Artikels

De methode achter het tekort: hoe de sociale zekerheid wordt drooggelegd

Volgens Clarisse Van Tichelen en Louise Lambert is de sociale zekerheid een instelling die het mogelijk heeft gemaakt om levensbehoeften te onttrekken aan de logica van de markt. De sociale zekerheid lijdt niet aan buitensporige uitgaven, maar aan georganiseerde onderfinanciering.

De Belgische sociale zekerheid zit al enkele decennia in een voortdurende crisis. Het systeem zou te duur en onhoudbaar zijn en het begrotingsevenwicht van de staat in gevaar brengen. Door de constante herhaling is dit discours zo vanzelfsprekend geworden dat er amper geluisterd wordt naar alternatieve visies op de situatie. Met hun onderzoek willen Clarisse Van Tichelen (coördinator van de studie- en vormingsdienst van ACV Puls) en Louise Lambert (Algemene Centrale ABVV) deze blokkering in het debat doorbreken. Een analyse van de statistische gegevens over socialezekerheidsinkomsten en -uitgaven laat namelijk een heel ander beeld zien

Mathieu Strale Kunnen jullie uitleggen waarom jullie de financiering van de sociale zekerheid hebben geanalyseerd? Waarom is dit een cruciaal vakbondsvraagstuk?

Louise Lambert Onze aanpak is gebaseerd op een zeer duidelijke empirische waarneming op het terrein: het bestaan van een echte vicieuze cirkel. We zien een opzettelijke verlaging van een deel van de financiering van de sociale zekerheid. Door een domino-effect creëert dit een permanente druk op de uitkeringen van de sociale zekerheid: pensioenen, gezondheidszorg en andere toelagen. Deze druk wordt vervolgens gebruikt om verdere beperkingen te rechtvaardigen, waardoor het gevoel dat het systeem in een crisis verkeert weer wordt aangewakkerd.

Clarisse Van Tichelen is coördinatrice van de dienst studie, vorming en communicatie van de bediendencentrale CNE, aangesloten bij het ACV-CSC.

Met ons onderzoek wilden we nagaan of we dit gevoel konden meten. Hiervoor hebben we de evolutie van de inkomsten geanalyseerd en in het bijzonder die van de socialezekerheidsbijdragen. Want we moeten hier aan een fundamenteel punt herinneren: de sociale zekerheid werd oorspronkelijk niet gefinancierd door belastingen. De sociale zekerheid is gebaseerd op werk, op een bijdrage van werknemers, de zogenaamde sociale bijdragen, om de risico’s van werk en leven te dekken. Dit noemen we het uitgestelde loon of het gesocialiseerde loon. Deze financiering heeft een historische oorsprong. De sociale zekerheid kwam voort uit de solidariteit van werknemers die solidariteitsfondsen opbouwden op bedrijfs- of sectorniveau door een deel van hun inkomen samen te voegen. Pas later, onder druk van de klassenstrijd, werden deze fondsen verenigd en veralgemeend tot een nationaal socialezekerheidsstelsel. Dit systeem werd gezamenlijk beheerd door de vakbonden, ziekenfondsen en werkgevers. Deze financiële en bestuurlijke autonomie ten opzichte van de staat was ook een vorm van bescherming tegen de politieke macht: financiële en politieke keuzes met betrekking tot de sociale zekerheid werden gemaakt zonder inmenging van de regering.

Dat is nu niet meer zo. Als de socialezekerheidsbijdragen dalen — op de redenen hiervoor komen we later terug — is het de staatsbegroting, d.w.z. de inkomsten uit btw, personenbelasting en onroerende voorheffing, die wordt aangesproken om de begroting van de sociale zekerheid in evenwicht te brengen (zie kader 1).

Kader 1
Ontvangsten en uitgaven van de sociale zekerheid in België
65 procent van de inkomsten van de sociale zekerheid is afkomstig uit sociale bijdragen en 35 procent uit de staatsbegroting. Aan de uitgavenkant gaat ongeveer 50 procent naar pensioenen, iets minder dan 30 procent naar gezondheidszorg en 10 procent naar ziekte- en invaliditeitsuitkeringen. Zelfs vóór de hervormingen van de Arizona-regering vertegenwoordigde het budget voor werkloosheid en loopbaanonderbreking een zeer bescheiden bedrag, iets meer dan 4 procent van het socialezekerheidsbudget.
Bron : https://bosa.belgium.be/nl/themas/begroting-en-boek-houding/begrijpbare-begroting/initiaal-begroting

