Artikel

Communisme, autonomie, antikolonialisme

Selim Nadi

— 1 juli 2018

De periode van het interbellum en het ontstaan van de anti-koloniale bewegingen zijn interessant om het politieke project
van niet-blanke prioriteiten te begrijpen.

In Pour une politique de la racaille schrijft Sadri Khiari dat de “wens tot ‘autonomie’ van de sociale bewegingen die voortkomen uit de migratie, de poging uitdrukt om de dilemma’s op te lossen met betrekking tot het specifieke karakter van het verzet tegen de postkoloniale onderdrukking”.1 Politieke autonomie, toegepast op het antiracisme en het antikolonialisme, wijst immers op een politieke krachtsverhouding en mag men in die zin niet verwarren met separatisme of de praktijk van non-mixité.2 Het gaat om een politiek project dat erop gericht is de niet-blanke prioriteiten naar voren te schuiven. Dit is een voorwaarde om allianties te smeden met links op een evenwaardige basis. In Frankrijk is er in de periode 2004-2005 een zekere kentering gekomen in de kwestie rond autonomie met de opkomst van verschillende organisaties zoals de Mouvement des Indigènes de la République of de Brigade Anti-négrophobie.

Men mag politieke autonomie niet verwarren met separatisme of de praktijk van ‘non-mixité’.

De oorsprong van deze kwestie wordt vaak gesitueerd in de jaren 1970, onmiddellijk na de formele onafhankelijkheid van vele Afrikaanse en Aziatische landen. In een context van toenemende mobilisatie van migranten in West-Europa — denk bijvoorbeeld aan de Black Star beweging in Groot-Brittannië of aan de wilde stakingen van de Turkse werknemers in Keulen en elders in West-Duitsland — zag men in Frankrijk de opkomst van de Mouvement des Travailleurs arabes die dicht aanleunde bij de radicaal linkse organisatie Gauche prolétarienne. Men zou dus kunnen stellen dat de kwestie van de politieke autonomie in Frankrijk een postkoloniaal fenomeen is.

Nochtans, om de evolutie in het streven naar autonomie beter te begrijpen, kan het ook interessant zijn om te kijken naar de periode van het interbellum en de manier waarop de antikoloniale bewegingen zijn ontstaan: aanvankelijk binnen, daarna onafhankelijk van de Franse Communistische Partij (PCF). Terwijl de meeste grote antikoloniale leiders zijn gevormd in de scholen van de PCF, heeft geen van deze leiders de bevrijding van zijn land geleid onder de auspiciën van een communistische partij. Ho Chi Minh is een opmerkelijke uitzondering. Maar zijn vorming in de Sovjet Unie heeft ongetwijfeld een grotere rol gespeeld dan die bij de PCF. De periode van het Front populaire3, toen de PCF voor het eerst reikte naar de politieke macht, heeft zonder enige twijfel een belangrijke strategische ommekeer teweeggebracht in de houding van de Franse Communistische Partij tegenover de koloniale kwestie.

Toen Georgi Dimitrov de strategie van het volksfront verdedigde op het Zevende Wereldcongres van de Communistische Internationale in augustus 1935, stond de strijd tegen het fascisme natuurlijk voorop:

Een bijzonder belangrijke taak bij het mobiliseren van de werkende massa voor de strijd tegen het fascisme is: het scheppen van een breed antifascistisch volksfront op de basis van het proletarische eenheidsfront. Het succes van de gehele strijd van het proletariaat staat in nauw verband met het vormen van het strijdverbond van het proletariaat met de werkende boeren en de voornaamste massa van de stedelijke kleine burgerij, die zelfs in de industrieel ontwikkelde landen de meerderheid van de bevolking uitmaken.4

Dat Front populaire had in werkelijkheid maar weinig te maken met de tactiek van het Eenheidsfront dat werd naar voren geschoven door de Derde Internationale.5 Die laatste trachtte reële allianties op te bouwen tussen communistisch en niet-communistisch links om te wegen op de bestaande krachtsverhoudingen. Niettemin, net omwille van de specifieke allianties die de tactiek van een volksfront impliceerde, heeft het een belangrijke rol gespeeld in de evolutie van de houding van verschillende communistische partijen in de imperialistische landen tegenover het koloniale en raciale vraagstuk en tegenover de kwestie van de Natie.

