Artikel

De Vlaamse bourgeoisie

Matthias Lievens

— 29 september 2020

— PDF-versie

De ‘Belgische’ bourgeoisie verbrokkelt en de ‘Vlaamse’ komt op. Dat is de grote tendens, maar met de termen ‘Belgisch’ en ‘Vlaams’ moet voorzichtig worden omgesprongen.

Een staatshervorming hoeft niet, zolang er maar een economisch “herstelbeleid” wordt gevoerd: dat was in 2014 de boodschap van Voka-voorzitter Michel Delbaere aan de onderhandelaars tijdens de federale regeringsvorming. “Alle communautaire eisen werden uit hun memorandum geweerd”, stelde Charles Michel later. “Dat heeft een ongelooflijke invloed gehad: Voka heeft alle Vlaamse partijen die kant op geduwd.”1 “Voka fungeerde als glijmiddel voor de Zweedse coalitie”, concludeerde Trends-redacteur Alain Mouton.2 Vijf jaar later verloor de N-VA een pak stemmen. Met een sociaaleconomisch rechts beleid win je geen verkiezingen, en zelfs het opbod rond migratie kon dat niet compenseren.

  1. De Vlaamse bourgeoisie: een tweeluik

    In 1970 vond de eerste grote staatshervorming plaats onder leiding van CVP-premier Gaston Eyskens. 50 jaar later is de elite van dit land grondig veranderd: de N-VA zet de toon, en stelt zich op als spreekbuis van een steeds assertiever wordende ondernemersklasse vertegenwoordigd door Voka. De transformatie van de kapitalistische klassen is tegelijk een motor en een product van dat proces. Greep krijgen op die structurele verschuiving in de kapitalistische klasse is essentieel om iets van de huidige politieke toestand te begrijpen. Dit artikel zet een aantal zaken op een rijtje in een tweeluik. Een eerste deel is vooral historisch van aard. Het tweede luik, dat in het volgend nummer van Lava zal verschijnen, analyseert de internationale inbedding van de Vlaamse bourgeoisie en haar interne contradicties, die de Vlaamse politiek, en in het bijzonder N-VA, parten spelen.

Die cyclus van gebeurtenissen roept fundamentele vragen op: over de macht van Voka, de obstakels waarop een agressief neoliberalisme botst, en de complexe relatie tussen de Vlaamse burgerij en het nationalisme van de N-VA. Op een vraag van Franstalige media naar de economische agenda van de N-VA gaf Bart De Wever in 2011 het intussen legendarische antwoord: “Voka is mijn baas”. Historisch werd de stem van de Vlaamse werkgevers vooral door de CVP vertolkt, en in mindere mate door de liberale partij, die vooral ook onder kleine zelfstandigen een basis had. De CVP moest het werkgeversbelang echter in balans brengen met dat van de andere ‘standen’. Sinds de doorbraak van de N-VA heeft het Vlaamse patronaat haar eigen politieke vertegenwoordiging.

De elites in dit land zijn de afgelopen decennia grondig veranderd. De transformaties van de kapitalistische klasse(n) zijn een motor van dat proces: de verzwakking van de historische, Franstalige, vooral in Brussel gecentreerde ‘Belgische’ bourgeoisie, en de doorgroei van een assertieve ‘Vlaamse’ bourgeoisie. Dat is de grote tendens, maar met de termen ‘Belgisch’ en ‘Vlaams’ moet voorzichtig worden omgesprongen.

De opdeling in klassen manifesteert zich nooit “in zuivere vorm”, stelde Marx al in zijn onafgewerkt hoofdstuk over klassen in Het Kapitaal.3 Dat speelt ook als we fracties van de kapitalistische klasse willen onderscheiden. Behoort de familie De Spoelberch, die nabij Haacht woont en een vermogen bezit van een kleine 13 miljard euro dankzij haar aandeel in AB Inbev, tot de Vlaamse bourgeoisie omdat ze in Vlaanderen woont en er haar bedrijvigheid heeft? Of is ze omwille van haar diepe historische wortels en adellijke achtergrond een typische exponent van een oudere, Belgische bourgeoisie? Dat is een relevante discussie, maar het kan ook een valstrik zijn. Als we de klassenstructuur analyseren om grip te krijgen op maatschappelijke en politieke veranderingen, gaat het er vooral om de grote structuren en tendensen weer te geven.

Vanaf de jaren ’50 en ’60 ontstaat een laag van Vlaamse dienstenbedrijven, vaak sterk georiënteerd op Amerikaanse multinationals.

De Vlaamse en Belgische bourgeoisie maken uiteraard deel uit van één internationaal vertakte klasse. Dergelijke klassenfracties hebben veel meer met mekaar gemeen dan dat er onderlinge verschillen zijn.4 Toch is het belangrijk om te zien hoe het zwaartepunt binnen de bourgeoisie verschuift —van industrieel naar financieel kapitaal, van de Belgische naar de Vlaamse bourgeoisie —en hoe dit proces zich verhoudt tot de groeiende rol van multinationaal kapitaal. Dat maakt de analyse van het ‘machtsblok’ van de burgerij, zoals Poulantzas dat noemt, erg complex: die analyse moet rekening houden met het feit dat dit machtsblok sterk regionaal gedifferentieerd en tegelijk geïnternationaliseerd is.5 Dit artikel is slechts een bescheiden poging om greep te krijgen op die grote verschuivingen in de klassenstructuur in dit land, en legt daarbij vooral de focus op de opkomende bourgeoisie in Vlaanderen.

Periodisering: vier fasen van klassenvorming

Het kapitalisme is voortdurend in verandering, en het proces van klassenvorming ook. In twee eeuwen kapitalistische geschiedenis kunnen we schematisch vier grote periodes onderscheiden, elk met zijn typerende configuratie van de bezittende klassen. Die achtergrond is essentieel om de huidige klassenconfiguratie te begrijpen.

In de periode van het 19e eeuwse ‘liberale’ kapitalisme was België een uitgesproken burgerlijke, elitaire klassensamenleving. Slechts een goeie 40.000 bezitters hadden stemrecht. De ruggengraat van de volledig Franstalige heersende klasse bestond uit een (vaak eerder katholieke) grondadel die gaandeweg opging in de burgerij, en een liberaal gezinde commerciële en industriële bourgeoisie, in een soms gespannen samenspel. Het was de tijd van heroïsche ondernemers die nieuwe industriële procedés ontwikkelden, grote, exportgerichte industrieën opzetten zoals spoorwegbouw, staal, glas, of soda, en grote kapitalen vergaarden dankzij laagbetaalde arbeid. Marx noemde België in die tijd “het knusse, goed omheinde, kleine paradijs van de grondbezitter, de kapitalist en de priester”.6

Tegen het begin van de 20e eeuw verschuift de structuur van de heersende klasse. Het Belgische kapitalisme kent in de periode voor de eerste wereldoorlog een hoogtepunt. België is dan de vijfde handelsmacht ter wereld.7 Gemeten naar industriële output per inwoner staat het land in 1913 op de derde plaats in de ranglijst van de meest geïndustrialiseerde landen, na de VS en het VK.8 België houdt de wereld een spiegel voor, ook op het vlak van de klassenstructuur. Het is de periode van de consolidatie van grote holdings en kartels. België is één van de mooiste voorbeelden van het monopoliekapitalisme zoals dat werd geanalyseerd door Rudolf Hilferding en andere marxisten, en dat is gebaseerd op een diepe integratie van industrieel en financieel kapitaal.9 Dit ‘financiekapitaal’ is ook sterk verstrengeld met de staat, zowel structureel als via persoonlijke banden met het koningshuis, politici en topambtenaren. De holdingbourgeoisie komt actief tussen in het proces van regeringsvorming. De monarchie heeft een vaste waarnemer in de Société Générale, de grootste en bekendste holding.

