Artikel

De waanbeelden van de ‘womenomics’

Christa Wichterich

— 1 juli 2018

De integratie van de vrouwen op de arbeidsmarkt leidde niet tot een grote gelijkheid tussen de seksen. Ze verloopt contradictoir binnen een spectrum van emancipatorische, neoliberale en conservatieve waarden.

Huishoudelijk werk, loongelijkheid, het klein aantal vrouwen op leidinggevende posten, de erkenning van seksarbeid als beroep … op al die domeinen wilden progressieve feministen de marxistische blindheid voor de genderproblematiek doorbreken, de redenering van de hoofd- en de secundaire tegenstelling onderuit halen en sekse als bron van ongelijkheid in het kapitalisme zichtbaar en bespreekbaar maken. Maar de aandacht van de onderzoekers voor een feministisch-economisch perspectief heeft geleid tot een bizar verbond tussen neoliberale en feministische doelstellingen1 enerzijds en nieuwe denkrichtingen die door vrouwen werden ontwikkeld in transnationale waarde- en zorgketens anderzijds.

Verhaal 1.
Engels en emancipatie via loonarbeid

Toen vrouwen in de jaren 1980 in de hele wereld steeds meer loonarbeid begonnen te doen, leek de stelling van Engels dat de emancipatie zou verlopen door de integratie in de arbeidsmarkt, realiteit te worden. Jonge vrouwen uit landelijke gebieden in Noord-Afrika, Oost- en Zuidoost-Azië evenals in Centraal-Amerika vonden een baantje en een inkomen in de exportgerichte productiesectoren van textiel, schoenen en IT-onderdelen.
Daarmee werden ze meteen ‘bevrijd’ uit de doorgaans armoedige en patriarchale voorwaarden van de overlevingslandbouw en geïntegreerd in een stedelijke economie van loonarbeid en van geld, die de vrouwen onderwierp aan de industriële dwangverhoudingen van productiviteit, concurrentie en vervreemding.

Daar ontstonden op sekse gerichte productiesystemen, die men naderhand transnationale waardeproductieketens ging noemen. Ze stoelen op een grote pool van vrouwelijke arbeidskrachten die het voordeel boden goedkoop, handig en niet-gesyndiceerd te zijn. Die ontwikkeling ging gepaard met de evolutionaire idee over modernisering waarin de groeiende participatie van vrouwen aan het arbeidsproces een wereldwijde trend naar gendergelijkheid zou doen ontstaan, die ook hun kansen op emancipatie voortdurend zou vergroten.

De vervrouwelijking van de tewerkstelling is in de verschillende werelddelen evenwel helemaal niet parallel verlopen: terwijl de arbeidsparticipatie van vrouwen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied tussen 1990 en 2015 steeg van 40% tot 54%2, daalde ze in het Verre Oosten van 68 naar 62%, in Oost-Europa van 54% naar 50% en wereldwijd van 52,4% naar 49,6%.3 Deze statistieken omvatten wel alleen de formele tewerkstelling en dus niet de arbeid in de informele sector, van de kleine boerin tot de straatverkoopster, van de dienstbode tot de seksarbeidster.

Feministische wetenschappers discussieerden of er in zo’n context van uitbuiting en informalisering wel van emancipatiewinst kan gesproken worden, bijvoorbeeld in de boomende kledingindustrie. De balans: de stijging van het aantal door vrouwen uitgeoefende jobs, de aanzienlijke bijdrage van vrouwen aan de groei van het bruto binnenlands product en de stijgende productiviteit hebben niet geleid tot lonen met bestaanszekerheid, tot arbeidsrechten of tot sociale zekerheid.

Het slechtst zijn de lonen en arbeidsvoorwaarden in informele werkplaatsen en ongereguleerde sweatshops zoals in het Rana Plaza in Bangladesh. De instorting in 2013 van deze fabriek met haar 1.126 dodelijke en 2.500 zwaargewonde slachtoffers is uitgegroeid tot het tragische symbool van het structureel geweld van het transnationale productiesysteem. De instorting van Rana Plaza was een systemisch gevolg van een op groei en kostenbesparing gerichte transnationale industrie waar de risico’s en de schade afgewenteld worden op de onderste trap van de waardeproductieketen. Bij deze productievoorwaarden hoort ook het met geweld onderdrukken van elke poging tot organisatie van de arbeid(st)ers en van hun streven naar betere loon- en arbeidsvoorwaarden.

