Monocle

De stem van Eric Hobsbawm

Emile Chabal

— 17 december 2018

Hoe de marxistische ideeën van een Brits historicus eindigden in de boekenkasten van Indische ambtenaren en Braziliaanse huisvrouwen.

Bijna alle marxisten dachten dat ze deel uitmaakten van een globale gemeenschap. Misschien wel meer dan de andere moderne ideologieën gaf het marxisme een gevoel van verbondenheid tussen regio’s, landen en continenten. De activisten, denkers, politici, studenten, arbeiders, guerrillastrijders en partijbonzen die zich doorheen de 20e eeuw de marxistische idealen toe-eigenden, waren onderling verdeeld over de inhoud van het marxisme en de richting die het uitging. Maar ze wisten dat ze niet alleen waren. Op zijn hoogtepunt was het marxisme een web van gemeenschappen dat minstens even machtig was als de ummah van de moslimgemeenschap. Het kende zelfs de eigen ketters, ongelovigen, geestelijken en verlossers.

Vanuit een historisch oogpunt kwam de drijvende kracht van Karl Marx en Friedrich Engels zelf. Veel van de concepten die zij uitwerkten, zoals kapitalisme en klasse, waren transnationaal in theorie en praktijk. Enkele van hun bekendste politieke slogans, en vooral de laatste zin van Het Communistisch Manifest (1848), gepopulariseerd als “Arbeiders aller lande, verenigt u!”, wezen expliciet op de globale kracht van hun voorspelling. Marx en Engels waren niet de enige Europese denkers in de 19e eeuw die hun politieke aspiraties op het globale terrein zagen, maar hun ideeën waren wel buitengewoon invloedrijk.

In de 150 jaren die volgden op de publicatie van Het Communistisch Manifest, waren generaties vol activisten, intellectuelen en partijbonzen geïnspireerd door de globale visie van Marx en Engels. Een grote verscheidenheid aan marxismes leefde op in Europa, maar ook in landen als Cuba, Vietnam, China, Algerije en Chili. Zelfs vandaag, na de val van de Sovjet-Unie, blijft het marxisme een globaal fenomeen. Communisme heeft dan misschien niet meer de aantrekkingskracht die het ooit had, maar socialisme blijft een perfect acceptabel politiek label op veel plaatsen in de wereld en marxistische analyses van de wereldeconomie kennen een heropleving sinds de financiële crisis van 2008.

Voor toegewijde marxisten is de verklaring voor de opmerkelijke aantrekkingskracht van marxistische ideeën vanzelfsprekend : aangezien het kapitalisme een globaal fenomeen is, moet een kritiek op het kapitalisme de transnationale realiteit van de kapitalistische dominantie onder de aandacht brengen. Voor de historicus van de ideeën is het ontstaan en het voortbestaan van de globale marxistische taal echter allesbehalve vanzelfsprekend. Er is geen enkele voor de hand liggende verklaring waarom een Uruguayaans vakbondsactivist, een Franse filosoof en een Indische communist in de jaren 70 een gemeenschappelijke set woorden, beelden, ideeën en metaforen zouden hanteren waarmee ze de wereld beschrijven. Het is niet genoeg om te stellen dat deze buitengewone convergentie het gevolg is van de intrinsieke juistheid van het marxisme. Het is ook het gevolg van de manier waarop ideeën zich over continenten verspreid hebben, gedragen door de werken van marxistische intellectuelen en marxistisch geïnspireerde politieke leiders.

Uit de grote groep marxisten die het debat vorm gaven in de vorige eeuw, lijkt Eric Hobsbawm misschien een onverwachte keuze. Velen kennen zijn werken, maar hij wordt niet altijd als een marxistisch ‘ denker ’ gezien. Hij droeg op het eerste zicht niet noodzakelijk veel bij aan de marxistische theorie tijdens zijn zeven productieve decennia, van de vroege jaren 1940 tot de jaren 2000. Als een levenslang communist zullen weinigen zijn marxistische adelbrieven in vraag stellen, maar er staan erg weinig expliciete marxistische concepten in zijn teksten geschreven na de vroege jaren 1960. Je kan jonge mensen die hem leren kennen via zijn geschiedenis van de 20e eeuw, Age of Extremes, niet kwalijk nemen dat ze niet weten dat hij een marxist was.