De bourgeoisie bestaat in die periode uit een kleine toplaag die via zakenbanken en holdings de controle heeft over grote kapitaalsconcentraties en omvangrijke industriële apparaten. Solvay is aan de vooravond van de eerste wereldoorlog bijvoorbeeld de grootste chemiegroep ter wereld.10 Kapitaal wordt geëxporteerd om nieuwe markten te veroveren, onder andere in Kongo, maar ook in Rusland, waar Belgisch kapitaal rond 1900 een grotere rol speelt dan dat uit Frankrijk, Engeland en Duitsland.11 De holdingbourgeoisie is gecentreerd rond Brussel, controleert grote industriële investeringen in Wallonië, en is een gangmaker van de verfransing van het publieke leven.

De Eerste Wereldoorlog is een zware klap voor het Belgische kapitalisme en zijn bourgeoisie, die nooit nog dezelfde internationale rol zouden spelen.12 Maar de typische klassenstructuur blijft wel nog decennia overeind. Tot een stuk in de 20ste eeuw blijft de ruggengraat van de Belgische bourgeoisie bestaan uit een reeks van “ongeveer 200 gekruiste familiepatrimonia” met ronkende namen als de Société Générale, de Launoit, Solvay-Janssen, Boël, Empain, Evence Copée en Lambert.13 Vanaf het interbellum begint Vlaanderen echter ook te industrialiseren, vooral rond de Antwerpse haven, en ontstaat er een economische Vlaamse beweging, gebaseerd op de idee dat de ontvoogding van Vlaanderen moet verlopen via economische ontwikkeling, en dus via de vorming van een Vlaamse economische elite.14 In 1926 wordt het VEV, de voorloper van Voka, opgericht door de Vlaamsgezinde Lieven Gevaert, oprichter van het gelijknamige bedrijf dat bekend werd door de productie van fotopapier.

Als we de stap maken naar een derde periode, het zogenaamde fordisme van na de Tweede Wereldoorlog, begint het plaatje grondig te verschuiven. De grote holdings krijgen het moeilijk: ze zijn weinig innovatief, houden vast aan de zware industrie, en willen vooral hun financiële inkomstenstromen veiligstellen, onder andere door de lonen te drukken. Vanaf de jaren ’50 en ’60 vestigen tal van vooral Amerikaanse multinationals zich in Vlaanderen. De zich langzaam ontwikkelende Vlaamse bourgeoisie kan zich in het zog hiervan versterken. Er ontstaat ook een laag van Vlaamse dienstenbedrijven, vaak sterk georiënteerd op die Amerikaanse multinationals. In de jaren 50 en ‘60 worden afdelingen opgericht van Esso, Shell, Texaco, Signal Oil, BASF, Bayer, vooral in de Antwerpse haven. In 1962 wordt Sidmar in Gent ingeplant. Ook de grote automobielbedrijven krijgen Belgische afdelingen, vooral in Vlaanderen. Onder leiding van Gaston Eyskens wordt een streekgebonden economisch beleid gevoerd dat de Vlaamse economische ontwikkeling bevordert. Het economische zwaartepunt van het land komt in het noorden te liggen. De Waalse staal- en steenkoolindustrie heeft zijn tijd gehad. De buitenlandse multinationals en de Vlaamse burgerij zijn meer gericht op economische modernisering en innovatie, en trekken de fordistische kaart van massaproductie en massaconsumptie.15

Tot een stuk in de 20e eeuw blijft de ruggengraat van de Belgische bourgeoisie bestaan uit een reeks van “ongeveer 200 gekruiste familiepatrimonia”.

De macht van de holdings blijft wel reëel: ondanks de klap van het verlies van Congo behoudt de Société Générale tot een stuk in de jaren ’60 en ’70 zowat de controle over een derde van de Belgische economie en weet de holding zich ook een plaats te veroveren op de wereldmarkt. Maar haar lange doodstrijd is begonnen. In de jaren 1950-1980 blijven enkele holdings de beurs beheersen, samen met enkele familiale bedrijven: Empain, Coppée, Bekaert, Solvay, de Launoit, Lambert.16 Bedrijven als Solvay en Interbrew groeien door, en behoren vandaag tot de grootste Belgische ondernemingen. Maar de macht van veel oude Belgische bedrijven begint in deze periode te tanen. De afloop is welbekend: in hun doodsstrijd brachten de holdings veel schade toe aan het Belgische kapitalisme. De overheid creëerde een gunstregime voor de holdings, van fiscale gunstmaatregelen tot uitzonderingen op allerlei regels rond bedrijfsbestuur. Maar die strategie heeft averechts gewerkt. De Waalse economie begint in de naoorlogse periode weg te zakken.

In een vierde periode, vanaf de crisis van de jaren ’70 en de opkomst van het neoliberalisme, wordt het plaatje ingewikkelder. De oude structuren van het Belgische kapitalisme desintegreren verder, de rol van het multinationaal kapitaal neemt sterk toe, terwijl er tegelijk ook bewegingen van delokalisatie en desindustrialisering plaatsvinden. De Vlaamse bourgeoisie kan gradueel verder doorgroeien. Financialisering en globalisering, Europeanisering en federalisering hebben allemaal een belangrijke impact op de herstructurering van de bezittende klassen.

Achter de desintegratie van de oude structuren van de ‘Belgische’ bourgeoisie en de doorgroei en consolidatie van een Vlaamse bourgeoisie, sterk ondersteund door het Vlaamse gewest, schuilt nog een ander proces: de transnationalisering van de burgerlijke klassen. De economische ruimte waarbinnen die actief zijn, doorkruist steeds meer de nationale grenzen. Dat maakt het beeld ingewikkeld. Etienne Davignon wordt vaak genoemd als “het symbool van het Belgische salonkapitalisme”,17 “een van de laatste vertegenwoordigers van la Belgique à papa”.18 Maar meer nog dan een spil van de oude Belgische bourgeoisie is hij vooral ook een typische gangmaker van dat transnationaliseringsproces. Buitenlands kapitaal kleedde de Belgische economie de afgelopen decennia uit via allerlei overnames, en de werkingsruimte van Belgische bedrijven werd in toenemende mate internationaal. Als voormalig eurocommissaris, lid van de European Round Table of Industrialists en van de stuurgroep van de Bilderberggroep verzinnebeeldt Davignon die verschuiving. Hij is diep geworteld in de oude structuren van het Belgische kapitalisme (inclusief de monarchie), maar tegelijk erg actief in een paradoxaal proces: het Belgische kapitalisme uitverkopen in naam van de redding ervan.

De configuratie van de bourgeoisieën wordt complex: de holdings verdwijnen, en in de plaats komt een dynamisch samenspel van buitenlandse multinationals, het Belgisch en Vlaams grootbedrijf, en een weefsel van KMO’s, alles doortrokken van een financialiseringslogica.

De neergang van de Belgische bourgeoisie

De vier grote fasen geven schematisch al de richting aan. In het begin van de 20e eeuw zat België in de “kop van het moderne, industriële peloton”,19 met een almachtige holdingbourgeoisie. De geschiedenis van de 20e eeuw is de geschiedenis van haar neergang. Denk maar aan het verlies van Congo, van de Société Générale, van Fortis, en ook van de unitaire Belgische staat. In 1982 schreef André Mommen die geschiedenis al in een boek met de veelzeggende titel De teloorgang van de Belgische bourgeoisie. Sindsdien is dit proces alleen maar verder gegaan. We kunnen het samenvatten in een drietal sleutelmomenten.

