Artikels

Een zekere geschiedenis van het liberalisme

Alexander Zevin

+

Anton Jäger + Daniel Zamora

— 29 september 2020

— PDF-versie

Het verband tussen de concrete geschiedenis van het liberalisme en die van het liberale wereldbeeld zit tegenstrijdig en complex in elkaar. Alexander Zevin onderzocht dit aan de hand van een 175 jaar oude krant.

Daniel Zamora: U gebruikt de geschiedenis van The Economist als een prisma om onderzoek te doen naar wat u “het reëel bestaande liberalisme” noemt. Waarin ligt voor u dan het onderscheid tussen deze stroming binnen het liberalisme en de meer conventionele benaderingen?

Alexander Zevin: Er is veel geschreven over het liberalisme, maar weinig vanuit een historisch perspectief en nog minder vanuit een globaal of vergelijkend perspectief. Doorgaans wordt het liberalisme beschouwd als een onbegrensd geheel van denken, losjes geboetseerd rond een paar abstracte vrijheidsprincipes van deze of gene grote denker. John Locke en Adam Smith zijn populaire uitgangspunten. Van daaruit wordt het liberalisme dan alle soorten ideeën toegedicht —rationalisme, verdraagzaamheid, individualisme, secularisme, pluralisme, democratie, gelijkheid —op manieren die strijdig zijn met wat zoveel liberalen eigenlijk dachten en deden.

Alexander Zevin is historicus en lid van de redactieraad bij de New Left Review. Hij is de auteur van Liberalism at Large: The World According to the Economist (Verso, 2019).

Mijn benadering is helemaal anders. De geschiedenis van het liberalisme begint niet met de zeventiende-eeuwse politieke theorie of het achttiende-eeuwse economisch denken, maar in het Napoleontische tijdperk, toen politieke actoren in Spanje en Frankrijk zichzelf liberalen begonnen te noemen. Later migreert de term naar Groot-Brittannië, waar hij een unieke dubbele ontwikkeling kent: politieke ideeën over de rechtsstaat en burgerlijke vrijheden fuseren met economische stelregels over vrijhandel en vrije markten tot theorieën van ‘limited government’. Het liberalisme dat hier opkomt, is ideologisch en organisatorisch sterker dan eender waar in Europa.

The Economist is niet alleen de zuiverste uitdrukking van het liberalisme, maar het is de dominante uitdrukking ervan.

Het is op die basis dat in 1843 The Economist wordt gelanceerd. In tegenstelling tot een of andere denker of thema, doet het blad continu verslag van het liberalisme in actie, bij de aanpak van drie uitdagingen: toenemende eisen voor democratie bij de werkende mensen, de opkomst van de haute finance binnen de kapitalistische wereldorde en de uitbreiding van Europese machten. Mijn geschiedenis volgt deze kwesties en verwerpt bijgevolg de vrijheid-voor-allen-benadering, terwijl ze tegelijk flexibel is en ruimte laat voor de manieren waarop de liberale ideeën veranderd zijn, opnieuw gecombineerd worden en gereageerd hebben op andere tradities en argumenten. The Economist is niet alleen de zuiverste uitdrukking van het liberalisme, maar het is de dominante uitdrukking ervan, met de grootste wereldwijde impact in de voorbije 175 jaar.

U lijkt de unieke representativiteit van The Economist toe te schrijven aan de specifieke plaats die Engeland innam in de geschiedenis van het liberalisme.

Dit is de centrale kwestie.

Van bij het begin heeft The Economist zijn wagonnetje vastgehaakt aan de trein van de kapitalistische staat die de scepter zwaaide. Dit blijkt niet alleen uit de verslaggeving, met zijn niet-aflatende ambitie om de wereldeconomie te duiden voor zijn lezers doorheen de verzameling, meting en (vaak voor het eerst) oplijsting van verschillende prijzen-, handels- en aandelenindexen, rapporten van ondernemingen, nieuwsbulletins enzovoort. Het komt ook door de locatie van de redactie binnen dat ontluikende wereldsysteem, die pendelde tussen het economische knooppunt van de City of London, de politiek-administratieve gangen van Westminster en Whitehall en de formele en informele machtscentra.

