Artikels

De nieuwe Keynes?

Henri Houben

— 25 maart 2020

In zijn nieuwe boek roept Thomas Piketty weliswaar op om het kapitalisme achter ons te laten, maar hij reduceert het helaas tot een machine die rijkdom genereert en ongelijkheid produceert.

Waarom zou je een eenvoudig en beknopt werk schrijven als het ook lang en saai kan? Zo zou het motto van de Franse econoom Thomas Piketty kunnen klinken. Na de 900 pagina’s van Hauts Revenus en France au XXe siècle uit 2001 en de 950 pagina’s van Kapitaal in de 21e eeuw uit 2013, komt hij nu met een nieuwe turf die de titel Kapitaal en Ideologie1 meekreeg. En deze keer breekt hij zijn record: het boek telt niet minder dan 1.200 pagina’s. Maar, laten we eerlijk zijn, het werk leest vrij vlot.

Thomas Piketty is een Franse econoom en hoogleraar. Zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw (De Bezige Bij, 2016) werd een wereldwijde bestseller. In 2020 schreef hij Kapitaal en Ideologie (De Geus).

Thomas Piketty is een vooraanstaand econoom geworden. Van zijn vorige boek zijn meer dan twee miljoen exemplaren verkocht. Dat is een vrij opzienbarende prestatie voor een non-fictieboek. Thomas Piketty is gespecialiseerd in sociale ongelijkheid, vooral wat inkomen en rijkdom betreft.2 Dit keer pakt Piketty de ideologieën aan die de systemen proberen te rechtvaardigen, die voor sommigen winstgevend zijn, terwijl anderen moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. Deze monumentale uitdaging zette hem ertoe aan om een grote historische studie uit te voeren in de vier windstreken van de wereld.

De econoom is echter niet alleen interessant omwille van het succes van zijn boeken, maar ook omdat hij voor iedereen3 toegankelijk wil zijn. Bovendien richt hij zich op een onderwerp dat in de economie maar weinig wordt besproken, namelijk dat van de sociale ongelijkheid. Hiermee stoot hij de traditionele economische wetenschap voor het hoofd.

Eerst zullen we een zeer beknopte synthese van Kapitaal en Ideologie geven. Daarna zullen we een aantal belangrijke punten aanstippen waar we problemen mee hebben.

Een theoretische en historische ambitie

Thomas Piketty’s vorige boek werd haast unaniem geprezen omdat hij daarin meer dan twee eeuwen van inkomens- en vermogensevoluties in de belangrijkste Europese landen en de Verenigde Staten onder de loep neemt en statistieken opstelt die tot dan toe grotendeels onbekend waren.4 Daaruit bleek duidelijk wat de Indiase marxistische econoom Prabhat Patnaik als volgt verwoordde: “Bij gebrek aan schokkende gebeurtenissen zoals in 1914 en 1945, of een bewuste fiscale ingreep, heeft het hedendaagse kapitalisme de neiging om de ongelijkheid van de rijkdom te vergroten.”5 Deze keer verbreedt Thomas Piketty zijn geografische horizon en pakt hij de voorwendsels voor die ongelijkheid aan. Hij hecht geen enkel geloof aan de vergoelijking die gewoonlijk wordt opgedist, namelijk dat die verschillen de prijs zijn die moet worden betaald opdat de ‘koplopers’6 zouden kunnen innoveren en voor de onmisbare groei zorgen die de menselijke vooruitgang sinds het begin der tijden heeft voortgestuwd. Hij werkt samen met een honderdtal onderzoekers die de methoden hebben verfijnd en relatief betrouwbare statistieken voor meer dan tachtig landen hebben opgesteld. Dat is de World Inequality Database.7 Via die database kan hij cijfers voorleggen over de inkomens- en welvaartsongelijkheid in grote landen zoals China, India, Rusland en Brazilië. Die database is verre van verwaarloosbaar, het is een goudmijn voor onderzoekers en activisten.

Thomas Piketty heeft de theoretische ambitie om te begrijpen waarom die inkomens- en vermogensongelijkheid blijven bestaan. Daarom wil hij de ideologieën onderzoeken die beweren dat die verschillen noodzakelijk zijn voor de evolutie van de wereld. Volgens hem is dit cruciaal voor de nabije en verdere toekomst: “De toename van de sociaal-economische ongelijkheden die sinds de jaren tachtig en negentig in de meeste landen en regio’s van de wereld is vastgesteld, is een van de meest verontrustende structurele veranderingen waarmee de wereld aan het begin van de 21e eeuw wordt geconfronteerd […] Het is moeilijk om oplossingen te bedenken voor de andere grote uitdagingen van onze tijd, te beginnen met de klimaat- en migratieproblemen, als we er niet tegelijk in slagen om de ongelijkheid te verminderen en een rechtvaardigheidsstandaard op te stellen die voor de meeste mensen aanvaardbaar is.” (p. 36)

Piketty richt zich op sociale ongelijkheid. Hiermee stoot hij de traditionele economische wetenschap voor het hoofd.

