Hoewel vrouwenmobilisaties talrijk zijn en vaak een cruciale rol spelen in sociale strijd, blijven ze in dominante historische narratieven opvallend onderbelicht. Apolline Dupuis sprak met historica Fanny Gallot over de centrale rol van vrouwen in de klassenstrijd.
Van de figuur van de ‘huisvrouw’ uit de Trente Glorieuses tot de Rosies tijdens de betogingen tegen de pensioenhervorming: in haar boek Mobilisées! Une histoire féministe des contestations populaires (2024, Seuil) herleest de feministische historica Fanny Gallot de sociale strijd sinds 1945. Ze toont hoe actievormen en eisen in de loop der decennia zijn geëvolueerd onder invloed van de feministische beweging en de weerklank die zij vond bij de vakbonden.
Centraal in haar analyse staat het begrip ‘reproductieve arbeid’. Dat vormt een kerncomponent van sociale reproductie: het geheel aan voorwaarden dat nodig is om kapitalistische samenlevingen te laten voortbestaan. Het gaat om zorgarbeid, koken, opvoeding, onderwijs en andere vormen van arbeid die essentieel zijn voor het welzijn van mensen én voor de reproductie van arbeidskracht. In kapitalistische samenlevingen wordt deze arbeid — die nauwelijks wordt gewaardeerd in vergelijking met productieve arbeid die directe geldwaarde genereert — grotendeels onbetaald verricht door vrouwen.
Of het nu gaat om de ‘onderkwalificatie’ van reproductieve arbeid wanneer die professioneel wordt uitgevoerd, of om de ‘onzichtbaarheid’ ervan wanneer het dagelijkse huishoudelijke taken betreft: reproductieve arbeid staat vandaag centraal in maatschappelijke debatten, eisen en mobilisaties. Haar contouren scherpstellen vormt een krachtig politiek instrument voor vroegere, huidige en toekomstige sociale strijd.
Als onderzoekster die actief betrokken is bij zowel feministische als syndicale bewegingen, probeert Fanny Gallot bruggen te slaan tussen werelden die te vaak langs elkaar heen werken, maar elkaar broodnodig hebben om een meer solidaire samenleving op te bouwen. ‘Het tegenover elkaar plaatsen van de feministische beweging en de vakbeweging verlamt ons,’ stelt ze. ‘We moeten deze vraagstukken op een materiële basis benaderen om iets gemeenschappelijks te kunnen opbouwen. Reproductieve arbeid is daarvoor een cruciaal instrument.’
Apolline Dupuis: Om te beginnen wil ik graag terugkomen op een van uw recente uitspraken: ‘Een staking, als zij algemeen is, is per definitie feministisch.’ Kunt u dat toelichten?
Fanny Gallot: Het gaat om het idee om het protest te de-androcentreren, met andere woorden: loskomen van een mannelijke visie op protest. ‘Androcentrisch’ betekent dat men zich uitsluitend richt op loonarbeid, die vandaag slechts een deel van de werkende klasse omvat, maar lang niet iedereen. Dat vloeit voort uit een historisch mannelijke opvatting, aangezien men wat in de huiselijke sfeer gebeurt niet als arbeid beschouwt. Ik neem hier het concept over dat de Franse sociologe Maud Simonet heeft uitgewerkt met betrekking tot arbeid. Het idee om arbeid te de-androcentreren impliceert noodzakelijk ook dat men het protest de-androcentreert, dus afstand neemt van een mannelijke visie op protest.
Het idee dat alleen een feministische staking echt algemeen kan zijn, is uitgewerkt door Verónica Gago, vertrekkend vanuit een voorbeeld in Argentinië. Zij legt uit dat wanneer men zich beperkt tot een klassieke algemene staking, mobiliseert men enkel de loonarbeiders. Hierdoor blijft alle onbetaalde en huishoudelijke arbeid buiten beschouwing, terwijl die juist noodzakelijk is voor de reproductie van de arbeidskracht, met andere woorden: de reproductieve arbeid.
Over het algemeen beschouwen vakbondsorganisaties de sectoren die de portemonnee raken als strategisch. Maar zou de huishoudelijke sector en de reproductieve arbeid — van onbetaalde huishoudelijke arbeid tot vrijwilligerswerk en gecommercialiseerde privézorg — niet evengoed als een strategische sector moeten worden beschouwd?