Een eerste symbool is de val van de Société Générale (SG). “De Generale Maatschappij kwam over als een bedrijf van Brusselse en francofone bourgeois. Wat trouwens klopte”, aldus Davignon in een interview.20 De grootste holding van het land had haar hoogtepunt rond de Tweede Wereldoorlog, toen ze 800 van de grootste bedrijven in België en Congo controleerde, goed voor ongeveer 40% van het Belgische industriële apparaat, maar kende een roemloos einde.21

Het verhaal van de zwanenzang van de SG is welbekend. In 1988 deed de Italiaanse financier Carlo De Benedetti een poging om er controle over te verwerven, tot grote consternatie van het Belgische establishment. Inderhaast werden pogingen ondernomen om de holding in Belgische handen te houden. Ook vanuit Vlaamse kapitalistische milieus kwamen er initiatieven, bijvoorbeeld door André Leysen. Hij was de voormalige voorzitter van het VBO, en wordt gezien als iemand die noch tot de typische Vlaamse ondernemersfamilies, noch tot de netwerken van de Belgische bourgeoisie behoorde.22 Maar er waren ook initiatieven vanuit de inderhaast opgezette bank Lessius, een (later mislukte) poging om een ‘Vlaamse’ bank te ontwikkelen die Vlaams kapitaal zou bundelen.23 Hoewel Leysen en de Lessius-coalitie flink verdienden aan de operatie, mislukten die Vlaamse plannen. Dat is betekenisvol: het is op dat moment een symptoom van de zwakte van de Vlaamse kapitalistische milieus, die in de SG sowieso altijd een ondergeschikte rol hadden gespeeld. Maar Franstalige zakenfamilies slaagden er evenmin in de SG in België te verankeren. Met de steun van onder andere Maurice Lippens kon het Franse Suez de holding uiteindelijk inlijven: dat was het begin van het einde ervan. Lippens was één van die figuren die zijn eigen klasse, de Belgische bourgeoisie, hielp uitkleden.

Over die mislukking schrijft Alain Mouton van Trends: “In de villa’s van de kapitaalkrachtige Vlamingen werd geen traan gelaten. De Vlaamse investeerders, die tien procent van de Generale in handen hadden, verkochten dit aandeel aan Suez. Zonder emotie.”24 Suez bleek uiteindelijk alleen geïnteresseerd in de Belgische energiesector (Electrabel). Al de rest werd verkocht. Bedrijven als Umicore of Recticel behoren tot de weinige die zijn blijven opereren los van de SG.

Voka wedijvert steeds meer met het VBO, in een poging de leiderspositie over te nemen in de verdediging van werkgeversbelangen.

Een tweede belangrijke kantelpunt was de aanloop naar de Europese muntunie in 1997-1999. In die periode vond in Europa een golf van fusies en overnames plaats, een schaalvergroting op maat van de monetaire eenmaking.25 Pogingen om een ‘grote Belgische bank’ te creëren door de bundeling van de BBL en de Generale Bank draaiden op niets uit. De dreiging dat het Nederlandse ING een te grote invloed zou verkrijgen op de nieuwe bank deed onder andere Albert Frère, aandeelhouder bij BBL, kiezen voor Suez.26

Een hele reeks grote bedrijven kwam in die periode in buitenlandse handen: BBL, Royale Belge, Petrofina, Cockerill-Sambre, Fabrique de Fer. De beurskapitalisatie in Brussel daalde met een vijfde. In 1998 kochten buitenlandse ondernemingen voor 880 miljard frank bedrijven op in België, terwijl Belgische bedrijven maar voor 68 miljard frank buitenlandse ondernemingen opkochten.27 Het ging dus grotendeels om eenrichtingsverkeer. Een belangrijke uitzondering was de fusie van CERA, ABB en Kredietbank tot KBC, dat zo in Belgische (en vooral Vlaamse) handen bleef.

De derde en laatste symbolische episode in de neergang van de Belgische bourgeoisie is de financiële crisis van 2008. In de nasleep van het debacle met de SG was een onderdeel ervan, de Generale Bank, na tussenkomsten van het koninklijk paleis, overgenomen door Fortis, onder leiding van Lippens. Fortis werd een grootbank, in België en Europa. Met de financiële crisis kreeg het ‘Belgische’ Fortis echter een klop. De bank werd opgezogen in het Franse BNP Paribas Fortis. Dat was opnieuw een dreun voor de Franstalige haute finance. Een van de laatste, indirecte overblijfsels van de Société Générale in Belgische handen was eraan.

Naast Fortis was ook Dexia in grote moeilijkheden geraakt. Om riskante internationale overnames te financieren, hadden beide banken in de periode voor de crisis samen meer geld geleend bij andere banken dan de omvang van de hele Belgische overheidsschuld.28 Dexia werd Belfius, een bank die noodgedwongen in handen van de overheid bleef. KBC daarentegen kwam veel beter uit de crisis. De bank moest ook even aan het overheidsinfuus, maar kon haar structuur en positionering min of meer handhaven. Dat is niet zonder belang voor ons verhaal: de KBC is een ruggengraat van het Vlaamse kapitalisme.29 De kernaandeelhouders zijn de coöperatie Cera, de holding van de Boerenbond MRBB en een reeks Vlaamse families die samen een aandeelhoudersovereenkomst hebben gesloten.

Wat blijft van de Belgische bourgeoisie over? In één van zijn boeken antwoordt Alain Mouton: “Een aantal kapitaalkrachtige individuele families rond de Solvay-Boël-Janssen-connectie. De families rond UCB, Solvay … Ook de families gelinkt aan AB Inbev (de Spoelberch, de Mévius …). De Delhaize-connectie. Lippens en Davignon zijn fin de carrière of hebben gewoon afgedaan.”30 In een beschouwing over Davignon in Trends beschrijft hij die laatste als “de laatste vertegenwoordiger van de ooit zo machtige Belgische haute finance, een elite die door de internationalisering van de economie, de uitverkoop van grote Belgische bedrijven en de financiële crisis van 20082009 niet meer bestaat.”31

Dat is wellicht al te sterk geformuleerd. Het heeft natuurlijk geen zin te beweren dat de Belgische bourgeoisie volledig ‘weg’ is. Eind 2015 deed de beursgenoteerde Belgische multinational Solvay, met historische wortels die teruggaan tot 1863, een kapitaalverhoging. De familie Solvay (in totaal goed voor 2500 familiale aandeelhouders die samen 31% van Solvay controleren) nam deel aan de kapitaalverhoging voor maar liefst 455 miljoen euro.32 Er zijn nauwelijks Vlaamse zakenfamilies die zulke bedragen kunnen ophoesten.

Maar dat er iets grondig is veranderd in de structuur van de bezittende klassen in ons land, is duidelijk. De befaamde ‘200 families’ van het Belgische kapitalisme zijn serieus uitgedund.33 Hun netwerken zijn uiteen gespeeld. Sommige grote namen zijn helemaal verdwenen: de familie Lambert, Empain, de familiale holding Coppée.34 De coherentie, het prestige en een stuk van de machtsbasis van de Belgische bourgeoisie zijn teloorgegaan.

Dat heeft een reële impact op de economische netwerken waarrond allerlei elites clusteren, van politici tot topambtenaren en intellectuelen. De overname door multinationaal kapitaal verplaatste beslissingscentra naar het buitenland, en reet bestaande elitenetwerken van bestuurders, aandeelhouders, zakenadvocaten en consultants uiteen.

