Artikel

Het basisinkomen en de privatisering van de welvaartstaat

Anton Jäger

+

Daniel Zamora

—11 oktober 2023

Voorstellen zoals het universeel basisinkomen illustreren een diepgaande verandering in de opvatting van welvaart. Anton Jäger en Daniel Zamora willen dat links opnieuw streeft naar controle over de productie, in plaats van zich te beperken tot debatten over de verdeling van de taart.

Het universeel basisinkomen heeft al tientallen jaren aanhangers in zeer verschillende milieus en denkrichtingen, zowel links als rechts. Het heeft vreemde bedgenoten aangetrokken, van wie velen elkaar met argwaan zouden hebben bekeken. Martin Luther King Jr. bijvoorbeeld omarmde het OBI (onvoorwaardelijke basisinkomen), net als Charles Murray, de beruchte coauteur van The Bell Curve, die algemeen als racist wordt beschouwd. Michel Foucault, die het over het algemeen goed doet bij links, promootte bovendien een soortgelijk idee, net als Daniel Patrick Moynihan, auteur van het controversiële rapport uit 1964 over de crisis in zwarte gezinnen.

Aangezien het OBI zo’n diverse groep verdedigers heeft, kunnen we ons afvragen of er eigenlijk wel een samenhangend ‘eenheidsidee’ bestaat, dat we het universele basisinkomen kunnen noemen. In hun nieuwe boek Welfare for Markets, A Global History of Basic Income (University of Chicago Press, 2023) benaderen Daniel Zamora en Anton Jäger het probleem vanuit een invalshoek die productiever kan zijn.

ANTON JÄGER We nemen een stap terug. In plaats van het OBI te beschouwen als een op zichzelf staand beleid met voor- en tegenstanders, zoomen we in op het voorstel als onderdeel van een specifieke familie van beleidsmaatregelen, namelijk de familie van ‘geldoverdrachten’. OBI is slechts een specifiek type binnen die groep.

Daniel Zamora is hoogleraar sociologie aan de Université Libre de Bruxelles. Hij is co-auteur van Welfare for Markets : A Global History of Basic Income ( University of Chicago Press , 2023 , met Anton Jäger ). Zijn werk , voornamelijk over de intellectuele geschiedenis van het neoliberalisme en reflecties over armoede en rechtvaardigheid , heeft vorm gekregen in boeken als Le dernier homme et la fin de la révolution ( Lux , 2019 ) en De l’égalité à la pauvreté : socio-histoire de
l’assistance en Belgique ( 1895-2015 ) ( Éditions de l’Université Libre de Bruxelles , 2017 ).

Wat is er dan zo bijzonder aan het beleid van geldoverdrachten in vergelijking met andere vormen van sociaal beleid? Geldoverdrachten kunnen het best worden begrepen door ze te vergelijken met de andere vorm van sociaal beleid uit de twintigste eeuw: uitkeringen in natura en sociale voorzieningen die delen van de economie buiten de markt houden. Dit model is gebaseerd op het idee dat de overheid bepaalde diensten, zoals gezondheidszorg, openbaar vervoer of onderwijs, gratis of tegen lage kosten moet voorzien.

Klassieke ideeën over vrijheid veronderstelden een grotere controle van het volk over de economie en legden de verantwoordelijkheid voor meer welvaart bij de staat.

Dat kader onthult de rode draad die geldoverdrachten met elkaar verbindt. In alle versies zien we dat mensen zich verzetten tegen, of op zijn minst een diep onbehagen voelen jegens vormen van de verzorgingsstaat waarin werk, werkgelegenheid en collectieve behoeften centraal staan. Het OBI leidt tot hetzelfde onbehagen. Hoewel er verschillende toepassingen zijn, streven alle voorstanders van overdrachten eensgezind naar welvaart ‘binnen’ in plaats van ‘buiten’ de markt. Elk van de figuren die je aanhaalt, doet dat op zijn eigen manier, met zijn eigen motivaties en redenen. En er zijn onmiskenbare verschillen tussen linkse en rechtse geldoverdrachten. Maar het valt ook niet te ontkennen dat het voorstel een toegeeflijkere houding ten opzichte van de markt met zich meebrengt dan oudere decommodificatiestrategieën. In die zin verenigde het basisinkomen op ongemakkelijke wijze links en rechts in hun streven naar een ‘welvaart zonder welvaartsstaat’.