Alles wat met reproductieve arbeid te maken heeft, deelt enkele kenmerken: het is gefeminiseerd en gedevalueerd, zonder dat het verplaatst kan worden naar het buitenland of kan rekenen op maatschappelijke erkenning, terwijl dit hand in hand gaat met een krachtige steun van de bevolking. Deze elementen maken het mogelijk om, vertrekkend vanuit reproductieve arbeid, sterke allianties te smeden voor stakingen.
Apolline Dupuis: U publiceerde onlangs een boek met de titel Mobilisées! Une histoire féministe des contestations populaires. Daarin schetst u, van 1945 tot vandaag, de geschiedenis van sociale strijd en de plaats die vrouwen daarin innamen — in mobilisaties, gezinnen, vakbonden en op het platteland. Welke literaire lacunes wilde u met dit boek opvullen?
Fanny Gallot: In de eerste plaats omdat vrouwen in sociale bewegingen binnen de sociaalwetenschappelijke literatuur lange tijd nauwelijks zichtbaar waren. Tijdens mijn onderzoek merkte ik dat telkens wanneer er een vrouwenstaking plaatsvond, dit algemene verbazing opriep — alsof het iets uitzonderlijks was, alsof het nooit gebeurde.
Nochtans toonde mijn onderzoek naar arbeidsters steeds opnieuw aan dat vrouwenmobilisaties in de geschiedenis juist bijzonder frequent waren: de landbouwstrijd na de Tweede Wereldoorlog, gevoerd door de vrouwelijke Katholieke Landbouwjeugd (Jeunesse agricole catholique féminine, JACF), de mobilisaties na mei ’68 voor betere arbeids- en leefomstandigheden, of nog de massale deelname van vrouwen aan de stakingen van 1995 tegen het neoliberale beleid.1
Wanneer de vrouwen van de Gele Hesjes in actie komen omdat ze geen geschenk voor de kinderen kunnen kopen, bevinden we ons midden in een crisis van de sociale reproductie.
Tijdens de mobilisaties van de Gele Hesjes (Gilets Jaunes) vroeg een journalist mij om een artikel te schrijven over vrouwen uit de volksklasse in sociale strijd. Dat korte stuk groeide geleidelijk uit tot een langer artikel dat later in vele talen werd vertaald. Toen kreeg ik het idee om Mobilisées! te schrijven.
Vandaag profileren zich in Frankrijk maar weinig historica’s zich expliciet als feministen. Dat label roept immers kritiek op: wanneer je over de arbeidersklasse of over vrouwen spreekt in een context van politieke oppositie, beschouwt men je niet volledig als volwaardige onderzoeker, maar eerder als activiste. Dat neem ik bewust op mij. Ik ben niet alleen feministe, ik schrijf ook feministische geschiedenis — een geschiedenis die, zoals de Amerikaanse historica Joan Scott het formuleert, ‘het heden wil destabiliseren’. Het gaat er niet alleen om vrouwen zichtbaar te maken in de geschiedenis, maar ook om een transformerende impact te hebben. 2
Mobilisées ! vult een aantal historiografische lacunes. In de jaren 1970 kende Frankrijk een periode van feministische intellectuele bloei waarin onderzoeksters gezamenlijk nadachten over onbetaalde huishoudelijke arbeid, betaalde arbeid, lage lonen, enzovoort. In de periode van de jaren 1980 tot 2000 verlegden de sociale wetenschappen hun focus echter vooral naar het professionele leven en werden loopbanen van vrouwen voornamelijk bekeken in vergelijking met die van mannen. In Mobilisées ! knoop ik opnieuw aan bij de traditie van de jaren 1970. In het spoor van de marxistisch-feministische sociologe Lise Vogel gebruik ik reproductieve arbeid als analysekader om onbetaalde huishoudelijke arbeid en gedevalueerde betaalde arbeid binnen één continuüm te denken. Uiteindelijk wil ik aantonen dat sociale bewegingen sinds 1945 actief hebben bijgedragen aan het herdefiniëren van de verdeling van reproductieve arbeid — zowel in haar betaalde als in haar onbetaalde vorm.
Apolline Dupuis: Men spreekt vaak over de strijd van vrouwen als iets uitzonderlijks. In Mobilisées ! toont u dat vrouwen in elke grote sociale beweging sinds 1945 aanwezig waren, maar dat hun rol systematisch werd uitgewist of geminimaliseerd. Wat kunt u zeggen over de rol die vrouwen hebben gespeeld, zowel in feministische als in bredere sociale strijd?