Hij gaat dus terug in de tijd om de prekapitalistische samenlevingen te beschrijven die hij, met de terminologie van Georges Dumézil, trifunctionele samenlevingen noemt. Volgens die terminologie zou de maatschappij uit drie klassen bestaan: de geestelijken of intellectuelen van die tijd (de geletterden); de adel of krijgsheren (de militaire leiders); de derde stand, bestaande uit alle arbeiders, boeren, ambachtslieden en kooplieden. Dumézil heeft deze classificatie beperkt tot de zogenaamde Indo-Europese volkeren. Piketty breidt deze uit tot zowat alle landen en regio’s van de wereld (p. 72), wat een zeer twijfelachtige keuze is, zoals we later zullen zien.

De overheersende ideologie baseert zich in die tijd op religie en een beschermende militaire orde waarbij de heer bescherming en garanties biedt in ruil voor betaling. Vanwege de ontwrichtende aard van die laatste, wordt die ideologie in Europa betwist. Het filosofische denken dat daaruit voortvloeit, maakt een fundamenteel onderscheid tussen de vorstelijke functies die aan de staat zijn voorbehouden en de monopolisering van eigendom, waaraan individuen zich onder de dekmantel van de wet schuldig maken. Dit is wat Thomas Piketty bezittersrechtvaardiging noemt. Het is een “politieke ideologie die de absolute bescherming van het recht op privé-eigendom (in principe opgevat als een universeel recht) centraal stelt” (p. 190). Bovendien omschrijft hij het kapitalisme als “de bijzondere vorm die het eigendomsrecht aanneemt in het tijdperk van de grootschalige industrie en de internationale financiële investeringen” (blz. 159), vanaf 1850 dus. Merk op dat de auteur het kapitalisme definieert vanuit de eigendomsideologie en niet andersom.

Met die ideologie blijven de inkomens en de rijkdom van de meest welgestelden stijgen, terwijl de massa een armoedeloon verdient en bijna geen eigendom bezit. Die sociale ongelijkheid zal in de belle époque tot een hoogtepunt komen.

De wereldoorlogen en de grote crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw laten dit project op zijn grondvesten daveren. Om te voorkomen dat het instort, moet het kapitalisme opnieuw worden uitgevonden. Thomas Piketty wijst er echter op dat er ook zonder die rampen een slingerbeweging zou zijn geweest om de rijkdom beter te verdelen. De egalitaire ideologische stroming won in die tijd immers terrein (p. 238).

Wat er ook van zij, in Europa, de Verenigde Staten en andere delen van de wereld is de kloof tussen de rijksten en de meerderheid van de bevolking tussen 1914 en 1980 kleiner geworden. Daar kwam een einde aan toen in twee landen van geopolitiek belang de neoliberalen en de neoconservatieven aan de macht kwamen: Margaret Thatcher in Groot-Brittannië in 1979 en Ronald Reagan in de Verenigde Staten in 1980. Er is een neo-bezitsideologie ontstaan die tot op vandaag de debatten over ongelijkheid overheerst, met als duidelijk gevolg een sociale ongelijkheid die doet denken aan die van de belle époque.

Deze toename van de inkomens- en welvaartsverschillen wordt in de hand gewerkt door het falen van het linkse beleid. Thomas Piketty laat geen kans voorbijgaan om ons eraan te herinneren hoe rampzalig het Sovjetcommunisme was, ook al geeft hij hier en daar toe dat het wel enkele verdiensten had. Zo deed de Sovjet-Unie het vrij goed op het vlak van welvaartsverschillen, ook al had de toenmalige elite bepaalde privileges en voordelen die niet statistisch zijn vastgelegd. Het Rusland van Jeltsin en Poetin heeft de trend volledig omgekeerd en is een zeer ongelijke natie geworden.