Als het over globale invloed gaat, zijn er nochtans weinig marxisten die hem verslaan. Toen Hobsbawm overleed in 2013, was hij waarschijnlijk de meest gelezen Engelstalige historicus en misschien wel een van de bekendste historici ter wereld. Zijn boeken werden gelezen in opmerkelijk veel landen en door opmerkelijk veel mensen. En wat cruciaal is, is dat veel van deze mensen geen marxisten waren, van studenten tot literatuurliefhebbers, mensen die er nooit over zouden nadenken om te stemmen voor communistische of socialistische partijen. Mensen die al zeker niet de werken van Louis Althusser of Antonio Gramsci willen doorgronden. Dit maakt van Hobsbawm een perfecte case study om te onderzoeken hoe marxistische ideeën over de wereld verspreid werden op specifieke historische momenten.

De focus zal liggen op twee landen met een rijke en sterk ontwikkelde marxistische cultuur : India en Brazilië. Het verhaal van de aankomst van Hobsbawm in deze landen en de relatie tussen zijn werken en de opkomende politieke trends, debatten en argumenten is slechts een kleine voetnoot in vergelijking met de brede geschiedenis van het marxisme in deze landen. Toch biedt het een fascinerend inzicht in hoe de werken van een intelligente, ietwat nerdy, Britse academicus, eindigden in de boekenkasten van Indische ambtenaren en Braziliaanse huisvrouwen.

Hobsbawms interesse in Zuid-Azië begon tijdens zijn dagen als student aan Cambridge in de late jaren 1930. Hier leerde hij de zonen en dochters kennen van de machtige dynastieën in India. Veel van deze studenten werden tot het marxisme aangetrokken als mogelijke remedie voor de sociale en economische achterstand van hun land. Geïnspireerd door de politieke veranderingen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog keerden deze studenten terug naar India en werden er lid van de lokale communistische partijen. Grotendeels dankzij de familiebanden — en de relatief kalme manier waarop de communisten behandeld werden in India in vergelijking met andere ontwikkelingslanden in de jaren 1950 en 1960 — kreeg deze getalenteerde generatie belangrijke posities in de lokale en nationale regeringen. Daaruit volgt dat Hobsbawm bij zijn eerste reis naar India in 1968 toekwam met een adresboek vol belangrijke namen, waaronder communistische politici en denkers als Mohan Kumaramangalam, Parvati Krishnan, Renu Chakravarty en Indrajit Gupta.

Deze vriendschappen schonken hem een welgekomen kennismaking met de gebruiken van de Indische elite maar ze konden hem niet de academische diepgang aanbieden die hij zocht als jonge onderzoeker. Daarvoor moeten we bekijken hoe zijn ideeën een jongere generatie marxisten bereikten in de jaren 1950 en 1960 via het zogenaamde ‘ transitiedebat’. Dit debat ging over een klassiek probleem in de marxistische theorie, namelijk de vraag wanneer de transitie van feodalisme naar kapitalisme plaatsvond. Het debat begon met de publicatie van Studies in the Development of Capitalism (1946) van Brits marxistisch econoom Maurice Dobb. Daarop volgenden hevige debatten tussen Dobb en andere marxisten zoals Paul Sweezy, H.K. Takahashi en Georges Lefebvre in de vroege jaren 1950. Hobsbawm droeg zelf ook bij aan het debat met twee lange artikels over de crisis van de 17e eeuw, die hij als de laatste fase van het feodalisme zag, voor de opkomst van het kapitalisme.

Aanvankelijk lag de focus van het debat op de Engelse geschiedenis, aangezien de kwestie Engeland als paradigma diende voor de studie van de transitie in Europa. Snel was er ook aandacht voor in andere delen van de wereld. Voor Indische marxisten toonde de transitie aan dat de marxistische theorie niet in steen gebeiteld was. Het gaf de mogelijkheid om betekenisvolle intellectuele verschillen en onenigheden te hebben onder marxisten, zonder de eenheid van de strijd in gevaar te brengen of de woede van lokale communistische partijen op de hals te halen. Het gevolg was dat Indische marxisten zoals Irfan Habib het transitiedebat gebruikten om nieuwe vragen te stellen die bij het debat in de jaren 1950 afwezig waren of niet werden uitgeklaard. Is India ooit feodaal geweest, en is het nog feodaal? Welke impact had het kolonialisme op de eurocentrische aannames van Dobb en Sweezy? Was het zelfs noodzakelijk voor een niet-Europees land als India om hetzelfde model van transitie te volgen? Kunnen historici de volgorde waarin de transitie plaatsvindt veranderen? India laten passen in het transitiedebat was een manier om aan te tonen dat India het socialisme kon bereiken, ondanks haar alternatief historisch traject.