In een artikel in het tijdschrift Période duidt Loren Balhorn de gevolgen van deze strategie voor de communistische partij in de Verenigde Staten:

Na zeven jaar van distantiëring van de rest van links, luidde het ordewoord van Moskou voortaan zo breed mogelijke antifascistische allianties te creëren. De Communistische Partij wijzigde haar consequente klassenpositie zeer abrupt om linkse steun te verlenen aan de regering Roosevelt. Zo werd ook de League of Struggle for Negro Rights, georganiseerd door de Communistische Partij, ontbonden en maakte het plaats voor een nieuwe organisatie, het National Negro Congress (NNC) waaraan de Communistische Partij deelnam binnen het kader van de volksfrontstrategie. Terwijl de League consequente linkse standpunten innam, en de meest radicale vleugel van de [communistische] beweging vertegenwoordigde, was het NNC een zeer brede alliantie van verschillende organisaties en partijen die waren geïntegreerd in het politieke spel van de burgerlijke samenleving. Om dit milieu niet af te schrikken, matigde de communistische partij haar politiek en haar programma. Een goede illustratie van deze wending was de nieuwe slogan van de partij: “Het communisme is het amerikanisme van de 20e eeuw.” Zoals alle communistische partijen onder de invloed van Stalin, probeerde de partij te steunen op nationalistische en patriottische tradities. Amerikaanse vlaggen vervingen zo de hamers en de sikkels.6

In een land dat zo racistisch is als de Verenigde Staten hebben dergelijke compromissen natuurlijk een essentiële rol gespeeld bij het matigen van de antiracistische eisen van de partij. Een gelijkaardige verschuiving vond plaats binnen de Communist party of Great Britain. Verschillende werken, zoals het uitstekende Race, Class and the Racialized Outsider van Satnam Virdee, analyseerden de gevolgen van dit sociaal-chauvinisme7 op de politiek van de Britse communistische partij met betrekking tot het koloniale en raciale vraagstuk. Deze evolutie was ook verankerd in de culturele praktijken van de communistische partijen, zoals Elinor Taylor aantoonde in The Popular Front Novel in Britain. Desalniettemin, omwille van het belang van de PCF in het Franse linkse politieke landschap tijdens het interbellum (in tegenstelling tot de situatie in Groot-Brittannië die gedomineerd werd door Labour) heeft haar gewijzigde houding tegenover het kolonialisme (namelijk door voorrang te geven aan de verdediging van het vaderland ten koste van de anti­koloniale strijd) zware consequenties gehad op de strijd tegen het kolonialisme in het algemeen. Vanaf het begin was de PCF al verdeeld, enerzijds, in een ‘kamp’ dat een behoorlijk karikaturaal koloniaal standpunt verdedigde, en anderzijds, enkele ‘specialisten’ in de materie — van wie sommigen later prominente militanten zullen worden in de nationale bevrijdingsbewegingen.

De antikoloniale politiek van de partij, voortgekomen uit het Congres van Tours in december 1920, was tegenstrijdig. In Le PCF et la question coloniale, heeft Jakob Moneta het over de problemen van de PCF in deze kwestie:

[…] Wat betreft het kolonialisme had de PCF al in de eerste jaren van haar bestaan problemen om in haar eigen rangen respect af te dwingen voor de engagementen die ze had aangenomen door de overname van de 21 voorwaarden van de Communistische Internationale.8

Vooral de 8e van de 21 voorwaarden9, die de partijen die waren aangesloten bij de Derde Internationale oproept te strijden tegen het imperialisme in hun eigen land, bleek voor de PCF een moeilijke kwestie. Ze slaagde er niet in deze voorwaarde te doen respecteren binnen haar eigen rangen. Een zelfde analyse zien we ook bij Claude Liauzu. In zijn boek Aux origines des tiers-mondismes legt hij uit dat “in de voorbereidende verslagen van de debatten, gepubliceerd door l’Humanité, het probleem bijna volledig wordt ontkend. Het was ook bijkomstig in de werkzaamheden van het congres zelf, met uitzondering van de tussenkomst van Nguyen Ai Quoc” (Ho Chi Minh).10

Nochtans stond het probleem van de uitbuiting, sterk verbonden met dat van de militarisering, centraal in de koloniale kwestie. In 1931 publiceerde de Rode Vakbondsinternationale (Profintern11) in Londen, een document van George Padmore over de uitbuitingsomstandigheden van de zwarte arbeiders. In het hoofdstuk over Afrika onder Franse heerschappij, schrijft Padmore:

De bevolking van Frans Equatoriaal Afrika daalde van 7.300.000 naar 2.500.000 op tien jaar tijd. De oorzaken van die daling zijn vooral te wijten aan omstandigheden van dwangarbeid en aan de intensieve rekrutering van de jeugd in het leger. Duizenden gezonde mannen sterven elk jaar door […] ziektes opgelopen in het leger. De inheemse bevolking is niet alleen het Europese klimaat niet gewoon, vooral zijn strenge winters, maar ze wordt ook gehuisvest in ongezonde barakken en krijgt voedsel van minderwaardige kwaliteit.12