Aan de andere kant heeft de sociaaldemocratie haar idealen zozeer laten varen dat ze nu niet meer doet dan het kapitalisme in goede banen leiden en het eigendomsrecht niet langer durft te bekritiseren. De econoom wijst in dit verband op een duidelijke verschuiving bij de linkse partijen aan het einde van de 20e eeuw. Op basis van gegevens over de verkiezingen (verkregen uit peilingen) en over de sociale afkomst van de kiezers, stelt hij vast dat het publiek dat zich bij een socialistisch project aansluit een belangrijke verandering heeft ondergaan: van 1950 tot 1980 trokken linkse partijen van alle tendensen de stemmen van de meest achtergestelde bevolkingsgroepen aan; vanaf ongeveer 1980 wonnen ze de hoogst opgeleide kiezers voor zich (die niet noodzakelijk ook de rijkste kiezers waren, want die hebben altijd voor conservatief rechts gestemd, p. 887); de meest achtergestelden onthielden zich of stemden voor de zogenaamde sociaal-nativistische stromingen. Hij besluit: “In de loop van de voorbije halve eeuw is [electoraal links] geleidelijk aan de partij van de hoogopgeleiden geworden, met name van de kaderleden en de intellectuele beroepen.” (p. 843)

Het laatste hoofdstuk van het boek (afgezien van de conclusie) is gewijd aan het door Thomas Piketty voorgestelde alternatief. Het concentreert zich rond twee pijlers: een herziening van de eigendomsrechten, om tot een “een beginsel van tijdelijk bezit van het kapitaal” te komen, de democratisering van de macht en van de werking binnen de bedrijven.

Daartoe stelt hij een reeks maatregelen voor, waarvan de belangrijkste zijn: 1. een vermogensbelasting, zoals hij die al lang voorstelt (en al in zijn vorige boek heeft uitgewerkt); 2. een hoge uitkering voor jongeren onder de 25 jaar,8 gefinancierd met de vermogensbelasting. Dat is dan in plaats van een erfenis, die vaak te laat wordt verkregen; 3. het stemrecht voor de grootste aandeelhouders binnen grote bedrijven tot 10% beperken, een grotere werknemersparticipatie in de raad van bestuur stimuleren en het actuele Duitse en Zweedse model doorvoeren. Dit is wat hij participatief socialisme of zelfs het overstijgen van het kapitalisme noemt: “Door deze twee elementen te combineren, bekomen we een systeem van eigendomsrecht dat nog maar weinig te maken heeft met het privé-kapitalisme zoals we dat vandaag de dag kennen, een systeem dat het kapitalisme echt overstijgt.” (p. 1138) Hij stelt ook: “In zo’n systeem zouden miljardairs in feite verdwijnen. Klein privébezit zou in dat systeem wel een plaats hebben, net zoals het ondernemerschap.”9

De sociaaldemocratie is haar oorspronkelijke bestaansreden vergeten en doet niets anders dan het kapitalisme in goede banen leiden.

Als we het kapitalisme beschouwden als het eigendomsrecht ten tijde van de grote industrie en de internationale financiële wereld, als er grenzen werden gesteld aan het privébezit, ja, dan zou de dominantie van deze ideologie gedeeltelijk kunnen worden doorbroken. Maar met een meer klassieke interpretatie van het kapitalisme, die van een economisch uitbuitingssysteem waarbij bazen de bedrijven, fabrieken en kantoren bezitten en werknemers in dienst nemen voor een loon dat niet de volledige geproduceerde rijkdom vergoedt, kunnen we dat idee maar moeilijk accepteren.

De afwijzing van het marxisme

Thomas Piketty verwijst bij zijn historische analyse slechts anekdotisch naar de marxistische concepten. Op theoretisch gebied raakt hij zo al snel in de problemen. Hij wijst het vermeende determinisme van het marxisme af. Hij wil er koste wat het kost vanaf. Vooral omdat bij de marxistische theorie de infrastructuur en de economische en sociaaleconomische sfeer boven de rest wordt gedetermineerd, met inbegrip van ideeën en ideologieën, maar dan in laatste instantie. Het gaat erom te begrijpen wat er met die laatste precisering wordt bedoeld. Sommigen houden zich liever niet met die vraag bezig en verwerpen het marxisme omwille van het determinisme. Met die benadering kan Piketty bovendien de prominente rol van de ideeën, ideologie en het debat bevestigen. Maar daar zullen we in het volgende deel verder op ingaan. Dit is niet zonder gevolgen, want de econoom heeft de neiging om de maatschappelijke positie van mensen te verwarren met wat ze er zelf over vertellen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de classificatie van de trifunctionele samenleving waar de gevestigde orde (adel, geestelijkheid en derde stand) door de leidinggevende klasse zelf zo was bepaald. Er is geen reden om aan te nemen dat die classificatie ook echt relevant is.