Clarisse Van Tichelen Voor een vakbond als de ACV Puls zijn er twee redenen om de financiering van de sociale zekerheid te analyseren. Ten eerste op het niveau van ACV Puls, omdat veel werknemers in de non-profitsector hun arbeidsomstandigheden en lonen direct afhankelijk zien van de soliditeit van deze financiering. Maar er is ook een diep politieke dimensie. De sociale zekerheid biedt een fundamenteel alternatief voor het kapitalisme. De sociale zekerheid heeft het mogelijk gemaakt om miljarden euro’s aan rijkdom van de markt te halen, ze te onttrekken aan de logica van de winst en niet-marktgebonden levensvormen te financieren die gebaseerd zijn op solidariteit. De sociale zekerheid is niet zomaar een openbare dienst, ze is vooral een overwinning van de werkende klasse op het kapitaal. Het opnieuw opbouwen van een klassendiscours rond de sociale zekerheid is essentieel als we de huidige stigmatisering van langdurig zieken, werklozen en mensen met een uitkering willen tegengaan.

Het dominante discours van de opeenvolgende regeringen wijst op een “uitgavenexplosie” die het systeem onhoudbaar maakt. Wat zegt jullie onderzoek over deze retoriek?

Louise Lambert De cijfers tonen dat de uitgaven inderdaad stijgen. Maar deze toename is normaal en grotendeels voorspelbaar. Ze hangt samen met de vergrijzing van de bevolking, waardoor de uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg stijgen. Het is misleidend om deze ontwikkeling voor te stellen als een ontsporing. Het echte probleem zijn niet de uitgaven, maar het feit dat de financiering geen gelijke tred houdt met de behoeften. Er bestaat dus een structurele kloof.

Zelfs voor mensen die zichzelf zien als “nettobetalers” of die een goed loon hebben, blijft de sociale zekerheid de beste bescherming.

Clarisse Van Tichelen Dit punt wordt terecht benadrukt door het Franse collectief Nos Services Publics. Bepalen of onze sociale zekerheid of onze openbare diensten goed gefinancierd zijn door simpelweg te kijken naar veranderingen in de begroting is misleidend. In plaats daarvan moeten we kijken naar hoe er wel of niet wordt voldaan aan de behoeften van de bevolking. Anders krijgen we namelijk een probleem: als we alleen kijken naar het budget van de sociale zekerheid, dan stijgt dit elk jaar. Dat is wat de Arizona-regering zegt: de uitgaven voor gezondheidszorg zullen de komende jaren stijgen in België. En dat klopt. Maar zal deze verhoging voldoende zijn om in de behoeften te voorzien of om op zijn minst het huidige niveau van sociale uitkeringen te handhaven? Nee. Als gevolg hiervan zullen de gezondheidszorg en diensten voor ouderen verslechteren. Dit moet je goed begrijpen, want als je zegt dat “de regering bezuinigt op de sociale zekerheid”, kan deze uitspraak direct worden weerlegd met de cijfers. En zo haken mensen af: aan de ene kant horen ze over bezuinigingen in de zorg, en aan de andere kant zeggen Les Engagés of Vooruit “maar nee, kijk, het budget stijgt”.

Het handhaven van een constant niveau van rechten impliceert automatisch een verhoging van de budgetten. Het Planbureau schat bijvoorbeeld dat de “groeinorm” voor de zorgbegroting ongeveer 3 procent per jaar zou moeten zijn tussen nu en 2029. De Arizona-regering beperkt de stijging van de financiering echter tot 2,4 procent per jaar. Erger nog, in 2026 betekenen de opgelegde besparingen in de gezondheidszorg dat de groeinorm effectief wordt teruggebracht tot 1 procent. Deze structurele onderfinanciering betekent bijvoorbeeld 900 miljoen euro minder voor de zorg in 2029. Als gevolg daarvan zullen diensten niet meer worden geleverd of duurder worden en zullen de arbeidsomstandigheden in de zorgsector verslechteren.

Mathieu Strale is onderzoeker aan het Institut de Gestion de l’Environnement et d’Aménagement du Territoire (het Instituut voor Milieubeheer en Ruimtelijke Ordening, DGES-IGEAT) van de ULB. Hij doet onderzoek naar de problematiek van de grootstedelijke mobiliteit in Brussel en Europa.

Als het probleem van de financiering van de sociale zekerheid er een is van inkomsten in plaats van uitgaven, hoe is deze afbraak de afgelopen decennia dan georganiseerd?

