Artikels

Goede en slechte kindsoldaten

Anne Morelli

— 25 maart 2019

Kindsoldaten in de vier hoeken van de wereld vervullen ons met afschuw. Maar het verschijnsel is niet nieuw, nieuw is de onmiddellijke mediatisering ervan.

 

In een artikel in Le Monde van 3-4 december 2017 schreef journalist Soren Seelow dat kindsoldaten “een nieuw probleem vormen in de hedendaagse Franse geschiedenis”. Die stelling ontkent niet alleen de militaire geschiedenis van Frankrijk, maar ook van de meeste andere landen die in oorlogstijden net zo goed kinderen hebben ingezet voor verschillende opdrachten, ook militaire. Al naargelang van onze overtuiging gaan wij de deelname van kinderen aan een conflict bewonderen of afwijzen.

Wat is een kind?

Eerst moeten we het eens worden over het begrip ‘kind’, want dit is niet zo evident als op het eerste gezicht lijkt. Het Latijnse woord infans betekent “hij/zij die (nog) niet kan praten” en is dus veeleer het equivalent van baby. Het spreekt voor zich dat zulke kinderen niet aan een oorlog kunnen deelnemen, behalve dan als slachtoffers en propagandamiddel. Maar vanaf welke leeftijd kunnen kinderen wel worden ingezet?

De katholieke godsdienst legt de lat voor de jaren van verstand op zeven jaar. Op die leeftijd kunnen kinderen goed en kwaad van elkaar onderscheiden en de godsdienstprincipes begrijpen. Elke godsdienst (of ideologie) probeert uiteraard zijn (haar) project te bestendigen en dus doet het katholieke kind op zeven jaar zijn eerste communie en belijdt op twaalf jaar zijn geloof. Twaalf jaar is ook de leeftijd waarop joodse kinderen religieus volwassen worden en moslimkinderen worden uitgenodigd om mee te vasten tijdens de ramadan. Vanaf twaalf jaar gaat het voor de godsdienst dan niet meer om ‘kinderen’, maar om jongeren die geloofsgetuigenis kunnen afleggen.

Wanneer echter de huidige media het hebben over kindsoldaten, bedoelen ze alle minderjarigen, wat erop wijst dat het begrip ‘kind ’ verruimd is. In de 19e eeuw werden kinderen van 8 jaar werk(st)ers en in de jaren 1950 gingen kinderen vanaf 14 jaar in de Belgische mijnen aan de slag. Theoretisch gezien zijn kinderen nu beschermd en kunnen ze (tenminste in de economisch ontwikkelde landen en de minder arme klassen) blijven naar school gaan dankzij tal van internationale verdragen. In die recente verdragen worden de min-achttienjarigen als ‘kinderen ’ beschouwd.1

In België nam de kadettenschool tot voor kort kinderen vanaf 11 jaar op.

Wat voor ons een ‘kindsoldaat ’ van 16-17 jaar is, werd tot voor kort en zonder veel scrupules beschouwd als een jonge, in het leger ingelijfde soldaat, die trots deel uitmaakte van de nieuwe generatie die vocht voor vaderland of geloof.

Rusty en het Sardijnse drummertje

Als klein meisje werd ik door mijn vader in slaap gesust met de avonturen van kindsoldaten en ik bewonderde ze mateloos. Hij las gepassioneerd voor uit Cuore (Hart) van Edmondo De Amicis, een boek dat ook werd gelezen in België tijdens de lessen moraal die toen geleidelijk werden ingevoerd. In Cuore volgt De Amicis een schooljaar in een Turijnse lekenschool voor gratis onderwijs met een mix van kinderen uit verschillende sociale klassen. De Amicis is een socialist (die trouwens in 1898 uit Italië verbannen werd) en aan de hand van het personage van de leraar wil hij de jonge lezers zijn idealen van humanisme, lekenmoraal en … patriottisme inprenten. Op dat ogenblik is Italië nog maar kort geleden eengemaakt en de kleine Italiaantjes die zijn boek lezen, moeten tegelijk alle regio’ s van hun land en de heldhaftige episodes van de Risorgimento, die uiteindelijk naar de eenheid van het land heeft geleid, ontdekken. Elke maand van het schooljaar wordt dus opgeluisterd met opvoedende lectuur over de Risorgimento, met een kind als grote held.

Mijn voorkeur ging uit naar het Sardijnse drummertje dat zelfs onder de Oostenrijkse kogelregen bleef trommelen, uiteindelijk toch gewond werd en zijn twee benen moest laten amputeren. Als klein meisje stelde ik mij geen vragen over zijn aanwezigheid in het Italiaanse leger en ik bewonderde hem vurig. Mijn vader — die nochtans antimilitaristisch was — moest telkens weer het relaas van zijn opoffering voorlezen.Bij de honderdste verjaardag van de Italiaanse eenmaking vonden wij in de wekelijkse kinderkrant Corriere dei Piccoli soldaatjes om uit te knippen en daar waren dus ook drummertjes bij.