Hoewel de Section Française de l’Internationale Communiste (SFIC) — de latere PCF — in haar eerste jaren wel een antikoloniale retoriek hanteerde, waren haar leden nog steeds sterk verdeeld over de kwestie. In de PCF waren er inderdaad diverse tendensen. In Moscou sous Lénine beschrijft Alfred Rosmer, die had deelgenomen aan het Congres van Bakoe voor hij lid werd van de PCF, dat het sterke chauvinisme van stichtende figuren binnen de PCF, zoals Cachin en Frossard, geen geheim was binnen de Communistische Internationale:

De zitting ging beginnen toen een klein schriel mannetje discreet binnenkwam. Ivan, die dicht bij mij zat, vertelt me: “Boecharin … Hij is glashelder”. Mijn andere buur, die zijn opmerking had gehoord, draait zich naar me toe en vult aan: “Jammer dat je er niet bij was toen uw vrienden Cachin en Frossard voor het Centraal Comité van de Partij verschenen. Het is Boecharin die hen op hun chauvinisme wees, hun verraad in tijden van oorlog. Het was ontroerend. Cachin weende.” “Oh !” zei ik, “hij weent zeer gemakkelijk. In 1918 weende hij in Straatsburg toen Poincaré de terugkeer van de Elzas bij Frankrijk vierde”.13

Tijdens het Eerste Congres in Marseille (van 25 tot 30 december 1921), stond het officiële standpunt van de PCF dicht bij dat van de Communistische Internationale. Er werd bevestigd dat de communisten een sterke antikoloniale houding moesten nastreven niet alleen omdat de gekoloniseerde volkeren slachtoffer waren van de kapitalistische expansie, maar ook omdat de zogenaamde indigènes (inheemsen) door de Franse bourgeoisie gebruikt werden in hun imperialistische oorlogen. Daar kwam nog de schrik bovenop dat die inheemsen ook ingezet konden worden als contrarevolutionaire kracht.

Gedurende de jaren 1920 was het standpunt van de PCF over de koloniale kwestie niet erg duidelijk.

Niettemin ging deze antikoloniale retoriek gepaard met een sterk paternalisme waarvan het beste voorbeeld ongetwijfeld te vinden is in de verklaring (gepubliceerd in het Bulletin communiste van 14 februari 1922) dat de inheemsen niet in staat waren zichzelf te emanciperen omdat ze geen “revolutionair verleden” hadden. Het is onder andere door die ‘politieke handicap’ dat de PCF besliste een Comité d’études coloniales (CEC) op te richten, alsook de Union inter-coloniale (UIC). Een van de eerste activiteiten van dit studiecomité was het presenteren van een rapport tijdens het Congres van Marseille. Maar dat rapport was niet echt samenhangend. Los daarvan is het belangrijk te melden dat de UIC heeft bijgedragen aan de vorming van sommige leiders van de toekomstige antikoloniale strijd.

Philippe Dewitte wijst erop in zijn uitstekend boek Les mouvements nègres en France, 1919-1939 dat, ondanks enkele tekortkomingen, de PCF toch een belangrijke kracht was in de strijd tegen het kolonialisme en het imperialisme:

[…] in Frankrijk is de PCF de enige politieke kracht die bereid is de fakkel van het anti-imperialisme te dragen. De meest radicale zwarte militanten wenden zich dus logischerwijs tot de communisten, vooral sinds de meerderheid binnen de SFIO [Section française de l’Internationale ouvrière, m.a.w. de socialistische partij] het koloniale ‘fait accompli’ niet meer in vraag stelt. Ook de Groupe socialiste des originaires des colonies, opgericht net voor het Congres van Tours van de SFIO [dat een splitsing zal veroorzaken binnen de SFIO en zal leiden tot de oprichting van de SFIC, de latere PCF], wordt begin 1921 omgevormd tot het Comité d’études coloniales van de zeer prille Section française de l’Internationale communiste. Het Comité verenigt Franse en koloniale militanten en richt haar werk vooral op theoretische beschouwingen en het verspreiden en coördineren van slogans. Tegelijkertijd wordt de Union inter-coloniale (UIC) opgericht, die enkel toegankelijk is voor koloniale onderdanen en moest uitgroeien tot een massaorganisatie.14

