Artikel

De sociale zekerheid: een brok socialisme binnen het kapitalisme

Mathieu Strale

—2 april 2026

De geschiedenis van de sociale zekerheid is het resultaat van een eeuw klassenstrijd. Ook vandaag wordt er gestreden om deze “kathedraal van de arbeiders” te beschermen, tegen hen die de geschiedenis willen herschrijven en voor het behoud van dit brok socialisme binnen het kapitalisme.

De sociale zekerheid is de inzet van een bittere strijd, zowel over de financiering als over de aard van het systeem. In zijn recentste boek, Over welvaart, schetst Bart De Wever de sociale zekerheid als de vrucht van een verdeling van de rijkdom die voortvloeit uit kapitalistische bloei, en als een erfenis van de sociale leer van de Kerk. In zijn ogen is de sociale zekerheid een door de staat beheerd systeem van openbare bijstand dat burgers beschermt tegen levensrisico’s, maar dat tegelijkertijd individuele verantwoordelijkheid eist. Deze visie herleidt sociale bescherming tot een vorm van liefdadigheid: een vangnet dat zich beperkt tot de zorg voor armen, zieken en ouderen. De toekenning ervan hangt dan af van de discipline van het individu en is enkel weggelegd zijn voor wie verdienstelijk en moedig is. Het is een beeld van sociale vrede waarbij kapitaal en arbeid hand in hand gaan.

Die lezing druist echter in tegen de werkelijke geschiedenis van de sociale zekerheid. Ze wist de rol van de werkende klasse doelbewust uit. De sociale zekerheid is geen geschenk van de paus, noch een vrijgevig bijproduct van het kapitalisme ; het is de georganiseerde solidariteit van de werkende klasse. Het is een brok socialisme binnen het kapitalisme: een deel van de door arbeid geproduceerde rijkdom dat wordt onttrokken aan de winstlogica om een sociale reproductie te waarborgen waarop niet kan worden afgedongen.

De geschiedvervalsing door Bart De Wever dient een politiek doel. Door het klassenkarakter van de sociale zekerheid te loochenen en te verhullen dat ze juist tegen de kapitalisten in is opgebouwd, verandert De Wever collectieve bescherming in een kwestie van individuele en voorwaardelijke rechten. Zo schept hij het ideologische kader dat aanvallen op de financiering, de omvang en de werking van het systeem mogelijk maakt. Zijn herschrijving van de geschiedenis mondt dan ook steevast uit in een pleidooi voor de pragmatische en onvermijdelijke noodzaak om te besparen, om de individuele verantwoordelijkheid van de begunstigden te vergroten, om ze te activeren en de waarde van arbeid te herstellen.

De sociale zekerheid is het resultaat van meer dan een eeuw klassenstrijd.

Terugkijken op de ontstaansgeschiedenis van de sociale zekerheid is dus geen louter academische oefening, maar een noodzaak in de sociale strijd. Als we de huidige sociale zekerheid willen verdedigen — met alles wat ze mogelijk heeft gemaakt en in de toekomst nog kan betekenen — moeten we terugkeren naar de bron.

Een instituut gegroeid uit klassenstrijd

Wanneer we anno 2026 over de sociale zekerheid spreken, verliezen we soms het revolutionaire en antikapitalistische karakter ervan uit het oog. We zien enkel nog de praktische kant of we verwarren haar met andere nuttige openbare diensten zoals het openbaar vervoer of het onderwijs.

Nochtans is de sociale zekerheid geworteld in de klassenstrijd tegen kapitalistische uitbuiting. De roep om collectieve bescherming kwam voort uit de aard van de kapitalistische productiewijze, die oudere sociale structuren vernietigde. De opkomst van het kapitalisme dwong boeren en ambachtslieden om hun arbeidskracht te verkopen, terwijl traditionele solidariteitsvormen, zoals gilden of dorpshulp, verdwenen. Het proletariaat was volledig overgeleverd aan de grillen van de patron: wie geen werk had, had geen loon en kon dus niet overleven. Ziekte, ouderdom en werkloosheid waren een directe bedreiging voor het voortbestaan van de arbeider.