Verhaal 2.
De vrouwvriendelijkheid van het neoliberale kapitalisme

In 2010 stelde de bekende Amerikaanse columniste Hannah Rosin zich de vraag: “Zou het kunnen dat de moderne, postindustriële economie vrouwvriendelijk is in plaats van manvriendelijk?”.4 De aanleiding was dat sinds de financiële crisis van 2008/09 de VS-statistieken voor het eerst meer werkende vrouwen telden dan werkende mannen.

Volgens Rosin wees zulks op het einde van de mannelijke kostwinner, op een rolomkering en op een “falend patriarchaat”. Deze interpretatie van de verhoudingen tussen de seksen sluit aan bij de traditie van empowerment van vrouwen via loonarbeid en inkomen. Voor het eerst werden de vrouwen gezien als de winnaars van de crisis, omdat de crisis in het noordelijk halfrond vooral veel mannenjobs had vernietigd, terwijl in het zuidelijk halfrond, net als in vroegere crisissen, de vrouwen harder getroffen werden. Het algemene kader voor een dergelijke verschuiving in de tewerkstelling was toe te schrijven aan de de-industrialisering in tal van landen, aan het slinkend aantal jobs in de steeds meer gemechaniseerde landbouw en aan een “boom” van de dienstensector waar meer dan 60% van alle actieve vrouwen werk hadden gevonden.

Het ‘ inclusieve liberalisme ’ bracht voor de vrouwen overwegend deeltijdse arbeid in de informele en huishoudelijke sector.

In deze context slonk het tewerkstellingspercentage van mannen over de jongste twintig jaar van 80 naar 76%.5 Daartegenover stond dat de vervrouwelijking van de tewerkstelling al sinds de jaren 90 gepaard ging met het succes van de neoliberale principes van deregulering en flexibilisering van de arbeidsmarkten. Flexibilisering creëert jobs en verfraait de statistieken over de arbeidsmarkt. Van de deregulering van de markt en ook van de flexibilisering en de informalisering van de arbeidsverhoudingen wordt gezegd dat ze bevorderlijk zijn voor de maatschappelijke integratie, de openstelling van bepaalde marktsegmenten voor uitgeslotenen en marginalen, voor armen, inheemse bevolkingsgroepen, arbeidskrachten in de informele sectoren en mensen die vallen onder de overlevingseconomie.

Deze nieuwe kant van het neoliberalisme, het ‘inclusieve liberalisme’6 bracht voor de vrouwen mee dat ze op wereldniveau overwegend informeel, deeltijds en in geringe mate werkzaam zijn, dikwijls als helpende familieleden. In de EU maken vrouwen 75% uit van de laagbetaalde en vaak ook van de sociaal slechtst beschermde deeltijdse of occasionele arbeidskrachten. Precies de dienstensector is in hoge mate flexibel, informeel en georganiseerd als uitzend- en gelegenheidsarbeid of onderaanneming. De loonarbeid is er dan ook precair.

Het klopt dat de werkgelegenheid in de dienstensector, het onderwijs en de zorg de crisis beter doorstaan heeft dan in de bouw en de banken. Feit is wel dat de jobs van vrouwen in de administratie en in de sociale sector bedreigd worden door het besparingsbeleid, de inkrimping van de overheidssector en de privatisering. De industriegolf 4.0 en de daardoor ingezette automatisering en digitalisering rationaliseert nog meer jobs weg. Tegenover de vrouwen wordt dit alles voorgesteld als een nieuwe horizon voor het evenwicht tussen werk- en privé, met name door nog meer flexibilisering rond tijd en ruimte, bijvoorbeeld door het zogenaamde crowdworking.

Naast de structurele vrouwvriendelijkheid door de flexibilisering en gerichtheid op de diensten propageerden tijdens de crisisjaren tal van multilaterale instellingen zoals de Wereldbank, het Economisch Wereldforum van Davos, de Verenigde Naties en de EU de gelijkheid tussen mannen en vrouwen als strategie om het concurrentievermogen en de groei te maximaliseren.