Wie iets weet over het OBI, associeert het waarschijnlijk met de negatieve inkomstenbelasting (NIB) van Milton Friedman. In het boek vermeld je dat die verschuiving deel uitmaakte van een bredere omvorming van ons begrip van vrijheid.

DANIEL ZAMORA Ik denk dat de hedendaagse roep om een basisinkomen deels voortkomt uit een beperkte opvatting van vrijheid. De klassieke ideeën over vrijheid, die figuren als William Beveridge inspireerden in zijn Full Employment Report, hielden in dat het volk meer controle had over de economie en dat het vergroten van collectieve welvaart een taak van de staat was. Aan de andere kant herdefinieerde Friedman, net zoals de meeste neoliberalen, vrijheid heel eng als de afwezigheid van staatsdwang. Dat veronderstelt uiteraard dat handelingen binnen de markt niet-dwingend zijn. Dwang werd gezien als iets dat ons bewust werd opgelegd en kon daarom niet van toepassing zijn op het onpersoonlijk functioneren van het prijssysteem.

Het idee om behoeften politiek te definiëren en eraan te voldoen met collectieve voorzieningen, is daarom een bedreiging voor de individuele vrijheid en dus minder aantrekkelijk dan geldoverdrachten. Vrij zijn betekent dan volledig kunnen genieten van de consumptiemaatschappij in plaats van te moeten nadenken over hoe en wat we produceren. Het is dus niet verrassend dat het idee van een basisinkomen populair is in een tijdperk waarin vrij zijn in wezen gelijk staat met vrij zijn in de markt in plaats van vrij zijn van de markt.

Je boek levert ook een belangrijke bijdrage waar je suggereert dat de “fiscalisering van het sociaal beleid”, wat hand in hand gaat met geldoverdrachten, opkwam tijdens de jaren van Kennedy en Lyndon Johnson en niet tijdens de latere Nixon-regering. Kan je uitleggen wat je daarmee bedoelt?

DANIEL  De meeste debatten over een gegarandeerd inkomen vertrekken in het algemeen met het plan van Nixon als basis. Maar de echte verandering vond eigenlijk plaats tijdens het presidentschap van Kennedy, na de publicatie van Michael Harringtons The Other America en Milton Friedmans Capitalism and Freedom, beide verschenen in 1962. Vóór die tijd werd armoede niet echt gezien als een specifiek probleem, los van het arbeidsvraagstuk. De strategie om ermee om te gaan, richtte zich voornamelijk op het uitbreiden van dienstenprogramma’s. Maar aan het einde van de jaren 50 werd armoede steeds meer gedefinieerd in termen van geld, waardoor Friedmans idee om een minimuminkomen via belastingen te waarborgen aantrekkelijker werd.

Het idee van basisinkomen kreeg een boost toen de overheid de nadruk ging leggen op Keynesianisme via belastingverlagingen, in plaats van via overheidsinvesteringen.

Het voorstel werd ook positief onthaald binnen Kennedy’s Council of Economic Advisers, die had gepleit voor een vorm van keynesianisme waarbij de nadruk ligt op belastingverlagingen in plaats van overheidsuitgaven. Deze benadering, ook wel ‘bastaardkeynesianisme’ genoemd, heeft als doel om de economie te stimuleren door middel van het bevorderen van private investeringen en individuele consumptie. Dit in tegenstelling tot klassieke keynesianen, die zich richten op openbare werkgelegenheidsprogramma’s om werkloosheid aan te pakken. Keynesianisme werd geprivatiseerd.

Het basisinkomen kreeg een boost door het nieuwe beleid. In plaats van geld te besteden aan huisvesting, scholen, ziekenhuizen en werkgelegenheidsprogramma’s, zouden we het gewoon aan de armen kunnen geven. Dit was een grote verandering ten opzichte van de New Deal, waarin het evenwicht tussen publieke en private goederen en diensten centraal stond. In 1967 richtte Lyndon Johnson een Commissie voor Inkomensgarantieprogramma’s op en lanceerde hij het eerste grootschalige experiment met het basisinkomen in New Jersey, op initiatief van Sargent Shriver. Johnson was echter terughoudend en waarschuwde dat het gesteund werd door “sterke verdedigers van de vrijheid van ondernemerschap”. Aan het eind van de jaren 60, na de neoklassieke revolutie onder leiding van econoom Paul Samuelson, werd duidelijk dat het onderscheid tussen keynesianen en niet-keynesianen minder belangrijk was geworden.