Clarisse Van Tichelen De cijfers tonen aan dat de strategie in België de afgelopen dertig jaar opvallend consistent is geweest. We zien een enorme verlaging van het effectieve tarief van de sociale bijdragen van werkgevers. Deze beweging kwam onder de regering-Michel in 2014-2019 in een stroomversnelling met de taxshift, maar ze is al minstens sinds het midden van de jaren negentig aan de gang en werd door alle regeringscoalities nagestreefd. Om een cijfer te geven: het aandeel van de sociale bijdragen in de toegevoegde waarde [nvdr: in de productie van rijkdom in België, ook bekend als het bruto binnenlands product (bbp)] is gedaald van 14,6 procent in 1995 naar 11,3 procent in 2025. België ligt nu onder het niveau van zijn buurlanden (zie kader 2).

  1. Kader 2
    Evolutie van de sociale bijdragen van bedrijven
    De ontwikkeling van de werkgeversbijdragen als percentage van de toegevoegde waarde laat een duidelijk neerwaartse trend zien. In 1995 vertegenwoordigden de sociale bijdragen 14,6 % van de Belgische toegevoegde waarde. Dit aandeel piekte op 15,9 % tijdens de crisis van 2009. Sindsdien is dit aandeel gedaald tot 13,4 % van het bbp. Daar komt nog bij dat België zijn arbeidsmarkt massaal subsidieert voor 2,1 % van de toegevoegde waarde (wat overeenkomt met 11,4 miljard euro in 2023), tegenover 0,03 % in Duitsland, 0,3 % in Frankrijk en 0,4 % in Nederland. Deze subsidies komen uit de socialezekerheidskas (via gerichte verlagingen van de sociale bijdragen van werkgevers) en van de staatsbegroting. Als we deze loonsubsidies beschouwen als een vermindering van de bijdragen, bedragen de Belgische werkgeversbijdragen nu slechts 11,3 % van de toegevoegde waarde (net vóór Duitsland met 10 % en achter Nederland en Frankrijk met respectievelijk 11,4 % en 14,5 % van het bbp). België onderscheidt zich ook van zijn buurlanden door het feit dat het aandeel van de werkgeversbijdragen in het bbp sterk is gedaald sinds 2004.
    Bron : www.econospheres.be/Ou-sont-passes-les-jobs-jobs-jobs-promis-1133

Om deze bezuinigingen te rechtvaardigen wordt altijd hetzelfde argument aangevoerd: “de loonkosten verlagen” om meer werkgelegenheid te creëren. De bijdragen die door deze nieuwe banen worden betaald, worden verondersteld de daling van de bijdragepercentages te compenseren en nieuwe inkomsten voor de sociale zekerheid op te leveren.

Het idee dat lagere bijdragen voor massale werkgelegenheid zouden zorgen, wordt echter tegengesproken door de feiten. De periodes waarin de bijdragen het meest werden verlaagd, komen niet overeen met periodes waarin veel banen werden gecreëerd. Erger nog, terwijl de particuliere sector heeft geprofiteerd van de meeste verlagingen van de bijdragen, met name via de taxshift, is juist in de publieke sector de werkgelegenheid het meest toegenomen (zie kader 3). Deze verlagingen van de bijdragen zijn een cadeau aan de werkgevers, die de solidariteitskas verarmen zonder een gelijkwaardige sociale opbrengst te garanderen.

Kader 3 Dertig jaar cadeaus aan bedrijven in naam van de werkgelegenheid Voor elke 100 euro brutoloon droegen bedrijven in 1996 nog 33 euro bij aan de sociale zekerheid, terwijl dat nu nog maar 21 euro is. Deze verlaging van de loonkosten kost nu al meer dan 16 miljard euro per jaar en dit bedrag zal de komende jaren alleen maar toenemen. Een groot deel van de verlaging van de socialezekerheidsbijdragen van werkgevers is te danken aan de taxshift van de regering-Michel (2014-2019). Naast een verlaging van de werkgeversbijdragen omvatte deze taxshift een verlaging van de vennootschapsbelasting en een hervorming van de inkomstenbelasting. Vermindering van de werkgeversbijdrage: commerciële activiteit Dit doet de vraag rijzen naar het effect van deze belastingvoordelen op de werkgelegenheid. Enkele vaststellingen: De werkgeversbijdragen in de particuliere sector stegen tussen 1995 en 2023 met 1 % per jaar, wat minder is dan de groei van het bbp in deze periode en minder dan de groei van de werkgeversbijdragen in de publieke sector, die 1,9 % per jaar bedroeg. Het percentage van de werkgeversbijdragen daalde in de particuliere sector (-0,6 % per jaar), terwijl het stabiel bleef in de publieke sector (+0,3 % per jaar). De taxshift van de regering-Michel is vooral gunstig geweest voor de particuliere sector, die tussen 2014 en 2019 jaarlijks 2,5 % minder bijdraagt. Over de hele periode groeide de werkgelegenheid in de publieke sector sneller dan in de particuliere sector. Sinds 2014 heeft de zwakke groei van de werkgelegenheid in de particuliere sector de verlagingen van de bijdragepercentages niet gecompenseerd in termen van inkomsten uit socialezekerheidsbijdragen. Bronnen : www.denktankminerva.be/analyse/2025/8/21/staatsschuld-en-boete-moderne-fabels-over-overheidsuitgaven-en-begrotingstekorten-86xl8-ssp4d www.econospheres.be/Ou-sont-passes-les-jobs-jobs-jobs-promis-1133