James Wilson, de hoedenfabrikant die politiek economist werd en The Economist lanceerde, gebruikte het tijdschrift als een springplank naar de grote politieke en financiële wereld: binnen de vier jaar had hij een zitje bemachtigd in het parlement en al snel volgden de India Board, de Treasury en de Board of Trade. In 1859 werd hij als eerste Chancellor of the Indian Exchequer (Indiase minister van Financiën) naar India gestuurd om een nieuwe fiscale staatsvorm uit te werken voor het bestuur van Brits-Indië in de nasleep van de opstand aldaar (met overheidsgarantie voor inkomende investeringen). Tezelfdertijd opende de Chartered Bank —die Wilson in 1852 mee had opgericht in London —filialen doorheen Azië om te profiteren van de uitvoer van Indiase opium naar China.

In mijn boek toon ik aan dat de groeiende macht van het financiële kapitaal niet alleen belangrijk was op al de manieren die economische historici hebben becommentarieerd, maar ook als basis van een door en door liberale politiek, een letterlijk wereldbeeld. Walter Bagehot, de beroemde bankier-redacteur, maakte gewag van de “onmetelijke sommen geld” die London in de jaren 1870 naar het buitenland overmaakte: “Geen enkele beginnende of niet langer groeiende beschaving had ooit over die mogelijkheid beschikt. Wat zal het effect zijn op zulke beschavingen nu? Geen mens die het kan zeggen.” Bagehot zorgde ervoor dat The Economist de nieuwe politiek-economische realiteit ging analyseren en het beleid voorschreef dat het best die realiteit in stand kon houden en uitdiepen in eigen land en in het buitenland.

Om het vertrouwen van investeerders op te wekken was de redactie van The Economist voor strenge leiders en beperkt stemrecht.

Vandaag de dag is die kijk op de wereld zo gewoon geworden dat we hem vanzelfsprekend vinden: de politiek speelt zich af binnen de grenzen die de mobiliteit van het kapitaal heeft getrokken. Als Argentinië moeite heeft om obligatiehouders te betalen, als de Federal Reserve in de VS de intrestvoeten optrekt of als een ‘populistische’ coalitie in het zadel wordt gehesen in Italië, roept dat bijna automatisch vragen op. Welke hervormingen zal Buenos Aires doorvoeren? Als kapitaal wegstroomt uit de opkomende markten, welke gevolgen zal dat hebben voor hun groei en stabiliteit? Zijn de Italiaanse begrotingen compatibel met de stijgende spreads van Italiaanse obligaties? De antwoorden hierop zijn politiek en werden voor het eerst zo geformuleerd in The Economist.

De oprichting zelf van The Economist is ook nauw verbonden met het moderne laissez faire.

Het is zeker geen overdrijving als ik zeg dat The Economist het meest theoretisch gesofisticeerde —en volhardende —voorbeeld is van de vroege laissez-faire gedachte. Ik probeer te reconstrueren hoe dit gedachtegoed en ook de schrijvers die deze gedachte omarmden en dit in de bladzijden van The Economist vertaalden, eruitzagen door ze te contextualiseren. Dit is belangrijk, want vaak wordt dit element in de geschiedenis van het liberalisme onderbelicht of veronachtzaamd. Waarom dat zo is, is niet zo moeilijk. Hier komen de schurken tevoorschijn die in de voetnoten van Het Kapitaal schuilen. Ik probeer hen aan het woord te laten, zonder de lezer te waarschuwen dat hij geschokt moet zijn.