Het waanbeeld dat de vrouwen als menselijk kapitaal tot dusver onderbenut zijn en dat ze voortaan beter benut moesten worden met het oog op de verhoging van de productiviteit, werd al in 2007 door de Wereldbank als concept opgenomen in haar Gender Action Plan, namelijk empowerment van de vrouwen door integratie in de arbeidsmarkt. Het ging de Wereldbank daarbij niet om vrouwenrechten. Met haar trendy vergelijking van gendergelijkheid als smart economics en van de vrouwen als nieuwe en fitte marktsubjecten maakt ze efficiëntie, groei en rendabiliteit tot universele maatstaven voor Empowerment.7

Dat alles wordt geprezen als win-winoperatie en bevorderlijk voor arbeidsmarktkansen van vrouwen. Tijdens de crisis verwierf de Wereldbank met dit groeibeleid een hegemonie inzake ontwikkeling en genderpolitiek ten koste van de doelstellingen inzake mensenrechten en gelijke rechten voor vrouwen.8 Dit offensief van vrouwvriendelijkheid wordt ondersteund door grote ondernemingen, van Coca Cola tot Exxon. Steeds vaker willen ze in samenwerking met VN-instellingen ondersteuningsprogramma’s uitwerken voor vrouwen en steeds meer ook voor meisjes. Goldman Sachs wil 100.000 vrouwen voorbereiden op een carrière in de business door ‘wo­menomics training’ en kredietverlening. De Nike Foundation pleit met een Girl Effect-campagne en Walt Disney met Pink Princess voor investeringen in meisjes van wie wordt verondersteld dat ze als ‘opkomende markten’ en als toekomstige ondernemers de economie zullen aanzwengelen.9 10

Verhaal 3.
Kloven overbruggen, inhalen en egaliseren

De verschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt worden getypeerd door een kloof in de tewerkstelling en de jobkwaliteit, een loon- en pensioenongelijkheid, een ongelijke verdeling van de zorgtaken en de leidende posities en een ongelijke toegang tot grondstoffen en technologieën. Centraal staat wereldwijd een tewerkstellingskloof tussen mannen en vrouwen van 26% (onveranderd sedert 20 jaar) en een gemiddelde loonkloof van 23%. Op plaatsen waar de loonkloof afneemt, is dat niet noodzakelijk het gevolg van stijgende vrouwenlonen, maar soms van afnemende mannenlonen.

Japan, Zuid-Korea en Rusland behoren tot de landen met de hoogste genderspecifieke loonkloof van meer dan 30%. Volgens een prognose van de Internationale Arbeidsorganisatie11 zal de zogenaamde genderloonkloof tegen het huidige tempo pas over 75 jaar worden gedicht. Binnen de EU bestaat een alarmerend pensioenverschil van 39% met als gevolg dat oudere vrouwen een hoog armoederisico kennen.

Omdat de loopbaan bij mannen meer en meer discontinu wordt en jonge mannen momenteel het hardst door werkloosheid zijn getroffen, zullen in de toekomst de pensioenrechten van mannen dalen. Waardoor het tot een neerwaartse nivellering kan komen.

De kloven zijn ook het gevolg van een genderspecifieke marktsegmentering, waarbij bepaalde beroepen en sectoren als vrouwelijk of mannelijk gelden, wat merkbaar wordt in de waardering en de verloning. Wat bovendien opvalt is dat de loonverschillen in hooggekwalificeerde en goedbetaalde jobs groter zijn dan in de lagere loongroepen. Hoewel het verschil in opleiding en diploma veranderd is ten gunste van de meisjes en de vrouwen, heeft die trend nog geen gevolgen op de arbeidsmarkt en het beroep.

Volgens de IAO is de beroepsactiviteit van vrouwen aan de onderkant beperkt tot een ‘kleverige bodem’ gekarakteriseerd door precaire jobs en slecht betaalde baantjes, en aan de top door het glazen plafond dat doorstroming van vrouwen naar topfuncties belemmert. De IAO bestempelt bijna de helft van de tewerkstelling wereldwijd als precair, dat wil zeggen zonder een loon met bestaanszekerheid en zonder sociale zekerheid. Globaal gezien behoren de vrouwen buiten proportie tot de working poor, namelijk tot de mensen die ondanks een beroepsactiviteit arm blijven.

In de Westerse landen bleef de gendergelijkheid de jongste jaren gefocust op vrouwen in leidinggevende of beleidsfuncties. Op wereldniveau steeg het aantal vrouwen in leidinggevende functies lichtjes tot 23%. Van de 500 bedrijven op de Fortune-lijst had in 2016 maar 10,9% vrouwelijke leidinggevenden en maar 13 bedrijven hadden een vrouw aan de top. Opmerkelijk is dat de rijke landen uit het Noorden onder het gemiddelde liggen en dat Japan en Duitsland veel slechter scoren dan bijvoorbeeld Turkije.