Louise Lambert De Arizona-regering vervolgt en versnelt deze aanpak. Ze hebben besloten om de werkgeversbijdragen voor lage en middenlonen verder te verlagen, wat neerkomt op een verlies van een miljard euro, en om de werkgeversbijdragen voor de hoogste lonen, boven 340.000 euro bruto, te beperken. De wet van 96 die de lonen blokkeert blijft echter van kracht. De werkgeversbijdragen worden dus verlaagd en tegelijkertijd worden de lonen bevroren, allemaal in het voordeel van de werkgevers.

De beheerskosten van de sociale zekerheid zijn veel lager, juist omdat er geen winst hoeft te worden gemaakt.

Clarisse Van Tichelen Dit is in lijn met wat we de afgelopen dertig jaar hebben gezien. Alle federale regeringen hebben deelgenomen aan dit beleid om de werkgeversbijdragen te verlagen, maar dit beleid versnelt wanneer alleen rechts aan de macht is, zoals onder de regering-Michel of nu onder de Arizona-regering.

Jullie spreken ook van een uitholling van de belastbare grondslag,d.w.z. de werknemers die bijdragen aan de financiering van de sociale zekerheid. Welke mechanismen spelen hier een rol?

Louise Lambert We zien een toename van atypische vormen van werk die weinig of niets bijdragen aan het systeem. De toename van het gebruik van studentenjobs 1, de massale uitbreiding van flexi-jobs 2, en de groei van extralegale voordelen — maaltijdcheques, bedrijfswagens, premies — beroven de sociale zekerheid van essentiële inkomsten.

Flexi-jobs zijn hier een goed voorbeeld van. Ze mogen dan wel een werkgeversbijdrage omvatten, maar ze zijn volledig vrijgesteld van persoonlijke bijdragen en belasting voor de werknemer. Dit verzwakt direct de gemeenschappelijke pot.

Een ander belangrijk punt is de loonblokkering. Er is een verband met de wet van 1996 die onderhandelingen over loonsverhogingen blokkeert, de barema’s die het brutoloon bepalen, buiten de indexering om. Aangezien het bijna onmogelijk is geworden om over brutoloonstijgingen te onderhandelen, gaan de onderhandelingen tussen de werkgevers en de vakbonden over nettoverhogingen. Dat is een valstrik. Werknemers accepteren deze voordelen om onmiddellijk over meer koopkracht te beschikken. Maar in de loop van hun carrière leveren ze in. Wat ze vandaag aan netto-inkomen winnen, zullen ze morgen verliezen aan pensioenen of vergoedingen voor gezondheidszorg, met andere woorden op hun uitgestelde loon.

En dan is er nog de impact van het oprichten van vennootschappen. Dit betreft veelverdieners die een vennootschap oprichten en zichzelf in plaats van loon een vorm van dividenden uitbetalen, waardoor ze grotendeels ontsnappen aan sociale bijdragen. Tegelijkertijd worden kortgeschoolde werknemers in sectoren als de bouw en het transport door hun bazen gedwongen om als zelfstandige aan de slag te gaan om de loonkosten te drukken.

Om de verlaging van de bijdragen, vooral van de werkgevers, te compenseren, wordt een beroep gedaan op de staatsbegroting om de begroting van de sociale zekerheid in evenwicht te brengen. Formeel gezien is deze begroting dus in evenwicht en bestaat er geen “gat in de sociale zekerheid”, zoals Bouchez onlangs beweerde. Maar deze financiering door de overheid heeft politieke gevolgen. Jullie hekelen ook de toenemende controle van de staat over het beheer van het systeem. Hoe verandert dit
de aard van de sociale zekerheid?