Al even verzot was ik op een Amerikaanse televisieserie die vanaf 1958 ook door de Belgische tv werd uitgezonden. Rintintin and Rusty beschreef in ontelbare afleveringen de lotgevallen van een kleine jongen met zijn hond. Het onderwerp kan onschuldig lijken en ons afleiden van ons onderwerp, maar de tekenserie van Lee Duncan vertrok wel degelijk van een cavalerieregiment van Fort Apache, dat een jongen van 8 of 9 jaar had opgenomen, samen met zijn hond. Zij waren de enige overlevenden van een konvooi pioniers dat door de indianen was aangevallen. Ik was verliefd op Rusty, rol van de kleine Lee Aaker, die werd bevorderd tot erekorporaal en er in zijn mini-uniformpje echt schattig uitzag. Hijzelf en zijn hond Rintintin, die de mascotte van het regiment werd, namen uiteraard deel aan de gevaarlijke avonturen van dit cavalerieregiment. Het kwam niet bij mij op dat die mascottes die in talloze Amerikaanse films2 werden opgevoerd, ook echt hadden bestaan en niet alleen maar leuke dieren waren.

De legerkinderen

Edouard Manet vereeuwigde in 1866 een kleine fluitspeler op doek (het schilderij wordt bewaard in het Musée d’ Orsay in Parijs). Dat muzikantje speelt niet om andere kinderen van zijn leeftijd te amuseren of te doen dansen. Hij is een legerkind in een militair uniform en doet dienst in de keizerlijke garde van Napoleon III. Die legerkinderen zijn bij het volk bekend geworden door de images d’ Épinal.3

Onder Lodewijk XV moest elk regiment voor hen al een aparte post in de begroting opnemen. Hun aanwezigheid was dus officieel erkend. Het ging gewoonlijk om jongetjes van 7 jaar of meer die in het spoor van hun vader een wapenopleiding kregen. In 1880 tekent Bonaparte een besluit dat hun soldij vastlegt op de helft van die van een volwassen soldaat, tot aan de leeftijd van 16 jaar, waarna ze mogen (moeten?) dienst doen bij het leger. Hun uniform is hetzelfde als dat van de andere soldaten, alleen kleiner. In het Hôtel des Invalides in Parijs kun je een jas en een vest zien van een van die legerkinderen, die met trommel of trompet het appel of de aanval moeten aankondigen.4 Zij nemen met het Franse leger deel aan de Krimoorlog en de Italiaanse veldtocht (de slag bij Magenta, 1859).

Tijdens de oorlog van Paraguay werden kinderen ingelijfd die een valse baard moesten dragen en die werden uitgerust met stukken beschilderd hout.

In 1871 wordt het systeem van de legerkinderen afgeschaft, maar in 1884 worden zes voorbereidende militaire scholen opgericht voor jongetjes vanaf zeven jaar. De ‘schoolbataljons’, die in 1882 worden opgericht, integreren kinderen vanaf vijf jaar die, met het houten geweer op de schouder, paraderen op de Champs Elysées. Sinds 2006 zijn de militaire scholen voor minderjarigen omgevormd tot lycées de la Défense. In België ging het er niet veel anders aan toe. De kadettenschool nam tot voor kort kinderen vanaf 11 jaar op. De leerlingen bereidden zich voor op een militaire loopbaan, uit vrije keuze of omdat de familiale situatie erom vroeg (bijv. bij overlijden van het gezinshoofd).

De Brusselaars en de pendelaars kennen het Meiserplein maar al te goed. Het is een van de voor het verkeer moeilijke toegangswegen naar de hoofdstad. Wat ze wellicht niet weten, is dat luitenant-generaal Jean-Baptiste Meiser, alom geloofd om zijn wapenfeiten en zijn moed (of beter: die van de 5.000 mannen onder zijn bevel!) tijdens de Slag om de IJzer in de Eerste Wereldoorlog, al op twaalfjarige leeftijd bij het Belgische leger ging, waar hij instond voor de voedselbevoorrading van de troepen.5

Dankzij de kleine Sardijnse drummer weten we al dat het Italiaanse leger kinderen gebruikte. Maar zij die dit ‘geluk ’ niet hadden, droomden er wel van en gingen in de houding staan voor een gravure van Garibaldi of Vittorio Emanuel of een driekleur. Met hun nepwapens en vermomd als soldaatjes, oefenden ze zich in het schieten op in lood gegoten poppetjes die de vijandelijke troepen moesten voorstellen. Dat is althans wat de schilder Gioacchino Toma heeft geportretteerd in zijn Piccoli patrioti6 en Figli del popolo7 (De kleine patriotten – De zonen van het volk).