In die tijd bereikte ook de burgerrechtenbeweging haar hoogtepunt onder Martin Luther King Jr. Hij stapte over van het idee dat de verzorgingsstaat de oplossing was voor werkloosheid onder de zwarte bevolking, naar het promoten van een gegarandeerd inkomen voor “arme mensen”. Kun je verklaren waarom hij deze overstap maakte? Is het mogelijk dat men toen de voorkeur gaf aan het basisinkomen uit bezorgdheid dat de verzorgingsstaat Afro-Amerikanen aan hun lot had overgelaten, en gold dit voor alle politieke stromingen?

DANIEL  Martin Luther Kings pleidooi voor een gegarandeerd inkomen in 1967 duidt inderdaad op een bredere verandering binnen de burgerrechtenbeweging. Ook iemand als A. Philip Randolph, een belangrijke zwarte

Anton Jäger
Anton Jäger (1994) is publicist en als onderzoeker verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven. Van zijn hand verschenen in 2023 Des te erger voor de feiten (EPO) en, samen met Daniel Zamora, Welfare Markets: A Global History of Basic Income (University of Chicago Press).

vakbondsleider en leider van de mars op Washington in 1964, streefde naar volledige werkgelegenheid. In zijn beroemde toespraak in 1944 zei hij: “Het grootste onrecht dat zwarten is aangedaan, is hen het recht om te werken ontzeggen.” Laten we niet vergeten dat de volledige titel van de mars de “March on Washington for Jobs and Freedom” luidde.

Maar tegen het einde van de jaren 60 kozen sommigen vanwege de aanhoudende werkloosheid voor een minder jobgerichte agenda. King lanceerde in die tijd zijn ‘campagne voor arme mensen’ en pleitte ervoor om onze aandacht te verleggen van “mensen aan het werk zetten” naar “mensen in staat stellen om te consumeren”. Bovendien werd de universalistische strategie van de naoorlogse periode steeds minder geaccepteerd door een nieuwe generatie burgerrechtenactivisten. Claims voor raciale autonomie gingen hand in hand met kritiek op de verzorgingsstaat, omdat deze geen adequaat antwoord zou bieden op de veronderstelde specifieke problemen van ‘zwarte armoede’. Het streven naar institutionele uitbreiding werd toen gezien als paternalistisch en als een obstakel voor de bevrijding van de zwarte bevolking. Voorstellen zoals een gegarandeerd inkomen konden dienen als alternatieven voor de arbeidsgerichte instellingen van de New Deal.

Er stak natuurlijk meer achter die koerswijziging dan alleen maar een debat over volledige werkgelegenheid. Het was een radicale verandering in de manier waarop activisten keken naar politiek. Zij waren minder gericht op coalitievorming en massapolitiek, en, zoals Adolph Reed opmerkte, meer op een “expressief en aansporend” soort activisme.

ANTON Eén van de belangrijkste doelen van ons boek is om het ontstaan van het OBI in de twintigste eeuw te situeren. Het is geen ‘eeuwenoud’ idee. We kunnen bijvoorbeeld de opkomst van het idee koppelen aan de relatieve absorptiecapaciteit van verschillende economische sectoren. In een wereld waarin de meeste mensen werkzaam zijn in de landbouw, is het voorstel moeilijk denkbaar, laat staan te verdedigen. Pas wanneer industrialisatie op gang komt en fabrieken arbeidskrachten beginnen aan te trekken, verschijnen er hier en daar wat ideeën richting een OBI, maar ze blijven over het algemeen marginaal.

Tijdens de deïndustrialisatie in de jaren 1950 en 1960 in de VS konden zowel de industriële sector als de landbouwsector het overschot aan arbeidskrachten niet goed opvangen. Hierdoor ontstond een nieuwe vorm van werkloosheid, die sterk verschilde van sporadische perioden van inactiviteit in een industriële economie. Na de Tweede Wereldoorlog werden zwarte Amerikaanse arbeiders uit de zuidelijke deelpachteconomie verdreven en trokken ze naar fabrieken in het noorden, waar al eerder blanke werknemers waren ontslagen. Deze late komst en raciale verschillen bemoeilijkten hun integratie, vooral in een Koude Oorlogseconomie waarin het traditionele model van de mannelijke kostwinner centraal stond.