Fanny Gallot: Hun rol was essentieel. Ik toon aan dat zij deelnamen aan deze strijd als onbetaalde huishoudelijke werkers, als moeders en als echtgenotes. Dat is een dimensie die de geschiedschrijving, op enkele uitzonderingen na, grotendeels heeft genegeerd.

Zo werd tijdens de de-industrialisering de rol van de echtgenotes van stakers in het voortzetten van stakingen nauwelijks bestudeerd 3: vrouwen van mijnwerkers die zich in 1881 op spoorlijnen naar de mijnen neerlegden4, het schillen van groenten in collectieve stakingskeukens 5, het bevoorraden van stakende vaders of echtgenoten, of het opvangen van de kinderen van stakers 6. Ik beschouw deze activiteiten als vormen van reproductieve arbeid: activiteiten die bijdragen aan de reproductie van de arbeidskracht van hun mannen en kinderen.
Werkende vrouwen hebben lage lonen omdat men ervan uitgaat dat ze niet gekwalificeerd zijn, aangezien dit wordt beschouwd als een verlengstuk van de moederrol.
De strijd voor kinderopvang en crèches, zoals alle betrokkenheid van vrouwen in de strijd voor openbare diensten, is een strijd voor de herverdeling en verdeling van rijkdom. Ik leg uit dat op zeer lokaal niveau, in bepaalde volkswijken van Parijs, vrouwen zich organiseren rond wasmachines en deze met elkaar delen. Naarmate hun strijd vorderde, eisten ze de opening van een crèche in de stad, wat betekende dat ze de vrouwen in dienst moesten nemen en de taken die ze voorheen gratis uitvoerden, moesten professionaliseren. In ieder geval is er een herverdeling die een verandering in de verdeling van reproductieve arbeid markeert.
Apolline Dupuis: In Mobilisées bespreekt u ook de strijd tegen ‘dekwalificatie’. Kunt u dat toelichten?
Fanny Gallot: Het idee van dekwalificatie verwijst naar de naturalisering van competenties. Dat betekent dat werkende vrouwen lage lonen ontvangen omdat men ervan uitgaat dat zij niet gekwalificeerd zijn; hun competenties worden simpelweg gezien als een natuurlijk verlengde van hun rol als moeder. Wanneer vrouwen zich mobiliseren voor betere arbeidsomstandigheden, erkenning van hun kwalificaties of de herwaardering van door vrouwen gedomineerde beroepen, strijden zij in feite altijd voor een vorm van economische herverdeling. Landarbeidsters, bijvoorbeeld, werden tot in de jaren tachtig niet als zodanig erkend.

Daarnaast probeer ik, vertrekkend van het huishoudelijk werk — en hier komt opnieuw de kwestie van herverdeling naar voren — alles te belichten wat te maken heeft met de hoge kosten van levensonderhoud. Wanneer vrouwen uit de beweging van de Gele Hesjes zich bijvoorbeeld mobiliseren omdat zij geen kerstcadeau meer kunnen kopen voor hun kinderen, bevinden we ons midden in een crisis van de sociale reproductie. Zij stellen zowel de duurzaamheid van kapitalistische samenlevingen als de waardering van hun reproductieve arbeid ter discussie. Vandaag maken besparingsmaatregelen, commercialisering en precariteit het steeds moeilijker om te blijven geloven dat onze kinderen het beter zullen hebben dan wij en onze ouders. Opnieuw bevinden we ons in een crisis van de sociale reproductie: we slagen er niet meer in de eindjes aan elkaar te knopen.
Daarom plaats ik mobilisaties tegen het ‘dure leven’ binnen bredere mobilisaties rond arbeid, en in het bijzonder rond onbetaalde huishoudelijke arbeid. Dit fenomeen is allerminst nieuw. Sommige historica’s beschreven het al in de negentiende eeuw, toen huisvrouwen — de ‘ministers van Financiën van het gezin’ — vaststelden dat het financieel niet langer houdbaar was, en in actie kwamen. Andere historici verwijzen naar de achttiende eeuw, tijdens de zogenaamde broodrellen tegen grootgrondbezitters. We vergeten bovendien vaak dat de opstanden van 1917 in Rusland werden geïnitieerd door de arbeidsters van Petrograd, eveneens uit protest tegen de hoge levensduurte. Omdat zij zowel arbeidsters waren als moeders die hun gezinnen moesten voeden, kwamen zij in opstand tegen het dure leven.
