie plichten heeft ten aanzien van zijn burgers. De staat heeft het recht om de uitvoering van deze plichten te bekostigen door middel van het heffen van belastingen.

Ten eerste moet de staat de burgers beschermen tegen de aanvallen van andere onafhankelijke landen door middel van het in stand houden van een leger.

Ten tweede moet de staat zijn burgers beschermen tegen onrecht en onderdrukking door binnenlandse actoren. Dit betekent in eerste instantie de bescherming van private eigendom. Maar Smith benadrukt in deze context dat, als de rol van de staat zich beperkt tot die van “nachtwaker”, ze dan “in feite is ingesteld om de rijken te beschermen tegen de armen, dus om hen die wat bezitten te beschermen tegen hen die helemaal niets bezitten”. 27 Anders gezegd, de rechts-libertaire nachtwakersstaat, is volgens Adam Smith een instrument van klassendominantie.

Smiths verdediging van openbaar onderwijs illustreert zowel zijn bekommernis om de negatieve gevolgen van het kapitalisme als zijn conservatief paternalisme.

Ten derde moet de staat bepaalde publieke werken uitvoeren (zoals grote infrastructuurwerken) en bepaalde instituties in stand houden die bevorderlijk zijn voor het algemeen belang, maar wegens een te hoge kostprijs nooit winstgevend zouden kunnen zijn voor een kleine groep investeerders. Als voorbeeld van dergelijke instituties bespreekt Smith het onderwijs. Zijn argumentatie om publiek onderwijs te installeren, is interessant vanuit twee oogpunten. Ze toont aan dat hij wel degelijk oog had voor de negatieve gevolgen van het zich ontwikkelende kapitalisme, maar illustreert ook zijn conservatief paternalisme.

Smith is, zoals we hierboven hebben gezien, een voorstander van doorgedreven arbeidsdeling omwille van de productiviteitsstijgingen die ermee gepaard gaan. Hij is echter niet blind voor de negatieve effecten ervan op arbeiders. In een passage die doet denken aan Marx ’ beschrijving van arbeid in het industrieel kapitalisme, beschrijft Smith het afstompend karakter van de arbeid onder een regime van doorgedreven arbeidsdeling. De geestelijke apathie zorgt ervoor dat de arbeider niet langer kan deelnemen aan een redelijk gesprek, niet langer in staat is om “grootmoedige, nobele of tedere gevoelens te hebben en dus om zich zelfs over tal van normale, alledaagse plichten een rechtvaardig oordeel te vormen”, noch om zich een oordeel te vormen over politieke vraagstukken. 28

Dat een groot deel van de bevolking zich in dergelijke toestand bevindt, is niet alleen negatief voor het individu maar ook problematisch voor de staat. Immers, mensen die op die manier geestelijk verminkt zijn, hebben, aldus Smith, niet de juiste geestelijke en fysieke ingesteldheid om, in geval van oorlog, het land te verdedigen. Om die redenen vindt hij, in tegenstelling tot neoliberale denkers zoals Milton Friedman en Friederich Hayek, dat de staat moet voorzien in goedkoop elementair onderwijs (lezen, schrijven en rekenen). 29 Onderwijs moet er niet alleen voor zorgen dat de bevolking in staat is om buitenlandse bedreigingen het hoofd te bieden ; onderwijs zorgt ook dat de binnenlandse maatschappelijke orde (en de klassenverschillen) beter beschermd blijven. In tegenstelling tot het “onwetend en dom volk” zijn mensen die een minimum aan onderwijs hebben ontvangen, minder vatbaar “voor de illusies, dweepzucht en bijgeloof” en zijn ze “fatsoenlijker en ordelijker”. Een beter opgeleid volk heeft meer zelfrespect en vindt dat ze “eerder gerespecteerd worden door zijn wettige superieuren” waardoor ze van de weeromstuit “eerder geneigd zijn om die superieuren te respecteren”. Ze zijn verder minder snel misleid “door lichtzinnige en onnodige weerstand tegen overheidsmaatregelen”. 30