Foucault was erg geïnteresseerd in het Friedmans neoliberale voorstel van de negatieve inkomstenbelasting, als alternatief voor de verzorgingsstaat.

Die verschuiving is ook merkbaar bij een van de belangrijkste critici van volledige werkgelegenheid destijds, de arbeidsactivist James Boggs. Boggs werd geboren als zoon van boerenarbeiders met een bescheiden inkomen in Alabama. Nadat de landbouw in het zuiden was gemechaniseerd tijdens de New Deal, sloot hij zich op achttienjarige leeftijd aan bij de migratie van de agrarische Cotton Belt in het zuiden naar de industriële Rust Belt in het noorden. Net als miljoenen andere zwarte plattelandsbewoners maakte Boggs die reis. Hij belandde in de stad van de maakindustrie bij uitstek, Detroit, waar hij in 1940 als arbeider begon te werken in de auto-industrie, bij Chrysler.

Boggs stelde dat automatisering de arbeidersbeweging ingrijpend had veranderd. De massa-arbeider was niet langer de hoeksteen van de samenleving. Volgens Boggs was de eenvoudige formule van ‘meer scholen, meer onderwijs en meer opleiding’ achterhaald voor deze nieuwe generatie ‘werklozen’, met name zwarte arbeiders. De arbeidersvleugel van de Burgerrechtenbeweging had een eigen, niet-geldgebonden visie op de aanpak van deze crisis. Het verbaasde Boggs echter niet dat zowel linkse als rechtse denkers de crisis te lijf gingen met voorzieningen voor inkomensgarantie.

De belangstelling voor het basisinkomen in Europa brak door in de jaren ‘70 en ‘80. Het trok vooral de aandacht van linkse intellectuelen. Een van die denkers was Michel Foucault, misschien wel de invloedrijkste academicus van de afgelopen zeventig jaar. Waardoor voelde Foucault zich aangetrokken tot het basisinkomen?

ANTON Net als bij Boggs heeft dit te maken met een sterke frustratie over het feit dat industriële arbeid zo’n centrale rol speelde in veel emancipatoire visies van links. Het idee dat men vrij kon handelen zonder zich te conformeren aan de normen van de voorbijgestreefde verzorgingsstaat of aan collectiviteiten die waren ontstaan door fabrieksarbeid, was van groot belang. De vrijheid die de NIB (negatieve inkomstenbelasting) bood aan degenen die ervan konden genieten, sloot duidelijk aan bij deze voorkeuren. Het voorstel verzette zich tegen een “antropologie van werk”, zoals Foucault het noemde. Hoewel hij nooit een uitgesproken aanhanger was van dit idee, ging zijn interesse duidelijk verder dan louter intellectueel.

DANIEL Foucault was geïnteresseerd in Friedmans idee van een negatieve inkomstenbelasting als alternatief voor de verzorgingsstaat. Dit kwam voort uit zijn lessen over biopolitiek in 1979. Het idee werd gezien als een minder bureaucratisch en disciplinair systeem dan een systeem gericht op volledige werkgelegenheid. Foucault geloofde dat de strijd tegen uitbuiting en grote economische structuren aan het verschuiven was naar meer diffuse machtsverschillen die onze subjectiviteit vorm proberen te geven. Een negatieve inkomstenbelasting zou kunnen zorgen voor een zeker welvaartsniveau zonder een precies antropologisch model op te leggen. Het zou geen terugtrekking van de staat op zich betekenen, maar eerder van zijn invasieve en dwingende technieken van subjectivering.

Uit het boek blijkt dat zelfs marxistische intellectuelen in de jaren 1970 en 1980 werden aangetrokken tot een concept als het basisinkomen. Dit was ook het decennium waarin neoliberaal economisch beleid werd geïntroduceerd onder Thatcher en Reagan. Het is interessant om te bedenken dat het basisinkomen diep geworteld is in neoliberaal gedachtegoed, maar toch aantrekkingskracht heeft op linkse partijen. Kun je als marxist welzijn omarmen zonder arbeid?