Er bestaan talloze voorbeelden van dit fenomeen, maar ze zijn grotendeels uit het militante geheugen verdwenen. Lange tijd werden strijdbewegingen tegen het dure leven immers afgedaan als protesten van ‘huisvrouwen’, terwijl zij in werkelijkheid de kern vormden van een groot aantal sociale mobilisaties.
Apolline Dupuis: In Mobilisées schrijft u over de periode na 2010: “De nieuwe feministische dynamiek zorgt voor een herconfiguratie van sociale bewegingen, wat een keerpunt lijkt te zijn in de geschiedenis van het volksprotest.”7
Fanny Gallot: In Frankrijk zien we sinds de jaren 2010 een toegenomen zichtbaarheid van de strijd van vrouwen, met name van vrouwen van kleur en van vrouwen uit sectoren waarvan mobilisatie vroeger als onwaarschijnlijk werd beschouwd: manicures, kamermeisjes, enzovoort. De hernieuwing van het feministische protest heeft een duidelijk effect gehad op de ontwikkeling van deze mobilisaties, een dynamiek die door de covidpandemie nog werd versterkt.
De pandemie heeft het politieke bewustzijn vergroot en geleid tot een vermenigvuldiging van acties van vrouwen in zogenoemde ‘essentiële beroepen’, die betere arbeidsomstandigheden en lonen eisten.
Tijdens de mobilisaties van de Gele Hesjes hoorde men nog vaak de verbaasde reacties als: “Als vrouwen zich beginnen te mobiliseren, dan moet de situatie wel extreem ernstig zijn.” Maar sinds de Gele Hesjes en covid is dit soort commentaar grotendeels verdwenen, juist omdat deze vormen van protest veel zichtbaarder zijn geworden.
Een ander opmerkelijk voorbeeld is het moment waarop Sophie Binet, voorzitster van de Franse Algemene Arbeidsconfederatie (CGT: Confédération générale du travail) , besliste om met de volledige confederatie de mobilisatie bij Franse kledingbedrijf Vertbaudet in Marquette-lez-Lille te ondersteunen. De werkneemsters daar gingen in staking vanwege de slechte arbeidsomstandigheden en de lage lonen, die het onmogelijk maakten om de stijgende levensduurte bij te houden.8 Dat bleef niet zonder gevolgen: er werden belangrijke overwinningen geboekt, waaronder loonsverhogingen en een herziening van de loonschalen.
Kortom, na 2010 voltrekt zich een samensmelting tussen de hernieuwde feministische mobilisatie rond de staking, de #MeToo-beweging, de strijd tegen seksistisch en seksueel geweld en de bredere sociale mobilisaties. Bovendien zagen we duidelijke convergenties, onder meer tijdens acties van de Gele Hesjes, de mobilisaties tegen de pensioenhervorming en de acties van de feministische organisatie de ‘Rosies’.
Apolline Dupuis: Het vakbondskamp en het feministische kamp staan al lange tijd kritisch tegenover elkaar: de eerste bekritiseert de feministische beweging dat zij de herverdelingskwesties voorbijgaat, het tweede bekritiseert de vakbondsbeweging omdat zij zich uitsluitend op de economische dimensie zou richten. Kunnen we vandaag spreken van een weg naar verzoening?
Fanny Gallot: In elk geval is er steeds meer dialoog. Het collectief Les Inverti·e·s bijvoorbeeld, een marxistisch “trans-pédé-gouines”-collectief, belichaamt deze dialoog rond reproductieve arbeid. Onder de recente publicaties kan ook het nieuwste boek van Sophie Noyé worden vermeld, Pour un féminisme matérialiste et queer9.
Door beide kampen tegenover elkaar te plaatsen, verlammen we onszelf. Het is belangrijk om deze vraagstukken op een materiële basis te benaderen, om zo een gemeenschappelijke grond te creëren. In Mobilisées gaat het mij niet om erkenning vanuit een identitair perspectief, maar om professionele erkenning. En professionele erkenning is onlosmakelijk verbonden met herverdelingsvraagstukken: die twee zijn niet van elkaar te scheiden.