In diezelfde periode, tijdens de oorlog van Paraguay tegen de Britse en Amerikaanse ‘vrijhandel ’ (1865-1870), werd het verlies aan manschappen (60 % van de bevolking en 9 op 10 mannen sneuvelden) gecompenseerd door de inlijving van kinderen “die een valse baard moesten dragen en bij gebrek aan wapens werden uitgerust met stukken beschilderd hout, die op geweren moesten lijken”.8 Maar het mocht niet baten. Paraguay werd tot overgave gedwongen en moest zich neerleggen bij het voorheen afgewezen economisch systeem, uitgestippeld door de grote banken. De opoffering van de kinderen ter vervanging van de gevallen soldaten was dus voor niets geweest.

De kinderen in de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben kinderen zeer verschillende rollen gespeeld. Eerst en vooral waren zij ooggetuige van de wreedheden waarmee elke oorlog gepaard gaat. Er waren bijvoorbeeld heel wat kinderen onder de 1,3 miljoen Belgen (20 % van de bevolking) die naar Nederland, Frankrijk en Groot-Brittannië gevlucht zijn. In beide kampen zijn miljoenen soldaten gesneuveld, maar we mogen niet vergeten dat hun dood ook betekende dat miljoenen kinderen moesten opgroeien zonder vader. En niet alleen de volwassenen waren het slachtoffer van ontberingen, schaarse levensmiddelen, epidemieën en de verplaatsing van hele bevolkingen na de Wapenstilstand.

Maar naast deze zeer reële drama’ s werden ook de kinderen en hun veronderstelde onschuld door beide kampen gebruikt voor propaganda. Ze worden opgevoerd als getuigen van de barbarij van de vijand: zo verspreidt de propaganda van de geallieerden met de steun van artiesten als Poulbot het gerucht dat de Duitsers de handjes van Belgische kinderen afhakken. Een flagrante leugen die niettemin effect sorteert: de Italiaanse en Amerikaanse publieke opinie keurt de deelname van hun respectieve landen aan de oorlog goed. Italië zal zich in 1915 in de oorlog mengen, de VS in 1917.

Een leesboek uit 1940 verzekert dat een baby die maar vier tanden heeft, die moet gebruiken als vier zwaarden tegen de vijand die hem opwacht.

De kinderen worden ook schaamteloos ingezet als promotors van patriottisme: in de propaganda moedigen zij hun vader aan om bij het leger te gaan of de burgers om financieel bij te dragen aan de oorlogsinspanning. Zo spelen zij de rol van onrechtstreekse fondsenwervers. Ook de meisjes blijven niet achter: in navolging van de volwassen vrouwen in hun familie kunnen zij oorlogsmeter worden van de strijders, ook van de koloniale troepen. In alle oorlogvoerende landen spelen de kinderen meer dan ooit oorlogje. Fotografen leggen zulke scènes vast9 en er komt almaar meer militair speelgoed op de markt.10

De adolescenten van 12 tot 16 jaar, die met patriottische retoriek worden overgoten, zijn dan weer bereid om echt de wapens op te nemen. De rekruteringsofficieren sluiten de ogen voor de leeftijd van de vrijwilligers die zich aanmelden. Tot 1916 worden in het Britse leger boy soldiers ingelijfd. Het Ottomaanse Rijk mobiliseert in 1917 jongeren van nog geen 16 jaar om de verliezen te compenseren. In Frankrijk, Italië of Rusland geven veel jongens een valse leeftijd op om toch maar naar het front gestuurd te worden, voor hen een privilege. Zo gaan kinderen over van oorlogsslachtoffer naar medespeler. De militarisering van de kindertijd bereikt dankzij het patriottisme van de Eerste Wereldoorlog een piek.

Maar ook na de Wapenstilstand blijft men de kindsoldaten bejubelen. In Frankrijk wordt de legende van Joseph Bara, de heldhaftige kleine drummer die stierf op de 14-jarige leeftijd bij de verdediging van de Republiek tegen de royalisten, weer opgediept en met illustraties opgenomen in de schoolboeken van de Derde Republiek … en dat tot en met de Vijfde Republiek in de jaren 1970!11