ANTON In de tweede helft van het boek wordt besproken hoe het linkse denken in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw een conceptuele transformatie onderging. Foucault kan worden gezien als slechts één opvallende uitdrukking van deze verschuiving. Deze verandering werd mede beïnvloed door sociaal-economische omstandigheden, zoals de deïndustrialisatie en het afnemen van invloed van de klassieke arbeidersbeweging. Op ideologisch niveau creëerde dit een vruchtbare omgeving voor het idee van geldoverdrachten binnen groepen die voorheen vijandig stonden tegenover dit concept. In de jaren 60 en 70 begon de deïndustrialisatie op te komen en kromp het industriële proletariaat of verplaatste het zich naar andere landen. Sommige westerse marxisten concludeerden hieruit dat ontwikkelde samenlevingen zich nu in een staat van overvloed bevonden waardoor er geen behoefte meer was aan arbeid. Dit alles werd verenigd in de ‘integratiethese’, volgens dewelke westerse arbeiders hun revolutionaire ambities zouden hebben opgegeven en volledig waren geïntegreerd in de kapitalistische maatschappij.

De visie op geldoverdrachten wijst ook op een samenleving waarin de markt de structurerende metafoor is geworden voor menselijk handelen.

De Franse marxist André Gorz is een krachtige en tegelijkertijd dubbelzinnige vertegenwoordiger van deze tendens. Voor iemand als Philippe Van Parijs, die veel aan Gorz te danken heeft, gaat dit ook gepaard met het uitbreiden van de marxistische theorie met instrumenten uit de neoklassieke economie en het neoliberale denken. Deze revolutie werd vervolgens ondersteund door beleid: het basisinkomen zou kunnen fungeren als een middel om links voorbij de vastgeroeste gehechtheid aan de ‘traditionele’ arbeidersbeweging te duwen en een minder paternalistische versie van sociale rechten te bieden — opnieuw ‘welvaart zonder verzorgingsstaat’.

Ik denk dat de meeste mensen het OBI tegenwoordig zien in relatie tot de technologie, en daarbij specifiek denken aan mensen als Elon Musk, Jeff Bezos en Mark Zuckerberg. Jullie noemen het zelf de welvaartsideologie van Californië. Hoe komt het dat de technologiesector zich zo aangetrokken voelt tot het OBI?

ANTON Opnieuw, het is een veelzijdige genegenheid maar ook een genegenheid die bepaalde zaken aan het licht brengt. Mark Zuckerberg pleit voor het basisinkomen als een ‘nieuw sociaal contract’ gebaseerd op ‘conservatieve principes’, in plaats van het idee van een uitgebreider sociaal vangnet. In de tech-wereld werken ze met flexibele en mobiele arbeidskrachten in steden met hoge huurprijzen. Vanuit dat perspectief is het begrijpelijk dat zij dit idee omarmen, hoe cynisch ook. Als de lonen in de dienstensector laag moeten blijven en tegelijkertijd de huur betaald moet worden, kunnen geldoverdrachten helpen om het gat te dichten.

Er speelt hier echter een breder filosofisch verhaal. Het voorbeeld van Chris Hughes, medeoprichter van Facebook, is erg veelzeggend. Toen Hughes in 2007 vertrok bij zijn bedrijf, wilde hij, zoals velen voor hem, “extreme armoede internationaal uitroeien”. Hij was echter niet overtuigd van de top-down benadering die destijds populair was, vooral het technocratische humanitarisme dat Jeffrey Sachs propageerde. Daarom omarmde Hughes natuurlijk het idee van een basisinkomen. In augustus 2012 trad hij toe tot het bestuur van GiveDirectly, een zeer succesvolle ontwikkelingsstart-up die geldoverdrachten promoot in het mondiale zuiden. Het geld werd rechtstreeks naar mobiele telefoons gestuurd zonder verdere verplichtingen. Hughes was enthousiast: dit was de ‘zelfverzekerde liberale en marktgerichte’ strategie waar hij altijd al naar op zoek was — elegant en verrassend eenvoudig.