Wat mij ook fundamenteel lijkt, is om zowel etnisch-raciale vraagstukken als LGBTQIA+-kwesties te integreren — zonder te uniformiseren uiteraard — én tegelijk na te denken over de organisatie van arbeid en de manier waarop die gedeelde ervaringen vormgeeft. De analyse van reproductieve arbeid lijkt mij een geschikt instrument om die verbindingen tot stand te brengen. Vandaag bestaan er al bruggen. Of de beweging zich daadwerkelijk in die richting zal ontwikkelen, blijft echter moeilijk in te schatten.
Apolline Dupuis: In de literatuur hebben tal van auteurs de fundamentele bijdrage van de feministische beweging aan de vakbondsbeweging bestudeerd. Maar omgekeerd: wat draagt de vakbondsbeweging bij aan de feministische beweging?
Fanny Gallot: We moeten waarschijnlijk beginnen met te zeggen dat de feministische beweging van de jaren 1970, althans in Frankrijk, aanvankelijk ontstond in het kielzog van radicaal links, dat in meerdere of mindere mate verbonden was met de vakbondsbeweging. Binnen de feministische beweging leidde dat tot verschillende stromingen en sensibiliteiten, zoals de zogenoemde ‘klassenstrijd’–tendens, die daadwerkelijk vakbondswerk verrichtte in bedrijven.
Men vergeet dat de opstanden van 1917 in Rusland werden ontketend door de arbeidsters van Petrograd, eveneens als protest tegen de stijgende levensduurte.
Hoewel deze tendens het kapitalisme en patriarchaat op theoretisch niveau met elkaar verbond, bestond de dagelijkse praktijk vooral uit het organiseren van vrouwen in de wijken en op de werkvloer. Dit mondde onder meer uit in de oprichting van de Beweging voor Vrije Abortus en Anticonceptie (MLAC: Mouvement pour la liberté de l’avortement et de la contraception) in bepaalde fabrieken, bijvoorbeeld bij Renault Billancourt.
Aan beide kanten vindt vandaag een wederzijdse toenadering plaats. Recent werd in Frankrijk La Syndicale opgericht, met precies dat doel voor ogen: een vakbond voor reproductieve arbeid, mede opgericht door onder anderen Nina Faure. Dat initiatief vloeit ook voort uit het feit dat de klassieke vakbonden moeite hebben om een benadering te integreren die rekening houdt met reproductieve arbeid.
Er gaapt een kloof tussen feministische activisten en vakbondsmilitanten. Precies daarom is deze alliantie zo cruciaal: een feministische massastaking is onmogelijk zonder de vakbonden. Vakbonden blijven vandaag immers nog steeds massaorganisaties. Wanneer zij hun volle gewicht in de schaal leggen om de organisatie van de feministische staking te ondersteunen, vormt dat een bijzonder krachtige hefboom.
In een eerder boek, Féminismes dans le monde: 23 récits d’une révolution planétaire10, blikken Pauline Delage en ik terug naar tal van feministische ervaringen, zoals in Zwitserland, waar de feministische aanvankelijk zelfs vanuit de vakbonden zelf werd gelanceerd, door feministische vakbondsmilitanten. Om tot zo’n alliantie te komen, moeten feministische groepen er bovendien in slagen pedagogisch werk te verrichten binnen de vakbonden — ondanks de seksistische praktijken waarmee vakbondsvrouwen zelf als eersten geconfronteerd worden.
Apolline Dupuis: Welke vooruitzichten ziet u voor vrouwen binnen de sociale strijd in de huidige context van Europese besparingen, de opkomst van extreemrechts, militarisering en oorlog, en de aanvallen op vrouwenrechten door rechtse regeringen?
Fanny Gallot: Als we het protest de-androcentreren, als we experimenteren met andere manieren om de feministische beweging en de vakbondsbeweging te organiseren, dan ligt er een belangrijke uitdaging in het herdenken van het begrip klasse. Het gaat erom klasse opnieuw te definiëren op basis van arbeidsters en arbeiders die actief zijn in de sociale reproductie: met andere woorden, om klasse als politieke categorie op deze materiële basis te herdenken. Ik beweer niet dat dit dé oplossing is — dat zou pretentieus zijn — maar laat ons zeggen dat het van groot belang is dat dit idee meer ingang vindt.
Na 2010 ontstaat er een wisselwerking tussen de vernieuwing van de feministische contestatie rond de staking, rond #MeToo en rond de kwestie van seksistisch en seksueel geweld.