Ook in de voorbereiding van de Tweede Wereldoorlog wordt aan weerskanten gebruik gemaakt van de militarisering van kinderen en de bagatellisering van de oorlog. In twee recente Italiaanse boeken12 vinden we talrijke concrete voorbeelden van die opvoeding in het fascistische Italië. Een Balilla, naar de naam van een jonge Genuees die de opstand tegen de Oostenrijkers zou uitgelokt hebben, krijgt een paramilitaire opleiding: discipline, sportwedstrijden, uniformen, vlaggen en oefeningen met kleinere wapens. Op de schoolboeken en de omslag van zijn schriften prijken zijn heldhaftige voorgangers. Een leesboek uit 1940 leert ons zelfs dat een baby die maar vier tanden heeft, die moet gebruiken “als vier zwaarden tegen de vijand die hem opwacht”!13

Het politieke gebruik van vluchtelingenkinderen

In de oorlogen van de 20e eeuw worden de kinderen vaak gebruikt om de buitenlandse publieke opinie te sensibiliseren over de ellende in hun land. Ook al zijn het geen militairen als dusdanig, toch worden ze massaal ingezet voor de propaganda en vormen zij er een sleutelelement van.

In de Eerste Wereldoorlog publiceert de geallieerde pers ontroerende verhalen over de kleine Belgische vluchtelingen of die uit het bezette Noord-Frankrijk.14 Maar het is vooral in de Spaanse burgeroorlog dat de kinderen het symbool zullen worden van het drama dat zich in hun land afspeelt. Om hen te beschermen tegen de bombardementen en de wreedheden van het gewapende conflict, hebben de Spaanse republikeinen ze gegroepeerd in ‘kolonies’.15 Wanneer de oorlog dan omslaat in een ware tragedie, gaan ze in op de voorstellen van de Fransen, Belgen en Sovjets om die kinderen onder te brengen in het buitenland. Die niños16 komen meestal terecht in gezinnen die de republikeinse zaak een warm hart toedragen en worden met vanzelfsprekende solidariteit verwelkomd.

Bevreesd dat die opvang gemonopoliseerd zal worden door de ‘roden’, organiseert de Belgische katholieke kerk prompt een parallelle opvang voor de kinderen uit Baskenland, van wie men weet dat het goede katholieken zijn. Het Belgische katholieke milieu had tussen 1923 en 1927 al Hongaarse kinderen opgevangen. Priesters hadden een perscampagne met hartverscheurende foto’ s op het getouw gezet om de katholieke opinie, vooral de Vlaamse, te sensibiliseren over de dramatische omstandigheden waarin de kinderen in dat kleine katholieke land tijdens het interbellum moesten leven. Gezinnen of katholieke congregaties vingen vanuit hun gevoelens van ‘christelijke naastenliefde ’ 450 kleine katholieke Hongaartjes op tussen juni 1923 en december 1927. Soms ging het om een vakantie, soms bleven ze er jarenlang. Die opvang van Hongaarse kinderen wordt na de Tweede Wereldoorlog nieuw leven ingeblazen onder de paraplu van Caritas Catholica. Aan de basis lagen de contacten tussen de Belgische kardinaal Ernest Van Roey en zijn Hongaarse evenknie Jozsef Mindszenty. 17

De Franse verzetsstrijders die door Louis Aragon en Léo Ferré geëerd werden in L’ Affiche Rouge, waren voor een groot deel minderjarigen.

De republikeinse kinderen of de kleine Hongaartjes spelen bewust of onbewust een politieke rol in de conflicten van de volwassenen. Die rol is nog duidelijker in het geval van de kinderen van Uruguayaanse politieke bannelingen. Vanwege de dictatuur kunnen die ouders niet terug naar hun land en in 1983 sturen ze 154 van hun kinderen moederziel alleen weer van Europa naar de hoofdstad Montevideo. Uiteraard zijn die kinderen, de kleinste was amper drie jaar oud, drager van een politieke boodschap en ze worden verwelkomd door talloze mensen die zongen Tus padres volveran (Uw ouders zullen terugkomen). Sommige van die kinderen hebben, eens volwassen, getuigd van de fierheid die ze voelden en die bepalend was voor hun identiteit, terwijl anderen het gevoel hadden ‘gebruikt ’ te zijn voor een politieke zaak die hen te boven ging en uiteraard zonder hun toestemming.18

De goede kindsoldaten van de Tweede Wereldoorlog

Van de Tweede Wereldoorlog komen enkel verhalen over goede kindsoldaten: joodse, Italiaanse en Sovjetkinderen … Zo vertelt de deels autobiografische roman van Aharon Appelfeld19 de zwerftocht van een kleine joodse jongen met de Sovjetpartizanen in Oekraïne. Hij beschrijft de microkosmos waarin het kind leeft als “heldere dagen, zonder mist en zonder illusies”. De Sovjetpartizanen hebben een groep joden opgenomen waaronder een kind van acht en een half jaar (Michaël) en ook nog een jongentje van twee (Milio), dat ze bij de prikkeldraad aantroffen en dat prompt de mascotte van de compagnie werd. Hoewel de roman maar in geringe mate op persoonlijke ervaring berust, is de geschiedenis op zich niet uitzonderlijk voor de Sovjet-Unie.