In tegenstelling tot de top-down-benadering uit de jaren 90 paste deze nieuwe visie perfect bij de instincten van Silicon Valley op decentralisatie en emancipatie. Bovendien was het bij uitstek marktvriendelijk. In het tijdperk van directe digitale communicatie via sociale media ziet Silicon Valley geldoverdrachten als een vorm van ‘bottom-up’ marktwerking, waarbij tussenpersonen en andere potentiële institutionele bemiddelaars worden uitgeschakeld.

Er zijn ook OBI-regelingen voor het beleid inzake wereldwijde economische ontwikkeling. In de jaren ‘50, de hoogdagen van de moderniseringstheorie, dachten mensen optimistisch dat landen in het Zuiden gemodelleerd konden worden naar de politieke economieën van ‘westerse’ verzorgingsstaten, als alternatief voor marxistische ontwikkelingsbenaderingen. Nu kunnen we gemakkelijk geld sturen naar armen overal ter wereld, rechtstreeks op hun telefoon. Is dat niet eenvoudiger dan via bureaucratische en corrupte structuren?

DANIEL Intuïtief gezien lijkt het inderdaad logisch om het geld gewoon aan de armen over te maken. Waarom zouden we ingewikkelde instellingen gebruiken voor projecten die niet noodzakelijk overeenkomen met de behoeften van de mensen ter plaatse? In de inleiding van zijn boek Give a Man a Fish uit 2017 stelde de Amerikaanse antropoloog James Ferguson half schertsend voor om het geld dat gewoonlijk aan ontwikkelingshulp wordt besteed gewoon “uit helikopters” te gooien zodat “de lokale bevolking het kan oprapen”.

Tegenwoordig hebben we geen helikopters meer nodig, een telefoon volstaat. Het succes van GiveDirectly wordt mede mogelijk gemaakt door de grote vermogens van Silicon Valley, van Elon Musk tot de gevallen koning van de cryptovaluta Sam Bankman-Fried.

Echter, de oorsprong van deze verandering ligt in het decennium na het structurele aanpassingsbeleid dat aan het begin van de jaren 80 werd opgelegd door het IMF en de Wereldbank. Als gevolg van de ontmanteling van het door de staat geleide industriebeleid en oude beleidsmaatregelen zoals prijscontroles, overdrachten in natura en voedselsubsidies, nam armoede in veel Zuid-Amerikaanse landen toe. Als reactie hierop besloten veel landen hun geldoverdrachtssystemen uit te breiden om de effecten van liberalisering te verzachten. De geldoverdrachtrevolutie in het Zuiden was dus geen alternatief voor neoliberalisme, maar eerder een aanvulling erop. Hierdoor konden veel landen doorgaan met hun privatiseringsprogramma’s terwijl ze tegelijkertijd directe hulp boden om armoede aan te pakken. Het concept ‘ontwikkeling’ onderging ook een radicale verandering in die periode. Onze huidige focus op armoedebestrijding heeft ons idee van ontwikkeling beperkt door welvaart te bevorderen waarbij individuele verbetering losstaat van transformatie in arbeidsverdeling tussen Noord en Zuid.

In het algemeen, wat leert de opkomst van de ‘transferstaat’ ons over hoe we ons verhouden tot de politiek en onze relatie tot de overheid?

ANTON Dat is de hamvraag! Het duurde even voor we dat beseften, maar het boek gebruikt het OBI-concept eigenlijk als een prisma dat een reeks ontwikkelingen illustreert die meer onthullen dan het voorstel zelf. Wat staat er in dat voorstel?

Er zijn hier een aantal belangrijke zaken. Ten eerste heeft er aan het einde van de twintigste eeuw een enorme verandering plaatsgevonden in de manier waarop samenlevingen en staten met elkaar omgaan. Het ‘neoliberalisme’ is slechts een deel van het verhaal. Tijdens de inflatoire jaren ‘70 heeft het kapitaal een offensief ingezet om de winstmarges te herstellen, wat ervoor zorgde dat het werd losgekoppeld van het dominante naoorlogse groeimodel. Dit had echter ook zeer destabiliserende effecten op de hele samenleving. Niet alleen bij links, maar ook bij rechts begonnen de tussenliggende instellingen die destijds bepalend waren voor de relatie en toegang van individuen tot de staat, weg te kwijnen. In plaats van naar de maatschappij te luisteren, droeg de staat steeds meer macht over aan technocraten. Dit betekent ook dat de instellingen die voorheen de behoeften van de staat en de samenleving vormden en politiseerden, achteruitgingen.