Clarisse Van Tichelen We zijn getuige van een heroverweging van het traditionele gezamenlijke beheer van de sociale zekerheid door ziekenfondsen, vakbonden en werkgevers. De staat laat het niet bij het compenseren van de tekorten die hij zelf heeft gecreëerd door de bijdragen te verlagen. Hij maakt van de gelegenheid gebruik om het beheer van de sociale zekerheid zelf in handen te nemen.

Ten eerste is de “evenwichtsdotatie”, d.w.z. de federale begrotingstoewijzing die bedoeld is om de rekeningen van de sociale zekerheid in evenwicht te brengen, voorwaardelijk: om hiervoor in aanmerking te komen, moet de sociale zekerheid bewijzen dat ze echt werk maakt van de besparingen waartoe de regering heeft besloten. Bijvoorbeeld door zieke werknemers onder druk te zetten om weer aan het werk te gaan of door sociale fraude te bestrijden. Dit noemt men het “activeren” van de sociale zekerheid. Het bedrag van deze dotatie wordt bepaald door de federale regering, zonder enige discussie met de sociale partners.

Louise Lambert De begrotingswet die in 2017 werd aangenomen, creëerde zelfs een commissie Financiën en Begroting die verantwoordelijk is voor het toezicht op de rekeningen van de sociale zekerheid, waarvan de sociale partners zijn uitgesloten.

Ten tweede worden beslissingen met grote gevolgen voor de sociale zekerheid, zoals de pensioenhervorming, nu opgelegd door de ministerraad, waarbij de sociale partners belachelijk weinig tijd krijgen om advies uit te brengen. In feite bestaat het medebeheer niet langer en worden interne overlegorganen binnen de sociale zekerheid omzeild en vervangen.

We hebben gezien hoe de financiering systematisch wordt verzwakt. Maar zien we naast de cijfers ook een verandering in de aard van het systeem? Wordt de sociale zekerheid omgevormd van een instrument voor collectieve bescherming tot een marktgebaseerd verzekeringsstelsel?

Louise Lambert Absoluut. Commodificatie betekent niet alleen dat bepaalde diensten betalend of duurder worden. Bovenal betekent het dat het winstoogmerk de gaten opvult die zijn ontstaan door de terugtrekking van de overheid. Zodra de sociale zekerheid een recht niet langer volledig garandeert, ontstaat er ruimte voor private spelers om individuele oplossingen te verkopen.

De pensioenen zijn hier een goed voorbeeld van. In België worden de wettelijke pensioenen opzettelijk laag gehouden. Dat is een politieke keuze die enorme kansen biedt voor de financiële sector.

Hoe kwetsbaarder het wettelijk pensioen — de eerste pijler — hoe meer particuliere spelers aanvullende pensioenen kunnen verkopen. De tweede en derde pijler worden dan gepresenteerd als “noodzakelijke aanvullingen”, terwijl ze in werkelijkheid gedeeltelijke substituten zijn voor een verzwakte publieke pijler.

Voor banken en verzekeringsmaatschappijen is het een financiële buitenkans. Geldstromen die vroeger werden samengebracht in een solidair systeem, worden nu geïnjecteerd in de financiële markten, waar ze onderhevig zijn aan speculatie en winstbejag.

Louise Lambert is econoom bij de studiedienst van de Algemene Centrale (ABVV).

De commodificatie van pensioenen is onderdeel van een coherente beleidsarchitectuur die onderfinanciering van de publieke pijler combineert met actieve promotie van de private pijlers. Op dit gebied is het plan van de huidige regering heel duidelijk: deze particuliere mechanismen veralgemenen. Er wordt ons verteld dat iedereen toegang moet hebben tot een aanvullend pensioen. Maar deze retoriek verhult het feit dat deze systemen zeer ongelijk zijn.

Aanvullende pensioenen zijn afhankelijk van het beroepsstatuut, de sector, het vermogen van het bedrijf en de werknemer om bij te dragen. Aanvullende pensioenen zijn vooral beschikbaar voor vaste, voltijdse werknemers in sectoren die al bevoordeeld zijn. Het overgrote deel van het in pensioenfondsen geïnvesteerde kapitaal behoort toe aan werknemers in de twee hoogste inkomensdecielen, d.w.z. de 20 procent werknemers met de hoogste inkomens 3 . Deeltijdse werknemers in onzeker dienstverband en werknemers met een onderbroken loopbaan worden grotendeels uitgesloten.