De journalist-fotograaf van het Sovjetleger, Jakov Borisovitch Davidzon, schiet in maart 1943 plaatjes van jonge pioniertjes die mee vechten met de partizanen in Oekraïne, in de regio van Jitomir. Daar is een jonge joodse partizaan van wie het gezicht en de tragische geschiedenis bekend zijn. Misha Davidovitch, 13 jaar oud, is een overlevende van een nabij gelegen getto en de Sovjetfotograaf heeft ons een prachtig portret nagelaten van een glimlachende, gewapende Misha in uniform. Enkele weken na de ontmoeting met de fotograaf trekt het detachement waarvan Misha deel uitmaakt, zich terug. De jongen heeft al zijn munitie opgebruikt in een achterhoedegevecht en pleegt zelfmoord met een granaat om niet in handen van de Duitsers te vallen. Kamikaze of held, wie zal het zeggen? Had die joodse jongen nog wel een alternatief voor dit tragische einde?

Mijn collega Jean-Philippe Schreiber en ikzelf zaten in de Wetenschappelijke Raad van de tentoonstelling Het joodse verzet tegen de eindoplossing 1939-1945, waarvan José Gotovitch voorzitter was. Die tentoonstelling was georganiseerd door de ngo B’ nai B’ rith, met een opvoedkundig doel. Wij gaven enthousiast onze goedkeuring voor het gebruik van de foto van de kleine Misha Davidovitch, de jonge, glimlachende partizaan, zowel op de cover van de catalogus als op de uitnodigingen voor de vernissage.20 De tentoonstelling werd volledig geboycot door pedagogisch kringen omdat ze zogezegd de kindsoldaten verheerlijkte! Nochtans waren die kinderen een realiteit waar je niet naast kunt kijken, en hun vaak tragische lotgevallen werden door de Sovjetliteratuur en films gepopulariseerd. Het is een vrome illusie dat de onschuld van de kindertijd zou kunnen ontsnappen aan de traumatische ervaringen van de oorlog, want niets is minder waar. De kleine twaalfjarige die voorop loopt om het terrein te verkennen, is vandaag een ongemakkelijk thema.21

Het werk van Svetlana Alexevitch is vooral bekend door haar onthullingen over de rol van de vrouw in de oorlog.22 Maar ze heeft zich ook gebogen over de oorlogservaringen van kinderen: het vertrek van hun vader, de honger, de vlucht, het verlies soms van hun naam, maar ook hun deelname aan de gevechten, wat definitief een einde maakte aan hun veronderstelde onschuld.23

Ook in Italië zijn tal van verhalen terug te vinden over de verminkte kindertijd van die zeer jonge verzetsstrijdertjes. In een land dat zich had bevrijd van het fascisme, waren zij de kleine helden die tijdens de oorlog gevangen genomen werden, gefolterd, gewond, van wie ledematen werden geamputeerd. Kameraden werden voor hun ogen geëxecuteerd. Het boek van de Genuees Mario Ghiglione24, partizaan op 14 jaar, kreeg niet zonder reden de ondertitel Geschiedenis van een kindpartizaan. En de geschiedenis van Gildo Moncada, die zich bij de Leonipartizanen aansloot en bij wie op 16-jarige leeftijd een been moest geamputeerd worden, werd gepubliceerd onder de titel De kindpartizaan.25

De inzet van de ‘kindsoldaten ’ ter verdediging van Berlijn wordt voorgesteld als een weerzinwekkende manipulatie.

De Franse verzetsstrijders die door de nazi’ s werden gefusilleerd en vervolgens Louis Aragon en Léo Ferré geëerd werden in L’ Affiche Rouge, waren voor een groot deel de toenmalige minderjarigen.26 Moeten ze worden opgevoerd als voorbeelden omdat ze hebben bijgedragen tot de overwinning op het nazisme of moeten ze zorgvuldig verborgen blijven achter die realiteit omdat ze anders de idealistische visie van de kindertijd vertroebelen?

Hedendaagse kindsoldaten

Mediaberichten over kindsoldaten in de vier hoeken van de wereld vervullen ons met afschuw. Volgens Save the Children zijn naar schatting 250.000 tot 300.000 kinderen overal ter wereld betrokken bij oorlogsfeiten. In Oeganda, Sierra Leone, Colombia, Sri Lanka, Congo, Nigeria en uiteraard ook bij Islamitische Staat zijn kinderen overgegaan van oorlogsslachtoffer naar strijder of beul. Zoals we al hebben gezien ligt de nieuwigheid niet in het verschijnsel zelf maar in de onmiddellijke mediatisering.