Het was via het transitiedebat dat Hobsbawm voor het eerst binnenkwam in de Indische intellectuele wereld. In de vroege jaren 1960 werd hij gevraagd door de Britse communistische uitgeverij Lawrence & Wishart om een introductie te schrijven voor de eerste Engelse vertaling van een deel van de Grundrisse van Marx, dat later als de Pre-Capitalist Economic Formations bekend zou worden. Dit boekje bracht voor het eerst een aantal van de ideeën van Marx omtrent pre-kapitalistische sociale en economische systemen en historische sociale verandering op een macro-niveau naar een Engelstalig publiek. Het onderwerp was interessant voor Indische historici aangezien het een van de weinige momenten was waarop Marx de Aziatische of Oosterse productiewijze besprak. Volgens hem werden ze gekenmerk door een despotische overheid die de meerwaarde onttrok aan een overwegend rurale dorpseconomie.

Omdat Hobsbawm de introductie had geschreven over deze tekst werd hij een bevoorrechte gesprekspartner rond deze thema’s en zijn interpretaties werden al snel kritisch bekeken. De tekst was van groot belang voor Indische marxisten. Het invloedrijke magazine Enquiry uit Delhi wijdde zelfs een volledige editie aan een heruitgave van de introductie van Hobsbawm en een lang antwoord van Habib, die Hobsbawm ervan beschuldigde Marx verkeerd te interpreteren en het belang van klassenstrijd in pre-kapitalistische economieën te minimaliseren. Door dit soort publicaties werd Hobsbawm mee op de kaart gezet. Gezien de hoge kost van boeken die in Europa gepubliceerd werden, konden niet-Indische marxistische debatten enkel circuleren door lokaal geproduceerde magazines, goedkope Indische edities, illegale kopieën, gesprekken en een klein aantal marxistische boekhandels in Delhi en Calcutta.

Doorheen de jaren 1970 werd Hobsbwam populair in India. Dit was niet omdat hij zelf de aandacht naar zich toe had getrokken, al hebben zijn twee bezoeken in de jaren 1960 en 1970 zijn reputatie geen slecht gedaan. Het was het gevolg van een bredere interesse in zijn werken. In die periode kwam er een nieuwe generatie Indische marxisten op. Zij waren het beu om over ‘ transities ’ en ‘ productiewijzen ’ te discussiëren. Deze generatie wilde revolutionaire actie. De guerrilla geïnspireerd door Che Guevara en Mao verspreidde zich over de wereld. Ondertussen maakte India zijn enige periode door waarin er geen democratie was, de ‘ noodtoestand ’ tussen 1975 en 1977. De orthodoxe communistische obsessie met de emancipatie van het industrieel proletariaat voldeed niet meer, zeker in een overwegend rurale samenleving als India.

Hobsbawm is een perfecte case study om te onderzoeken hoe marxistische ideeën over de wereld verspreid werden.

Het was deze zoektocht naar de klasse die de revolutie zou waarmaken die een andere zijde van het werk van Hobsbawm op de voorgrond plaatste, namelijk zijn onderzoek naar rebellen en bandieten, waarover hij al schreef sinds het einde van de jaren 1950. In de jaren 1970 lazen jonge Indische marxisten enthousiast de werken Primitive Rebels (1959) en zijn sequel Bandits (1969) van Hobsbawm, samen met andere teksten zoals E.P. Thompsons The Making of the English Working Class (1963). Deze serieuze historische analyses van verwaarloosde figuren zoals de maffia en bandieten gaven Indische marxisten de middelen om op zoek te gaan naar andere revolutionare actoren, dichter bij huis. Het was met Hobsbawm en Thompson in het achterhoofd dat jonge journalisten in het midden van de jaren 1970 naar de stoffige vlaktes van Uttar Pradesh trokken om te schrijven over de Indische versie van de bandiet, de dacoit.