Als reactie op die groeiende onzekerheid begon de arbeidersklasse zich te organiseren. Al in de 19e eeuw ontstonden er als antwoord op armoede, arbeidsongevallen en epidemieën hulpkassen en coöperaties, die aanvankelijk vaak illegaal waren. Deze structuren, de voorlopers van onze ziekenfondsen, werden door de arbeiders zelf gefinancierd en beheerd. Ze waren de eerste vorm van volksorganisatie tegen de risico’s van het kapitalisme.

Anders dan de liefdadigheid van de burgerij of de kerk, vertrokken deze klasseninstellingen vanuit het idee dat solidariteit geen morele deugd was, maar een sociale machtsverhouding. Door de risico’s te collectiviseren bouwde de arbeidersbeweging een tegenmacht op. Die organisatie werd dan ook onderdrukt. Zo probeerde de Franse staat al in 1852 de geest van de mutualiteit te recupereren door ziekenfondsen in te kapselen in de sociale orde, via notabelen en de clerus, om te voorkomen dat ze zouden dienen om het klassenconflict te organiseren.

Ook in België werd de sociale zekerheid zoals we die vandaag kennen, afgedwongen door stakingen en syndicale actie. Eerst legden de sociale strijd en de grote algemene stakingen aan het einde van de negentiende en het begin van de 20e eeuw de basis voor de eerste collectieve structuren: vakbonden, ziekenfondsen, coöperaties en autonome kassen voor sociale bescherming en stakingen.

De sociale zekerheid is noch een geschenk van de paus, noch een vrijgevig uitvloeisel van het kapitalisme, maar de “georganiseerde solidariteit van de werkende klasse”.

Tijdens het interbellum werden door massale stakingen een aantal andere belangrijke mijlpalen afgedwongen. De algemene staking van 1936, die uitbrak na de moord op twee socialistische militanten, dwong het minimumloon, betaald verlof, de ziekteverzekering en de eerste aanzet tot de veertigurenweek af.

Mathieu Strale is onderzoeker aan het Institut de Gestion de l’Environnement et d’Aménagement du Territoire (het Instituut voor Milieubeheer
en Ruimtelijke Ordening, DGES-IGEAT)
van de ULB. Hij doet onderzoek naar de problematiek van de grootstedelijke mobiliteit in Brussel en Europa.

De eigenlijke, officiële oprichting van het stelsel van de sociale zekerheid eind 1944 staat in rechtstreeks verband met het revolutionaire klimaat vlak na de bevrijding. De impopulaire Belgische regering in ballingschap stemde in met het Sociaal Pact onder druk van het Verzet en uit angst voor sociale onrust. Het Sociaal Pact van 1944, clandestien voorbereid in het bezette België, formaliseerde die overwinning. Het voerde een verplichte sociale zekerheid in, gefinancierd door bijdragen en paritair beheerd door vakbonden en werkgevers. De besluitwet van 28 december 1944 vormt de wettelijke hoeksteen van het Belgische model.

Doorslaggevend hierbij was de vrees voor revolutionaire krachten. Kopstukken van het Belgische establishment gaven later toe dat het Sociaal Pact in 1944 halsoverkop werd getekend om de orde te handhaven en revolutionaire tendensen, onteigeningen en nationalisaties de pas af te snijden. De druk van communistische partijen en vakbonden in heel Europa was cruciaal ; hun enorme populariteit en het prestige van de USSR hingen als een zwaard van Damocles boven de Europese bourgeoisie.

De sociale zekerheid is dus de uitdrukking van een economische macht die door werknemers is veroverd op de marktlogica. Het is het resultaat van een verbeten conflict. Kortom: zonder sociale strijd zou er geen sociale zekerheid bestaan.