Vroeger greep de overheid in op het gebied van de productie, maar nu alleen nog in de distributie.

Daardoor zijn we getuige van een individualisering van het begrip ‘behoeften’, niet alleen in de economie, maar ook in het publieke discours zelf. We vinden het moeilijker om te discussiëren en het eens te zijn over wat onze behoeften zijn. In plaats van te investeren in politiek gedefinieerde behoeften of de prioriteiten van de samenleving, wordt er steeds vaker gebruik gemaakt van het belastingapparaat om de inkomensverdeling te veranderen, in plaats van rechtstreeks te investeren.

In die zin wijst het concept van geldoverdrachten niet alleen op een enorme verandering in de filosofie achter de verzorgingsstaat, maar ook op een samenleving waarin de politiek, als menselijke activiteit, aan een hevige crisis ten prooi is. De markt lijkt wel de favoriete metafoor geworden voor algemeen menselijk handelen, een antropologische faute de mieux, zoals de Fransen zeggen [bij gebrek aan beter, nvdr.]. Dit is een deprimerende diagnose voor degenen die zich toegewijd hebben aan de oorspronkelijke visie van het socialisme.

DANIEL In bredere zin kunnen we stellen dat de opkomst van de ‘transferstaat’ wijst op een verschuiving in de tweede helft van de 20e eeuw. Dit hield in dat de rol van de staat veranderde van het ingrijpen in de productie naar enkel bezig zijn met distributie. De socialistische visie verloor geleidelijk aan aantrekkingskracht, wat niet verrassend was voor Marx die zich fel verzette tegen wat hij ‘vulgair socialisme’ noemde. Dit model beschouwt namelijk de kwestie van verdeling als ‘losstaand van de productiewijze en presenteert het socialisme hoofdzakelijk als een systeem gericht op verdeling’. De marxistische econoom Harry Braverman wees hier al eerder op in zijn klassieker Labor and Monopoly Capital. Hij schreef dat links, geïntimideerd door de omvang en complexiteit van kapitalistische productie, langzaam afzag van ambitie om controle over productie te hebben en zich richtte op het aandeel van arbeid in het product zelf.

Dat het geweer van schouder veranderd werd, was niet alleen een technische kwestie. Als we streven naar een betere herverdeling van het inkomen, streven we eigenlijk naar een samenleving waarin consumenten gelijker zijn. Maar het ideaal van zelfstandig bestuur, dat de essentie vormde van het socialistische project, is langzaam verdwenen. In plaats van inspraak te verwerven in wat en hoe we produceren, ruziën we liever over hoe we de bestaande taart verdelen.

Als het OBI inderdaad zo gunstig is voor de markt en zo aantrekkelijk voor het kapitalisme, kun je je afvragen waarom het nog niet is gerealiseerd. Jullie boek legt uit waarom het populair is geworden, maar waarom is het nog nooit realiteit geworden?

ANTON In het boek zien we het basisinkomen als de ‘asymptotische’ grens van een nieuwe verzorgingsstaat. Hiermee bedoelen we dat een OBI-voorstel altijd lijkt alsof het gaat gebeuren, maar dat het er nooit helemaal van komt. Waarom zijn we er nog niet geraakt?

Sommige critici beschuldigen ons ervan te doen alsof het voorstel al een reëel beleid is. Dit is echter niet wat we beweren. De contradictie van voorstellen voor een basisinkomen ligt in het feit dat betaalbare overheidsvoorzieningen ontoereikend zijn, terwijl voldoende overheidsvoorzieningen onbetaalbaar zijn. Dit geldt niet alleen voor de benodigde fiscale middelen om het te financieren. Een echt genereus basisinkomen zou het werknemers gemakkelijker maken om zich terug te trekken uit de arbeidsmarkt, waardoor degenen die blijven meer onderhandelingsmacht zouden krijgen. De cheques van Trump en Biden tijdens de COVID-19-pandemie hebben duidelijk gemaakt dat zelfs een tijdelijke verlichting van financiële lasten dit effect heeft, ook al heeft het geen duidelijke gevolgen voor de organisatie van arbeid en zet het misschien niet aan tot collectieve actie.