Terwijl velen de poging apprecieerden om het revolutionaire canvas uit te breiden, kon niet iedereen akkoord gaan met de manier waarop. In het bijzonder werd er door veel Indische marxisten vijandig gereageerd op Hobsbawms orthodox communistische stelling dat boeren- en bandietenbewegingen ‘ pre-politiek ’ waren. Met andere woorden, ze waren niet politiek bewust in een revolutionaire richting. Deze kritiek werd het duidelijkst naar voren gebracht door de historicus Ranajit Guha in zijn Elementary Aspects of Peasant Insurgency in Colonial India (1983). Dit werd een van de stichtingsteksten van de subaltern studies in de historiografie. Een van de centrale stellingen van Guha’s boek was dat Hobsbawm het bij het verkeerde eind had omtrent boerenbewegingen. Hij vond dat de boerenrevolte een volledig universum besloeg van politieke activiteit in koloniaal India dat systematisch genegeerd werd door ‘ elitaire ’ historici aan zowel de linker- als de rechterzijde van het politieke spectrum. De taak van de subaltern studies was om deze vooringenomenheid aan te vallen en dus het Hobsbawmiaanse beeld van de boer als pre-politiek achter te laten.

De boerenrevolte besloeg een volledig universum van politieke activiteit in koloniaal India dat door historici systematisch werd genegeerd.

Op een bepaalde manier was het succes van de subaltern studies het einde van Hobsbawms directe impact op het Indische intellectuele leven. De postkoloniale kritiek ontwikkeld door Guha en zijn volgers duwde jonge academici weg van Hobsbawms ideeën in de jaren 1980 en 1990. Hij werd nog steeds bewonderd als een van de founding fathers van de marxistische geschiedenis maar zijn eurocentrisme maakte hem steeds minder nuttig. Er was echter nog een domein waar Hobsbawm zijn invloed bleef uitoefenen : het universitaire curriculum. De marxistische golf die de Indische academische wereld overnam in de jaren 1970 drukte zijn stempel op het onderwijzen van sociale wetenschappen in de meest prestigieuze instituten van het land.

Op de universiteit van Delhi, een grote universiteit opgericht in 1922, onderging het curriculum in de richting geschiedenis een grote aanpassing in het midden van de jaren 1970, onder druk van nieuwe academici die marxisten waren of op z’n minst sympathie voor het marxisme hadden. Een van de erfenissen van deze hervorming was het inrichten van een kernvak genaamd The Rise of the Modern West. De bedoeling was om studenten bij te leren over de ontwikkeling van de Europese samenleving en economie van 1500 tot 1800. Dit vak, dat vandaag nog bestaat, was een overzicht van de marxistische historiografische controverses van de jaren 1950 en 1960, inclusief het transitiedebat, de crisis van de 17e eeuw, mercantilisme en handel, de wortels van de industriële revolutie en enkele minder duidelijk marxistische thema’s zoals de Renaissance en de vroege Europese staatsvorming. Zoals verwacht, bevatte het vak veel marxistische teksten, inclusief Hobsbawms boeken over de industriële revolutie, Industry and Empire (1968) en de Europese 19e eeuw, Age of Revolution (1962). Ook de boeken van Dobb, Rodney Hilton, Christopher Hill, Perry Anderson en Immanuel Wallerstein werden onderwezen.

Hobsbawms invloed was ook aanwezig in een van de belangrijkste universiteiten van India, Jawaharlal Nehru University (JNU) in Delhi. De universiteit werd opgericht in 1969 en was gekend voor het opleiden van generatie na generatie marxistisch geïnspireerd academisch talent. Dit was exact het soort plaats waar Hobsbawms werk tot in het detail zou bestudeerd worden. De afgelopen halve eeuw hebben honderden studenten vakken gevolgd waar Hobsbawms werken rond arbeidsgeschiedenis, historiografie en nationalisme aanwezig waren.

Misschien wel het opvallendste is dat deze erfenis gebleven is, ondanks de liberalisering van de Indische economie sinds 1990 en het succes van het rechtse Hindu nationalisme sinds het begin van deze eeuw. De afgelopen jaren stonden zowel de JNU als Delhi University onder zware druk van een vijandige regering die het zogenaamd linkse, opruiende en anti-nationalistische gedachtegoed op de universiteiten wil bannen. Voor het eerst sinds de jaren 1970 waren verdachte academici het doelwit van geweld en administratieve censuur en is de toekomst van deze instituten als uitstekende onderzoekscentra twijfelachtig.