Een samenleving en een systeem definiëren op basis van zijn ideologie, betekent dat je de studie naar de oorzaak van de conflicten en de fundamentele tegenstellingen naast je neerlegt. Zoals Alain Bihr schrijft: “In één woord, er zijn geen ternaire10 samenlevingen, hooguit zijn er samenlevingen met een ternaire ideologie.” Hij voegt daaraan toe: “Wie uitgaat van de heersende ideologie van een samenleving (dit is altijd de ideologie van de heersende groepering(en) om die samenleving te begrijpen, gaat gegarandeerd voorbij aan haar essentiële sociale relaties.”11

Zoals de meeste economen weet Thomas Piketty niet wat productie is. Hij richt zich op de sociale ongelijkheid, zonder te zien dat daarachter sociale productieverhoudingen schuilgaan. Hij houdt zich bezig met het herverdelingseffect zonder ook maar enige aandacht te besteden aan de manier waarop goederen en diensten worden geproduceerd en aan hoe sociale verhoudingen worden aangeknoopt om dit resultaat te bereiken. Dat was nu net de kracht van Marx’ analyse. Zelfs een auteur als Jean Pisani-Ferry, die dicht bij de Parti Socialiste en Emmanuel Macron staat, verwijt hem dit: “Marx was gefascineerd door het kapitalisme, door de kracht waarmee een verandering in de sociale verhoudingen tot omwentelingen in de productieve orde kon leiden. Hij plaatste de dialectiek van de productiekrachten en van de productierelaties centraal. Piketty gaat daar volledig aan voorbij, hij reduceert het kapitalisme tot een machine voor het vergaren van rijkdom en het vergroten van de ongelijkheid.”12

Die misvatting over de sociaaleconomische fundamenten komt tot uiting in zijn definitie van de sociale klasse. Volgens hem “moet het begrip sociale klasse zelf worden beschouwd als een diep multidimensionaal begrip. Het gaat in de eerste plaats om alles wat te maken heeft met het beroep, de sector en de status van de activiteit, het loon of andere vormen van inkomsten uit werk, de kwalificaties, professionele identiteit, management- of toezichthoudende functie, de mogelijkheid om deel te nemen aan de besluitvorming en de organisatie van de productie.” (p. 839-840) Hij voegt eraan toe dat het begrip “kan worden bepaald door leeftijd, geslacht, nationale of etnische afkomst (of wat als zodanig wordt waargenomen) en religieuze, filosofische, voedings- of seksuele oriëntering.” Hij besluit als volgt: “Ten slotte wordt de sociale klasse van dichtbij bepaald door bezit.” (p. 840)

Op die manier zouden we het kunnen hebben over de klasse van de vegetarische, boeddhistische, dertigjarige lesbiennes met een universitair diploma die werken als bedienden en het minimumloon verdienen, naast andere vrouwen die met een of andere eigenschap van deze groep zouden verschillen (zestigjarig, hindoeïstisch, arbeidersklasse, vleeseter, enz…). Dat is absurd. Een sociale klasse is geen sociale categorie. Het is een verklarend en niet alleen een beschrijvend begrip.

Het wordt fundamenteel bepaald door ieders positie ten opzichte van de productiemiddelen. In pre-kapitalistische samenlevingen gebeurt dit vooral via het land, onder het kapitalisme via bedrijven, fabrieken en kapitaal. Zo zijn er onder het feodalisme voornamelijk horigen, boeren die lijfrente, belastingen, een corvee betalen aan een heer die hen in ruil daarvoor moet beschermen. Daarom behoren de edelen en de geestelijken tot dezelfde klasse, die van de grondbezitters.13 Onder het kapitalisme kunnen de ‘arbeiders’, waar de meeste werknemers deel van uitmaken, alleen terugvallen op hun arbeidskracht. Om te overleven, zijn ze verplicht om die arbeidskracht te verkopen aan de bazen die de bedrijven controleren. In ruil hiervoor krijgen ze een loon dat niet overeenkomt met de waarde die ze zelf creëren.

De positie in de maatschappelijke structuur — eigenaar of werknemer, uitbuiter of uitgebuite — is een objectieve plaats die maatschappelijke belangen en handelingen afbakent. De klassenverhoudingen categoriseren de mensen veel meer dan enige andere maatschappelijke relatie. Een gelovige kan atheïst worden, of omgekeerd. Van een werknemer kunnen we dat moeilijk zeggen. Een werknemer die wil overleven, heeft meestal niet de keuze om zijn of haar arbeidskracht niet langer te verkopen. Aan de andere kant moet ook de kapitalist zich houden aan de wetten van het systeem: competitief blijven of sterven. Een kapitalist die hogere lonen betaalt of minder wil vervuilen dan zijn concurrent, zou een vervaldatum hebben, of zou het in ieder minder lang uithouden dan zijn concurrenten. En of de kapitalist nu een gepassioneerde yogagoeroe of een wapenliefhebber is, zal zijn positie in de economische structuur niet fundamenteel veranderen.