Het pleidooi van The Economist voor vrijhandel is zonder meer apocalyptisch. Wilson argumenteerde dat absolute vrijhandel zou leiden tot het einde van de handelscyclus zelf: in eigen land kon het enkel “onwetendheid, verdorvenheid, immoraliteit en ongodsdienstigheid” genezen en komaf maken met “ontbering, pauperisme en honger” ; in het buitenland zou het “meer doen dan eender welke zichtbare actor om de beschaving uit te breiden…, ja, om de slavernij zelf uit te roeien.”.

Met zulke taal nam The Economist stelling tegen bijna elke ‘bemoeienis’ in de marktactiviteiten als waren het godslasterlijke overtredingen. Hoewel het tijdschrift de protectionisten in het parlement, die de Corn Laws of Navigation Acts genegen waren, aanviel, ontmaskerde het met nog meer passie een andere groep: politici en schrijvers die, vanuit een houding van welwillendheid, liefdadigheid of filantropie —volgens The Economist allemaal scheldwoorden —probeerden het lijden van de onderste lagen te verzachten. Goede daden hadden onvoorziene gevolgen en die waren bijna altijd kwaadaardig. Dat was zowel het geval voor de staat —die bij de verkorting van de arbeidsdag een taak op zich nam ‘die beter paste bij God dan bij de mens’ —als voor privépersonen en groepen.

Zodoende verzette The Economist zich tegen zo goed als elk stukje hervorming van de wetgeving —de Railway Act, de Factory Bill, de Ten Hours Bill, de Board of Health (“er is een nog groter kwaad dan tyfus of cholera of onzuiver water en dat is domheid”). Het blad veroordeelde niet alleen de eis voor openbaar onderwijs maar ook de liefdadigheidsscholen; het bekritiseerde niet alleen de officiële pogingen om een embargo in te stellen tegen door slaven geproduceerde goederen, maar ook de abolitionisten zelf (die ‘echt grote filantropen’); en het fulmineerde tegen wat we nu zouden beschouwen als elementaire regulering voor bedrijven, banken, patenten en auteursrechten. Wilsons opinieblad speelde een sleutelrol in de totstandkoming van de officiële reactie op de Ierse hongersnood, met voorspelbare vernietigende gevolgen.

Lenin argumenteerde dat je met een blad ook het wereldbeeld van de werkende klasse kon verenigen en ze kon organiseren. Is The Economist dan niet de Pravda van de Anglo-Amerikaanse heersende klasse? De perfecte belichaming van de dominante vorm van het liberalisme?

Het kan geen toeval zijn dat zoveel marxisten The Economist hebben gelezen en vaak ook voor het blad hebben geschreven. En soms is het alsof je Marx leest in een spiegelpaleis: wat Bagehot prees als de genialiteit van het Engelse politieke systeem —dat een kabinet, dat veel weg heeft van een ‘raad van bestuur’, de natie regeerde vanachter een scherm van koninklijke pracht en praal —verschilt niet zoveel van Marx’ typering van een parlementaire regering als het uitvoerend comité van de bourgeoisie. Natuurlijk zijn de beoordelingen omgekeerd.

Marx zelf bestudeerde The Economist zorgvuldig —zowel voor informatie over de peripetie van het wereldkapitaal als om het wereldbeeld van de managers ervan te begrijpen. Marx noemde het de tribune van de “financiersaristocratie” —een machtige fractie van de regerende klasse —en hij gebruikte het in zijn Achttiende Brumaire om aan te tonen hoe onliberaal de liberalen reageerden op de dreiging van volksdemocratie door bij de eerste tekenen van een staatsgreep de prijs van overheidsfondsen op te trekken om de Franse Nationale Assemblée neer te slaan. Ook Lenin las The Economist, en hij noemde het een blad dat —simpelweg — “spreekt voor de Britse miljonairs”.

Marx zelf bestudeerde The Economist zorgvuldig —zowel voor informatie over de peripetie van het wereldkapitaal als om het wereldbeeld van de managers ervan te begrijpen.