Desondanks is het moeilijk om de invloed van een halve eeuw onderwijs te overschatten. Het feit dat duizenden studenten aan de Delhi University les gevolgd hebben over het transitiedebat, inclusief bijna elke professionele geschiedkundige in India vandaag en een groot deel van de ambtenarij, toont de buitengewone kracht aan van marxistische debatten om hun originele context te overstijgen. Dit heeft Hobsbawm rechtstreeks geholpen. De spankracht van zijn werk heeft veel te danken aan het feit dat vele jonge Indische marxisten ook vandaag zijn naam kennen en zijn essays en boeken zullen raadplegen voor hun algemene politieke vorming.

Op verschillende manieren loopt het verhaal van het succes van Hobsbawm in Brazilië parallel met het verhaal in India. In Brazilië kon hij ook genieten van persoonlijke contacten, academische begeleiding en een gezonde dosis geluk. Maar er was nog een belangrijker element in Brazilië : de uitgavepolitiek. In tegenstelling tot India, waar zijn werk vooral in het Engels circuleerde, konden Hobsbawm en andere marxisten een veel breder publiek bereiken, omdat er vertalingen beschikbaar waren.

Hobsbawm bezocht Latijns-Amerika voor het eerst eind 1962 tijdens een door de Rockefeller Foundation bekostigde onderzoeksreis. Het doel van de reis was officieel om “vroege vormen van sociaal verzet” in de regio te bestuderen maar in realiteit gebruikte hij het geld om tussen de verschillende hoofdsteden te reizen en academici te ontmoeten. Na zijn terugkeer schreef hij enkele journalistieke artikels over armoede in de Braziliaanse favela’s en de bossa nova muziek, maar hij liet geen noemenswaardig spoor achter als academicus.

Wat Hobsbawms reputatie in Brazilië betonneerde was zijn aanwezigheid in twee cruciale politieke en intellectuele debatten. Het eerste debat was het debat over bandieten en rebellen, het tweede de geschiedenis van de opkomst van de arbeidersbeweging. Net als in India was er een grote interesse in Hobsbawms werk rond bandieten en rebellen bij jonge Braziliaanse marxisten in de jaren 1960. Net als hun Indische tegenhangers wilden Braziliaanse marxisten lokale vormen van klassenstrijd en alternatieve (pre)revolutionaire actoren identificeren. Dit vereiste een marxistisch model van historische verandering dat economische en sociale systemen omvatte die weinig met het moderne Europa te maken hadden. In het bijzonder onderzochten Braziliaanse marxisten patronen van verzet bij gemarginaliseerde groepen zoals slaven en vroege kolonisten.

Hobsbawms werk sprak rechtstreeks tot deze mensen. Zijn werk over bandieten en rebellen toonde hoe een alternatieve marxistische geschiedenis geschreven kon worden. Een groep antropologen was de eerste die het potentieel zag. Academici als Otávio Velho en Moacir Palmeira, die hun doctoraat in Europa behaalden in de late jaren 1960 en de vroege jaren 1970, wilden Hobsbawms inzichten verder uitwerken in hun eigen onderzoek. Ze onderzochten onder andere de cangaçeiro bandieten in het noordoosten van Brazilië. In dit onderzoek werd specifiek gekeken of banditisme prepolitiek was of niet. Overwegend gingen ze niet akkoord met de interpretatie van Hobsbawm maar hun uitgebreide debatten over zijn werk zorgden er voor dat de boeken Primitive Rebels en Bandits verplichte leerstof werden voor alle studenten antropologie.

Naast dit levendig debat in de antropologie bevond Hobsbawm zich ook in het middelpunt van een cruciale discussie over de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Tot de jaren 1970 was de arbeidersgeschiedenis in Brazilië vooral geschreven op basis van getuigenissen van vormalige activisten of in een strikt institutioneel kader dat de vakbonden en georganiseerde arbeid bekeek. Een nieuwe generatie geschiedkundigen, op de hoogte van de actuele marxistische debatten, vond deze aanpak onvoldoende. Het hield geen rekening met de specificiteiten van een onderontwikkelde Latijns-Amerikaanse economie. Het was ook niet toepasbaar op vele loonarbeiders in Brazilië die niet door vakbonden vertegenwoordigd werden. Om deze geschiedenis met verschillende lagen te vatten, verplaatsten Braziliaanse arbeidshistorici de focus van de instituten naar de arbeiders zelf. Ze begonnen te schrijven over de agency van de arbeiders en ze kozen voor een bredere definitie van het woord arbeider, van rurale plantatie-arbeiders tot slaven.