Piketty gaat volledig voorbij aan het feit dat de sociale ongelijkheden het product zijn van de productieverhoudingen.

Dit is wat Thomas Piketty met zijn analytische instrumenten niet begrijpt en ook niet kan begrijpen: de sociale ongelijkheden en hun ontwikkeling zijn het product van de sociale klassen en productieverhoudingen. Wel neemt hij de stelling van Marx en Engels in het Communistisch Manifest over: “Tot op de dag van vandaag is de geschiedenis van elke samenleving niets anders geweest dan de geschiedenis van de klassenstrijd.” Maar hij benadrukt: “De stelling blijft relevant, maar na dit onderzoek ben ik geneigd om ze als volgt te herformuleren: Tot op de dag van vandaag is de geschiedenis van elke samenleving niets anders geweest dan de geschiedenis van de ideologische strijd en het streven naar gerechtigheid. Met andere woorden, ideeën en ideologieën maken mee de geschiedenis.” (p. 1191) Dat is duidelijk niet hetzelfde.

Ideologie, de motor van de geschiedenis?

Zo krijgt ideologie bij Thomas Piketty een prominente plaats. Hij maakt ervan een centrale spil in het proces van verandering. Piketty herdefinieert de geschiedenis niet op basis van de sociale klassen, maar op basis van ideologie. Meteen aan het begin van zijn werk, formuleert hij trouwens een definitie van een ideologie: een ideologie is “een geheel van ideeën en redeneringen die in principe aannemelijk zijn en die beschrijven hoe de samenleving moet worden gestructureerd.” (p. 16) Hij stelt: “Elke menselijke samenleving moet een of andere ongelijkheid rechtvaardigen: daar moeten ze redenen voor vinden, anders dreigt het hele politieke en sociale bouwwerk in elkaar te storten.” (p. 13) De auteur suggereert, zoals Alain Bihr trouwens ook aangeeft,14 dat als gevolg hiervan de heersende ideologie misschien niet meteen ook de ideologie van de heersende groep is.

Daarom kan het gebeuren dat discussies over ideeën een centrale plaats gaan innemen. Zo schrijft hij over het ‘marxistisch determinisme’: “Ik benadruk daarentegen het feit dat er een echte autonomie is op het gebied van ideeën, dat wil zeggen, van de ideologisch-politieke sfeer. Voor eenzelfde ontwikkelingstoestand van de economie en de productiekrachten (voor zover deze woorden ook iets betekenen, want dat is niet zeker) is er altijd een veelvoud aan mogelijke ideologische, politieke en ongelijke regimes.” (p. 21) In het boek stelt hij herhaaldelijk: “Zoals altijd laat de geschiedenis zien dat niets op voorhand vaststaat.” (p. 629) Dit impliceert dat het debat over politieke opvattingen en praktische oplossingen de geschiedenis zou kunnen veranderen.

Als marxist kunnen we ons aansluiten bij de stelling dat ideologie belangrijk is en dat het onontbeerlijk is om anderen te proberen te overtuigen om sociale, technische en menselijke vooruitgang te boeken. Sommige marxisten zijn echter te deterministisch geweest en hebben ideologische standpunten rechtstreeks aan economische belangen gekoppeld, of ze hebben een bepaalde situatie aan een haast mathematische noodzaak gelinkt die voortkomt uit de oorzaken ervan. Marx, Engels of Lenin deden bijvoorbeeld regelmatig hun beklag over wat zij vulgair marxisme noemden en dat niet met hun ideeën overeenkwam. Thomas Piketty kan de bijdrage van deze auteurs op basis daarvan echter niet verwerpen. Dat zou net zijn als bijvoorbeeld de sociaaldemocratie verwerpen enkel en alleen op basis van het beleid van Tony Blair, Gerhard Schröder of François Hollande.15 Niets ligt op voorhand vast, dat klopt. De bolsjewistische revolutie van oktober 1917 stond niet in de sterren geschreven. Ook het daaropvolgende falen in Duitsland en Hongarije niet. Maar het is ook weer niet zo dat met relevante argumenten plots alles mogelijk wordt. De ene toekomst is al waarschijnlijker dan de andere. Over het algemeen is er wel een verband met de economische situatie en het machtsevenwicht van dat ogenblik. Meestal moeten mensen eerst een aantal ervaringen opdoen vooraleer ze tot een standpunt komen dat echt in hun voordeel is. Vaak gebeurt dit nadat ze zich hebben laten misleiden door een sussend discours dat oplossingen voorstelt die geen echte oplossingen zijn.