Er zijn zeker parallellen met Pravda, maar er zijn ook verschillen. The Economist moest (in het algemeen) nogal recht voor de raap zijn met zijn rijke kliek lezers. De Poolse marxist Daniel Singer —de atypische correspondent van The Economist in Parijs in 1968 —zei ooit dat je, vóór de verspreiding van het blad explodeerde in de jaren 1980, The Economist kon lezen om ‘de bourgeoisie tot zichzelf te horen spreken, wat ze ook vrij openhartig deed”. Naar mijn mening wijst dat voor een deel op het verschil tussen de taak van het organiseren van een wereldbeeld van een klasse aan de macht, en een klasse wiens bestaan nog een coherente politieke uitdrukking moet vinden; tussen een blad dat wil mobiliseren om het kapitalisme omver te gooien en een die het vlotjes wil besturen. Zouden socialisten ooit een tijdschrift als The Economist kunnen uitgeven? Zou het een teken van sterkte zijn als ze dat zouden kunnen?

Een belangrijk deel van uw betoog gaat over de relatie tussen het liberalisme en de oorlog. De associatie van vrijhandel met vrede is een wijdverbreid verhaal, de Europese Unie heeft het zelfs tot haar credo gemaakt. Maar u vertelt een ander verhaal, een waarin liberalen de vrije markt promoten met het geweer.

Dat is een van de belangrijkste ontdekkingen van het boek. Niet dat liberaal imperialisme bestond, want dat is welbekend, althans bij kritisch ingestelde academici. Wat ik naar boven breng is wanneer, waar en hoe het imperialisme zo centraal kwam te staan in die dominante strekking van het liberalisme: een sleutelmoment —een keerpunt —daarin was een epische ruzie tussen James Wilson, de oprichter van The Economist, en twee van zijn liberale wapenbroeders, naar aanleiding van de Krimoorlog.

Richard Cobden en John Bright zijn de twee bekendste namen van de strijd voor vrijhandel in Groot-Brittannië. Het waren textielfabrikanten en leiders van de Anti-Corn Law League. Cobdens motto (en dat van de Liga) was “Vrijhandel, vrede en goede wil tussen de landen” en in zijn eigen geschriften legde hij evenzeer de nadruk op de welvaart die door unilaterale vrijhandel zou worden gegenereerd als op de tendens om de oorlog uit te roeien. (De leuze prijkt op de Free Trade Hall in Manchester en de Amerikaanse president Woodrow Wilson was er erg mee in zijn schik toen hij daar in 1919 op weg naar Parijs een toespraak hield; vandaag is het gebouw een Radissonhotel.) Cobden en Bright droegen op hun manier bij aan de oprichting van The Economist: in 1843 bestelden ze twintigduizend kopieën van het opinieblad, die door de Liga zouden verspreid worden.

Wilson werkte nauw samen met Cobden en Bright en in het begin koppelde hij even ijverig vrijhandel en vrede aan elkaar: in een vroeg artikel bepleitte hij de vervanging van het volledige diplomatieke corps door koude, berekende kooplui. In 1854 echter brak The Economist met die lijn: het idee dat laissez-faire stond voor niet-inmenging zowel in eigen land als in het buitenland, ging in rook op. Wat stak het vuur aan de lont aan? Een reeks imperialistische conflicten in de jaren 1850, te beginnen met de Krimoorlog, dan de Tweede Opiumoorlog in China tot en met de onderdrukking van de Indiase opstand.

Wilson was in de regering gestapt en zat in het parlement op de eerste rij bij de minister van Financiën. Achter de schermen was hij bezig met het organiseren van oorlogsleningen en -belastingen. The Economist rechtvaardigde niet alleen de oorlogen, maar trok ook van leer tegen kerels als Cobden en Bright die zich in het parlement en in de media openlijk tegen de oorlog verzetten. Ze werden weggezet als “werktuigen van de tsaar” en “vijanden van de vrije instellingen”. De krant keerde zich tegen het idee dat vrijhandel op zich tot vrede zou leiden. Het heette nu een “afschuwelijke en oppervlakkige doctrine” die Rusland toeliet keet te schoppen, er was sprake van “barbaarse heersers die hun onderdanen onderdrukten” en “hun zwakkere buren treiterden en verdeelden”. Om een wereld van vrijhandel, handelsbetrekkingen en liberale politieke waarden te creëren mocht —en moest —geweld gebruikt worden. “We betreuren misschien de oorlog”, zo mijmerde het blad terwijl Britse schepen Kanton bestookten, “maar we kunnen niet ontkennen dat hij later grote voordelen heeft opgeleverd.”