Momenteel heerst er in Frankrijk een sterke mobilisatiedynamiek. Deze zomer was er een bijzonder krachtige protestbeweging, die op indrukwekkende wijze groeide en opriep om “alles te blokkeren op 10 september” tegen de regering-Bayrou. Het plan-Bayrou vormt opnieuw een aanval op de sociale reproductie. De feministische beweging en de vakbondsbeweging moeten daarom hun strategie gezamenlijk uitdenken om collectief te kunnen reageren op de verschillende aanvallen op de sociale reproductie die vandaag overal ter wereld plaatsvinden.
Apolline Dupuis: In België zien we grootschalige mobilisaties tegen de hervormingsplannen van de federale Arizona-regering en de regionale hemelsblauwe coalities. In het bijzonder is er de hervorming die mensen tot 67 jaar wil laten werken, gekoppeld aan de invoering van een ‘pensioenmalus’ en dus aan de verlenging van loopbanen, ook voor beroepen die tot nu toe als zwaar werden beschouwd. In Frankrijk waren er in 2019 eveneens historische betogingen tegen de pensioenhervorming. Welke rol speelden vrouwen daarin?
Fanny Gallot: Toen de Franse regering in 2019 haar voorstel voor een puntenpensioenstelsel presenteerde, benadrukte zij dat vrouwen ‘de grote winnaars’ zouden zijn. Deze leugen van de politieke klasse versnelde net de mobilisatie van vrouwen en feministen. Een eerste grote bijeenkomst werd al in december georganiseerd door een brede coalitie van vakbondsorganisaties, ATTAC (Association pour la taxation des transactions financières et pour l’action citoyenne), het Collectif national pour les droits des femmes en andere organisaties.
Het was ook van hieruit dat de Rosies hun eerste flashmob lanceerden, naar het voorbeeld van het collectief LasTesis, dat met dergelijke acties protesteerde tegen schendingen van vrouwenrechten in Chili — een bewijs van een zekere internationale circulatie van feministische actievormen. Deze grote bijeenkomst en de acties die erop volgden zorgden voor een duidelijke toonverandering in de betogingen van 2020: de feministische kwestie kwam centraal te staan en de regering kon haar hervorming onmogelijk nog voorstellen als een vooruitgang op het vlak van vrouwenrechten.
Daarna volgde de covidcrisis, die het essentiële werk van vrouwen zichtbaar maakte. Maar in werkelijkheid zien we sinds de jaren 2000 al een sterke toename van feministische interventies in de context van de opeenvolgende Franse pensioenhervormingen. In 2003 publiceerden leden van de Intersyndicale Femmes een opiniestuk tegen de hervorming: ‘Vrouwen zullen een hoge prijs blijven betalen!’ Sindsdien worden de specifieke gevolgen van deze hervormingen voor vrouwen telkens sterker benadrukt. 11 12
Een klassieke algemene staking die enkel de werknemers meetrekt, laat al de onbetaalde en huishoudelijke arbeid buiten beschouwing die noodzakelijk is voor de reproductie van de arbeidskracht.
Het belang van vrouwenkwesties in relatie tot pensioenen is echter pas vrij recent echt geëxplodeerd. Sinds 2023 wint de feministische benadering van de pensioenhervorming duidelijk terrein. Feministische thema’s hebben het mediadebat overspoeld: de gefragmenteerde loopbanen, het deeltijdwerk, de pensioenongelijkheid van 40 procent tussen vrouwen en mannen. Deze toegenomen zichtbaarheid van een feministische benadering van pensioenen heeft bijgedragen aan een deandrocentrische kijk op arbeid, doordat expliciet werd gemaakt dat vooral onbetaald huishoudelijk werk en lage lonen vrouwen benadelen.
Dit alles hangt nauw samen met de kapitalistische en patriarchale logica die reproductieve arbeid structureel dekwalificeert. Dat is een eerste belangrijk element. Een tweede belangrijk element verschijnt in 2023: verschillende LGBTQIA+-groepen — waaronder Les Inverti·e·s — maken zich de pensioenvraag eigen vanuit het perspectief van reproductieve arbeid. Op Médiapart verscheen een opiniestuk over de gevolgen van Macrons pensioenhervorming voor genderminderheden, van wie de reproductieve arbeid, door hun vaak precaire beroepsinschakeling, bovendien grotendeels onzichtbaar blijft.13 Dat leidde tot de vorming van enkele Pink Blocs tijdens straatmobilisaties, met de boodschap: ‘Onze identiteiten zijn materieel.’