Rusland staat op kop met 43%, gevolgd door China en andere Oost-Europese en Zuidoost-Aziatische landen. Een politieke mijlpaal werd gehaald toen Noorwegen een vrouwenquotum van 40% oplegde voor alle beursgenoteerde ondernemingen. Meestal kanten de ondernemingen zich tegen verplichtende reguleringen en beloven ze beterschap op vrijwillige basis, wat dan zonder gevolg blijft.

Op plaatsen waar de loonkloof afneemt, is dat niet noodzakelijk het gevolg van stijgende vrouwenlonen, maar soms ook van dalende mannenlonen.

Naast de specifieke loonkloof volgens klasse en gender bestaan er ook loonverschillen tussen de migranten en de inheemse bevolking. Daarbovenop zijn moeders op de arbeidsmarkt qua bezoldiging frappant benadeeld in vergelijking met kinderloze vrouwen, vooral in Polen, waar het gezin een belangrijke plaats inneemt. Dit ondanks het feit dat veel EU-landen beleidsmaatregelen ingevoerd hebben ter ondersteuning van moeders en alleenstaande ouders. Met groei en competitiviteit als oogmerk bepleit de EU immers een neoliberaal arbeidsmodel voor volwassenen: iedere volwassene moet aan het werk zijn.

Ook in het Wereldontwikkelingsrapport 2012 over gendergelijkheid staan loonkloven centraal, want volgens de commerciële logica van de Wereldbank moeten de kloven verdwijnen omdat ze de groei hinderen. De focus op de kloven is als een tunnelvisie op ongelijke verhoudingen, die daarin losstaan van de economische randvoorwaarden en de plaatselijk en cultureel uiterst verschillende genderverhoudingen.

Vanuit een ongelijkheidsperspectief zijn de vrouwen de verliezers, gediscrimineerd en slachtoffer. Kwetsbaarheid door armoede of onvoldoende weerstand tegen armoede worden meestal aan de sekse toegeschreven en zelden aan de klasse. De analyse van de loonkloven brengt de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en de uitsluiting van de vrouwen aan het licht. Dat is wat vrouwenorganisaties altijd gevraagd hebben. Maar het wegwerken van de ongelijkheden in de toegang tot de arbeidsmarkt is uiterst ambivalent en paradoxaal.

Zo streeft de Wereldbank over de hele wereld kleine boerinnen empoweren door ze toegang te verlenen tot moderne landbouwmethoden zoals het gebruik van chemische meststoffen en industrieel zaad. Traditioneel was het de rol van de boerinnen hun eigen zaadmateriaal te vermeerderen en te ruilen om zodoende hun voedselsoevereiniteit te behouden en bij grote ondernemingen geen duur hybride zaaigoed te moeten kopen. In plaats van de kleinschalige bijdrage van vrouwen aan de voedselveiligheid naar waarde te schatten en met steunmaatregelen te bevorderen, leidt deze vorm van assimilatie ertoe de economische structuur van de landbouw verandert in een door de grote bedrijven gestuurde agro-industrie.

Verhaal 4.
Extractivisme van huishoudelijke arbeid

In alle internationale programma’s voor gelijkheid van de Wereldbank of de IAO duikt na jarenlang aandringen van de feministen in het debat over het huishoudelijk werk het begrip zorgwerk op — werk in de zorg en zorgeconomie — als een belangrijke economische factor. Zonder zorgwerk, dit wil zeggen het zorgen voor, het verzorgen en beschermen van mens en natuur, is de sociale reproductie van samenlevingsmodellen en het functioneren van de markten onmogelijk. Er bestaat een fundamentele contradictie in de kapitalistische accumulatie in de zin dat uitbreiding en groei de levende rijkdommen in mens en natuur overbenutten en vernielen. Daarom zijn crisistoestanden in de sociale reproductie een permanent verschijnsel.12

Goldman Sachs wil 100.000 vrouwen voorbereiden op een carrière door ‘ womenomics training ’ en kredietverlening.

Het perfide aan het systeem is dat de markt en ook de politiek zorgarbeid voorstellen als van nature vrouwelijke vaardigheden die je tot in het oneindige kunt opvoeren. De zorgeconomie is zowel rijkdom als een bron van energie voor de markten, maar wordt tegelijkertijd ingezet om de sociale kosten en risico’s af te wentelen en te individualiseren. In crisistoestanden, bij sociale afbraak en in hun besparingspolitiek nemen de staten hun toevlucht tot on- of onderbetaalde zorgarbeid om reproductiekosten uit de begroting van de sociale zekerheid te halen en om sociale, economische en milieuproblemen zo zuinig mogelijk te beheren.13