Cobden beschouwde die rechtvaardiging van de oorlogen op basis van vrijhandel als hypocriete nonsens: “woorden zonder enige betekenis, niet meer dan echo’s uit het verleden”. Het was ook een verraad. Toen hem gevraagd werd of hij in 1855 een nummer van het opinieblad had gezien dat aandrong op uitbreiding van de oorlog tegen Rusland, antwoordde hij: “Ik lees nooit The Economist, hoewel ik het op mijn geweten heb dat ik enkel geïnteresseerd was in de opstart ervan.” Nu het blad lezen was “een opdracht waartoe ik nog geen hond zou veroordelen.” Cobden ging zelfs zover dat hij in veeleer vage termen sprak over “de grote kapitalistenklasse” die hij had helpen organiseren en vroeg zich af of haar welvaart en oorlogszucht wel compatibel waren met een “democratische politieke beweging”.

Kortom: het radicale liberalisme hield de fakkel van een pacifisme à la Cobden brandend. Maar vanaf de jaren 1850 bleef het een inconsequente minderheidspositie, die heel wat minder prominent en invloedrijk was dan de lijn die The Economist —op een paar uitzonderlijke momenten na —altijd heeft gevolgd.

Er was een uitzondering onder Francis Hirst, die het imperialisme beschouwde als een bedreiging voor het liberalisme en niet aarzelde om J.A. Hobson en Bertrand Russell aan het woord te laten in hun pacifistische tribunes.

Francis Hirst is de fascinerendste uitzondering op de historische regel: een uitbarsting van Cobdenisme in een opinieblad dat zich meer dan eender welk ander had ingespannen om die ideeën uit de liberale mainstream te verbannen. In juli en augustus 1914 bepleitte Hirst Britse neutraliteit, oefende druk uit op zijn vrienden in de regering en werd lid van neutraliteitscomités. Maar door de enorme structurele en ideologische oorlogsdrang haalde het allemaal niet veel uit.

Nog opmerkelijker was dat Hirst, zodra het conflict was ontbrand, aandrong op een onderhandelde vrede en weigerde zich achter de oorlog te scharen zoals veel van zijn liberale vrienden deden. Voor hem was de oorlog niet alleen de doodsteek voor het liberalisme, een “moord” die het werk was van een liberale regering die had gezworen het liberalisme in stand te houden maar toch overging tot de invoering van tarieven en belastingen en zelfs van censuur en verplichte legerdienst. Hij wees ook op het gevaar dat de oorlog inhield in eigen land, voor de dominante positie van de City en de “delicate architectuur” van het wereldkapitaal. “Voor het jaar uit is, zal er gras groeien in Lombard Street”, zei Hirst wanhopig tegen een beginnend redacteur (Lombard Street is de straat waar de meeste grote banken gevestigd zijn). De raad van bestuur van The Economist voelde al snel nattigheid en Hirst werd in 1916 ontslagen.

Maar hoe uitzonderlijk die man in dat opzicht ook mag geweest zijn, hij ontsnapte evenmin aan de tegenstellingen in het hart van het dominante liberalisme. De Eerste Wereldoorlog bracht twee daarvan op het voorplan. Ten eerste was Hirst een voorstander van het Nieuwe Liberalisme, dat de staat een actievere rol toekende in de economie, met name op het vlak van onderwijs, sociale verzekering enzovoort. Maar Hirst waarschuwde telkens dat “sociale hervormingen” nieuwe belastingen zouden vergen. De liberalen moesten het imperialisme temperen, tot een overeenkomst komen met Duitsland en besparen op de wapenuitgaven. Maar de realiteit van het Nieuwe Liberalisme aan de macht was volslagen anders: als de liberalen al een of andere progressieve doelstelling hadden waargemaakt vóór 1914 was dat te danken aan hun instemming om de wapenwedloop met Duitsland op te drijven in plaats van af te remmen.