Collectieve bescherming voor de werkende klasse

Een marxistische analyse van de sociale zekerheid weerlegt de heersende opvatting van de voorbije dertig jaar, die de sociale zekerheid voorstelt als een loutere individuele verzekering of als eenvoudige bijstand voor de meest kwetsbaren.

De sociale zekerheid, zoals de arbeidersbeweging die gewild en opgebouwd heeft, belichaamt een principe dat lijnrecht tegenover de marktlogica staat: collectieve en universele solidariteit. De moderne sociale bescherming is geen filantropisch gebaar van de burgerij, maar een georganiseerde reactie van de werkende klasse op de ontwrichting door het kapitalisme.

Concreet rust de sociale zekerheid op vier pijlers.

De eerste twee zijn universaliteit en solidariteit. Iedereen heeft recht op bescherming. Solidariteit verbindt alle werknemers: actieven en niet-actieven, jong en oud, gezonden en zieken. Het systeem is universeel. Dat betekent dat de sociale zekerheid, in tegenstelling tot private verzekeringen, die duurder en uitsluitend zijn, niet discrimineert op basis van individuele risico’s. Ze vertrekt vanuit solidariteit bij tegenslag en tegen kapitalistische uitbuiting.

Talrijke liberale hervormingen hebben geprobeerd deze collectieve solidariteit om te vormen tot een individuele verzekering.

Hieruit volgt het derde principe: sociale bescherming is een recht dat elke werknemer toekomt. Het is geen aalmoes of een gunst die afhangt van de vrijgevigheid van de burgerij of van de verdienste of discipline van wie er een beroep op doet.

Ten vierde is er de collectieve financiering. Historisch gezien wordt het systeem hoofdzakelijk gefinancierd via sociale bijdragen. Dat is een manier om het beheer van een deel van de geproduceerde waarde uit handen van de werkgever te houden. Dat gesocialiseerde loon wordt bijeengelegd om collectief sociale risico’s en behoeften te dekken. Deze zijn onderverdeeld in zeven takken: pensioenen, werkloosheid, kinderbijslag, jaarlijkse vakantie, ziekte- en invaliditeitsverzekering, beroepsziekten en arbeidongevallen. Dit principe staat haaks op dat van de private kapitalistische verzekering, waar risicoselectie centraal staat en de uitkering gekoppeld is aan de individuele premie (je krijgt wat je betaalt). Door te mikken op dekking voor alle werknemers, vormt de sociale zekerheid een dam tegen ongelijkheid en precarisering, en tegen de wet van de omgekeerde zorg — waarbij de beschikbaarheid van goede zorg vaak omgekeerd evenredig is aan de behoeften van de bevolking — die de markt creëert.

Het systeem botst ook met de logica van liefdadigheid. De bescherming tegen inkomensverlies bij ziekte of ongeval erkent dat elke werknemer recht heeft op een inkomen, ongeacht zijn toestand. Het gaat dus om veel meer dan louter de betaling van doktersrekeningen ; het is een klassenlogica. Ook het recht op een pensioen dient niet alleen om voor ouderen te zorgen, maar om werknemers na hun loopbaan een waardig inkomen te garanderen, zodat ze bevrijd worden van kapitalistische uitbuiting. Diezelfde klassenlogica maakt dat de werkloosheidsverzekering — als vervangingsinkomen om werknemers collectief te beschermen tegen onzekerheid en onderlinge concurrentie op de arbeidsmarkt — iets totaal anders is dan loutere armenhulp.

De sociale zekerheid is dus opgebouwd als een expliciete afwijzing van de aalmoezen- en liefdadigheidscultuur van de 19e-eeuwse burgerij, die politici als Bart De Wever vandaag opnieuw willen invoeren.