De UIC, opgericht op initiatief van Max Clainville-Bloncourt, een militant uit Guadeloupe, zal verschillende inheemse militanten opleiden. Koloniale onderdanen, onder andere uit Madagaskar en Vietnam, zullen opgeleid worden door de UIC. Het is belangrijk de rol van de UIC te onderstrepen hoewel ze niet enorm veel leden telde. Ze speelde een essentiële rol bij sommige initiatieven die later uitmondden in inheemse politieke initiatieven buiten de PCF. Hadj-Ali Abdelkader115 was ooit lid van de UIC. Hij was de stichter van L’Étoile nord-africaine (ENA) en rekruteerde onder andere Messali Hadj bij de ENA. Wanneer de leider van de UIC, de jonge Nguyen Ai Quoc, die we later leren kennen als Ho Chi Minh, naar Moskou vertrekt in 1923, wordt Hadj-Ali de centrale figuur binnen de UIC. Het belangrijkste initiatief van de UIC was ongetwijfeld de uitgave van de befaamde krant Le Paria (waarvan de Parijzenaren de meeste exemplaren kunnen consulteren in de Bibliothèque nationale française). Dit initiatief werd maar matig ondersteund door de PCF, vooral op financieel vlak.16

Het Front populaire speelde een belangrijke rol in de houding van communistische partijen tegenover het kolonialisme.

In zijn werk over de oorsprong van het Algerijns nationalisme onderstreept Kamel Bouguessa het belang van de UIC voor de politisering van de Algerijnen. Sommigen van hen zullen later leiders worden binnen de nationalistische beweging:

De poging tot politisering van de Algerijnen binnen een grote koloniale vereniging, de Union inter-coloniale, was veel beslissender en veel belangrijker dan de poging die werd opgestart door toedoen van het Syndicalisme unitaire onder leiding van de Franse Communistische Partij.17

Een structuur die zich direct richt tot de indigènes had dus een veel groter succes bij die laatste dan de pogingen die door het traditionele communistische syndicalisme werden ondernomen. Als organisatie van mensen afkomstig uit alle kolonies, zorgt de UIC, hoewel ze gelieerd is met de PCF, voor een eerste reële poging tot zelforganisatie van koloniale onderdanen die in Frankrijk woonden. Ze vertrokken hierbij vanuit een duidelijk antikoloniale houding. Ondanks de relatieve zwakte van de UIC, en het gering aantal abonnementen op Le Paria (ongeveer 400), moet die periode van de UIC (en de CEC) wel ernstig worden genomen in het wordingsproces van sommige toekomstige nationale bevrijdingsorganisaties.

Samengevat kan men dus stellen dat de PCF niet erg duidelijk was over de koloniale kwestie tijdens de jaren 1920. Ze werd gekenmerkt door — vaak bescheiden — pogingen die de koloniale kwestie ernstig namen, en aan de andere kant, door posities zoals die van de afdeling van Sidi Bel Abbès. Deze afdeling van Sidi Bel Abbès was een van de belangrijkste in Algerije. De brief die de leiders schreven aan de partijleiding (in 1922) heeft een niet te onderschatten politieke beroering verwekt. Deze afdeling verklaarde zich totaal oneens met de stelling van Moskou over het kolonialisme. Zij verdedigden de stelling dat als de inwoners van Algerije een antikoloniale opstand zouden ontketenen alvorens er in Frankrijk een proletarische revolutie uitbrak, het risico bestond dat Algerije zou terugkeren naar een feodaal regime.

Met de fascistische dreiging werd het antikolonialisme opgegeven.Men zag het als een mogelijke factor in de verzwakking van Frankrijk.

De Franse communisten van Sidi Bel Abbès waren van oordeel dat de 8e voorwaarde van de Derde Internationale “te algemeen” was, omdat ze van toepassing was op “alle kolonies en onderdrukte staten zonder onderscheid”.18 Het rapport van Sidi Bel Abbès verwierp de steun aan bevrijdingsbewegingen evenals de eis om de imperialisten uit de kolonies te verdrijven. Het is onder meer de “inheemse Algerijnse mentaliteit” die de communisten niet toelaat de Algerijnse bevrijdingsbewegingen echt te steunen. Aan de ene kant was de Algerijnse elite sterk beïnvloed door een “erfelijk nationalisme”, terwijl de meerderheid van de Algerijnen werd gekenmerkt door haar onwetendheid, “systematisch in stand gehouden door de inheemse chefs”.19 De Algerijnse communisten waren dus van oordeel dat de inheemsen nog niet klaar waren voor zelf-emancipatie, en nog veel minder voor onafhankelijkheid. Het rapport stelde verder dat “het religieus fanatisme sterk ontwikkeld was bij het moslimproletariaat”, dat de Arabieren geen rekening hielden met de emancipatie van de vrouw (“de Arabische vrouw zelf weigerde de vernedering van haar toestand in te zien”20) en dat het Algerijns syndicalisme zeer zwak stond.