Zo was de Franse Revolutie een periode waarin, met het wegvallen van de koninklijke macht, veel mogelijk was. Er deden tal van ideeën en opvattingen de ronde. Die van Gracchus Babeuf bijvoorbeeld, die in 1796 de ‘Samenzwering van de Gelijken’ oprichtte om de strijd aan te binden met de Algemene Raad die het land al een jaar lang regeerde. Hij pleitte ervoor om de bij wet vastgelegde gelijkheid uit te breiden naar een feitelijke toestand. Dit zou aan de basis liggen van de opvattingen die later tot het anarchisme en communisme zouden leiden. Babeuf leefde ondergedoken maar werd door informanten verraden en uiteindelijk gevangen genomen. Op 27 mei 1797 werd hij samen met andere dissidenten terechtgesteld. Hij was ontegenzeggelijk populair. Maar verschillende pogingen om hem uit de gevangenis te bevrijden, mislukten. Hoe groot was de kans echt dat hij zijn project, hoe ontvoogdend het ook was, aan het einde van de 18e eeuw kon uitvoeren? Die was ongetwijfeld miniem. Ideeën zijn dus belangrijk. Zou er zonder Babeuf sprake zijn geweest van socialisme en communisme? Misschien, maar het zou niet hetzelfde zijn geweest. Alleen hangt de concrete verwezenlijking van deze opvattingen in degelijke, logische projecten ook af van de materiële omstandigheden. Thomas Piketty heeft de neiging daaraan voorbij te gaan.

Zoals Alain Bihr schrijft: “Het boek bevat enkele passages waarin de schrijver verwijst naar het feit dat de hedendaagse geschiedenis ook om sociale strijd draait en dat die strijd de sociale klassen en hun verhoudingen, organisaties en vertegenwoordigingen in vraag stelt. Maar daarnaast lijkt het alsof Thomas Piketty ervan overtuigd is dat hij zijn project maar hoeft voor te stellen en aan het publieke debat over te leveren opdat die naar voor geschoven ideeën hun weg zouden vinden. Uiteindelijk zouden ze op grond van hun argumentatie en de rijke statistische informatie waarop ze zijn gebaseerd, de politieke meerderheid kunnen creëren, nodig om ze binnen een parlementaire democratie uit te voeren.”16

Thomas Piketty zou er ongetwijfeld goed aan doen om over de ervaringen van voormalig Grieks minister van Financiën Yanis Varoufakis te leren.

Thomas Piketty zou iets kunnen opsteken van de evaringen van voormalig Grieks minister van Financiën Yanis Varoufakis. Ten tijde van het Syriza-experiment, in de eerste helft van 2015, probeerde die zijn Europese collega’s te overtuigen van de deugdelijkheid van zijn beleid: de overheidsschuld herschikken, ophouden met de bezuinigingen en de binnenlandse17 economie stabiliseren. Maar hij stootte op een muur: die radicaal linkse regering moest koste wat het kost op de knieën. Het ging er niet om of dit de beste oplossing was voor Griekenland of de Europese Unie. Het ging om sociale klasse, macht, overheersing.

De sociaaldemocratische mythe opnieuw invoeren

Van bij zijn inleiding roept Thomas Piketty op om het kapitalisme te overstijgen en een ‘participatief socialisme’ te ontwikkelen. Maar dat socialisme heeft niets te maken met de socialistische experimenten die met wisselend succes in de Sovjet-Unie, China, Cuba, Vietnam en elders zijn uitgevoerd. Over welk socialisme heeft hij het dan? Waar ziet hij die overstijging van het kapitalisme?