De kamikazemeisjes van Boko Haram, de prepubers die in Palmira gevangenen executeren of de leeuwenwelpen van het Kalifaat zijn bereid risico’ s te nemen en zonder verpinken te doden in ruil voor een vluchtig moment van glorie door de verspreiding van hun ‘exploten’ op het internet. In sommige gevallen wordt terecht het gewelddadige discours dat de islam hun heeft ingeprent, als misdadig bestempeld.

Maar wat dan met de kinderen die betrokken waren in de moordpartij die de provincie Kasaï heeft geteisterd en waarbij honderden zeer jonge Congolezen, meisjes en jongens, met hun primitieve wapens alles aanvielen dat van ver of nabij met de overheid te maken had en misschien wel 5.000 mensen doodden? De militie Kamwina Nsapu heeft voor haar misdaden honderden kinderen gerekruteerd die geen enkele band schijnen te hebben met enige ideologie of ‘vaderland’.

De Napolitaanse overheid krijgt de criminaliteit onder de minderjarigen maar niet onder controle. ‘Babygangs ’ gaan met elkaar in de clinch en drenken het stadscentrum in bloed. Die kinderen, op wie schoolplicht geen enkele indruk maakt, vechten bendeoorlogen uit met echte wapens, die ze maar al te gemakkelijk kunnen verkrijgen.

Al naargelang onze politieke gevoeligheden raakt het nieuws over het conflict tussen Israël en de Palestijnen ons verschillend. Palestijnse kinderen kunnen, afhankelijk van het standpunt, beschouwd worden als kindsoldaten of kindterroristen. Ahmad Manasra, 13 jaar, nam in 2015, gewapend met een mes, deel aan een niet-dodelijke aanval op twee Israëliërs uit de nederzetting Pisgat Zeev in de Arabische zone van Oost-Jeruzalem. Na zijn proces in 2016 verdween hij voor 12 jaar achter de tralies.27 Twee andere Palestijnen van respectievelijk 12 en 13 jaar oud hebben al geprobeerd zijn voorbeeld te volgen.28

In een poging om die kindsoldaten te beteugelen heeft de Knesset in 2016 een wet aangenomen die toelaat kinderen van 12 jaar als volwassenen te berechten voor ‘terroristische activiteiten’. Vóór de goedkeuring van de wet hadden militaire rechters op de Westelijke Jordaanoever al twaalfjarigen veroordeeld. ‘Terroristische activiteiten ’ zoals het gooien van stenen naar personen of voertuigen kunnen voortaan bestraft worden met 10 jaar opsluiting als opzet niet bewezen is en met opsluiting tot 20 jaar als de activiteit doelbewust was. Meer dan 300 Palestijnse minderjarigen zitten hun tijd uit in Israëlische gevangenissen. Ook de blonde Ahed Tamimi (16 jaar) werd gearresteerd en opgesloten omdat ze twee Israëlische soldaten had geslagen. Als kind had ze al een militair gebeten toen die haar broer arresteerde. Naargelang van onze politieke sympathie zullen we haar houding toejuichen of afkeuren.

Een in hoge mate geïdeologiseerd begrip

Onze kijk op kindsoldaten hangt nauw samen met het kamp en de zaak die ze kiezen en verdedigen. Als een zaak ons tegen de borst stuit, kunnen we geen empathie opbrengen voor die kinderen en wijten we hun gedrag aan indoctrinatie, manipulatie, rekrutering, hersenspoeling. Zo zien wij de kindsoldaten van het neonazistische bataljon Azov in Oekraïne29, die al vanaf de leeftijd van 9 jaar met wapens leren omgaan, alleen als slachtoffers van het fanatisme van de volwassenen en niet als patriotjes die vrijwillig strijden tegen de decadentie en het kosmopolitisme van het Westen.30

Wij weten heel goed dat kindsoldaten op het laatst Berlijn mee verdedigd hebben (april-mei 1945). De inzet van die kinderen wordt voorgesteld als weerzinwekkende manipulatie en we weigeren die jonge Duitsers een echt politiek of patriottisch engagement toe te kennen. Het Museum van Hiroshima leert ons dat de bom ontelbare slachtoffers heeft gemaakt bij hulpsoldaten van tien jaar of ouder. Zij moesten een beschermingszone afbakenen om te verhinderen dat het vuur van de brandbommen zich zou verspreiden. In onze ogen lijkt hun enthousiasme veeleer de vrucht van laakbare indoctrinatie dan van toewijding aan hun taak om de burgers van het Japanse keizerrijk te beschermen. Voor de Japanners echter zijn het slachtoffers en hun dood een oorlogsmisdaad. Voor ons ligt de misdaad in het gebruik van die kinderen voor paramilitaire opdrachten. Alex Kurzem, die als kind werd opgevangen door een Lets bataljon waarvan hij de mascotte werd, prijkt op foto’ s in het uniform van de Wehrmacht.31 Hoe zien wij hem dan? Zoals de kleine anarchist die Gerda Taro in 1936 fotografeerde in zijn uniform van de Federación Anarquista Ibérica (FAI) in Barcelona?