Ten tweede beweerde Hirst dat de financiële wereld in de aanloop naar 1914 een kracht voor vrede was: hoe meer de wereld onderling financieel afhankelijk was, des te kleiner werd de kans op oorlog. Buitenlandse investeringen waren “gijzelaars in ruil voor vrede”, een idee dat niet alleen leefde bij Hirst maar ook bij Hobson, Norman Angell en andere liberalen. De Eerste Wereldoorlog maakte komaf met die stelling, maar er was overvloedig bewijs om ze lang voor de oorlog uitbrak te betwisten in The Economist: van Oost-Azië —waar Japan, de allerbeste klant van de City sinds de eeuwwisseling, 84 miljoen pond had geleend om een rijk op te bouwen —tot de Marokkaanse crises dichter bij Europa. Wat als kapitaalstromen bommen zijn met een lange afteltijd in plaats van voelsprieten voor vrede?

Eigenlijk was The Economist een zeer betrouwbare steun voor de imperialistische oorlogen en vandaag de dag ook voor belangrijke militaire organisaties, zoals de NAVO. En die wordt door bijna niemand in vraag gesteld, ook niet door linkse liberalen.

The Economist heeft het Atlantische bondgenootschap altijd verdedigd —het offensieve karakter ervan nog meer dan het defensieve —en ook de sleutelrol van het Verenigd Koninkrijk erin. Veel journalisten hebben een deel van hun opleiding of hun vroege loopbaan in haar instellingen doorgebracht —dankzij de Commonwealth (nu Harkness) en andere studiebeurzen, waardoor ze aan Amerikaanse elite-universiteiten konden studeren of ervaring konden opdoen bij bedrijven op Wall Street enzovoort.

Dat is een van de redenen waarom de recente voorpagina met Emmanuel Macron zo memorabel is: een foto van de Franse president die vanop zijn zitbank, tegen een vergulde achtergrond, beweert dat de NAVO “hersendood” is en Europa zich “aan de rand van een afgrond” bevindt. Stel je voor! In The Economist! Tenzij Europa “wakker wordt”, waarschuwt Macron, “zullen we niet langer ons lot in handen hebben”. Maar als je het blad openslaat, klinkt het helemaal anders: een ware lofzang op het Amerikaanse leiderschap in Europa met de overwinning in twee wereldoorlogen, de EU, Rusland in een houdgreep tijdens de Koude Oorlog, de Duitse eenmaking. Maar vandaag zo jammerlijk afwezig: zowel Obama als Trump verwaarloosden hun plicht in Syrië. Reculer pour mieux sauter?

Nog een belangrijk onderwerp in uw boek is hoe het liberalisme antwoordt op de opgang van de democratie. Waarom komt de The Economist nu met waardevolle historische lessen over de relatie van het liberalisme met de democratie? Hoe komt het dat we ‘het liberalisme’ en ‘de democratie’ zijn beginnen zien als een ideaal paar en niet als een tegenstelling, en welke rol heeft The Economist daarin gespeeld?