Apolline Dupuis: Zijn er historische voorbeelden van vrouwenbewegingen die zich hebben verzet en een belangrijke rol hebben gespeeld in de strijd voor vrede?
Fanny Gallot: Ik raak dit thema kort aan in Mobilisées. Na de Tweede Wereldoorlog speelden de Union des femmes de France, de vakbonden van de bewoners en families, evenals het sociaal katholicisme, een sleutelrol in de vredesbeweging. Hun boodschap luidde: ‘Bescherm onze kinderen’. En dat is niets nieuws: dit was al een van de centrale kwesties tijdens de Moedersstaking of de staking van de buiken vóór 1914, namelijk de weigering om ‘kanonnenvoer’ te produceren. 14
Het is een thema dat regelmatig terugkeert in de geschiedenis. Op 20 oktober 1961 gingen vrouwen in Frankrijk opnieuw de straat op, opnieuw met het doel hun kinderen te beschermen. Het is de sociale reproductie die hen ertoe aanzet zich voor vrede te mobiliseren.
Een ander belangrijk aspect is de manier waarop oorlogen het onbetaalde werk van vrouwen op massale schaal inzetten. Daar komen we op terug in een collectief onderzoek met Giulia Mensitieri, Eve Meuret-Campfort en Maud Simonet, over de productie van mondmaskers tijdens de lockdown. 15
Alle dimensies die we zojuist hebben aangeraakt, lijken me vandaag bijzonder cruciaal. Het onvermogen om de eindjes aan elkaar te knopen, de dekwalificatie, maar ook de vraag naar de bewoonbaarheid van de planeet zijn allemaal kwesties van sociale reproductie. Ze staan centraal in de huidige mobilisaties, en hun toe-eigening zou wel eens een sleutelrol kunnen spelen in de strijd tegen extreemrechts.
Footnotes
- Maud Navarre, “Fanny Gallot,Mobilisées! Une histoire féministe des contestations populaires », Lezingen[Online], Les comptes rendus, online 28 juli 2024, geraadpleegd 24 december 2025. URL: http://journals.openedition.org/lectures/65197 ; DOI : https://doi.org/10.4000/123ri
- Joan W. Scott, “Le ‘lourd passé’ du féminisme”, in De l’utilité du genre, Parijs, Fayard, 2012, p.210.
- Feinte, R. en Gallot, F. 2024 Des épouses solidaires ? Reproduire le travail gréviste en situation de désindustrialisation (1975-1980) Politix, 148(4), 69-92. https://doi.org/10.3917/pox.148.0069.
- Fraser (L), “Femmes, genre et mouvement ouvrier en France auxXIXe etXXe siècles: bilan et perspectives de recherche”, Clio, 3, 1996.
- IHS CGT, « La solidarité en temps de grève », Le fil Rouge. Revue de l’IHS de Seine Maritime, 2021.
- Loiseau (D.), Femmes et militantismes, Parijs, L’Harmattan, 1996, p.143.
- Fanny Gallot, Mobilisées, p.267
- HSolidariteit met de arbeiders van de Vertbaudet-vestiging in Marquette die vechten voor fatsoenlijke arbeidsomstandigheden – Lage lonen en minachting voor de baas op de koop toe – CGT Ville de Lille ;
- Les Inverti.e.s – Manifeste en Pour un féminisme matérialiste et queer – LA DISPUTE
- Féminismes dans le monde : une révolution en cours – Cause commune
- « De 1995 à aujourd’hui : la place des femmes dans les mobilisations contre les réformes des retraites”, Interview met Annick Coupé, uitgevoerd door Rachel Silvera, in Le genre au travail. Recherches féministes et luttes de femmes, onder redactie van Nathalie Lapeyre, Jacqueline Laufer, Séverine Lemière, Sophie Pochic en Rachel Silvera, Syllepse, 2021.
- Raphaëlle Besse Desmoulières, « Retraites : la voix des femmes résonne dans le mouvement social », le Monde, 9 mars 2020
- Pour une retraite radieuse des LGBTI | Le Club
- Grève féministe : éléments pour une généalogie – CONTRETEMPS
- Aux masques citoyennes ! Mélange des genres productifs en régime d’« exception » – Salariat