We zijn dus getuige van een dubbele breuk. Aan de ene kant wordt het algemene wettelijke pensioen ondermijnd. Aan de andere kant worden particuliere mechanismen ontwikkeld die de beroepsbevolking fragmenteren. Interprofessionele solidariteit wordt vervangen door een individuele opbouw van rechten, afhankelijk van iemands positie op de arbeidsmarkt. Pensioenen zijn niet langer een gegarandeerd collectief recht, maar een financieel product dat elk individu moet opbouwen volgens zijn mogelijkheden.

Wat is het standpunt van de vakbonden over deze massale bevordering van pensioenen in de tweede en derde pijler?

Clarisse Van Tichelen Als vakbond zitten we soms klem.

Aan de ene kant hekelen we dit systeem, dat de sociale zekerheid verzwakt om de financiële sector te voeden. Aan de andere kant is het in de praktijk moeilijk om een aanvullend bedrijfspensioen te weigeren. Aanvullende pensioenen zijn namelijk toegestaan onder de wet van 1996, in tegenstelling tot bruto loonsverhogingen. En er is nog een doorslaggevende factor: het belonen van werknemers via aanvullende pensioenen kost werkgevers minder dan het verhogen van het brutoloon, vanwege het gunstigere sociale en belastingregime.

Een toenemend aantal atypische arbeidsvormen en het toenemende gebruik van extralegale voordelen beroven de sociale zekerheid van essentiële inkomsten.

Het doel is niet om werknemers met aanvullende pensioenen een schuldgevoel aan te praten, maar vooral om de noodzaak van collectieve waarborgen te benadrukken. De uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden voor extralegale voordelen in de afgelopen jaren verklaart deels de stijging ervan.

De zorgsector lijkt ook steeds meer open te staan voor particuliere belangen. Hoe wijdverspreid is dit fenomeen?

Louise Lambert De cijfers zijn heel duidelijk. Vandaag vertegenwoordigen de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg ongeveer 8,1 procent van het bbp, terwijl de particuliere uitgaven al 2,7 procent van het bbp bedragen. We hebben een van de hoogste “eigen bijdragen” van huishoudens in Europa.

In de praktijk betekent dit dat de toegang tot gezondheidszorg steeds meer afhangt van het vermogen om ervoor te betalen. Dit zien we in de stijging van het remgeld, d.w.z. de kosten die aan patiënten in rekening worden gebracht, maar ook in het meer verontrustende fenomeen van de explosieve toename van ereloontoeslagen, zowel in ziekenhuizen als poliklinieken, waar we heel weinig zicht op hebben.

Daarbovenop komt nog het fenomeen van artsen die op grote schaal afstappen van conventionering. Door uit de tariefafspraken te stappen, staat het deze dienstverleners vrij om hun eigen prijzen te bepalen. Basiszorg wordt zo een handelswaar, onderworpen aan de wet van vraag en aanbod. In sommige medische vakgebieden wordt het steeds moeilijker om snel een specialist te vinden tegen een betaalbare prijs.

Jullie benadrukken ook een onvoorzien gevolg: overheidsfinanciering van winstgevende particuliere spelers. Kunnen jullie dit uitleggen?

Louise Lambert Tegenwoordig wordt een aanzienlijk deel van de sociale bijdragen van werknemers rechtstreeks in privéstructuren geïnjecteerd.

Neem de rusthuissector. In Brussel staat 63 procent van de bedden in de particuliere sector. Dit is een norm die al tientallen jaren wordt gehanteerd. Wat echter nieuw is, is dat multinationals deze rusthuizen opkopen en de sector concentreren, waardoor ze een aanzienlijke invloed hebben op de sociale zekerheid. En we zien hetzelfde fenomeen bij tandartspraktijken of in de farmaceutische sector. We financieren, via de sociale zekerheid, bedrijven die aanzienlijke winstmarges realiseren, zonder enige serieuze tegenprestatie te eisen in termen van prijzen, transparantie of herinvestering. De solidariteit van de werknemers leidt uiteindelijk tot het vetmesten van de aandeelhouders van grote farmaceutische groepen of private zorgketens.

Privatisering wordt vaak gerechtvaardigd door de bewering dat de particuliere sector efficiënter is dan de publieke sector.

Clarisse Van Tichelen Internationale vergelijkingen laten precies het tegenovergestelde zien. De gezondheidszorg in de VS is het meest opvallende voorbeeld: ze geven daar veel meer uit als percentage van het bbp, voor veel slechtere gezondheidsresultaten voor de meerderheid van de bevolking.