Werk in de zorg wordt meer en meer beschouwd als loonarbeid, maar wordt slecht gewaardeerd en slecht betaald. En het feit dat de zorg loonarbeid is geworden, betekent niet dat hij nu meer gewaardeerd wordt. Doordat de zorg in de economische sfeer is gekomen, is de marktlogica van efficiëntie, rationalisering en concurrentie binnengedrongen in de intieme sectoren die tot dan non-profit waren, en overheerst die de zorglogica van het zorgen voor, de sociale relatie en het werken op een eigen tempo. Voorbeeld: modules in de ouderenzorg. Feministische economen beschouwen de voortdurende aanwending en de uitbuiting van zorgarbeid — in het kort zorgextractivisme14 — als het centralewerkingsmechanisme van het neoliberale kapitalisme en als een systematisch dominante structuur van de kapitalistische economie.15

Weliswaar trachten verschillende EU-landen, de Scandinavische landen op kop, mannen te betrekken bij de kinderopvang en de ouderenzorg door hen keuzemogelijkheden aan te bieden als (betaald) vaderschapsverlof of een familiale zorgverzekering. Tot dusver maken relatief weinig mannen daar gebruik van. Het probleem van de zogenaamde ondoenbare verzoening (van beroepsleven en zorgtaken) blijft een privékwestie en vooral een zaak van vrouwen en wordt zelden opgelost door openbare voorzieningen.

In plaats van de zorgtaken te herverdelen tussen mannen en vrouwen, zoals de feministen eisten, is men gekomen tot een herverdeling van de taken tussen vrouwen uit verschillende sociale klassen, bevolkingsgroepen en regio’s van de wereld. Terwijl in de metropolen vrouwen uit de middenklasse goed geschoold zijn en meer en meer een betaalde baan hebben, lossen huispersoneel, kindermeisjes, verpleegsters en bejaardenhelpster van vreemde origine in de crisis van de sociale reproductie de lacunes in het zorgsector van het noordelijk halfrond op. Transnationale zorgketens hevelen zorgcapaciteiten uit armere gezinnen over naar meer welgestelde en van armere landen naar welvarende (care drain). Hierdoor wordt een crisissituatie verlegd van Duitsland naar Polen en verder naar Oekraïne, wanneer een Poolse bejaardenhelpster haar zorgtaak overlaat aan een Oekraïense vrouw tegen een lager loon, die bij haar thuis dan weer een leemte.16 De vrouwen worden zo transnationale moeders. Het nationale en transnationale zorg–extractivisme speelt een beslissende rol in de oplossing van crisissen, maar blijft onder de radar van de politieke economie, terwijl het grondstoffen-extractivisme een belangrijke categorie is in de politieke economie, vooral sinds linkse regeringen in Latijns-Amerika tijdens de crisis zijn overgegaan tot een overexploitatie van bodemrijkdommen om met de opbrengst hiervan sociale programma’s te financieren.

Zorgarbeid plaatst de erkenning ervan op de politieke agenda. Over de hele wereld klagen vrouwen dat de onbetaalde arbeid voor het eigen gezin, de familie en de gemeenschap te weinig wordt gehonoreerd en als betaalde arbeid amper betaald wordt. Overal strijden huisbedienden voor hun erkenning als volwaardige werkneemsters, want alleen dan kunnen ze aanspraak maken op arbeidsrechten, sociale zekerheid en verenigingsrecht. Dankzij een internationale campagne, die ze zelf georganiseerd hadden, verkregen ze in 2011 bij de IAO een voor hen specifieke conventie, de conventie nr. 189 over het recht op waardig werk. De voorbije jaren draaiden vele stakingen en betogingen in de dienstensector precies rond dit gebrek aan waardering en aan kwalitatieve jobs. De kinderverzorgsters van de Duitse KiTa’s kwamen in actie voor hogere lonen, maar ook voor een betere waardering van hun werk.

Bejaardenhelp(st)ers eisten meer waardering en een verlichting van de zorgmodules. Het verplegend personeel en de artsen van het Berlijnse Charité-ziekenhuis zijn in die mate overbelast dat ze geen kwalitatieve zorg meer kunnen aanbieden. Hun strijd toont aan dat de voorwaarden van de neoliberale markt een kwaliteitsvolle arbeid in de nochtans boomende sector van de zorg en de dienstverlening aan personen onmogelijk maken. Ze illustreren ook dat in de context van de zorgeconomie nieuwe allianties mogelijk worden tussen werknemers, patiënten en consumenten.17 18

Terwijl de Wereldbank19 onbetaalde zorgarbeid van vrouwen vooral als een slecht bestede tijd- en arbeidsbelasting en als een hinderpaal voor bezoldigde tewerkstelling beschouwt, is werk in de zorgsector en zijn inherente logica van zorg, aandacht en samenwerking vanuit een feministisch-economisch perspectief een aanknopingspunt om de economie in haar geheel anders op te vatten. Aangezien er steeds minder productieve loonarbeid nodig is, moeten we de sociale, economische en ecologische betekenis van zorg politiseren met het perspectief van een goed leven voor iedereen.