Ik ben niet de eerste die erop wijst dat liberalisme en democratie twee verschillende begrippen zijn en dat de koppeling van de twee aan elkaar recent en problematisch is. Duncan Bell heeft aangetoond dat de categorie “liberale democratie” en haar klim naar de authentiekste (of meest kenmerkende) ideologie in het Westen, serieus begon in de jaren 1930, en zodoende de Euro-Atlantische staten een machtig werktuig voor zelfrechtvaardiging verschafte in hun geopolitieke en ideologische confrontatie met “totalitaire bedreigingen” van links of rechts. De Koude Oorlog wakkerde die dynamiek nog verder aan: uitgezonderd in de communistische landen (die eveneens het democratische, maar niet het liberale etiket opeisten) schoot het idee wortel in de vakgebieden van de politieke wetenschap en in de geschiedenis in westerse beschavingscursussen (met welkome subsidies van het door de CIA geruggensteunde Congress for Cultural Freedom).

The Economist heeft de NAVO altijd verdedigd, en ook de sleutelrol van het Verenigd Koninkrijk erin.

In die zin kan het liberalisme dan mogelijk een uitgevonden traditie zijn. Maar het idee dat het een kern van basisdemocratie heeft of dat het intern neigt naar de verwezenlijking van de democratie, blijft voortbestaan. Voor de liberalen in mijn boek is de democratie een probleem. Een probleem dat in de negentiende eeuw moest bekampt worden door de beperking van het stemrecht op basis van eigendom, opleiding en regio; dat in de twintigste eeuw, toen de druk van de werkende klasse en de vereisten van totale oorlog te machtig werden om te weerstaan, moest bestuurd en ingedamd worden. Als er door de huidige crisis nieuwe democratische tegenbewegingen opstaan —en dat is lang niet zeker gezien de zwakke structurele positie van de wereld van de arbeid in de huidige context van hoge werkloosheid en lockdowns —zullen de liberalen aan gelijksoortige dilemma’s het hoofd moeten bieden. Liberale historici hebben hun eigen teleologieën. In plaats van een geleidelijke —nog altijd minder onvermijdelijke —vooruitgang naar democratie, zouden we moeten spreken over een geschiedenis van spanning, verzet, tijdelijke oplossingen en breuken.

De intellectuele geschiedenis van het neoliberalisme werd in recente jaren almaar belangrijker. Hoe beoordeelt een blad als The Economist die verschuiving van het liberalisme naar het neoliberalisme?

Hierover kan heel wat gezegd worden. Ten eerste over de geschiedenis. Een van de dingen die me opvielen in Quinn Slobodians boek, The Globalists, is dat de bezorgdheden van zijn neoliberalen van “de school van Genève” — hoe bouw je de wereldeconomie op na de val van een grootmacht, hoe scherm je ze af van politieke eisen op het niveau van de natie —in dezelfde lijn liggen als de bezorgdheden van de vroege liberalen. We hebben nu een meer gesofisticeerd begrip van het neoliberalisme dan toen het nog werd afgeschilderd als vijandig ten opzichte van de staat, welvaart, het gezin, de mensenrechten. Jessica Whyte, Ben Jackson, Keith Tribe, Melinda Cooper en veel anderen hebben deze thema’s uitvoerig en uitstekend besproken. Maar over de relatie tussen het liberalisme en het neoliberalisme ligt nog veel werk in het verschiet. Mises, Hayek en deelnemers aan het Walter Lippmann Colloquium verwierpen allemaal de “misvattingen van laissez-faire” maar construeerden zodoende een zeker intellectueel beeld ervan dat hun doelen diende. Zij vochten in de jaren dertig niet alleen tegen de socialistische plannenmakers maar tegen andere liberalen —zoals Keynes —en derhalve streden ze voor de controle van het liberalisme als een intellectuele traditie.

Ten tweede was The Economist tegen de late jaren tachtig de grote verdediger van de neoliberale globalisering en het zal zichzelf dan ook de “handleiding” voor de neoliberale globalisering noemen. In feite omarmde het opinieblad het neoliberalisme laat, tenminste in zijn monetaristische vorm. Ik heb het in mijn boek over de redactionele gevechten die daarrond uitbraken, in uitwisselingen met Milton Friedman, die The Economist aanviel omdat het blad een inkomensbeleid steunde, en tussen hoofdredacteuren over het al dan niet steunen van Thatcher en Reagan. Een beetje alsof je gaat piepen achter het gordijn van de Great Moving Right Show van Stuart Hall —om de gevechten binnen de gevechten voor de opbouw van een nieuwe hegemonie in antwoord op de crises van de jaren zeventig bloot te leggen. The Economist bemoeilijkt beide einden van dit verhaal: zowel de opkomst van een zogenoemde Keynesiaanse consensus na 1945 als het verval ervan en de overgang naar het Thatcherisme in het begin van de jaren tachtig.