Blinde vlekken

Tot dusver heb ik benadrukt dat Adam Smith moeilijk kan worden opgevoerd als een eenvoudige voorloper van het hedendaagse neoliberalisme. Zijn kritiek op de dominante economische spelers van zijn tijd — voorlopers van de moderne naamloze vennootschap — zijn wantrouwen tegenover kapitalistische winsthonger en zijn analyse van het klassenkarakter van de staat blijven ook vandaag opvallend relevant. Ze tonen bovendien aan dat een liberale kritiek op het neoliberalisme geen tegenstrijdigheid hoeft te zijn. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat verschillende hedendaagse denkers naar Smith teruggrijpen om via een kritiek op het neoliberalisme het kapitalisme te hervormen. 31

Dat Smith vandaag ingezet kan worden om een socialere vorm van het kapitalisme te bepleiten, mag ons echter niet blind maken voor een aantal beperkingen van zijn werk als kritische analysemethode. Een eerste probleem betreft Smiths verklaring van het ontstaan van het kapitalisme. Hij neemt als gegeven aan dat er een klasse van mensen bestaat die, om te overleven, niets anders kan doen dan haar arbeidskracht verkopen, terwijl een andere klasse over het kapitaal beschikt om die arbeidskracht te kopen. Deze opdeling verschijnt bij Smith als een min of meer natuurlijke toestand. Marx toont echter aan dat ze het resultaat is van een specifieke historische ontwikkeling die allesbehalve vreedzaam is verlopen. Door deze historisch bepaalde verhoudingen als vanzelfsprekend voor te stellen, legitimeert Smith — ondanks zijn scherpe kritiek op de kapitalistische klasse van zijn tijd — impliciet de bestaande orde. Wanneer historisch gegroeide verhoudingen als natuurlijk worden voorgesteld, verdwijnen ze uit het domein van politieke contestatie. In die zin functioneert zijn theorie, wellicht onbedoeld, ook als ideologie van een bepaalde klasse.

Deze historische blinde vlek zorgt ervoor dat Smith de vraag naar het bestaan en de reproductie van kapitaal niet expliciet aan de orde stelt. Kapitaal is immers niet zo maar geld of rijkdom, maar rijkdom die wordt ingezet om meerwaarde (winst) te genereren. Marx ’ voornaamste kritiek op de arbeidswaardeleer zoals geformuleerd door Smith (en ook door Ricardo), is dat ze geen verklaring kan geven voor het ontstaan van meerwaarde en bijgevolg het uitbuitende karakter van loonarbeid binnen het kapitalisme verhult. 32

Door de klassen­verhoudingen als vanzelfsprekend voor te stellen, legitimeert Smith — ondanks zijn scherpe kritiek op de kapitalistische klasse van zijn tijd — impliciet de bestaande orde.

Daarnaast heeft Marx ook een meer filosofische kritiek op Smiths idee dat arbeid steeds een last en opoffering is. 33 Marx is het met Smith eens dat loonarbeid vaak een last is, maar volgens hem komt dat doordat loonarbeid een vervreemdende vorm van arbeid is. De arbeid wordt nl. niet verricht vanuit een intrinsieke motivatie, maar in omstandigheden waarin de arbeider geen controle heeft over het arbeidsproces (hij moet doen wat hem wordt opgedragen) of over het product van zijn arbeid (dat toebehoort aan de patroon). Loonarbeid is echter niet de natuurlijke vorm van arbeid. Historisch gezien is arbeid niet altijd als loonarbeid verricht en hoeft zij niet noodzakelijk een vervreemdende activiteit te zijn. Voor Marx is arbeid een essentieel menselijke bezigheid, d.w.z. iets wat ons tot mens maakt. Zij wordt enkel onder bepaalde omstandigheden, zoals bij loonarbeid of slavenarbeid, ontmenselijkt. Wat Adam Smith doet, aldus Marx, is een specifieke maatschappelijke vorm van arbeid verheffen tot de universele vorm.

Naast deze historische blinde vlekken bevat het werk ook meerdere systemische leemtes.