Eens te meer was Hobsbawm een noodzakelijk referentiepunt. Een groeiend aantal historici in de jaren 1970 begon zijn essays over arbeidsgeschiedenis aan te bevelen aan studenten. Deze teksten waren niet altijd het meest actuele academische werk, sommige waren gepubliceerd in het midden van de jaren 1950, maar ze kregen een nieuw leven met de Portugese vertalingen. Hobsbawms reputatie groeide en hij kon voortaan ook genieten van een institutionele aanwezigheid. Een belangrijk moment was een uitnodiging op een prestigieuze conferentie op de recent opgerichte Unicamp universiteit in Campinas, een stad in de staat São Paulo, in 1975. De doelstelling van het evenement was Brazilië promoten als een magneet voor academische activiteit in een periode waarin de ijzeren hand van de militaire dictatuur zijn grip aan het verliezen was. Het was een opzienbarend succes. Hobsbawm vergezelde andere bekende geschiedkundigen zoals Arno Mayer, Juan Linze en Guillermo O’Donnell in een indrukwekkende vertoning van academische kracht. De conferentie kwam in de nationale pers, de foto’s toonden overvolle zalen en analisten vroegen zich af of dit het startschot was voor een meer open fase van het militair bewind.

Tegen het einde van de jaren 1970 waren de werken van Hobsbawm verplichte lectuur voor de progressieve elite in Brazilië. Hij werd op dat moment gepubliceerd door de zeer gerespecteerde linkse uitgeverij Paz e Terra. Dit verbeterde onmiddellijk de kwaliteit van de vertalingen en gaven hem een breder bereik. Zijn invloed werd ook versterkt door een nieuwe politieke context die de marxistische debatten in de jaren 1960 en 1970 een boost gaf. De oprichting van de Partido dos Trabalhadores (PT), de arbeiderspartij, in de vroege jaren 1980 gaf een nieuwe generatie linkse activisten de kans om hun ideeën naar voren te schuiven op het politieke toneel. De intellectuele meningsverschillen die voorheen opgesloten bleven in clandestiene publicaties en donkere seminaries waren plots van belang voor de politieke strategie. Dit ging bovendien gepaard met een intellectuele shift waarbij Braziliaanse historici en sociale wetenschappers op zoek gingen naar Angelsaksische auteurs als tegenwicht voor de historische dominantie van de Franse auteurs sinds de jaren 1940.

In deze gunstige omstandigheden was het bijna onoverkomelijk dat Hobsbawm een invloedrijke stem zou worden. Hij was allesbehalve de enige academicus die een dergelijke rol zou innemen, figuren als Thompson en Foucault kenden nog een grotere invloed bij marxistische academici, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de impact van Hobsbawms werk in de jaren 1980 en 1990 groot was. Zijn grote synthese van de wereldgeschiedenis, tegen dan beschikbaar in het Portugees, bezorgde jonge marxisten het perfecte historische canvas. De verschillende delen over de geschiedenis van het marxisme die hij had samengesteld met een groep Franse en Italiaanse historici in de late jaren 1970 werden een essentiële toevoeging aan elke progressieve boekencollectie. Zelfs al telde de Braziliaanse editie 12 delen. Zijn werk over de arbeidersbewegingen gaf marxistisch geïnspireerde academici bovendien de kans om de geschiedenis van de Braziliaanse arbeidersklasse te herbekijken.

In India vormde Hobsbawms verknochtheid aan de industriële arbeidersklasse een struikelblok, maar in Brazilië was dit geen probleem. Hier was een echte arbeiderspartij, de PT, stilaan een realiteit aan het worden. Het is ironisch dat Hobsbawm net de dood van de arbeidersbeweging aankondigde in het Verenigd Koninkrijk in zijn lezing The Forward March of Labour Halted, tot ongenoegen van de Britse linkerzijde, terwijl hij simultaan de kracht van een arbeidersbeweging bewierookte in Brazilië. Deze contradictie vat nochtans perfect de fragmentatie van het mondiale marxistische debat in de jaren 1980 samen. Om deze twee verschillende werelden te beschrijven moest Hobsbawm een gespleten persoonlijkheid aannemen.