De eeuwige tegenstrijdigheid van voorstellen voor een basisinkomen is dat een betaalbaar basisinkomen ontoereikend is, en een toereikend onbetaalbaar.

Hoewel het kapitaal natte dromen heeft over toekomstige automatisering, blijft het toch behoefte hebben aan arbeiders en wil het de arbeidsdiscipline niet laten verzwakken. Een betere optie is om sociale welzijnsprogramma’s geleidelijk te commercialiseren: vervang bestaande dienstverleningsmodellen door geld, zodat bedrijven toegang krijgen tot nieuwe markten. Echter, geef nooit zoveel geld dat werknemers voorgoed de arbeidsmarkt verlaten. Ik betwijfel of we tijdens ons leven nog volledige implementatie van een basisinkomen zullen meemaken, met name in een wereld waarin het kapitaal nog steeds de lakens uitdeelt en de automatiseringsrevolutie niet heeft plaatsgevonden.

Je staat duidelijk kritisch tegenover het OBI. Moeten we volgens jou terug naar een oudere, meer traditionele visie van sociaal beleid? Wat is jouw alternatief?

ANTON Aandachtige lezers zullen moeiteloos onze eigen sympathieën herkennen. Het is moeilijk om niet de indruk te wekken dat we op een positieve manier een oudere verzorgingsstaat uit het midden van de eeuw contrasteren met het huidige transfermodel. We maken een duidelijke keuze tussen openbare gezondheidszorg en vaste banen enerzijds, en gezondheidscheques en een basisinkomen anderzijds.

Toch willen wij in een deel van het boek ook duidelijk maken, door middel van contrast, hoe de ‘oude’ verzorgingsstaat mogelijk werd. Het is niet alleen een puur intellectuele oefening om die traditie terug te winnen. Misschien verlangen we naar een visie van een volledig gedecommodificeerd leven, zoals sommige voorstanders van de verzorgingsstaat beloofden. Maar zij zouden kunnen samenwerken met een actief en sterk georganiseerd links middenveld dat zijn beleidsvoorstellen zou doordrukken. Er is bijvoorbeeld interessant werk over de zogenaamde ‘welfare workforce’, of de sleutelrol die vakbonden hebben gespeeld bij het vormgeven van sociale staten in zowel Europa als de VS.

We weten allemaal dat deze instellingen in de afgelopen dertig jaar sterk achteruit zijn gegaan. Dit is niet verrassend, aangezien dit ook het tijdperk was waarin de ‘transfer state’ zegevierde. Hoewel we de oude welzijnstraditie nieuw leven willen inblazen, betekent dit natuurlijk niet dat we blind moeten zijn voor de patronen van uitsluiting die erin voorkomen — zoals bijvoorbeeld een beperkte visie op hoe een gezin eruit moet zien. Toch zijn er nog verzorgingsstaten in Europa die, mede dankzij de invloed van vakbonden, deze oudere visies hebben behouden en tegelijkertijd inclusiever hebben gemaakt. Er is geen reden om aan te nemen dat de Amerikaanse openbare gezondheidszorg andere levensstijlen niet zou kunnen accepteren wanneer staten onder druk worden gezet om dit te doen.

Maar als Amerikanen gezamenlijk besluiten om ‘gezondheid’ als een sociaal recht te beschouwen, en niet slechts als het betalen van een privé-arts, vereist dit een collectieve discussie over de definitie van ‘gezondheid’. Dit blijft net zo’n uitdagende vraag als in de twintigste eeuw. Het boek bespreekt de erfenis die deze discussie voert over hoe het leven er buiten de markt uitziet in de eenentwintigste eeuw.

DANIEL Ik denk dat ons boek je aan het denken zet over hoe we een betere samenleving kunnen vormgeven, verder dan simpelweg inkomen herverdelen. Vooral in deze tijd van Trump, oorlog, klimaatverandering en inflatie wordt het duidelijk dat bescheiden economische eisen niet zullen leiden tot een terugkeer naar een illusoire normaliteit. Ik geloof dat alleen door middel van instellingen die de samenleving in staat stellen om collectief haar eigen lot te bepalen, we misschien echt een ‘einde’ aan het einde van de geschiedenis kunnen breien.

Dit interview werd oorspronkelijk afgenomen in opdracht van The Nation. Vertaald door Lava.