Hij schrijft: “Ik heb het liever over ‘participatief socialisme’. Dat benadrukt het doel van participatie en decentralisatie, en onderscheidt dit project duidelijk van het hypergecentraliseerde staatssocialisme waarmee is geëxperimenteerd in de landen die in de 20e eeuw onder het Sovjetcommunisme vielen (en nog steeds in grote mate in de Chinese openbare sector wordt toegepast).” (p. 1115) Hij stelt: “Maar het woord ‘socialist’ zelf blijft bruikbaar. Dertig jaar na de val van het communisme moeten we wat afstand nemen. Het democratisch18 socialisme heeft zijn grenzen maar het heeft ook successen op zijn naam staan: het heeft de Europese samenlevingen van vóór 1914, die onder een erg grote ongelijkheid gebukt gingen, meer egalitair gemaakt dan enig ander model ooit heeft gedaan.”19 Kortom, hij toont het politieke karakter van zijn project: “Voor mij is het een verlengstuk van de sociale democratie.”20

De belangrijkste koerswijziging die hij voorstelt, ten opzichte van de stroming die het kapitalisme vandaag de dag samen met andere, gelijkaardige partijen stuurt, bestaat eruit dat hij terug wil naar de oorspronkelijke oriëntatie en de huidige sociaalliberale driften wil achterlaten. In zekere zin wil hij het momentum opnieuw creëren dat wellicht is voortgekomen uit de begindagen van de Tweede Internationale,21 toen de militanten eerst de politieke democratie, het algemeen kiesrecht dus, wilden afdwingen om vervolgens de economische macht te veroveren. De voorstellen van Thomas Piketty richten zich voornamelijk op dit laatste aspect, namelijk de macht van de bazen inperken en die van de werknemers uitbreiden.

Maar hoewel hij de ideologie van het bezit hevig aan de kaak stelt, verdedigt hij een soort van noodzakelijk en ‘redelijk’ privébezit: “De invoering van sociaal en tijdelijk bezit zou het mogelijk maken om het huidige systeem van hyperbezit te overwinnen: het is niet de bedoeling om alle vormen van bezit af te schaffen — aan klein privébezit wordt niet geraakt, zelfs fortuinen van enkele miljoenen euro’s blijven bestaan — maar het bezit moet binnen de perken blijven, in het algemeen belang.”22

Hiermee valt Thomas Piketty niet langer het bezitsstelsel, maar het stelsel van hyperbezit aan. Alle reformistisch theorieën volgen hetzelfde traject: ze beginnen met radicale kritiek op een verschijnsel maar gaan vroeg of laat over naar kritiek op de excessen ervan. Als ze bij hun eerste stelling blijven, wordt een diepgaande verandering verwacht. Met de tweede stelling, is het voldoende om de excessen aan te pakken, terwijl het systeem intact blijft. Zolang het ‘redelijk’ blijft, is er niets mis mee. Toch leert alles ons dat het kapitalisme alleen ‘redelijk’ blijft als de klassenstrijd en het machtsevenwicht het daartoe dwingen. Dat stelde Prabhat Patnaik vast toen hij Het Kapitaal van de 21e eeuw las: behalve bij rampen zoals oorlogen en crisissen, neigt het systeem naar sociale ongelijkheid en dus naar de welvaartsverschillen die de huidige wereld vergiftigen.

Thomas Piketty trok duidelijk niet dezelfde lessen. In feite begrijpt hij het vergaren van kapitaal niet, noch wat het zo meedogenloos maakt. Zoals de meeste economen gaat hij het onderwerp uit de weg in plaats van erop in te gaan. Toch is dat vergaren van rijkdom de echte motor van het kapitalisme. Het is wat ondernemers gulzig en gretig zoeken, omdat het hen voorziet van rijkdom en macht. Als het bezit van de bedrijven en de fabrieken privé blijft, zelfs met allerlei beperkingen, zoals Thomas Piketty voorstelt, zullen de meest gewiekste en gewetenloze bazen onophoudelijk proberen om die beperkende wetten te omzeilen. We kunnen met onze eigen ogen zien hoe onafgebroken strategieën voor belastingontduiking en fiscale fraude worden opgemaakt. We vallen dan onvermijdelijk terug op het meest verachtelijke en smerige kapitalisme.

Daarom concludeert Alain Bihr: “Het politieke project waar Thomas Piketty zich aan het eind van zijn boek achter schaart, is geenszins revolutionair maar gewoon hervormingsgezind. Zijn ‘participatief socialisme’ moet het klassieke sociaaldemocratische project opnieuw op poten zetten: structurele hervormingen in het hedendaagse kapitalisme invoeren om het minder ongelijk of zelfs zo weinig ongelijk mogelijk te maken. Door de vrijmoedigheid van een aantal van zijn voorstellen, blijft het project weliswaar eervol. Het is dus niet nodig om het te overladen met deugden die het duidelijk niet heeft en zelfs niet ambieert.”23

Een nieuwe Keynes?