De jaren 1990 en de vroege jaren 2000 waren de apotheose van het succes van Hobsbawm in Brazilië. Hij was een persoonlijke kennis van zowel de gematigde president Cardoso, aan de macht van 1995 tot 2003, en zijn opvolger, de vakbondsman en de leider van de PT, Lula. De laatstgenoemde zei trots dat hij door Hobsbawm beïnvloed was. In 2003 kwam Hobsbawm als headliner op het FLIP festival in Paraty, dichtbij Rio de Janeiro. Zijn boeken bleven vlot verkopen. Bij de laatste telling in 2018 telde de Braziliaanse editie van The Age of Extremes 59 uitgaven.

Net als in India was er bij jonge Braziliaanse marxisten in de jaren 1960 een grote interesse in Hobsbawms werk over bandieten en rebellen.

Toen postkoloniale kritiek vrij laat haar intrede deed in Brazilië, is Hobsbawms succes wat verminderd. Fragmenten uit zijn werk kan je nog steeds vinden in Braziliaanse handboeken maar een nieuwe generatie linkse activisten en academici, meer op de hoogte van de raciale scheidingen in hun land zijn sceptisch omtrent zijn ouvrièristische aanpak. De PT heeft de macht verloren en zit in een langdurige crisis. Hobsbawms associatie met de partij begint hem tegen te werken. En nog essentiëler, zijn instictieve en diepgaande vijandigheid ten opzichte van identiteitspolitiek maakt zijn analyses niet compatibel met de exponentiële groei aan sociale bewegingen in Brazilië op basis van identiteit. Hobsbawm vierde de terugkeer van Marx in zijn laatste teksten en interviews in de vroege jaren 2010 maar er zijn twijfels of het marxisme dat aan populariteit wint, overeenkomt met zijn visie op het marxisme.

Zelfs nu de invloed van Hobsbawm is afgenomen in India en Brazilië is er geen ruimte voor teleurstelling. Hij kende een impact waarvan de meeste nonfictie auteurs enkel kunnen dromen. Desondanks is het belangrijk om te zien dat hij deze impact enkel had in een zeer specifieke context. In de periode van de vroege jaren 1960 tot de late jaren 1980 waren marxisten in niet-communistische landen in de positie om deel te nemen aan een transnationale discussie over de geschiedenis en de toekomst van het kapitalisme en wie de meest beloftevolle actoren waren voor revolutionaire verandering. Hobsbawm speelde een hoofdrol in deze discussies en kon soms zelfs de agenda bepalen.

Dit succes ging niet enkel over ideeën. De kaarten waren ook goed geschud voor Hobsbawm. Zijn mogelijkheid om bij te dragen aan het debat was een direct gevolg van een disproportionele invloed van een kleine groep Britse en Franse marxisten en het prestige dat Europees academisch gedachtegoed had in Latijns-Amerika en Zuid-Azië. Deze ideologische configuratie, die ontrafelde vanaf de jaren 1980, wanneer niet-Westerse intellectuelen strijd voerden om het marxistisch gedachtegoed te decentraliseren, vergemakkelijkte zijn infiltratie in lokale debatten.

Het heeft ook geholpen dat Hobsbawm wist hoe hij gebruik moest maken van de uitgeverijen. Het was de beschikbaarheid van Hobsbawms teksten in een goedkope Penguin uitgave in India en de goede vertalingen in Brazilië die zijn succes mee vorm hebben gegeven. Ja, de inhoud van de boeken was ook van belang en Hobsbawm heeft meegesurft op meerdere golven van marxistische interesse in de jaren 1960 en 1970 in India en 1980 en 1990 in Brazilië. Maar er waren veel werken over dezelfde onderwerpen en dezelfde debatten. Het verschil was dat deze werken minder gemakkelijk te verkrijgen waren. Het was dus uiteindelijk de paperbacks met ezelsoren en de verkleurde illegale fotokopieën die Hobsbawm groot hebben gemaakt. Paradoxaal genoeg waren zijn meest vitale bijdragen aan het internationaal marxistisch denken het gevolg van zijn perfecte beheersing van de kapitalistische boekenmarkt.

Dit artikel is een vertaling van Emile Chabal, The voice of Hobsbawm.