Men heeft het zelden over de uitbuiting van de duizenden Syrische kinderen die in Turkse fabrieken onze producten maken.

Vanaf welke leeftijd kent het kind het onderscheid tussen goed en kwaad? Vanaf welke leeftijd kan het zich achter een zaak scharen?

Conclusie

Veel goedmenende mensen maken zich zorgen over de ‘kindsoldaten ’ als zou het gaan om een nieuw gegeven van onze tijd. Maar weinigen daarvan zijn even verontrust over de oorzaak van de situaties waarin de kinderen zich bevinden: de bezetting van hun land, de moord op hun naaste verwanten, de (materiële of onzichtbare) voordelen die weinig scrupuleuze volwassenen hun voorspiegelen, de onmogelijkheid om zich op een andere manier te onderscheiden.

Die burgers hebben het maar zelden over de uitbuiting van de duizenden Syrische kinderen die niet naar school gaan, maar in Turkse fabrieken onze producten maken. Of over de Congolese kinderen in de mijnen die kobalt voor onze smartphones opdelven. Ze liggen niet wakker van de 150 miljoen kinderen van 5 tot 14 jaar die overal ter wereld het werk van volwassenen doen.32 In Bolivia is de leeftijd waarop ze beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, zelfs verlaagd van 14 naar 10 jaar.

De militarisering van de scholen in het Hongarije van Viktor Orban bijvoorbeeld lokt maar weinig reactie uit. Nochtans is het logisch (ook al is het afschuwelijk) dat werkende kinderen die een oorlogstraining krijgen, ook aan de oorlog zullen deelnemen. De klassieke oorlogen waarbij enkel reguliere troepen tegenover elkaar staan, zijn in de 21e eeuw zeldzaam geworden. De totale oorlog echter mobiliseert echter heel de samenleving en dus ook de kinderen. Hij lost de grenzen op tussen burgers en militairen, tussen volwassenen en kinderen.

Niemand blijft onberoerd voor oorlogsfeiten, heel de bevolking zonder onderscheid van gender of leeftijd wordt erdoor geraakt en het is wel heel naïef te denken dat de kinderen hierop een uitzondering zouden maken. In tegenstelling tot die vrome illusie kunnen zij hun moreel en affectief kompas kwijtraken en het onschuldige idee loslaten dat alle volwassenen de plicht hebben de kinderen te beschermen. Aan die onschuld komt een einde wanneer ze bewust worden van het feit dat ook kinderen doden en gedood worden.

Een van de tien geboden van God richt zich specifiek tot de kinderen: “Vader moeder zult gij eren”. Maar er is geen enkel gebod dat zegt dat de volwassenen de kinderen moeten respecteren en beschermen. God is vergeten die belangrijke kwestie aan te kaarten. Die belangrijke kwestie die, in tegenstelling tot wat de journalist van Le Monde schreef, geen “nieuw probleem” is.

 