Hoe heeft The Economist in dit verband precies gereageerd op het ‘populistische’ decennium? Die evolutie stelt toch in veel opzichten de ideeën in vraag die het opinieblad tientallen jaren heeft gepromoot: globalisering, ongelijkheid, financialisering… Kunnen we uit het blad iets leren over de hulpeloosheid van het liberalisme tegenover die populistische succesverhalen? Over zijn onvermogen om meer te bieden dan een oppervlakkige analyse van Trump of de Brexit?

Het liberalisme is er misschien niet in geslaagd om wat het zelf bestempelt als populisme te voorspellen en verklaren, wat ook blijkt uit de banale verslaggeving over de Brexit en Trump en die van andere bladen, zoals de New York Times met zijn gebrekkige electorale meter die de overwinning van Clinton voorspelde, of The Guardian en zijn bizarre populistische persoonlijkheidstesten. De media hebben de term gedeeltelijk overgenomen juist omdat hij zo onnauwkeurig is: zoals Marco D’Eramo en Wolfgang Streeck hebben gezegd, kunnen ze daardoor verschillen uit de weg gaan en een eng centrum (noch links noch rechts) verdedigen waarop een uitgeteerde vorm van politiek mag blijven voortleven. Erg van elkaar verschillende soorten bewegingen die deze status quo verwerpen, kunnen dan weggezet worden als allemaal even simplistisch, misleidend of gevaarlijk.

Liberalisme en democratie zijn twee verschillende begrippen en de koppeling van de twee aan elkaar is recent en problematisch.

Het liberale centrum heeft echter bewezen dat het beter in staat is die bedreigingen te beteugelen, gedeeltelijk dankzij de macht van de instellingen die de liberalen zelf hebben ontworpen, gaande van centrale banken en mediagiganten tot partijorganen en internationale organisaties. In het Verenigd Koninkrijk werd het Corbynisme ontwapend en verslagen met valse beschuldigingen van antisemitisme en moest het de weg ruimen voor een oppositie die niet langer de wind in de zeilen had; in de VS werd Sanders wandelen gestuurd ten voordele van een onbenul van de kredietkaartenlobby en de veiligheidsstaat, die desondanks misschien kan winnen op voorwaarde dat hij niet uit zijn kot komt; in Italië werd Salvini opzijgezet. Dit betekent niet dat de liberalen een antwoord gevonden hebben of dat ze alleen maar een veel ergere crisis hebben uitgesteld —weliswaar tegen minder gunstige voorwaarden voor links en misschien ook wel voor zichzelf…

Het is niet zo dat liberale publicaties niet willen toegeven dat er verandering moet komen. Als Mark Carney, de gouverneur van de Bank of England, het in The Economist, heeft over de economische toekomst van onze kleinkinderen, klinkt hij net als Keynes: de noodzaak van nieuwe “maatschappelijke waarden” ter vervanging van de waarden die prijzen en markten voorschotelen; meer en betere sociale ondersteuning en gezondheidszorg; een gedurfde aanpak van de klimaatverandering. En toch. De liberale instellingen hebben niet de noodzaak gevoeld om toe te geven aan de sociale krachten die voor die veranderingen opkomen en ze blijven de bewegingen, partijen en vertegenwoordigers die hebben geprobeerd die eisen in politieke programma’s te gieten, beschadigen. De ideeënstrijd winnen zal niet volstaan.

Alexander Zevin, Liberalism at Large: The World According to the Economist (Verso, 2019).