Verhaal 5.
Dat ze koekebrood eten en bedrijven oprichten

De laatste twee decennia werden microkredieten ingezet als genderspecifiek instrument voor financiële marktinclusie, dat arme vrouwen inkomenskansen en armoedemanagement belooft. Overeenkomstig het model van de Grameen Bank van Nobelprijswinnaar Mohammad Yunus uit Bangladesh wordt de financiële inclusie gekoppeld aan loonarbeid en empowerment voor vrouwen. In zuidelijk Azië worden microkredieten haast uitsluitend aan vrouwen aangeboden omdat zij — in tegenstelling tot de mannen — een hoge aflossingsrendement van 90% halen.

Op grond van deze zekerheid ontstonden er in het zuidelijk halfrond commerciële instellingen voor microkredieten die arme vrouwen of vrouwengroepen aan hun voordeur microkredieten aanboden tegen een rentevoet van meer dan 30%. Deze firma’s verdringen de traditionele spaar- en kredietsystemen — zoals tontine, merry go round, revolving fund, sanghams — die in vele landen door de vrouwen zelf waren georganiseerd als burenhulp. Ze verdringen ook de door ngo’s gefinancierde zelfhulpgroepen die de vrouwen een startkapitaal verschaffen voor een ‘inkomsten genererende activiteit’ als zelfstandige, microbedrijf of minicoöperatieven.

De Peruviaanse econoom Hernando de Soto populariseerde het idee van microkredieten al in de jaren 80 als het kapitalisme van onderuit. Maar als het krediet dan al geïnvesteerd wordt, komt de hoop een lokaal kleinbedrijf op te richten niet altijd uit. Natuurlijk bestaan er individuele succesverhalen. Maar als vrouwen eieren verkopen, een eetstalletje openhouden, geneeskrachtige kruiden verzamelen of een kapsalon openen, leidt dit vaak — wegens het nabootsingseffect — tot een overaanbod en een moordende concurrentie, in plaats van tot een duurzame bron van inkomsten.20

Microkredieten dwingen armen tot het beheren van hun armoede, op eigen initiatief en met ondernemingszin.

Yunus ontwikkelde in Bangladesh sociale zakenprojecten met transnationale ondernemingen als Nokia, Danone, Adidas, Otto en BASF. Met hun kredieten financierden de vrouwen in hun dorp een handeltje in yoghurt, turnpantoffels en beltijd. Het Danoneproject was bedoeld om de huishoudelijke zelfvoorzieningseconomie in het dorp te verdringen, want in Bangladesh produceert elke vrouw haar eigen yoghurt. Ook in India fungeren vrouwen met hun franchisezaken op het platteland als voorhoede van de stedelijke consumptie-economie. Zij doen aan marktontsluiting voor de bedrijven, nemen afzetrisico’s over en concurreren met de producenten uit hun dorpsgemeenschap. In zuidelijk India biedt een kredietgroep in haar minisupermarkt als opstap naar een moderne consumptie alleen netjes verpakte producten van bedrijven aan. Kruiden, olie of medicinale planten die door dorpsvrouwen zijn geproduceerd, nemen ze niet in hun assortiment op, omdat ze niet ‘correct” verpakt zijn. Zo verdringen de kredietneemsters de plaatselijke economie en doen ze de vrouwenarbeid af als ongeschikt voor de markt. Daarmee nemen de ongelijkheden en de belangentegenstellingen onder de vrouwen toe.

Een meerderheid van de vrouwen gebruikt de kredieten niet voor productieve maar veeleer voor consumptieve doeleinden. Dikwijls worden eerst de schulden terugbetaald die het gezin of de man hadden bij de plaatselijke geldlener, die woekerrente van meer dan 50% verlangt. Dikwijls wordt het geld ook gebruikt voor dokterskosten voor een operatie en medicamenten of, in Zuid-Azië, voor het organiseren van bruiloften en het betalen van een bruidsschat. Arme mensen gebruiken de kredieten ook als compensatie voor de achteruitgang van staatshulp en de lage inkomsten op het platteland en financieren hun sociale reproductie op een hoger consumptieniveau. Milford Bateman21 noemt microfinanciering dan ook de “vernielende opkomst van het plaatselijke neoliberalisme”, dat de armen in de gelegenheid stelt de armoede op eigen initiatief en als ondernemer beter te managen.