Zoals we zagen verdedigt Smith de opkomende kapitalistische productiewijze omwille van haar groeidynamiek. Hij wijst weliswaar op een aantal schaduwzijden ervan maar is ervan overtuigd dat die kunnen worden beheerst door (beperkt) overheidsoptreden en een beroep op de redelijkheid. 34

Smith miskent echter twee structurele tendensen van de marktdynamiek. Ten eerste onderschat hij de dwanglogica van concurrentie. In een markteconomie zijn producenten, los van hun persoonlijke intenties, verplicht om hun concurrenten te overtreffen. Wie niet voortdurend streeft naar kostenverlaging en winstmaximalisatie, wordt uit de markt gedrukt. Op de jacht naar winst staat daardoor geen rem. 35 Deze dynamiek leidt bijna onvermijdelijk tot concentratie van economische macht, die zich — zoals Smith zelf al opmerkt — vertaalt in politieke macht. De overheid die geacht wordt deze macht te beteugelen, raakt daardoor zelf steeds sterker afhankelijk van en verweven met de economische krachten die zij zou moeten reguleren.

Ten tweede heeft deze economische dynamiek ook culturele en normatieve gevolgen. Zoals Karl Marx en Friedrich Engels opmerken, ondermijnt het kapitalisme voortdurend de traditionele sociale en morele kaders. Wanneer “al het vaststaande vervluchtigt” en “al het heilige wordt ontwijd” veranderen ook opvattingen over wat redelijk, rechtvaardig of gepast is, schreven zij in Het communistisch manifest. 36 Smiths hoop dat de excessen van de markt kunnen worden beteugeld door een beroep op redelijkheid en morele gevoelens veronderstelt echter een stabiel normatief kader. Als dat kader zelf door de marktdynamiek wordt uitgehold, kan het ook niet langer dienst doen als rem op die dynamiek.

Precies doordat marktrelaties dominanter worden en steeds meer sociale interacties het karakter van ruilverhoudingen aannemen, dringt de marktlogica door in andere levensdomeinen en ondergraaft ze de moraliteit die volgens Smiths net een tegengewicht zou moeten vormen. De geschiedenis leert dat het effectief beperken van de negatieve effecten van de marktdynamiek — zoals tijdens de opbouw van de naoorlogse sociale welvaartsstaat — niet berustte op beperkt overheidsoptreden of morele zelfregulering. Het is onder druk van de georganiseerde arbeidsbewegingen dat de staat verplicht werd om een veel uitgebreidere rol op te nemen dan voorzien in Smiths liberaal kader.

Ondanks deze (en andere) blinde vlekken blijft Adam Smiths werk, ook 250 jaar na het verschijnen, een opmerkelijk relevant werk.