In België hebben de ziekenfondsen en vakbonden deze collectieve bescherming zelf in handen genomen. Dat druist in tegen de burgerlijke traditie, die enkel gelooft in een representatief systeem: de burger wordt geacht onbekwaam te zijn voor technische dossiers, die dan maar aan politici en ambtenaren moeten worden overgelaten. De sociale zekerheid vereist daarentegen dat werknemers zelf collectief beslissen. Die autonomie wekte de afgunst en vrees van de kapitalisten. Nicolas Da Silva vat het scherp samen: “ Men begrijpt de weerstand in bepaalde kringen. Stel je voor: zo’n reusachtig budget (…) dat door de werknemers zelf beheerd wordt. Stel je voor dat het patronale paternalisme daar geen vat meer op heeft, zoals vroeger bij de sociale werken die door de bazen werden opgericht en geleid.”

Het idee dat de sociale zekerheid er alleen is voor de zwaksten, is in feite een retorisch en praktisch wapen in de neoliberale strijd om de universaliteit van het systeem te slopen. Achter de schermen hebben talloze liberale hervormingen geprobeerd die collectieve solidariteit te vervangen door individuele verzekeringen. Een cruciale strategie hierbij is de zogenaamde targeting of doelgerichtheid. Dat houdt in dat bijvoorbeeld in de gezondheidszorg de sociale zekerheid zich enkel nog mag bezighouden met de armsten en zieksten (het groot risico) via een minimaal basispakket. Zo wordt een collectief recht gedegradeerd tot sociale bijstand, terwijl de rest van de behoeften (het klein risico en de ereloonsupplementen) wordt doorgeschoven naar de markt van aanvullende verzekeringen bij ziekenfondsen en private verzekeraars. Dat aanbod van facultatieve extra’s groeit terwijl de universele zorg achteruitgaat: langere wachttijden, hogere kosten … De veralgemening van aanvullende verzekeringen duwt elke werknemer in een individuele relatie tot risico’s, wat de interprofessionele en intergenerationele solidariteit fundamenteel ondermijnt.

De aard van de hedendaagse aanvallen op de collectieve solidariteit

Al decennialang ligt de sociale zekerheid onder vuur. Het neoliberale beleid beperkt zich niet tot besparingen ; het wil de principes van het systeem fundamenteel wijzigen.

Eerst en vooral wil het een einde maken aan het zelfbeheer door de werknemers, dat wordt weggezet als inefficiënt en te gevoelig voor sociale eisen. De fiscalisering, waarbij de financiering verschuift van sociale bijdragen naar belastinggeld, versnelt die onttrekking, omdat financiering via belastingen de staat de legitimiteit geeft om de controle over te nemen. De instellingen zijn dan niet langer het exclusieve eigendom van de werknemers die eraan bijdragen. De staat legt een voogdij op en bepaalt de hoogte van de uitkeringen op basis van begrotingsdiscipline en kostenbeheersing.

In België zetten de regeringen onder leiding van Martens, Dehaene en Verhofstadt in de jaren 1980 en 1990 deze beweging in: meer controle op werklozen, de opmars van aanvullende verzekeringen en de regionalisering van bevoegdheden.

Onder het mom van modernisering grijpt de staat de macht over de sociale zekerheid en effent hij het pad voor de privésector. Die dynamiek is te zien in heel West-Europa. In Frankrijk dienen de pensioenhervormingen en de wijzigingen in de werkloosheidsverzekering hetzelfde doel: de arbeidskost drukken en het individu responsabiliseren. In Duitsland gaat de flexibilisering van de arbeid hand in hand met een punitieve sociale staat. In Nederland leidde de privatisering van de zorgverzekering in de jaren 2000 tot een explosie van de ongelijkheid.

Bart De Wever bouwt aan het ideologische kader dat aanvallen op de sociale zekerheid mogelijk maakt: tegen de financiering, de omvang en de werking ervan.