Door een overaanbod aan kredieten die in het dorp worden verstrekt door verschillende commerciële kredietverleners komen heel wat vrouwen in een schuldenspiraal terecht: onder druk van de wekelijks door de agenten van de microkredietverleners ingevorderde interesten nemen de vrouwen verschillende kredieten bij verschillende kredietverleners op, om alle terugbetalingen stipt te kunnen honoreren. Achter het hoge terugbetalingsquotum en ook achter de stijgende cash-flow en consumptie in de dorpen schuilt echter een steeds groter wordende schuldenlast. In India kwam het tot een crash van het microfinancieringswezen omdat de vrouwen niet meer in staat waren hun schulden af te lossen. Wel voelden de vrouwen zich meer gewaardeerd omdat ze meer geld dan ooit in de familie binnenbrachten. Maar empowerment door de vervrouwelijking van kredietopname en door de activiteit van vrouwen in een eigen minibedrijf schieten niet alleen hun doel voorbij, ze zijn bovendien uiterst riskant.

Financieringscircuits koppelen arme vrouwen uit dorpsgemeenschappen en slums in het zuidelijk halfrond aan de wereldwijde financiële markten. Het krediet als instrument voor het bereiken van sociale doelstellingen zoals vermindering van de armoede en empowerment van de vrouwen verweeft de sociale reproductie van de armen in het dagelijks leven met de reproductie van de wereldwijde financiële sector.22

Nieuwe gendercontracten

Niet alleen in het Westen maar ook globaal in het Zuiden zijn de genderrollen en -stelsels vanaf de jaren 80 in de nasleep van de recentste globaliseringsgolf aan het veranderen. Er blijkt evenwel dat marktdeelname en loonarbeid van de vrouwen zich niet duidelijk lineair ontwikkelen naar meer gelijkheid en rechtvaardiger genderverhoudingen ; die ontwikkeling verloopt paradoxaal en contradictoir veeleer binnen een spectrum van emancipatorische, neoliberale en (neo-)conservatieve waarden, dikwijls op een paradoxale en dubbelzinnige manier. Hierbij ontstaan onafhankelijke, deels tegengestelde dynamieken van gendergerelateerde subjectiviteiten, genderverhoudingen en dagelijkse praktijken.

Voor vrouwen openen zich handelingsgebieden waarin ze binnen marktconforme machtsverhoudingen strategieën van verwerving, bestaanszekerheid en reproductie kunnen nastreven. De contradictie van de kapitalistische maatschappelijke orde tussen onderwerping en keuzevrijheid situeert zich in de algemeen begrepen arbeids- en levensbepaalde ervaringen en de subjectiviteiten. Loonarbeid betekent vaak empowerment en opwaardering tegenover mannen door rechten- en kansengelijkheid ; daartegenover staat een aanpassing aan de mannelijke norm van de homo economicus, het productivisme en industrialisme. Terwijl er een toenadering komt tussen gendergerichte praktijken als concurrentie en carrière, neemt de ongelijkheid tussen vrouwen onderling en ook tussen mannen onderling toe.

In plaats van zorgtaken te herverdelen tussen de seksen, herverdeelt men ze tussen vrouwen uit verschillende
sociale klassen en bevolkingsgroepen.

Vanuit het oogpunt van de marktwerking worden vrouwen vandaag de dag minder gezien als zwakke en meer als sterke neoliberale subjecten, als productiekrachten, die op actieve wijze de armoede kunnen beheren of verminderen, als onderneemsters die uit eigen kracht op de markten aanwezig zijn en zich minder kwetsbaar opstellen.23 Tussen de mechanismen van de marktinclusie en het neoliberalisme voltrekt zich een structurele verandering van de economie in de richting van een commercialisering, een industrialisering en rationalisering. Daar tegenover staat dat gender specifieke subjectiviteiten omgevormd worden en dat steeds meer nieuwe levenswijzen ontstaan. Op vele plaatsen hoort hier een nieuw rechtsbewustzijn bij alsook potentieel tot weerstand en strijd. De algemene paradoxale integratie van vrouwen in de arbeidsmarkten24 leidt tot een vermenigvuldiging niet alleen van de identiteiten, maar ook van de tegenstellingen in de economische en de -genderverhoudingen.