Footnotes

  1. De Engelse versie van het boek is via verschillende websites vrij beschikbaar (zie bv. www.marxists.org/reference/archive/smith-adam/index.htm). De verwijzingen in de tekst zijn naar de Nederlandse vertaling: A. Smith (vert. J. Veenbaas), Een onderzoek naar de aard en de oorzaken van de welvaart der landen, Amsterdam: Boom, 2019 (hierna aangeduid als WL). Ik vermeld telkens zowel de relevante pagina alsook het relevante boek en hoofdstuk.
  2. Smith argumenteert in het zevende hoofdstuk van het vierde boek uitgebreid dat de koloniale praktijken van zijn tijd (handelsmonopolies, geprivilegieerde handelscompagnieën, …) voor het moederland uiteindelijk verlieslatend zijn maar uit geen principiële bezwaren tegen het kolonialisme. Hij merkt wel op dat de kolonisatie van Oost- en West-Indië voor de oorspronkelijk bewoners geleid heeft tot “vreselijke ellende” maar beweert dat deze ellende niet “zozeer uit de aard van de gebeurtenissen zelf [kolonisering] zijn voortgekomen” maar “een kwestie van toeval” is geweest (WL. Boek IV, Hoofdstuk 7, p. 685). Op eenzelfde manier behandelt Smith de slavernij. Het is niet vanuit moreel oogpunt dat hij die verwerpt, maar wel omdat hij ervan overtuigd is dat “het werk dat door vrije mensen wordt verricht uiteindelijk goedkoper is dan het werk dat door slaven wordt gedaan” (WL. Boek 1, Hoofdstuk 8, p. 134) .
  3. Zo schrijft hij bijvoorbeeld dat “de bezittingen van een Europese vorst wellicht minder uitsteken boven die van een nijvere, zuinige boer, dan die van de laatste boven die van menig Afrikaanse koning die absolute heerser is over het leven van tienduizend naakte wilden”: WL. Boek I, Hoofstuk 1, p. 65
  4. WL. Boek II, Hoofdstuk 2, p. 336.
  5. Voor Marx was het inzicht van Smith dat elke vorm van arbeid waardescheppend is, cruciaal voor de wetenschappelijke ontwikkeling van de politieke economie. Zie bv. de commentaren in de inleidende opmerking m.b.t. de methode van de politieke economie in de Grundrisse (www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1857/grundrisse/1.htm)
  6. WL. Boek I, Hoofdstuk 5, p. 81. Smith geeft nog een andere definitie van ruilwaarde in termen van arbeid. Volgens die alternatieve definitie is de ruilwaarde van een waar gelijk aan de hoeveelheid arbeid die de eigenaar van het goed ermee kan kopen. Deze twee definities zijn niet identiek.
  7. WL Boek I, Hoofdstuk 1, p. 58. Smith stelde dat een ongeoefende arbeider, die alle stappen zelf moet uitvoeren om een speld te maken (draad trekken, rechtmaken, knippen, punt slijpen, kop maken en bevestigen), waarschijnlijk niet meer dan één speld per dag kan produceren, en zeker geen twintig. Wanneer het productieproces echter wordt opgesplitst in ongeveer achttien verschillende deelhandelingen, en deze verdeeld worden onder een groep arbeiders, stijgt de productie enorm: tien arbeiders konden samen 48.000 spelden per dag produceren, wat neerkomt op 4.800 spelden per arbeider per dag. De productiviteit is volgens Smith door het gebruik van eenvoudige machines en arbeidsdeling met 240 % is gestegen. Smith was niet de eerste die wees op het belang en voordelen van arbeidsdeling. We vinden de beschrijving van arbeidsdeling al bij de 11de eeuwse Perzische filosoof Al-Ghazali (zie bv https://adamsmithslostlegacy.blogspot.com/2008/11/early-islamic-scholars-on-division-of.html). Deze laatste legt echter niet zozeer de nadruk op de productiviteitswinsten die arbeidsdeling met zich meebrengt, maar wel op het feit dat arbeidsdeling wijst op de onderlinge afhankelijkheid van individuen in complexe maatschappijen.
  8. WL. Boek I, Hoofdstuk 1, p. 63.
  9. WL. Boek I, Hoofdstuk 2, p. 67
  10. Zie o.a. WL. Boek I, Hoofdstuk 8, p. 119 ; Hoofdstuk 10, p. 198
  11. Er zijn verschillende andere passages waarin Smith wijst op het klassenkarakter van de staat. Bv: “Wanneer de wetgever geschillen tussen de patroons en hun werklieden probeert te beslechten, laat hij zich steevast door de patroons adviseren.” WL. Boek I, Hoofdstuk 10, p. 199
  12. WL. Boek I, Hoofdstuk 11, pp. 310-311.
  13. WL. Boek I, Hoofdstuk 8, p. 132.
  14. WL. Boek I, Hoofdstuk 11, p. 310.
  15. WL. Boek 1, Hoofdstuk 9, p.151.
  16. WL. Boek 1, Hoofdstuk 9, p.152.
  17. Smith gebruikt de economische metafoor van de onzichtbare hand ook in zijn werk De theorie over morele gevoelens. In dat werk argumenteert hij dat de rijken in hun zucht naar luxe er onbewust voor zorgen dat een deel van hun rijkdom terugvloeit naar arbeiders die deze goederen produceren. In de bevrediging van hun genotszucht zorgen ze onbewust voor een herverdeling van de rijkdom en bevorderen op die manier het algemeen goed.