De neoliberale actieve welvaartsstaat is in feite een andere manier om controle uit te oefenen op de arbeid. Werkloosheid, ziekte en pensioen worden pasmuntjes die onderworpen zijn aan budgettaire krapte en de logica van verdienste. Wat een recht was voor werknemers, wordt voorwaardelijke hulp die de ontvangers stigmatiseert. Men moet tot elke prijs vermijden om als steuntrekker bestempeld te worden.

Een moreel wapen dat hierbij vaak wordt ingezet, is de retoriek rond sociale fraude, hoewel alle ernstige studies aantonen dat het fraudepercentage uiterst laag is en de bedragen in het niet vallen bij die van de grootschalige fiscale fraude. Dit discours dient om controlemechanismen en voorwaarden te rechtvaardigen die de kern van de sociale zekerheid aantasten. Wie een beroep doet op het systeem, moet zich onderwerpen aan een verstikkende bureaucratie. De focus ligt niet meer op het vervullen van de behoeften van de werknemer, maar op het controleren of die de uitkering wel verdient.

Aan de financieringskant domineert het verhaal van het gat in de sociale zekerheid. Door het tekort uitsluitend te wijten aan stijgende kosten door vergrijzing en nieuwe behoeften, rechtvaardigt men besparingen. Analyse toont echter aan dat het probleem vooral bij de inkomsten ligt. Het neoliberale offensief heeft de financiering uitgehold door de werkgeversbijdragen massaal te verlagen. Deze lastenverlagingen, zoals de taxshift in België, kosten de sociale zekerheid jaarlijks miljarden euro’s. Het patronaat verkoopt dit als een daling van de lasten op arbeid, terwijl het in feite gaat om een diefstal van een deel van het uitgesteld loon. Het is een massale transfer van kapitaal van de werknemers naar de werkgevers. Dit kunstmatige financieringstekort wordt vervolgens gebruikt als excuus voor nieuwe ingrepen in pensioenen, werkloosheid of gezondheidszorg.

In België is de regionalisering een ander strijdfront. Het patronaat en de nationalisten willen de eenheid van de vakbonden breken en de solidariteit tussen de regio’s ondermijnen. In de kinderbijslag is dat al gedeeltelijk gebeurd, met verschillende bedragen per regio tot gevolg en een uitsluiting van vakbonden en ziekenfondsen bij het beheer van de geregionaliseerde takken.

Tegenover deze aanvallen biedt de Belgische werkende klasse weerstand, vooral dankzij de slagkracht van haar vakbonden en ziekenfondsen — de organisaties die aan de wieg stonden van het systeem. Maar de trend is zorgwekkend: minder financiering via bijdragen, groeiende ongelijkheid en een uitholling van de democratische controle. De klassenstrijd gaat onverminderd voort om het collectieve en autonome karakter van de sociale zekerheid te verdedigen tegen hen die haar willen herleiden tot een instrument voor het beheer van menselijk kapitaal. Dit gevecht is fundamenteel een politieke keuze over het type samenleving waarin we willen leven.

Sociale zekerheid: behoeften politiseren en democratiseren

De sociale zekerheid heeft existentiële vragen — over gezondheid, ouderdom en werkloosheid — tot een politiek thema gemaakt. Ze heeft de sociale reproductie uit de privésfeer gehaald en tot een publieke zaak verheven. In de kapitalistische logica is elke behoefte individueel: iedereen moet zelf maar zien hoe hij zijn zorg, wonen en toekomst betaalt. De sociale zekerheid draait dat om: ze maakt van de bevrediging en zelfs van de definitie van behoeften een collectieve verantwoordelijkheid. Ze wordt gefinancierd, bediscussieerd en georganiseerd door de werkende klasse zelf.

David Matthews stelt in The Class Struggle and Welfare: “ De sociale zekerheid is een school voor democratie: ze leert werknemers dat hun behoeften geen schulden zijn, maar rechten.”