Een symptoom van de verzwakking is de toenemende moeilijkheid die de ‘Belgische’ haute finance ondervindt om kapitaal te mobiliseren. Een van de laatste wapenfeiten van de Belgische kapitalistische netwerken was de oprichting van SN Brussels Airlines in 2001 na het failliet van Sabena, met Davignon en Lippens in een hoofdrol. “Geen enkele Vlaamse ondernemer heeft een gelijkaardig netwerk. Spijtig genoeg”, aldus Herman Daems (vandaag voorzitter van de Belgische afdeling van BNP Paribas Fortis) in 2009.35 Intussen is het luchtvaartbedrijf in handen van Lufthansa (en heeft het met de coronacrisis opnieuw een zware slag gekregen). Die evolutie is symptomatisch: via dergelijke overnames door buitenlandse groepen voltrekt zich een transformatie van de klassenstructuur. Intussen drukt een assertiever wordende Vlaamse bourgeoisie steeds harder haar stempel.

Algemene contouren

De ruggengraat van de Vlaamse bourgeoisie bestaat uit familiale, meestal kleine of middelgrote bedrijven. Maar ook grotere bedrijven blijven vaak in familiehanden. Dat kenmerkt het kapitalisme in België meer in het algemeen.36 In 2017 waren meer dan twee derde van de 36 Belgische ondernemingen met meer dan een miljard omzet familiebedrijven.37 De miljardenbedrijven die niet beursgenoteerd zijn, zijn bijna allemaal eigendom van één familie.

Daarnaast is er de opkomst van een laag van ‘nouveaux riches’. Marc Coucke is ooit gestart met de verkoop van zelfgemaakte zonnecrème en shampoo. Bart Verhaeghe is begonnen als consultant bij KPMG. Fernand Huts was eerst manager bij een staalbedrijf in Eeklo. Het zijn figuren die meer in de kijker lopen dan de traditionele Vlaamse zakenfamilies, en de Vlaamse bourgeoisie een grotere zichtbaarheid geven. Er is ook een opkomende laag van internationaal goed genetwerkte ondernemers in nieuwe sectoren, van biotechnologie tot ICT.

De opkomende Vlaamse bourgeoisie voelde zich uitgesloten uit het kader van de Brusselse holdingbourgeoisie.

Onder de typisch Vlaamse bedrijven zijn er de afgelopen decennia een aantal doorgegroeid tot kleine multinationals. Enkele ervan zijn wereldspelers, tenminste in heel specifieke sectoren. Denk aan Bekaert (staaldraad), Greenyard (diepvriesvoeding) of Jan De Nul en DEME (baggeraars). Verder speelt een reeks bedrijven op een internationaal speelveld: Sibelco (zand), Ontex (luiers), Barco (beeldschermen), Katoennatie (logistiek), TVH (heftrucks), Tessenderlo Chemie, Beaulieu (tapijt), DPG Media…38 Maar geen enkel van die bedrijven komt qua omzet nog maar in de buurt van de grote Nederlandse multinationals zoals Shell, Ahold (in 2016 gefusioneerd met Delhaize), Philips, ING of Unilever. Die halen een omzet die gemakkelijk een veelvoud, zelfs een tienvoud, is van de typisch Vlaamse ‘multinational’.

Grote Amerikaanse, Duitse of Franse multinationals hebben een poot in Vlaanderen, maar Vlaamse bedrijven spelen in het buitenland doorgaans in een lagere klasse. Sinds de neergang van de Belgische holdingbourgeoisie is dit natuurlijk een meer algemeen Belgisch fenomeen: het enige Belgische bedrijf in de Global 500-lijst van grootste ondernemingen ter wereld in 2019 is Anheuser-Busch Inbev, op plaats 192, en dat bedrijf is eigenlijk nog maar half Belgisch. Bedrijven die er een tiental jaar geleden wel nog in stonden, zoals KBC, Delhaize of Dexia, zijn uit de ranking weggezakt.

Internationaal gezien moet de economische macht van de Vlaamse bourgeoisie dus niet worden overschat. We komen daar nog op terug. Maar in de binnenlandse constellatie is ze wel een groeiende machtsfactor, die ook een heel apparaat rond zich heeft ontwikkeld. Met Voka beschikt ze over een stevig uitgebouwde belangen­organisatie. Dit is een uitgesproken klassenorganisatie die, anders dan de levensbeschouwelijk verdeelde vakbonden, de Vlaamse bourgeoisie in haar geheel tracht te organiseren, wars van filosofische of partijpolitieke tegenstellingen.39 Aanvankelijk organiseerde het VEV vooral Vlaamsgezinde ondernemers, maar in de periode na de Tweede Wereldoorlog ging ze veel breder rekruteren. In 2004 transformeerde het VEV tot Voka door de Kamers van Koophandel te absorberen: dat was een stap in een historisch proces van eenmaking. Voka telt nu 18.000 bedrijven als lid en vertegenwoordigt 70% van de toegevoegde waarde en 80% van de export in Vlaanderen.

De afgelopen decennia speelde zich een zekere herschikking van het patronale landschap af. De katholieke werkgeversorganisatie ACVW (later VKW), die in het midden van de 20e eeuw onder leiding van Leon Bekaert een belangrijke rol speelde, heeft sterk aan belang ingeboet, behalve misschien in Limburg. In 2015 werd VKW omgevormd tot ETION, dat zich profileert als een platform voor ethische reflectie voor ondernemers. Voka steekt ook het VBO steeds meer naar de kroon, in een poging de leiderspositie over te nemen in de verdediging van werkgeversbelangen. Onder andere door het grote belang van het sociaal overleg op Belgisch niveau blijft het VBO een belangrijke organisatie, waarop tal van grote bedrijven zich blijven oriënteren. Dat zorgt voor patronale fricties en frustraties: de perceptie heerst in Vlaamse ondernemersmiddens dat het VBO soms te gemakkelijk toegeeft in onderhandelingen met de vakbonden over lonen of het brugpensioen, niet scherp genoeg ageert tegen overheidstussenkomsten, en te sterk Belgisch denkt.

De vergelijking tussen Voka en haar Waalse tegenhanger UWE geeft een sprekend beeld van de verschillende krachtsverhoudingen tussen de klassen in Vlaanderen en Wallonië. De voorzitter van UWE is sinds 2018 Jacques Crahay, CEO van Cosucra, een bedrijf met een omzet van ongeveer 100 miljoen euro en een 300-tal werknemers. Voorzitter van Voka sinds 2018 is Wouter De Geest, CEO van BASF in Antwerpen, een bedrijf met een omzet van 6,7 miljard euro en 3300 personeelsleden. Dat is een wereld van verschil.

Het apparaat rond de Vlaamse burgerij vertakt zich verder dan Voka. De Vlaamse burgerij heeft met De Tijd haar eigen krant, in 1968 opgericht vanuit het VEV, en vandaag in handen van Roularta en Groupe Rossel (uitgever van o.a. Le Soir). Ze heeft ook een aantal andere mediakanalen ter beschikking zoals Trends en Kanaal Z, initieel mee gelanceerd door De Tijd. Ze beschikt over een wereldhaven, de tweede grootste in Europa, die één van de grootste chemische clusters ter wereld huisvest, te vergelijken met Houston en Shanghai. Het is niet toevallig dat de machtigste politicus van het land niet koos voor Brussel maar voor Antwerpen, en zich zo verzekerde van de controle over de haven. De Vlaamse bourgeoisie kan sinds de Vlaamse gewestvorming ook rekenen op actieve ondersteuning door een reeks overheidsapparaten, inclusief een Vlaamse diplomatieke dienst in functie van economische belangen en exportpromotie.

De Vlaamse bourgeoisie kan sinds de Vlaamse gewestvorming rekenen op actieve ondersteuning door een reeks overheidsapparaten.