Particuliere verzekeraars hebben hoge marketingkosten, hanteren een complexe administratie om de “juiste risico’s” te selecteren en moeten bovenal rendement op kapitaal garanderen. Dit alles leidt tot veel hogere kosten voor verzekerde burgers en de overheid in vergelijking met een solidair systeem, zoals socialezekerheidsdeskundige Freek Louckx onlangs aantoonde. 4

De sociale zekerheid is daarentegen universeel. Er worden geen selecties gemaakt, risico’s worden gespreid en de beheerskosten zijn veel lager, juist omdat er geen winst gemaakt hoeft te worden.

Nu we de afbraakmechanismen en de geleidelijke commodificatie van de sociale zekerheid hebben besproken, blijft er één vraag over: hoe gaan we opnieuw in de aanval? Hoe kunnen we afstappen van een defensieve houding, die vaak beperkt blijft tot “schadebeperking”, en opnieuw een politiek project opbouwen dat in staat is om de emancipatorische kracht van de sociale zekerheid te herstellen?

Clarisse Van Tichelen De eerste stap is het herpolitiseren van de sociale zekerheid. Vandaag wordt de sociale zekerheid maar al te vaak voorgesteld als individuele bescherming die wordt verleend aan de meest kwetsbaren uit mededogen of liefdadigheid. Dit standpunt is niet alleen onjuist, het is ook politiek ontwapenend.

De sociale zekerheid is een klassenoverwinning. Ze is het resultaat van een historische krachtsverhouding die het mogelijk heeft gemaakt om het kapitaal een deel van de geproduceerde rijkdom afhandig te maken en het te onttrekken aan de logica van de markt. Ze is geen geschenk van de staat en ze is ook niet zomaar een openbare dienst.

Door de sociale zekerheid te presenteren als een instrument voor collectieve emancipatie, en niet simpelweg als een vangnet voor de “zwakkeren”, veranderen we de dynamiek. We verdedigen niet langer “de armen” of “de uitgeslotenen”: we verdedigen ons loon als geheel, ons vermogen om buiten de permanente chantage van de arbeidsmarkt te leven.

Louise Lambert Deze herpolitisering is broodnodig om het stigmatiserende discours over “profiteurs” tegen te gaan. Of het nu gaat om werklozen, langdurig zieken of gepensioneerden, deze categorieën worden systematisch aangewezen als verantwoordelijk voor de financiële onevenwichtigheden.

Maar deze retoriek is een wapen om verdeeldheid te zaaien. De uitdaging is juist om het slagveld te verbreden: om werkende mensen te laten zien dat de regering, door werklozen en zieken aan te vallen, in feite ook hén aanvalt. Als je de leefomstandigheden buiten het werk verslechtert, verzwak je automatisch de positie van alle werknemers.

Clarisse Van Tichelen Alle werkende mensen weten dit: als er 10 mensen bereid zijn om jouw werk te doen omdat ze anders ten onder gaan, heb je niet langer de macht om te onderhandelen over goede arbeidsomstandigheden of een goed loon. Hoe hoger de werkloosheidsuitkeringen zijn, hoe sterker de krachtsverhouding is van alle werknemers tegenover de werkgevers.

Het echte probleem zijn niet de uitgaven, maar het feit dat de financiering geen gelijke tred houdt met de behoeften.

Een stevig vangnet betekent dat een werknemer een onderbetaalde job, onmogelijke werktijden of slechte omstandigheden kan weigeren. Omgekeerd, als werkloos worden betekent dat je onmiddellijk in een onzekere situatie terechtkomt, is het “verstandig” om eender welke arbeidsomstandigheden te accepteren. Het verdedigen van hoge uitkeringen is dus geen “christelijke naastenliefde”. Daarmee verdedigen we de rechten, arbeidsomstandigheden en lonen van de hele werkende klasse. Daarmee voorkomen we dat werkgevers en regeringen de angst voor morgen inzetten als wapen om werknemers in het gareel te houden. En dat is precies waarom aanvallen op werkloosheid en ziekte zo centraal staan in het huidige beleid. Ze willen de hele beroepsbevolking verzwakken door eerst de meest kwetsbare segmenten aan te vallen.

We krijgen steeds te horen dat “er geen geld meer is”. Hoe ontmantelen we dit dogma?

Clarisse Van Tichelen Door een essentieel feit te benadrukken: de financiering van de sociale zekerheid is een politieke keuze.