Dit artikel verscheen eerder in Zeitschrift für marxistische Erneuerung, nr. 110, juni 2017.

Footnotes

  1. Nancy Fraser, Feminismus, Kapitalismus und die List der Geschichte, Blätter für deutsche und internationale Politik, nr. 8, 2009, p. 43-57.
  2. UN Women, Progress of the Worlds ’ Women 2015-2016. Transforming Economies, Realizing Rights, New York, 2016.
  3. ILO, Women at Work. Trends 2016, Geneva, 2016.
  4. Smitha Radhakrishnan en Cinzia Solari, Empowered Women, Failed Patriarchs: Neoliberalism and Global Gender Anxieties, in Sociology Compass, nr. 9/9, 2015, p. 784–802.
  5. ILO, Women at Work. Trends 2016, Geneva, 2016.
  6. Doug Porter en David Craig,The Third way and the Third world: poverty reduction and social inclusion in the rise of inclusive liberalism, in Review of International Political Economy, vol. 11, nr. 2, 2014, p. 387-423
  7. The World Bank, Gender and Equality as Smart Economics. Action Plan 2007-2011, Washington, 2007.
  8. The World Bank, World Development Report 2012. Gender Equality and Development, Washington, 2011.
  9. Sydney Calkin, Feminism, Interrupted? Gender and Development in the Age of ‘ Smart Economics ’ Progress in Development Studies, vol. 15, nr. 4, 2015, p. 295-307.
  10. Michelle Murphy, Gender, Justice, and Neoliberal Transformations, in S&F online, Issue nr. 11.1-11.2,2012.
  11. ILO, Women at Work. Trends 2016, Geneva, 2016.
  12. Cornelia Klinger, Krise war immer. Lebenssorge und geschlechtliche Arbeitsteilungen in sozialphilosophischer und kapitalismuskritischer Perspektive, in Erna Appelt, Brigitte Aulenbacher, Angelika Wetterer (uitg.), Gesellschaft Feministische Krisendiagnosen, Münster, 2016, p. 82-105.
  13. Diane Elson, International Financial Architecture: A View from the Kitchen, in femina politica, nr. 1/2002, p. 26-38.
  14. Christa Wichterich, Feministische internationale politische Ökonomie und Sorgeextraktivismus, in Ulrich Brand, Helen Schwenken, Joscha Wullweber (uitg.): Globalisierung analysieren, kritisieren und verändern. Das Projekt Kritische Wissenschaft, Hamburg, 2016, p. 54-72.
  15. Brigitte Aulenbacher, Birgit Riegraf,Susanne Völker, Feministische Kapitalismuskritik, Münster.
  16. Arlie Hochschild, Global Care Chains and Emotional Surplus Value, in Tony Giddens, Will Hutton (uitg.): On the Edge. Globalization and the New Millennium, Londen, 2000, p.137-179
  17. Yalcin Kutlu, Kampf um Anerkennung. Die Sozial- und Erziehungsdienste im Streik, in Z – Zeitschrift marxistische Erneuerung, nr. 103, september 2015, p. 126-140.
  18. Gabriele Winker, Überforderte Eltern zwischen Lohn- und Reproduktionsarbeit. Neoliberale Familienkonstruktionen ohne Zukunft, in Z – Zeitschrift marxistische Erneuerung, nr. 103, september 2015, p. 141-149
  19. The World Bank, World Development Report 2012. Gender Equality and Development, Washington, 2011.
  20. Raza, Werner (2014): Lokale wirtschaftliche Entwicklung dank Mikrofinanz: Fehlanzeige, in: Klas, Gerhard/ Philip Mader (Hg.) (2014): Rendite machen und Gutes tun? Frankfurt. 83-93.
  21. Bateman, Milford (2010): Why Doesn’t Microcredit Work? The Destructive Rise of Local Neoliberalism. London.
  22. Wichterich, Christa (2015): Armutsmanagement, Rendite und Geschlecht, Von zuverlässigen armen Frauen und finanzieller Inklusion, in: Peripherie 140, 469-491
  23. McRobbie (2010): Top Girls. Feminismus und der Aufstieg des neoliberalen Geschlechterregimes, Wiesbaden
  24. Wichterich, Christa (2009): gleich, gleicher, ungleich, Paradoxien und Perspektiven von Frauenrechten in der Globalisierung, Königstein/Taunus