Het rapport werd gepubliceerd in het Bulletin en werd unaniem aanvaard. Daarnaast schreef André Julien in 1921 in L’Humanité een tekst waarin hij zich krachtig verzette tegen elke steun aan nationalistische bewegingen.21 De tekst van Julien was maar een voorsmaakje van de befaamde resolutie van de afdeling van Sidi Bel Abbès, die de belangrijkste afdeling was van Algerije. Volgens hen was risico groot dat in geval van een inheemse opstand, nog voor er een proletarische revolutie in Frankrijk zou plaatsvinden, Algerije zou terugkeren naar het feodalisme. Deze resolutie is representatief voor de politieke houding van de Franse communisten in Algerije. Trotski bestempelde ze als “een puur slavenstandpunt, dat in feite de imperialistische overheersing van het Frans kapitalisme over zijn koloniale slaven steunt”.22 Hadj-Ali Abdelkader zal in een tekst van 1922, eveneens gepubliceerd in het Bulletin communiste reageren. In die tekst verklaart Hadj-Ali, ter attentie van de Franse communistische kameraden en pieds noirs:

Als jullie werkelijk een revolutie willen ontketenen, moeten jullie niet alleen de inheemse proletariërs neutraliseren en hun sympathie winnen, maar ook onder hen een revolutionaire garde oprichten door middel van een systematische en werkelijk communistische propaganda, voor het geval het nodig zou zijn.23

In Front populaire, révolution manquée, komt Daniel Guérin ook terug op de onverschilligheid van de Franse arbeidersbeweging ten opzichte van het kolonialisme, meer bepaald in het geval van Indochina:

De onverschilligheid van de Franse arbeidersmassa ten opzichte van Indochina dat in vuur en vlam staat, drijft me tot wanh oop. Laten we zomaar begaan? Gaan we onze plicht doen? Worden jullie medeplichtig? Zijn jullie doof? Die kleine Annamieten die sterven op het schavot, met hun eigenaardige spleetogen, hun amberkleurige huid en hun raadselachtige gezicht, zien jullie niet dat ze de vijanden zijn van jullie vijanden? 24

Bovendien ging die onverschilligheid, als het al niet ging om regelrechte medeplichtigheid tegenover het kolonialisme in de rangen van de arbeidersbeweging en onder meer in de PCF – met de opmerkelijke uitzondering van de campagne tegen de Rifoorlog – ook gepaard met een theoretische en conceptuele miskenning van het koloniale fenomeen. Liauzu toonde dat aan in Aux origines des tiers-mondismes: “Het begrip imperialisme verschijnt in geen enkel rapport van de koloniale commissie van de drie eerste congressen [van de PCF].”25 Het is in deze context dat het belang van een krant als Le Paria duidelijk wordt, ondanks zijn bescheiden omvang.

Maar het is vooral met de strategie van het volksfront dat de PCF de koloniale zaak in de steek laat. Dit gaat ervoor zorgen dat de inheemsen niet alleen zichzelf beginnen organiseren, maar ook dat ze afstand nemen van de partij. In de jaren 1930 wordt Maurice Thorez partijleider en dit luidde het begin in van een periode waarin de partij zich opstelt “ten dienste van het Franse volk”. Met Thorez neemt de PCF deel aan het Front populaire en dat werd een mijlpaal in de verdere nationale evolutie van de PCF.

René Gallissot noteert dat in deze periode de PCF een nieuwe invulling geeft aan de term ‘peuple’ (volk). Tot dan werd deze term gebruikt om te spreken over de onderdrukte volkeren in de kolonies. Met het Front populaire begonnen de communisten te spreken over ‘peuple de France’ en richten ze zich meer en meer tot de Franse Natie. Met de fascistische dreiging werd het antikolonialisme opgegeven. Men zag het als een mogelijke factor in de verzwakking van Frankrijk. Zo was de revolutie niet langer een prioriteit. De belangrijkste vijand was het fascisme en het belangrijkste politieke onderwerp het Franse volk. Op 12 november 1935 publiceerde L’Humanité, de krant die werd opgericht door Jean Jaurès, zelfs de volgende titel: “De onbekende soldaat heeft zijn kameraden teruggevonden”. Daarmee sloot het tijdschrift zich aan, zij het onrechtstreeks en via een linkse retoriek, bij de militaristische Franse traditie. De onbekende soldaat is overigens een sprekend voorbeeld. Benedict Anderson begint zijn studie over het nationalisme met dit symbool:

Er is geen fascinerender embleem van de moderne nationalistische cultuur dan de grafmonumenten en de begraafplaatsen van de onbekende soldaat. De publieke en ceremoniële verering van deze monumenten […] hebben geen voorgaande in het verleden […] Zo leeg als deze graven zijn, zonder stoffelijke resten noch onsterfelijke zielen, ze zijn daarom niet minder verzadigd met een spookachtig nationaal waanbeeld.26

In een interview met het tijdschrift Période27, legt René Gallissot uit dat de periode van het Front populaire een periode was waarin massaal veel mensen lid werden van de PCF. De toetredingscampagne was voornamelijk gebaseerd op twee aspecten: de antifascistische strijd en een sterk republikeins patriottisme (overigens sterk verbonden met het antifascisme). In datzelfde gesprek heeft Gallissot het over de manier waarop de term ‘volk’ de term ‘klasse’ verving bij de Franse communisten.