Het historische voorbeeld van de jaren zestig en zeventig spreekt voor zich. In die tijd stegen de uitgaven voor sociale zekerheid van 7 naar iets meer dan 20 procentpunten van het bbp. Niemand had het over economische ineenstorting of onhoudbare schulden. De verdeling van collectief geproduceerde rijkdom werd “gewoon” georganiseerd. En toch was België toen objectief gezien veel minder welvarend dan vandaag. Productiviteit, toegevoegde waarde en winst waren niet zoals nu.

Louise Lambert Dit historisch besef is cruciaal, omdat het ons in staat stelt om uit het technocratische keurslijf te breken. We zijn voortdurend verwikkeld in debatten over “begrotingsmarges”, “Europese beperkingen” en “houdbaarheid”. Maar de geschiedenis laat zien dat wanneer er een krachtsverhouding is, de regels veranderen. De sociale zekerheid is geboren uit sociale strijd. De uitdaging is dan ook om een groter deel van de toegevoegde waarde af te vangen en te herinvesteren in het sociaal loon.

Jullie noemen manieren om de sociale zekerheid uit te breiden om nieuwe behoeften te dekken. Wat houdt dit precies in?

Clarisse Van Tichelen De sociale zekerheid is onderdeel van een utopische visie voor de 21e eeuw. Ze zou kunnen worden uitgebreid naar andere essentiële aspecten van het leven, naast de traditionele risico’s. Een voorbeeld is een sociale zekerheid voor voedsel. Vandaag financieren maaltijdcheques vooral supermarkten en de agro-industrie. We zouden ons een systeem kunnen voorstellen waarbij bijdragen direct lokale, publieke producenten of producenten uit de sociale economie financieren die voldoen aan milieu- en kwaliteitscriteria. Het zou zowel een universeel recht op gezond voedsel garanderen als een krachtig instrument zijn om economische activiteiten weg te sturen van het winstmotief. Ik weet zeker dat we dan bijvoorbeeld veel minder mensen met kanker zouden hebben. Dergelijke voorstellen laten zien dat sociale zekerheid geen vast model uit het verleden is, maar een buitengewoon modern instrument om in de behoeften van vandaag te voorzien zonder afhankelijk te zijn van kapitalistische spelers.

Louise Lambert Ik denk dat we dit alternatief moeten blijven tonen. We moeten laten zien waarom en hoe de sociale zekerheid ook een utopie kan zijn voor de 21e eeuw, niet alleen ter bescherming tegen de risico’s van ziekte en voor gezondheidszorg, maar ook op andere gebieden, met name in de context van de groene transitie en de transformatie van de economie enz. We hebben een culturele strijd te winnen ter verdediging van de sociale zekerheid, gebaseerd op concrete voorbeelden van wat het kan opbouwen, op kennis die geworteld is in de realiteit van mensen, in plaats van abstracte categorieën.

De sociale zekerheid is geen cijfertabel: de sociale zekerheid is een doktersbezoek, het pensioen van je ouders, inkomen tijdens ziekte.

Sommige vakanties en vrijetijdscentra worden nog steeds gefinancierd door de sociale zekerheid. De sociale zekerheid draagt ook bij aan emancipatie: ze wordt (werd) gebruikt om tijdskredieten en brugpensioenen te financieren. Een vorm van collectieve arbeidstijdverkorting dus, allemaal mechanismen die werknemers minder afhankelijk maken van werk in loondienst en daarmee van uitbuiting door werkgevers.

Door deze mechanismen te ontrafelen versterken we de greep van betaald werk op ons hele leven. Als we ze herfinancieren, krijgen werknemers ademruimte, de kans om opleidingen te volgen, voor zichzelf te zorgen, kortom: te leven.

Clarisse Van Tichelen Zelfs voor mensen die zichzelf zien als “nettobetalers” of die een goed loon verdienen, blijft de sociale zekerheid de beste bescherming. Als het systeem instort, zal iedereen veel meer kwijt zijn aan inefficiënte privéverzekeringen. De uitdaging voor ons is om te laten zien dat we als werkende klasse allemaal belang hebben bij het verdedigen van de sociale zekerheid.

 

Footnotes

  1. www.rsz.be/stats/tewerkstelling-van-studenten-met-een-studentencontract#data
  2. www.rsz.be/stats/flexijobs#data
  3. https://chiffres-cles.sigedis.be/archives/2022/nl/pensioen.html en www.pensionstat.be/nl/kerncijfers/aanvullend-pensioen
  4. www.rtbf.be/article/les-mutuelles-un-statut-unique-a-reformer-ce-systeme-fonctionne-il-est-economiquement-rentable-11662277 en https://auvio.rtbf.be/media/les-cles-les-cles-3426879