Thomas Piketty stelt dus een zeer klassiek sociaaldemocratisch en hervormingsgezind alternatief voor. Zijn werk over ongelijkheid op het vlak van rijkdom en inkomen, dat hij in dit boek voortzet, is opmerkelijk. Hij levert relatief betrouwbare statistieken voor activisten uit alle gelederen, die deze tekortkomingen van de moderne samenleving niet langer accepteren. Maar de conclusies die de econoom eruit trekt, zijn niet de onze.

Reformistische theorieën beginnen met radicale kritiek op een verschijnsel maar beperken zich vroeg of laat tot een kritiek op de excessen.

Misschien kunnen we Piketty zelfs zien als de nieuwe Keynes, die beseft dat het kapitalisme onder de druk van te veel ongelijkheid zal ontploffen. In dat geval zou hij niet diegene zijn die het kapitalisme wil overstijgen, maar diegene die het weer op de rails wil krijgen, zoals dat indertijd ook Keynes’ doel was. De tijd zal het ons leren.

Wij kiezen ervoor om te besluiten met dit citaat van Joan Robinson,24 dat door Prabhat Patnaik is overgenomen: “Elke regering met de macht en de wil om de grote gebreken van het kapitalistische systeem te verhelpen, zou ook de wil en de macht hebben om het volledig af te schaffen. Terwijl regeringen met de macht om het systeem in stand te houden, niet de wil hebben om de gebreken ervan te verhelpen.”25

Thomas Piketty, Capital et Idéologie, Éditions du Seuil, Parijs, 2019.

Footnotes

  1. Thomas Piketty, Capital et Idéologie, Éditions du Seuil, Parijs, 2019. De paginaverwijzingen in dit artikel verwijzen naar deze editie.
  2. Een inkomen is het ontvangen van geld (of een equivalent daarvan) voor een huishouden of individu, gedurende een beperkte periode, bijvoorbeeld een jaar. Rijkdom is de staat van iemands vermogen, voornamelijk onroerend goed en financiële activa, op een bepaald moment.
  3. Statistische en andere (technische) gegevens zijn beschikbaar in de bijlage op Piketty’s website.
  4. Voor een lovend en tegelijk kritisch overzicht van deze studie, zie Henri Houben, “Le Capital du 18e au 21e siècle”, Études marxistes, nr. 107, juli-september 2014, p. 29-51.
  5. Prabhat Patnaik, “Capitalism, Inequality and Globalization: Thomas Piketty’s Capital in the Twenty-first Century”, Monthly Review, 17 oktober 2014.
  6. Om de verwijzing van de Franse president Emmanuel Macron over te nemen.
  7. Hun gegevens en analyse kunnen worden geraadpleegd op de site: https://wid.world/.
  8. Voor Frankrijk stelt hij voor om elke 25-jarige een bedrag van 120.000 euro ter beschikking te stellen, met het argument dat erfenis de rijksten, de meest gekwalificeerden bevoordeelt en dat die met de toenemende levensverwachting meestal te laat komt (als de mensen al zijn gesetteld).
  9. Libération, 11 september 2019.
  10. Of trifunctionele.
  11. Alain Bihr, “Van ‘ternaire bedrijven’ tot ‘eigenaarsbedrijven’: hoe Thomas Piketty de overgang van feodalisme naar kapitalisme analyseert”, À l’encontre, 5 november 2019.
  12. Jean Pisani-Ferry, “Piketty: Les pleins et les déliés”, L’Express, 12 september 2019.
  13. Ook bij de geestelijkheid kunnen er verschillende sociale posities zijn.
  14. Alain Bihr, “Débat. Capital et idéologie: un titre en trompe-l’œil”, À l’encontre, 29 oktober 2019.
  15. Dit kan ons tot nadenken stemmen. Maar als we de sociaaldemocratische ideologie aan de kaak willen stellen, moeten we naar de bronnen ervan gaan kijken en (o.a.) Edouard Bernstein, Karl Kautsky en Emile Vandervelde bestuderen.
  16. Alain Bihr, “Le ‘socialisme participatif’ de Thomas Piketty: un socialisme utopique aux allures scientifiques”, À l’encontre, 19 november 2019.
  17. Hij vertelt over zijn ervaringen in Conversations entre adultes. Dans les coulisses secrètes de l’Europe, Les Liens qui libèrent, Parijs, 2017.
  18. Hij bedoelt natuurlijk de sociaaldemocratie.
  19. L’Écho, 13 september 2019.
  20. L’Écho, 27 december 2019.
  21. De Tweede Internationale werd in 1889 opgericht.
  22. Libération, 11 september 2019.
  23. Alain Bihr, op. cit.
  24. Joan Robinson (1906-1983) was een kritische Britse keynesiaans econoom.
  25. Prabhat Patnaik, op. cit.