  18. WL. Boek IV, Hoofdstuk 2, p. 504.
  19. WL. Boek I, Hoofdstuk 10, p. 184.
  20. De neoliberale interpretatie van Smith heeft historische wortels in het werk van verschillende 19de eeuwse Duitse economen die een tegenstelling zagen tussen Smiths moraalfilosofische en economische werk . Het zogenaamde “Das Adam Smith Problem” stelt dat The Theory of Moral Sentiments een altruïstisch, door sympathie gedreven mensbeeld zou verdedigen, terwijl WL zou steunen op een egoïstisch nutsmaximaliserend individu. Hedendaagse Smith-onderzoekers zijn het erover eens dat het hier om een misinterpretatie gaat.
  21. WL. Boek IV, Hoofdstuk 9, p. 750. In de originele versie schrijft Smith dat de natuurlijke vrijheid ingeperkt wordt door de “laws of justice”. In de Nederlandse vertaling wordt enkel gesproken over “de wetten”.
  22. WL. Boek IV, Hoofdstuk 2 bevat een uitgebreide discussie over de mogelijke voor- en nadelen voor de verschillende sociale klassen van importrestricties.
  23. WL. Boek V, Hoofdstuk 1, Deel 3, §1.2, p. 805-806 en p. 820. Smiths logica is op dit vlak zeer consistent: hij ziet, net zoals voor de overheid, slechts een beperkte rol voor naamloze vennootschappen. Ze kunnen volgens hem enkel een positieve rol spelen in bedrijvigheid waar weinig innovatie noodzakelijk is maar wel grote investeringen nodig zijn. Als voorbeelden citeert hij het bank- en verzekeringswezen, de constructie en het onderhoud van waterwegen en de watervooziening voor grote steden. Hij haalt ook verschillende voorbeelden aan van het mismanagment van dergelijke vennootschappen. De meeste van die voorbeelden zijn telkens voorbeelden van handelsvennootschappen die een belangrijke rol speelden in de koloniale expansie van het Britse rijk.
  24. WL. Boek V, Hoofdstuk 1, § 3.1, p. 806.
  25. WL. Boek V, Hoofdstuk 1, p. 805.
  26. WL Boek II, Hoofdstuk 2, p. 375.
  27. WL. Boek V, Hoofdstuk 1, p. 778.
  28. WL. Boek V, Hoofdstuk 1, p. 843. Hegel neemt in zijn Grundlinien der Philosopie des Rechts (zie bv. §245) de analyse van Adam Smith over de positieve en negatieve gevolgen van de arbeidsdeling volledig over.
  29. Voor een kritische bespreking van Friedmans visie op onderwijs zie bv. www.ineteconomics.org/perspectives/blog/how-milton-friedman-aided-and-abetted-segregationists-in-his-quest-to-privatize-public-education . Voor een bespreking van Hayeks visie op onderwijs zie o.a. www.econlib.org/library/columns/y2025/kaneeducation.html .
  30. WL. Boek V, Hoofdstuk 1, Artikel 2 (laatste paragraaf), p. 849.
  31. Zie bijvoorbeeld het werk van Marian Mazzucato (https://qz.com/1669346/mariana-mazzucatos-plan-to-use-governments-to-save-capitalism-from-itself).
  32. Marx ’ verklaring voor de oorsprong wordt o.a. uiteengezet in het vijfde hoofstuk van Het Kapitaal (www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1867/kapitaal/5.htm) en (toegankelijker) in § 8 van Loon, prijs en winst (www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1865/1865loonprijs.htm#a8).
  33. In het arbeidsproces moet, aldus Smith, de arbeider steeds “comfort, vrijheid en geluk opofferen” (WL. Boek I, Hoofdstuk 5, p. 85).
  34. Zie bijvoorbeeld WL. Boek I, Hoofdstuk 8 (p.136) waar Smith een oproep doet aan de “rede en menselijkheid” van de patroons om hun arbeiders niet uit te putten.
  35. De analyse van Marx vertoont hier opvallende gelijkenissen met de analyse van Thomas Hobbes over het machtstreven van de mens in de natuurtoestand. Bij Hobbes drijft de onzekerheid over de macht van anderen de mens tot een oneindige wedloop om meer macht, omdat stilstand hier gelijk staat aan kwetsbaarheid. Dit leidt tot een oorlog van allen tegen allen. Bij Marx vertaalt de concurrentiedwang zich in een dwangmatige jacht op meerwaarde: een individuele kapitalist moet blijven accumuleren, niet uit hebzucht, maar omdat stilstand in de concurrentiestrijd zijn ondergang betekent. Marx beschouwt Hobbes dan ook als een betere gids voor het begrijpen van de kapitalistische maatschappij dan de denkers die deze maatschappij, zoals Smith, in minder conflictueuze termen beschrijven. Wat Marx Hobbes verwijt, is dat hij een historisch specifiek verschijnsel (de concurrentiedwang van de kapitalistische maatschappij) presenteert als een natuurlijke en universele menselijke eigenschap.
  36. K. Marx en Friederich Engels, Het communistisch manifest, Hoofdstuk 1 (www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1848/1848cm-masereelfonds.htm)