Footnotes

  1. De internationale verdragen over de rechten van het kind zijn nochtans niet unaniem geratificeerd. Zo heeft de VS geweigerd het Internationaal Verdrag van de rechten van het kind (1989) goed te keuren omdat het de doodstraf of levenslange opsluiting voor minderjarigen verbiedt, een verbod dat niet opgenomen is in de grondwet van een aantal Amerikaanse staten.
  2. The Little Colonel, Wee illie Winkie.
  3. Images d ‘Épinal: gekleurde prenten, geproduceerd in 1796 door Jean-Charles Pellerin in de in de stad Épinal opgerichte drukkerij. Op die prenten werden vaak vrome of heroïsch-nationalistische taferelen afgebeeld.
  4. Er is in Autun een museum gewijd aan die legerkinderen. Ook de gendarmerieschool van Tulle verwijst naar hun geschiedenis.
  5. Jean-Baptiste Meiser (1857-1940) werd verkozen bij de gemeenteraadsverkiezingen (1921) en daarna door de koning benoemd tot burgemeester (1927-1938) van de Brusselse gemeente Schaarbeek, waar het Meiserplein ligt.
  6. 1862, Museum van Capodimonte, Napels. Afkomstig van Pouilles, deze schilder-patriot sluit zich aan bij de Napolitaanse school.
  7. 1862, Provinciale pinacotheek van Bari.
  8. “Manuel d’ histoire critique”, Le Monde diplomatique, z.d. [2014?], p. 15. Londen had met de steun van de grote banken een verdrag van de Drievoudige Alliantie (Brazilië, Argentinië, Uruguay) ondersteund tegen Paraguay, waar de toenmalige regering een vorm van sociaal beleid voerde. De herverdeling van de rijkdom had de honger en de bedelarij er nagenoeg uitgeroeid.
  9. Met name J.B. Tournassoud en Léon Gimpel voor Frankrijk. In overeenstemming met de toenmalige stereotypen zijn de meisjes uiteraard verpleegsters en geen strijders. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de voorpagina van het weekblad Le Rire rouge, 9 oktober 1915.
  10. Tijdens de vieringen van de honderdste verjaardag van de Eerste Wereldoorlog waren verscheidene tentoonstellingen geheel of gedeeltelijk aan dit thema gewijd: bijvoorbeeld Kleine soldaatjes van de Groote Oorlog in Brussel (Hallepoort 3 april 2015 tot 31 januari 2016) en War from the other side in Bratislava (2014), met name op bladzijde 23. Zie ook de tentoonstelling Oorlog in korte broek 1914-1918 in Gent (2016-2017) in het onderdeel De kinderen spelen oorlogje.
  11. Talrijke scholen en straten in Frankrijk zijn naar hem genoemd. Voor Bara zie het artikel van Raymonde Monnier in Dictionnaire historique de la Révolution française onder leiding van Albert Soboul, Parijs, 1989. Naast Bara werd nog een andere kindsoldaat opgevoerd in de Franse schoolboeken, namelijk Agricol Viala, gesneuveld op 13 jaar bij de verdediging van de Republiek en lid van de Garde nationale des jeunes Avignonnais. (Nationale Garde van jonge inwoners van Avignon).
  12. Gianluca Gabrielli, Nazionalizzazione e militarizzazione dell’ infanzia nella prima metà del Novocento, Ombre corte, 2017. Bruno Maida, L’ infanzia nelle guerre del Novecento, Einaudi, 2017.
  13. Uittreksel van La charrue et l’épée, leesboek voor het derde leerjaar van landelijke scholen. Vertaling door Anne Morelli.
  14. Voor dit onderwerp verwijs ik naar mijn werk Principes élémentaires de propagande de guerre, Aden, 2013.
  15. Zie bijvoorbeeld Mari Carmen Rejas, 1936, Itinéraire d’ un enfant espagnol – Paco: l’ impossible oubli, Société des écrivains, Parijs, 2013.
  16. Naar de titel van het boek van Emilia Labajoz-Perez en Fernando Vittoria-Garcia, Los Niňos – Histoire d’ enfants de la guerre civile espagnole exilés en Belgique (1936-1939), Vie ouvrière, 1994.
  17. Vera Hajtó, De Hongaartjes. Belgisch-Hongaarse kinderacties, KADOC, Leuven, 2016.
  18. Cfr. De film van Pablo Martinez Pessi, Tus padres volveran, 2015. Gabinete Films, Phaidon Producciones.
  19. Aharon Appelfeld, Les Partisans, Éditions de l’ Olivier, 2015.
  20. De tentoonstelling ging door in het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis in Brussel van 20 november 2001 tot 15 februari 2002.
  21. L’ enfance d’ Ivan (1962), de eerste langspeelfilm van de Russische filmregisseur Andreï Tarkovski behandelde precies dit onderwerp.
  22. Svetlana Alexevitch, De oorlog heeft geen vrouwengezicht, 1983 in een eerste Russische uitgave. Nobelprijs literatuur 2015.
  23. De laatste getuigen: 100 onkinderlijke slaapliedjes, 1985 in een eerste Russische uitgave.
  24. Mario Ghiglione (met Federico Fornaro), Aria di libertà – Storia di un partigiano-bambino. Hij maakt deel uit van de divisie Matteotti die Alessandria bevrijdde.
  25. Raimondo Moncada, Il partigiano-bambino – La storia di Gildo Moncada, Edizioni Ad Est, niet gedateerd.
  26. Thomas Elek, Wolf Wajsbrot, Rino Della Negra, Roger Rouxel …
  27. Il Manifesto, 9 november 2016.
  28. Il Manifesto, 11 november 2015.
  29. Het bataljon Azov werd opgericht in april/mei 2014 en valt onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
  30. Die kinderen zweren dat ze alle Russen zullen doden, nemen deel aan trainingskampen en hun mooie uniformpjes zijn bedrukt met twee gewapende kindsilhouetten en het embleem van het bataljon Azov, dat wel een doorslagje lijkt van dat van de SS.
  31. Le Monde, 20 november 2007.
  32. Cijfers van Unicef, 2017. De Internationale Arbeidsorganisatie sprak van 152 miljoen in hetzelfde jaar (landbouw, diensten, industrie).