Uiteraard was dit ‘populisme’ van de PCF niet zonder gevolgen voor de houding tegenover de antikoloniale strijdbewegingen. Zo had de Vietnamese coalitie tussen stalinisten, trotskisten en gauchisten – La Lutte – inzake het kolonialisme heel veel hoop gesteld in de politiek van het Front populaire. Hoop die echter snel de kop werd ingedrukt. In werkelijkheid bleek het Front populaire heel ondoeltreffend. Het is waar dat de sociaaldemocraten van de SFIO zwaarder wogen op de krachtsverhoudingen binnen het front dan de PCF. Maar het blijft een feit dat de antikoloniale strijd nagenoeg verdween uit de politiek van de Franse communisten.

Na de Laval-Stalin verklaring28 (15 mei 1935) werd vooral het nationale verzet het belangrijkste thema in de partij. Dit betekende dat elke strijd tegen het Franse kolonialisme werd gezien als een hinderpaal in de strijd van Frankrijk tegen het fascisme. Het antikolonialisme in de PCF was dus zelfs niet langer de zaak van enkele ‘specialisten’, maar slechts van een heel kleine minderheid. André Morel die bijvoorbeeld al een belangrijke rol had gespeeld in de contrapropaganda tijdens de Rifoorlog, verdiepte zich in de boerenbewegingen en had veel aandacht voor Arabische publicaties. Morel blijft een voorbeeld van een militant die blijft verdedigen dat de communisten zich zouden moeten verenigen met de nationalistische bewegingen in de kolonies om tegelijkertijd te strijden tegen het fascisme en het kolonialisme. Maar hij was een absolute uitzondering in de PCF van de jaren 1930.

Het is pas in de jaren 1930 dat de nood voor autonomie zich het sterkst laat voelen in de zwarte milieus in Frankrijk.

De periode van het Front populaire was cruciaal voor de verdere toekomst van het Franse communisme. In die tijd namen de militanten zelfs deel aan het defilé van 14 juli en zwaaiden ze met de Franse driekleur . Het is eveneens in die periode dat de Algerijnse communistische partij (PCA) wordt opgericht, in werkelijkheid een flauw afkooksel van de Franse partij. De dag na het stichtingscongres van de PCA, noemt L’Humanité de samenstelling van dit congres opmerkelijk: er waren 62 Arabische afgevaardigden en 67 Franse. De PCA werd dus als een Franse partij gezien.

Het is hier interessant om op te merken dat het zowat afschaffen van het communistisch antikolonialisme gepaard ging met een poging om ‘communautaire’ organisaties op te richten onafhankelijk van de PCF. Hadj-Ali Abdelkader die, zoals we hebben gezien, een van de stichters was van de ENA, verlaat die organisatie in 1932. Hij stopt echter niet met militeren en hij was betrokken bij de oprichting van de Parti du peuple algérien in Nanterre in 1937. Hij nam ook deel aan de Ligue de défense des musulmans nord-africains. Hij ging ook door met zijn journalistiek werk. In 1933 werd hij directeur van El Ouma en in 1934 van Le Peuple algérien. Philippe Dewitte schrijft dat vanaf 1926, de zwarte bevolking die in Frankrijk woonden zich niet langer organiseerden binnen nationale organisaties, maar meer en meer in zwarte organisaties. Dit was een teken van toenemende raciale bewustwording. Het Comité de défense de la race nègre (CDRN), opgericht in 1926, was echter geen lang leven beschoren. Niettemin proberen Lamine Senghor en Tiemoko Garan Kouyaté, vanaf 1927, de Ligue de défense de la race nègre (LDRN) uit de grond te stampen. Max Bloncourt en Camille Saint-Jacques van hun kant willen de UIC heroprichten. De LDRN behoudt evenwel banden met de PCF. Het is pas in de jaren 1930 dat de nood voor autonomie zich het sterkst laat voelen in de zwarte milieus in Frankrijk. Zo nam Kouyaté bijvoorbeeld deel aan de oprichting van een vakbond voor zwarte zeevaarders. Zij distantieerden zich van de vakbonden die door de PCF werden geleid:

Gezien het feit dat de zwarte zeevaarders een gebrek ervaren aan broederlijke solidariteit en wederzijdse bescherming, dat ze in miserabele omstandigheden leven, en dat ze slachtoffers zijn van schrijnend misbruik ; Gezien het feit dat ze ongeorganiseerd zijn of dat ze militeren in vakbonden waar hun belangen op de tweede plaats komen ; Gezien het feit dat de zwarte zeevaarders zich bewust moeten zijn van hun belangen, van die van de arbeidersklasse, zonder het instrument te worden van een syndicale politiek die wordt ontwikkeld zonder hun directe medewerking ; Gezien het feit dat het een primordiale noodzaak is om overal waar veel zwarte zeevaarders wonen opvanghuizen op te richten waar ze kunnen verblijven als ze werkloos zijn, of ziek of andere moeilijkheden kennen in hun carrière, om op die manier hun moraal op te krikken ; Gezien het feit, tot slot, dat de situatie van de zwarte zeevaarders spijtig genoeg specifiek blijft en dat om die situatie te verbeteren de zwarte zeevaarders eerst en vooral op zichzelf moeten rekenen, is er nood aan de oprichting van een specifieke vakbond voor alle zwarte zeevaarders in de haven van Marseille.29

Alhoewel Philippe Dewitte schrijft dat de zwarte zeevaarders van Bordeaux of Marseille uiteindelijk slachtoffer werden van de mislukking van de ‘zwarte vakbonden’, gaat het toch om een eerste consequente poging om een autonome organisatie op te richten.

We zouden nog tal van andere voorbeelden kunnen aanhalen. Maar het is vooral belangrijk om er op te wijzen dat deze pogingen om autonome organisaties op te zetten niet zozeer het gevolg zijn van een principekwestie, maar eerder een reactie op het onvermogen van de belangrijkste arbeidersorganisaties om rekening te houden met de interne tegenstellingen binnen het proletariaat en met de politieke prioriteiten van de indigènes.

Dit artikel focuste vooral op het geval van de PCF, maar de libertaire organisaties hadden eveneens grote problemen op dit vlak. Door te focussen op de periode van het interbellum kunnen we de debatten over autonomie binnen de antiracistische beweging situeren binnen een langere termijn. Dat wil niet zeggen dat we de debatten van de jaren 1920 en 1930 zomaar kunnen lostrekken van hun tijd en context of dat we deze zomaar kunnen verplaatsen naar het heden. De doelstelling is enkel om de discussie over de noodzaak voor autonomie in de antikoloniale strijd en daarna de antiracistische strijd in Frankrijk open te trekken. Als de meeste antikoloniale organisaties zich hebben ontwikkeld buiten de PCF, alhoewel vele van hun leiders werden gevormd binnen de organisaties van de partij, dan is dat geen onbelangrijk detail. De interne tegenstellingen van de PCF lijken dus een essentiële rol te hebben gespeeld in de politieke nood van de antikoloniale militanten uit de kolonies om autonomie en zelfs onafhankelijkheid van de PCF na te streven. Alleen zo konden ze hun eigen prioriteiten en politieke strategieën centraal stellen.