De Vlaamse bourgeoisie is meer dan een geheel van kapitalisten die opereren binnen Vlaanderen. Het gaat vooral ook om netwerken van ondernemers en financiers die een uitgesproken klassenbewustzijn combineren met een besef dat ze ‘Vlaamse’ ondernemers zijn, met alle schakeringen en nuances die hierbij kunnen spelen. Er zijn meerdere mechanismen die een rol spelen in die subjectieve klassenvorming. De Vlaamse bourgeoisie heeft zijn intellectuele netwerken en denktanks, van Itinera (gesponsord door Bart Verhaeghe, Christian Leysen, en Nicolas Saverys) tot het netwerk VIVES in Leuven. Ze heeft haar clubs en ‘societies’: de mee door het VEV opgerichte club De Warande in Brussel (die de Vlaamse regering graag bedeelt met renteloze leningen, in ruil voor lidkaarten voor ministers en kabinetschefs)40, of meer lokale clubs zoals het World Trade Center in Antwerpen, De Hanze in Brugge of de International Club of Flanders in Gent.41

Netwerkvorming gebeurt ook via een proces van economische verstrengeling: Vlaamse ondernemers nemen participaties in elkaars bedrijven, of zetelen in elkaars bestuursraden. Er zijn tal van zakelijke netwerken, zoals rond de KBC-groep of Ackermans & Van Haaren. Een typische rol wordt gespeeld door het netwerk van de zogenaamde Vlerick-boys, de managers en ondernemers die langs de business school passeerden die is opgericht door André Vlerick. De man is ook bekend als de eerste voorzitter van Protea, een vereniging die de apartheid in Zuid-Afrika verdedigde, en was in de jaren 70 CVP-senator en -minister.42 De Vlerick-boys hebben een belangrijke rol gespeeld in de professionalisering van het management van de typisch Vlaamse familiebedrijven, in de ontwikkeling van durfkapitaal, de internationalisering van de Vlaamse economie, en in de uitbouw van organisaties zoals Voka. Een dergelijke school ontbreekt langs Franstalige kant.

In zijn geschiedenis van de Vlerick School beschrijft Mouton hoe de stichter ervan trachtte bij te dragen aan de uitbouw van een “Vlaams zakelijk establishment” als “tegengewicht” tegenover de “vroegere elite” van de Franstalige, Belgische bourgeoisie.43 De school levert in die zin niet gewoon gekwalificeerde bestuurders en managers af, maar is een echt apparaat van klassenvorming. Afgestudeerden krijgen naast hun diploma ook een lijst met contactgegevens van Vlerick-alumni, die carrièrematig erg van pas kan komen. 30% van de mensen die in de school studeerden, wordt later eigenaar of mede-eigenaar van een bedrijf, vaak doordat ze als manager aandelen verwerven of familie-aandelen uitkopen. Denk aan Bart Verhaeghe, die via aannemersbedrijf Verelst tot vastgoedbons uitgroeide. “Ongeveer 10.000 Vlaamse managers”, schrijft Mouton, “zijn ondertussen, rechtstreeks of onrechtstreeks, gepasseerd langs professor Vlerick.”44 Daar zijn namen bij zoals Luc Vansteenkiste, Marc Coucke, Bart Verhaeghe, Jean-Jacques Sioen, Jan Coene, Louis Verbeke, Luc De Bruyckere, Christian Dumolin en Fernand Huts.

De traditionele Vlaamse familiebedrijven zijn meestal niet beursgenoteerd. Ze zijn doorgaans erg discreet, en mijden publieke aandacht. De laatste jaren heeft de Vlaamse bourgeoisie echter een grotere zichtbaarheid verkregen: ze heeft nu in zekere zin haar eigen “BV’s” met figuren als Marc Coucke, Gert Verhulst en Fernand Huts, die ook in de mainstream media verschijnen. Op de commerciële Vlaamse televisie zijn er meerdere programma’s die het leven van Vlaamse ondernemers etaleren (“Succesrijk”; “Steenrijk, straatarm”; “The sky is the limit”). De vraag is echter nog maar hoe succesvol de poging is om een ‘menselijk’ beeld van die ondernemers neer te zetten. Er wordt vaak gesproken over de ‘verburgerlijking’ van de arbeidersklasse, maar het omgekeerde bestaat ook: Perry Anderson noemt dit het encanaillement van de bourgeoisie.45 Die tendens is Vlaanderen niet helemaal vreemd, en komt voor een stuk tot uitdrukking in die mediacultuur. Jean-Pierre Van Rossem was wellicht een uitgesproken vroege voorloper van dat fenomeen.

De Vlaamse burgerij heeft zich doorheen de recente geschiedenis versterkt, en dat heeft allerlei sociologische effecten. Denk aan de groei van het aantal mensen dat professionele diensten levert aan die bourgeoisie, en er politiek en ideologisch heel dicht bij aanleunt: zakenadvocaten, vastgoedmakelaars, notarissen, boekhouders, bedrijfsrevisoren, belastingconsulenten, opiniemakers, consultants enzovoort. De groei van die laag is ongetwijfeld een belangrijke voedingsbodem voor de maatschappelijke verrechtsing in Vlaanderen, de zogenaamde ‘onderstroom’.

Vandaag is het legitiemer om van een ‘Vlaamse bourgeoisie’ te spreken dan pakweg vijftig of honderd jaar geleden. Dat is niet enkel zo omdat de economische machtsbasis van de Vlaamse ondernemersmilieus is versterkt. Vooral bestaat er binnen die milieus een breed gedeeld project, weliswaar in tal van varianten en nuances: van Vlaanderen een economisch bastion maken dat zijn plek heeft op de internationale markt en aansluiting kan vinden bij de nieuwste technologieën en managementtechnieken. Allerlei obstakels en remmingen, die vaak op Belgisch niveau zijn gesitueerd, staan echter in de weg. De Vlaamse zakenmilieus delen in grote lijnen een analyse van hoe het Belgische systeem de afwikkeling van de crisis van de jaren ’70 heeft mismeesterd, met een grote staatsschuld tot gevolg. Het symbool daarvan is de beruchte stelling van Guy Mathot (PS) in 1981 dat “de staatsschuld er vanzelf is gekomen en dus vanzelf weer zal verdwijnen”. Het is niet toevallig dat het VEV vroeger en scherper dan andere patroonsorganisaties een uitgesproken ‘neoliberaal’ profiel aannam.46

Om Vlaanderen op de wereldmarkt te profileren, staan Belgische structuren in de weg. Aanvankelijk waren dat de holdings en hun politieke vertegenwoordigers die de economische modernisering afremden. Vandaag is dat de blijvende macht van de vakbonden op Belgisch niveau, de federaal georganiseerde sociale zekerheid, het dure en inefficiënte institutionele kluwen dat België is geworden, en de linkerzijde die op Belgisch niveau relatief gezien boven haar gewicht kan boksen. Die elementen zorgen er mee voor dat het neoliberalisme in ons land een iets gematigder vorm aanneemt dan in sommige buurlanden. De zoektocht naar economische modernisering in neoliberale zin door zich (desnoods via een ‘schokeffect’) van die obstakels te ontdoen, is het punt waarop de Vlaamse bourgeoisie en het ‘centennationalisme’ van de N-VA mekaar ontmoeten.