Die politisering betekent dat economische krachten via de sociale zekerheid, tenminste gedeeltelijk, onderworpen worden aan bewuste sociale controle. Het is een breuk met de marktlogica, waarbij behoeften worden bepaald door private productie en individuele consumptiekeuzes. De markt privatiseert behoeften door ze over te laten aan private investeerders. De sociale zekerheid stelt daar een collectief proces tegenover waarin de werkende klasse zelf bepaalt wat haar behoeften zijn en hoe die worden ingevuld. Ze maakt het mogelijk om samen te beslissen welke noden we als samenleving prioriteit geven.

Sociale bescherming socialiseert de reproductie van de arbeidskracht: ze erkent dat een werknemer huisvesting, gezondheid en onderwijs nodig heeft. Maar ze gaat verder dan die louter economische functie: ze geeft werknemers een politiek recht op hun levensomstandigheden. Uitkeringen zijn geen gunsten, maar collectieve rechten die gegarandeerd worden door de bijdrage. Iedereen draagt bij naar vermogen en ontvangt naar behoefte. Dat vergroot de greep van de samenleving op haar eigen koers.

De sociale zekerheid belichaamt een concrete utopie: een samenleving waarin menselijke behoeften, en niet de winst, de productie bepalen.

Dit gaat verder dan loutere herverdeling, het achteraf aanpassen van koopkracht. Het wil de structuur van onze behoeften zelf veranderen. Door het beheer van hun eigen middelen kunnen werknemers de sociale doelen van hun maatschappij herdefiniëren, zoals de invoering van universele zorg of de bouw van sociale woningen. De heersende klasse wil de politiek daarentegen ondergeschikt maken aan de economie. Democratie wordt dan beperkt tot het achteraf bijsturen van de verdeling, zonder ooit de aard van de productie zelf in vraag te stellen. Dat leidt tot een maatschappij als een supermarkt, waarin de burger wordt vervangen door de consument en behoeften worden bepaald door prijs en winst.

De sociale zekerheid verdedigen betekent dus meer dan alleen besparingen weigeren ; het betekent opkomen voor een ander maatschappijmodel. Het is geen administratief instrument of een publieke dienst zoals een ander, maar een plek waar economische democratie concreet wordt uitgeoefend. Daarom vormt ze een bedreiging voor de kapitalistische orde: ze bewijst dat we middelen ook op een andere manier kunnen toewijzen en de samenleving anders kunnen organiseren.

We moeten daarom terug naar de basis: collectiviteit, solidariteit en universaliteit. De sociale zekerheid biedt alle werknemers — en niet enkel de armsten — een vitale bescherming tegen de grillen van de markt. Ze is een buffer tegen uitbuiting en onderdrukking. Ze laat ons toe het bijstandskapitalisme af te wijzen waarnaar regeringen en de private zorgsector ons willen duwen. Dat vereist dat we de sociale macht van het systeem herwaarderen en kiezen voor beheer door de werknemers in plaats van overheids- of kapitaalsdominantie.

De sociale zekerheid is de instelling waarmee de werkende klasse rechten heeft afgedwongen en waarmee ze een efficiënt model van bescherming heeft gecreëerd, met bovendien zeer lage beheerskosten. De strijd om dit systeem te beschermen en verder uit te bouwen, is dé centrale uitdaging voor de werkende klasse in 2026. Dat is geen nostalgie, maar een actualisering van het emancipatieproject dat de sociale zekerheid van bij het begin was. In een wereld waarin het kapitalisme alles privatiseert, herinnert de sociale zekerheid ons eraan dat solidariteit kan bestaan zonder de markt. Ze is een concrete utopie: een samenleving waarin collectief bepaalde menselijke behoeften, en niet de winst, de productie aansturen. De sociale zekerheid is een al bestaand alternatief, een kiem van socialisme gebaseerd op de democratische organisatie van de werkende klasse.