Footnotes

  1. Sadri Khiari, Pour une politique de la racaille, uitg. Textuel, Parijs, 2006, p. 34.
  2. De praktijk van de non-mixité heeft als doelstelling om mensen uit één of meerde onderdrukte sociale groepen samen te brengen (bv. vrouwen of mensen met een bepaalde etnische achtergrond) terwijl men de toegang ontzegt aan diegenen die deel uitmaken van de sociale groepen die worden gezien als de onderdrukkers (bv. blanken of mannen) om op die manier meer vrijheid te creëren voor de onderdrukten om zelf het woord te nemen en om het risico op de reproductie van de sociale machtsverhoudingen te vermijden.
  3. Het Front Populaire ( volksfront ) is een verandering van tactiek die werd aangenomen op het Zevende Wereldcongres van de Communistische Internationale ( juli-augustus 1935 ). Die strategie, die onder andere werd verdedigd door de Bulgaar Georgi Dimitrov, bestaat erin zo breed mogelijke allianties aan te gaan om te strijden tegen het opkomend fascisme in Europa. De eenheid van de arbeidersklasse moest worden gesmeed om een dam op te werpen tegen het fascisme. Dat betekende een aanzienlijke ommekeer in vergelijking met de vorige tactiek, ‘ klasse tegen klasse’, die erin bestond elke alliantie af te wijzen met de sociaaldemocraten die ervan beschuldigd werden sociaalfascisten te zijn.
  4. Georgi Dimitrov, Het offensief van het fascisme en de taak van de Kommunistische Internationale in de strijd om de eenheid van de arbeidersklasse, ­2 augustus 1935.
  5. Selim Nadi, Le KPD ( 1918-1933 ) face à la montée du national-socialismeContretemps.
  6. Loren Balhorn, La politique antiraciste du Parti communiste des États-Unis dans les années 1930Période.
  7. Deze term werd aanvankelijk door Lenin gebruikt om de houding van de Tweede Internationale tegenover de Eerste Wereldoorlog te karakteriseren Zie Lenin, Het bankroet van de Tweede Internationale, 1915. Men kan ook refereren naar wat Félix Boggio Ewanjé-Epée en Stella Magliani-Belkacem daarover schreven.
  8. Jacob Moneta, Le PCF et la question coloniale ( 1920 – 1965 ), Maspero, Parijs, 1971, p. 20.
  9. “Bij het vraagstuk over de kolonies en de onderdrukte volkeren, moeten de partijen in de landen waarin de bourgeoisie kolonies bezit of volkeren onderdrukt, een bijzonder heldere en duidelijke gedragslijn hebben. Elke partij van de Derde Internationale heeft de plicht de misdaden van ‘ hun’ imperialisten in de kolonies aan het licht te brengen, niet alleen in woorden, maar met feiten elke emancipatiebeweging in de kolonies te steunen, de uitwijzing te eisen uit de kolonies van de imperialisten uit de metropool, in het hart van werknemers van het land ware broederlijke gevoelens te kweken tegenover de werkende bevolking van de kolonies en de onderdrukte volkeren en bij de troepen van de metropool onophoudelijk agitatie te voeren tegen elke onderdrukking van de koloniale volkeren.” Internationale Communiste, Manifestes, thèses et résolutions des quatre premiers congrès de l’Internationale communiste, 1919-1923, p. 126. Zie Manifestes, thèses et résolutions des quatre premiers congrès de l’Internationale communiste 1919-1923.
  10. Claude Liauzu, Aux origines des tiers-mondismes. Colonisés et anticolonialistes en France, 1919-1939, L’Harmattan, Parijs, 1982, p. 14.
  11. Opgericht in 1921 en geleid door figuren als de Spanjaard Andreu Nin, de Rus Mikhaïl Tomski en de Oekraïner Solomon Losovski. De Profintern had tot doel de arbeiders te organiseren in de strijd tegen de reformisten die de meeste vakbonden in die tijd leidden.
  12. George Padmore, The Life and Struggles of Negro Toilers, R.I.L.U. Magazine for the International Trade Union Committee of Negro Workers, Londen, 1931, p. 35.
  13. Alfred Rosmer, Moscou sous Lénine I – 1920, Maspero, Parijs, 1970, p. 56-57.
  14. Philippe Dewitte, Les mouvements nègres en France, 1919-1939, L’Harmattan, Parijs, 1985, p. 97
  15. Over Hadj-Ali Abdelkader, zie: Selim Nadi, Hadj-Ali Abdelkader: père du nationalisme révolutionnaire algérien , Contretemps.  Ian Birchall, Hadj-Ali Abdelkader : un musulman communiste dans les années 1920Contretemps.
  16. Over Le Paria, zie Ian Birchall, Le Paria, le Parti communiste français, les travailleurs immigrés et l’anti-impérialisme ( 1920-24 )Contretemps.
  17. Kamel Bouguessa, Aux sources du nationalisme algérien, uitg. Casbah, Algiers, 2000, p. 221.
  18. Collectif, “Le communisme et la question coloniale”, Le Bulletin communiste, 7 december 1922.
  19. Ibid.
  20. Ibid.
  21. André Julien, “Les mouvements nationalistes dans les colonies”, L’Humanité, nr. 6133, vrijdag 7 januari 1921.
  22. Leon Trotski, Résolution sur la question française, 2 december 1922.
  23. Hadj-Ali Abdelkader, L’action colonialeContretemps.
  24. Daniel Guérin, Front populaire, révolution manquée, Actes Sud, Arles, p. 59.
  25. Claude Liauzu, Ibid., p. 46.
  26. Benedict Anderson, L’imaginaire national. Réflexions sur l’origine et l’essor du nationalisme, La Découverte, Parijs, 2002, p. 23.
  27. René Gallissot, Génération algériennePériode.
  28. Pact tussen Stalin en Pierre Laval, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken en toekomstig minister in de Vichy-regering. Stalin keurde de nationale defensiepolitiek van de Franse regering goed – daardoor ging ook de leiding van PCF ermee akkoord.
  29. ANSOM – Slotfom III, 36 s/doss. “Syndicat nègre de Marseille”, rapport Fouque, maart 1930.