De late ontwikkeling van de Vlaamse bourgeoisie

Voor we op de huidige situatie ingaan, moeten we nog even een stap achteruit zetten om het historische ontwikkelingsproces van de Vlaamse bourgeoisie te kaderen. Essentieel is dat deze klassenfractie pas laat echt tot ontwikkeling is gekomen, namelijk in de 20ste eeuw. Dat is niet zonder belang. Het is uiteraard niet zo dat er niet vroeger al protokapitalistische bedrijvigheid was in Vlaanderen. Begin 19de eeuw was er bijvoorbeeld een bloeiende vlas- en katoenindustrie, naast andere vormen van kleine met de landbouw verbonden nijverheid. Maar de industrialisering elders ondermijnde voor een stuk die economische basis: “Geen land ter wereld heeft meer geleden onder het groot worden van de hedendaagse industrie”, schreef Lodewijk De Raet in 1910.47 Het was vooral vanaf de 20ste eeuw dat een proces van industrialisering en kapitalistische ontwikkeling echt begon door te zetten in Vlaanderen. In de woorden van Frans Crols, Vlaamsgezind voormalig directeur van Trends: “In de eerste 125 jaar van België was de ondernemende creativiteit een exclusieve Waalse en Franstalig-Brusselse kwaliteit. Er was Bekaert en er waren havenentrepreneurs. Voor de rest bleef Vlaanderen het terrein van de kleinbedrijven, de kruideniers en de patattenkwekers.”48

De groei van een laag professionele dienstverleners voor de Vlaamse burgerij is een belangrijke factor in de verrechtsing van Vlaanderen.

De Vlaamse burgerij heeft dus een relatief korte geschiedenis. Ze komt pas echt tot ontwikkeling in een periode na de burgerlijke revolutie, de industriële revolutie, de ontwikkeling van het kapitalisme, en zelfs na de strijd voor de parlementaire democratie. Dat heeft belangrijke implicaties. De Vlaamse burgerij heeft nooit een echt moment van universalisering gekend. Ze heeft nooit een historisch omwentelende rol gespeeld zoals Marx die aan de bourgeoisie toeschreef: de strijd tegen de premoderniteit en voor de condities waaronder het kapitalisme kan gedijen. Ook in die zin is de Vlaamse bourgeoisie een ‘kleine’ bourgeoisie, met een beperkte historische diepgang en dito zelfbeeld. De Franse bourgeoisie kan zich zien als erfgenaam van de Verlichting en de Revolutie. De Britse kijkt voor een stuk nog altijd naar de wereld door de bril van het Britse Imperium en de Commonwealth. De Nederlandse kan een zekere continuïteit claimen met de zogenaamde Gouden Eeuw en de ‘VOC-mentaliteit’. De oude Belgische bourgeoisie kon zich beroepen op haar glorietijd in de 19de eeuw en haar koloniale exploten. Niets van dat alles in Vlaanderen.

De Vlaamse bourgeoisie werd tot haar eigen frustratie grotendeels uitgesloten uit het koloniale avontuur.49 Ze is ook nooit de leidende kracht geweest in een bredere mobilisatie van de lagere klassen, het ‘volk’. Zelfs voor de Vlaamse ontvoogdingsstrijd gebeurde dat eigenlijk niet. De strategie om een economische elite te creëren en Vlaanderen zo economisch te ontwikkelen, past in een proces van Vlaamse ontvoogding van bovenaf. Een echte nationale strijd met volkse mobilisatie werd gemeden.

De zelfbewuste Vlaamse bourgeois moet zich ter compensatie een mythisch verleden aanmeten. Symptomatisch daarvoor is wat Fernand Huts doet in Voor God & Geld, een lijvig boek over de kunst en de economische geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden in de late middeleeuwen.50 Huts tracht dit proto-Vlaanderen neer te zetten als het centrum van de wereld waarvan hij en zijn klassengenoten de directe erfgenamen zijn. De Zuidelijke Nederlanden zijn niets minder dan de uitvinders van het kapitalisme, beweert hij. In een kritiek van Max Webers stellingen over het protestantisme en de geest van het kapitalisme gaat Huts zelfs zover om te stellen dat het laatmiddeleeuwse christendom “het ideologisch denkkader (leverde) waarbinnen het kapitalisme zich kon ontplooien”, gezien het de basis legde voor gelijkheid, individualisme, individuele vrijheid en het natuurrecht. Een speciale rol speelden de prinsen en graven: door de wijze waarop ze de “rode loper” uitrolden “voor de nieuwe snelgroeiende klasse van kapitalisten”, ontwikkelde zich zelfs een “spiritus capitalisticus”. Op die manier kende Vlaanderen haar eigen lange “gouden eeuw” in de 14e, 15e en 16e eeuw, aldus Huts. Daarin is Brugge het aanvankelijke “wereldcentrum” van het handelskapitalisme, Gent dat van het industrieel kapitalisme, en Antwerpen in de 16de eeuw dat van het handels-, industrieel en cultureel kapitalisme. Dit is uiteraard geen geschiedschrijving, maar de creatie van een zelfbeeld van een bewust wordende klasse die zich tracht op te werpen als de leidende groep in de natie. Huts’ boek eindigt echter met een voor de Vlaamse bourgeoisie typische, pessimistische klaagzang. Zo roemrijk was het Vlaamse verleden, zo moeilijk is het voor ‘ondernemers’ vandaag, suggereert hij. “Er is slechts één mogelijke weg naar een toekomst: de afslanking van de natiestaat en haar bureaucratie tot op het bot en de herwaardering van de initiatiefnemende burger”.

Van subalterne tot leidende bourgeoisie?

De late ontwikkeling van de Vlaamse bourgeoisie maakt ook dat deze minder dan andere bourgeoisieën moest opboksen tegen premoderne klassen of productiewijzen om de voorwaarden voor het kapitalisme te creëren. Haar historische uitdaging was een heel andere, namelijk een verhouding te vinden tegenover een veel machtiger fractie van de bourgeoisie. De verhouding daartegenover was ambigu. Veel vroege Vlaamse ondernemers wilden eigenlijk wel tot de Franstalige bourgeoisie behoren, en waren zelf verfranst (denk aan de Gentse katoenbaronnen). Maar vaak hield de Franstalige haute finance de deur dicht, of hoogstens op een kier.

In die zin ontstond de Vlaamse bourgeoisie als een subalterne bourgeoisie: een fractie die binnen de ruimere bourgeoisie een ondergeschikte rol speelde. Tegenover de mastodonten van de holdings, verbonden met het Belgisch staatsapparaat, waren haar bescheiden (vaak post-agrarische) bedrijven in het begin van de 20e eeuw nauwelijks een factor van betekenis. Er waren weliswaar enkele Vlaamse ondernemers die boven het maaiveld uitstaken. De grootste industrieel van Vlaanderen rond de Eerste Wereldoorlog was de Vlaamsgezinde Lieven Gevaert, de eerste voorzitter van het VEV. In 1920 had zijn bedrijf, dat fotopapier produceerde, een kapitaal van 15 miljoen frank, dat in de daaropvolgende decennia weliswaar zou vertienvoudigen.51 Leon Bekaert, die andere grote industriële figuur in Vlaanderen, die veel sterker op de Franstalige Belgische machtstentakels was georiënteerd, had een kapitaal van 15 miljoen frank in 1929.52 Ter vergelijking: de totale bezittingen van de Société Générale bedroegen net voor de eerst wereldoorlog een kleine 500 miljoen frank, en groeiden tot meer dan 6700 miljoen in 1934.53

De Vlaamse bourgeoisie heeft nooit een revolutionaire rol gespeeld zoals Marx die aan de bourgeoisie toeschreef.

Perry Anderson gebruikt de term “subalterne bourgeoisie” in zijn analyse van de historisch ondergeschikte rol van het (handels) kapitaal ten opzichte van het grootgrondbezit in de ontstaansgeschiedenis van het Britse kapitalisme.54 “Subalterniteit” is het begrip dat Gramsci had ontwikkeld om de conditie van ondergeschikte, ongeorganiseerde groepen of klassen aan te duiden. Gramsci was geïnteresseerd in de vraag hoe een klasse door een complex historisch proces kan worden eengemaakt, en de basis kan leggen van een nieuwe staat. In zijn gevangenisschriftjes onderscheidt hij drie niveaus in dat ontwikkelingsproces: een subalterne ongeorganiseerde conditie, vervolgens een economisch-corporatief niveau waarin de klasse een eenheid vindt rond haar economische belangen, en tenslotte een ethisch-politiek niveau, waarin de klasse hegemonisch wordt door zich op te werpen als de belichaming van een algemeen belang en een omvattende wereldbeschouwing.55 Die geschiedenis verloopt niet rechtlijnig of automatisch, maar botst op tal van obstakels, onder andere doordat leidende elementen van de opkomende klasse worden geabsorbeerd door de bestaande heersende klassen (Gramsci noemt dit “transformisme”).

Dat laatste speelde erg sterk in de relatie van Vlaamse ondernemers tot het machtsblok van de Belgische Franstalige bourgeoisie en haar staat. Om aan kapitaal te geraken, bleven veel Vlaamse ondernemers afhankelijk van het holdingkapitaal dat controle hield over de banken. Een zekere verfransing en opslorping in de machtstentakels van de Belgische bourgeoisie was onvermijdelijk. In die zin kan je zelfs de vraag stellen of er lange tijd überhaupt van een Vlaamse bourgeoisie als klasse (of klassenfractie) gesproken kan worden. De eigen economische basis van die Vlaamse bourgeoisie in wording was altijd beperkt.

Tegelijk bleef de toegang tot de Franstalige elite moeilijk. Het feit dat veel Vlaamse kapitalisten nooit een echte plek konden vinden binnen de structuren van de Belgische bourgeoisie (er waren nooit Vlaamse bestuurders binnen de Société Générale bijvoorbeeld), is een belangrijk aspect van de historische ervaring van de Vlaamse bourgeoisie. “Vlamingen hebben heel wat pogingen ondernomen om in die structuur [de ons-kent-ons circuits van de Franstalige haute bourgeoisie] binnen te dringen, maar dat is mislukt”, concludeert Mouton.56 De Vlaamse bourgeoisie ontwikkelde zich in die zin als een kapitaalsfractie die zich uitgesloten voelde uit het kader van de Brusselse holdingbourgeoisie en haar financiële stromen, stelt Mommen.57

De grote holdings hebben weinig of pas laat uit de opkomende Vlaamse economische elite gerekruteerd. Omgekeerd was de holdingbourgeoisie afwezig in het VEV.58 Er was natuurlijk een figuur als Bekaert, de bekende katholieke werkgever die in de jaren 1950 voorzitter was van het VBN, voorloper van het VBO. Er speelde “transformisme”, maar dit proces kende ook zijn limieten. Het verval van de machtstentakels van de Belgische bourgeoisie verandert dit plaatje echter.

De gebrekkige absorptiebereidheid van de Franstalige bourgeoisie is een sleutel om de ontwikkeling van de Vlaamse bourgeoisie en de regionalisering van de Belgische staat te begrijpen. Omgekeerd is de ondergeschikte status van de Vlaamse bourgeoisie essentieel om het ‘karakter’ van die klassenfractie te begrijpen. Van veel traditionele Vlaamse ondernemersfamilies wordt gezegd dat ze een natuurlijke achterdocht hebben ten opzichte van buitenstaanders, alles intern willen houden, terughoudend en zelfs wantrouwig zijn ten opzichte van professionalisering. Een zeker ressentiment is hen niet vreemd. Nederlandse bedrijven zouden gemakkelijker tot multinationals zijn kunnen uitgroeien omwille van een grotere openheid tegenover externen en professionele managementmethodes. Hier speelt ongetwijfeld de late ontwikkeling van de Vlaamse bourgeoisie vanuit een subalterne en rurale achtergrond. Die ontwikkeling gebeurde via een langzaam moderniserings- en ontvoogdingsproces: loskomen van de familie, het langzaam overstijgen van de weerzin voor het vreemde en het internationale, het moeizame omarmen van externe expertise en professioneel management.

Doorheen de 20ste eeuw heeft de Vlaamse bourgeoisie zich lang geschikt in een soort economisch-corporatieve positie: als een economisch belang dat ondergeschikt bleef aan de Belgische bourgeoisie, en dat zich partijpolitiek vertaalde binnen de standenstructuur van de CVP. De historisch relatief zwakke Vlaamse bourgeoisie kon moleculair groeien, gesteund door een technocratisch ingestelde laag CVP-bestuurders. Vanuit die positie werd ingezet op de economische modernisering van Vlaanderen, zonder ooit grote confrontaties aan te gaan. Er waren wel degelijk onenigheden, die zich bijvoorbeeld uitten in spanningen tussen het VEV en het VBN/VBO, maar die werden nooit heel openlijk uitgevochten.

Via de N-VA heeft ze een meer autonome politieke vertegenwoordiging.

De moeilijke vraag is nu in welke zin dit plaatje in de laatste decennia veranderd is. De Vlaamse bourgeoisie sluit zich niet langer op als één van de ‘standen’ binnen de oude CVP-structuur. Dat is niet meer nodig. Ze is economisch een stuk sterker geworden, en heeft met de N-VA een meer autonome politieke vertegenwoordiging verworven. De N-VA verdedigt een economische politiek in lijn met haar belangen. Heel wat van het toppersoneel van de partij komt uit de bestuurs- of managementlaag rond de Vlaamse bourgeoisie.59

Hoe past het schema van Gramsci in deze geschiedenis? Is de Vlaamse bourgeoisie op moleculaire wijze vanuit een corporatief stadium uitgegroeid tot de hegemonische klasse, op basis van een economisch overwicht, een hegemonische wereldvisie gebaseerd op het neoliberalisme, Vlaamse staatswording, en een autonome politieke vertegenwoordiging die zich tegelijk opwerpt als nieuwe volkspartij? Die conclusie lijkt aantrekkelijk, maar is voorbarig.

Footnotes

  1. Alain Mouton, Charles Michel: Portret van een jeune premier. Tielt, Lannoo, 2015, p. 190-191.
  2. Alain Mouton, Het geld is op! De financiële putten van België. Antwerpen, Uitgeverij Vrijdag, 2017, p. 110.
  3. Karl Marx, Capital: A Critique of Political Economy. Volume III. Londen, Penguin Books, 1991, p. 1025.
  4. Ralph Miliband, De staat in de kapitalistische maatschappij. Amsterdam, Van Gennep, 1973, p. 51.
  5. Nicos Poulantzas, Pouvoir Politique et Classes Sociales. Parijs, Maspero, 1972; Les classes sociales dans le capitalisme aujourd’hui. Parijs, Éditions du Seuil, 1974.
  6. Karl Marx, The Belgian Massacres.
  7. Lodewijk De Raet, Vlaanderens economische ontwikkeling. Antwerpen, Standaard Boekhandel, 1910, p. 411.
  8. Frans Buelens, “De levenscyclus van de beurs van Brussel 1801-2000”. In: Maandschrift economie: tijdschrift voor algemeen- en sociaal-economische vraagstukken, nr. 2, 2001, p. 150-177.
  9. Rudolf Hilferding, Das Finanzkapital. Eine Studie über die jüngste Entwicklung des Kapitalismus. Berlijn, Dietz Verlag, 1955. Zie hierover ook Henri Houben, “Van de Generale Maatschappij naar de aasgierfondsen”, Lava, nr. 2, 2017, pp. 105-127.
  10. Niels Matheve, Tentakels van de macht: elite en elitenetwerken in en rond de Belgische tussenoorlogse regeringen (1918 -1940). Heule, INNI Publishers, 2016.
  11. Buelens, Frans, op. cit.
  12. Zie daarover Kristof Smeyers en Erik Buyst, Het gestolde land: een economische geschiedenis van België. Antwerpen, Polis, 2016.
  13. Luc Huyse, Jean-Luc Dehaene en Lode Van Outrive, Machtsgroepen in de samenleving: politieke machtsstrukturen in België. Leuven, Davidsfonds, 1973, p. 63.
  14. Zie daarover Olivier Boehme, Greep naar de markt. Leuven, LannooCampus, 2008; Dirk Luyten, “L’économie et le movement flamand”. Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 2076, 2010, pp. 5-46.
  15. Zie over de geschiedenis van de Vlaamse economische modernisering o.a. Stijn Oosterlynck, “Regulating Regional Uneven Development and the Politics of Reconfiguring Belgian State Space”. Antipode 42 (5), pp. 1151—1179; Dries Goedertier, “De strijd om expansiekredieten. Het Vlaams Economisch Verbond en de Belgische keynesiaanse staat”. Journal of Belgian History XLIII, 2013, 2-3, pp. 114-151.
  16. René De Preter, De onzichtbare hand boven België: een economische geschiedenis: invloed van liberalisering, globalisering en Europeanisering. Antwerpen, Garant, 2016, p. 45.
  17. Jan Scheidtweiler, “Etienne ‘Steve’ Davignon”, De Morgen, 1 maart 2001.
  18. Peter Casteels en Walter Pauli, “Het leven van vandaag is toch veel beter dan vroeger?”, Knack, 1 november 2017, p. 56.
  19. Smeyers en Buyst, 2016, p. 9.
  20. L’écho, 18 januari 2013, geciteerd in Alain Mouton, Vlerick boys: een Vlaamse meritocratie. Kalmthout, Pelckmans, 2013, p. 59.
  21. Pascal Dendooven, “Het einde van de Generale Maatschappij”, De Standaard, 27 maart 2006.
  22. Guido Despiegelaere, “André Leysen valt van zijn troon”. Knack, 1 december 1999.
  23. Zie daarover Mouton, 2013, pp. 60-61. Zie ook Alain Mommen, “Solden op zijn Belgisch? Of het Vlaamse verankeringsdebat kritisch bekeken”. Vlaams Marxistisch Tijdschrift 28(1), 1994, pp. 79-98. Jo Cottenier, Patrick De Boosere, Thomas Gounet, De Generale 1822-1992. Berchem, EPO, 1989, p. 272.
  24. Ibid.
  25. Deze periode werd op eminente wijze beschreven in Stefaan Michielsen en Béatrice Delvaux, Zes huwelijken en een begrafenis: grote en kleine geheimen van de Belgische haute finance. Tielt, Lannoo, 1999.
  26. Smeyers en Buyst, op. cit., p. 378-9.
  27. Michielsen en Delvaux, 1999, p. 302.
  28. Geert Peersman en Koen Schoors, De perfecte storm. Hoe de economische crisis de wereld overviel en vooral: hoe we eruit geraken. Gent, Borgerhoff & Lamberigts, 2012, p. 66.
  29. De Kredietbank was ook historisch uitgesproken Vlaams en katholiek, zie Paul Goossens en Paul Koeck, “De financieel-economische bedrijvigheid van de CVP”. In: H. Coenjaarts e.a., De CVP-staat, Berchem, EPO, 1979, p. 48.
  30. Mouton, 2013, p. 212.
  31. Alain Mouton, “Rijk gevulde carrière”, Trends, 20 juni 2019.
  32. Ilse De Witte en Wolfgang Riepl, “Gelukkig heeft Ernest Solvay zijn fortuin niet weggeschonken”, Trends, 8 september 2016, p. 32; Wolfgang Riepl, “De tentakels van de Solvay-families”, Trends, 8 september 2016, p. 28.
  33. René De Preter, De 200 rijkste families: geld en macht in de wereld van de holdings en de miljonairs. Berchem: EPO, 1984.
  34. René De Preter, De onzichtbare hand boven België. Een economische geschiedenis, p. 261.
  35. Hans Brockmans, “La Belgique à papa is niet meer”, Knack, 19 februari 2009.
  36. 45% van de totale tewerkstelling in België is gesitueerd in familiebedrijven; zie Karel Volckaert en Michele Cincera, Stewardship van familiebedrijven: Hun belang voor de samenleving. Brussel, Itinera Institute, 2019, p. 6.
  37. Stefaan Michielsen, “Belgische miljardenbedrijven, er zijn er meer dan u denkt”, De Tijd, 13 mei 2017.
  38. Dat wordt vaak geweten aan de familiale eigendomsstructuur, die zorgt voor meer conservatieve en voorzichtige bedrijfsstrategieën, de vervlechting van eigendom en management, en het wegblijven van extern managerstalent. Zie bijvoorbeeld Herman Daems, Buitenlandse invloed in België: de gevolgen voor de strategische beslissingsmacht. Tielt, Lannoo, 1993; Herman Daems, De paradox van het Belgische kapitalisme. Tielt, Lannoo, 1998. Een ander element dat speelt is dat andere landen veel sterker hun eigen bedrijven beschermden tegen buitenlandse overnames; zie Kristof Smeyers en Erik Buyst, Het gestolde land. Een economische geschiedenis van België. 2016, Kalmthout: Polis, p. 340-1.
  39. Over de geschiedenis van het VEV/Voka, zie Ludo Meyvis, Markt en macht. Het VEV van 1926 tot heden. Tielt, Lannoo, 2004.
  40. Dieter Tielemans, “Bourgeois verdedigt renteloze lening aan Vlaamse zakenclub”, De Tijd, 18 april 2018.
  41. Zie daarover Jan Puype, De elite van België welkom in de club. Leuven: Van Halewyck, 2005.
  42. Georges Timmerman, “De Vlaamse tegenstanders van Nelson Mandela”, Apache, 18 juli 2013.
  43. Mouton, 2013, p. 176.
  44. Ibid. p. 53.
  45. Perry Anderson, “The Timing of Postmodernity”, Verso Blog, 2017.
  46. Els Witte, Jan Craeybeckx en Alain Meynen, Politieke geschiedenis van België. Van 1830 tot heden. Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1990, p. 316.
  47. Lodewijk De Raet, Vlaanderens economische ontwikkeling. Antwerpen, Standaard Boekhandel, 1910, p. 162.
  48. Frans Crols, “Albert Frère is geen Vlaming”, Trends, 4 mei 2006.
  49. Wat Lodewijk de Raet, die Leopold II een “geniale economist” noemde, bijvoorbeeld betreurde. De Raet, Vlaanderens economische ontwikkeling, p. 414.
  50. Katharina Van Cauteren en Fernand Huts, Voor God & geld: gouden tijd van de Zuidelijke Nederlanden. Tielt, Lannoo, 2016.
  51. Olivier Boehme, Greep naar de markt. Leuven: LannooCampus, 2008, p. 264.
  52. Paul Goossens en Paul Koeck, “De financieel-economische bedrijvigheid van de CVP”. In: H. Coenjaarts e.a., De CVP-staat, Berchem, EPO, 1979, p. 57.
  53. Jo Cottenier, Patrick De Boosere, Thomas Gounet, De Generale 1822-1992. Berchem, EPO, 1989, p. 75.
  54. Perry Anderson, “Origins of the Present Crisis”, New Left Review I/23, 1964, p. 30; Gregory Elliott, Perry Anderson. The Merciless Laboratory of History. Minneapolis, University of Minnesota Press, 1998, p. 15. Anderson 1964; Elliott 1998.
  55. Antonio Gramsci, Selections from the Prison Notebooks. Londen, Lawrence & Wishart, 1998, p. 52 e.v.
  56. Alain Mouton, “De Vlerick-meritocratie”. Trends, 28 november 2013.
  57. André Mommen, De teloorgang van de Belgische bourgeoisie. Leuven, Kritak, 1982, p. 85.
  58. Ibid., p. 90.
  59. Zie daarover Koen Hostyn, Het Vlaanderen van De Wever. Berchem, EPO, 2014, p. 27.