Artikels

De clash tussen democratie en kapitalisme

Matthias Lievens

— 24 september 2017

Karl Polanyi werd de laatste decennia een belangrijke inspiratiebron voor de kritiek op het marktfundamentalisme. Doorlichting van een briljant schrijver over protectionisme, de wereldoorlogen, de Grote Depressie, socialisme en fascisme.

De clash tussen democratie en kapitalisme

Hoewel Gareth Dale zichzelf niet als ‘polanyiaan’ maar als marxist profileert, ontpopte hij zich de laatste jaren als de voornaamste Polanyi-expert. “In de jaren 1990 en 2000 dook de naam Polanyi meer en meer op in de sociale wetenschappen. Ik was verrast door de oppervlakkigheid waarmee zijn werk werd gelezen. Zijn belangrijkste boek, The Great Transformation, is raadselachtig. Zijn gepassioneerde kritiek van de marktsamenleving is bijzonder gesofisticeerd en krachtig. Zijn vermogen om crisistendensen in het internationale systeem, de wereldeconomie, het nationalisme, en wat hij de clash tussen democratie en kapitalisme noemt, samen te verweven in één analyse, levert een originele visie op over het ineenstorten van de liberale beschaving in het interbellum.” Sinds een tiental jaren wijdt Dale zich aan de studie van het leven en werk van de Hongaarse econoom Karl Polanyi (1886-1964).

De laatste decennia is het werk van Karl Polanyi een inspiratiebron geworden voor veel kritische onderzoekers en linkse activisten, of het nu gaat over het neoliberalisme of over groene politiek, over het ontstaan van het kapitalisme of over de relatie tussen democratie en markt. Kan je spreken van een Polanyi-revival?

  1.  Gareth Dale is senior lecturer Politiek en Internationale betrekkingen aan Brunel University in Londen. Hij publiceerde afgelopen jaar een biografie van Polanyi, A Life on the Left, (New York, Columbia University Press, 2016), een boek met essays over Polanyi (Reconstructing Polanyi. Excavation and Critique, London, Pluto Press, 2016) en een boek met vertaalde teksten van Polanyi (Karl Polanyi: The Hungarian writings, Manchester University Press, 2016). Voordien publiceerde hij ook Karl Polanyi: The Limits of the Market, (Cambridge, Polity Press, 2010), en verschillende boeken over Oost-Duitsland na 1989.

 Jazeker, in de jaren 1950-1960 was Polanyi een nichefiguur die vooral bekend was onder economische antropologen. Maar de opkomst van het neoliberalisme in de jaren 1980 maakte zijn werk weer actueel. Dat is namelijk sterk toegespitst op een eerdere periode van marktfundamentalisme: het einde van de 19en het begin van de 20e eeuw.

Polanyi heeft een bekendheid verworven in een aantal sociale wetenschappen. Hij behoort in zekere zin tot het tweede echelon van theoretici: hij heeft niet de naambekendheid van een Karl Marx, Max Weber of Emile Durkheim, maar veel academici kennen zijn werk en dat filtert ook door in activistische milieus.

Nogal wat critici van het neoliberalisme en marxisten trachten hun analyses te verrijken met Polanyi’s inzichten. Hoe ver reikt zijn invloed eigenlijk?

Die gaat een stuk verder dan marxistische kringen. Hij is bijvoorbeeld goed gekend binnen de school van de wereldsysteemanalyse, die inspiratie haalde bij Karl Marx en Fernand Braudel, maar ook bij Polanyi. Terry Hopkins en Immanuel Wallerstein, de gangmakers van de wereldsysteemanalyse, kenden Polanyi persoonlijk.

Polanyi heeft verder invloed onder linkse sociaaldemocraten, maar ook bij sommige rechtse sociaaldemocraten, zoals Dominique Strauss-Kahn of Maurice Glasman. Die laatste is de initiatiefnemer van Blue Labour, een tendens binnen de Britse Labourpartij die pleit voor een strenge immigratiepolitiek, gecombineerd met de verdediging van een variant van kapitalisme van Duitse snit. Glasman vindt bij Polanyi argumenten ten voordele van een protectionistische samenleving die meer zekerheid biedt, een grotere waarde toekent aan ambachtslui en vakarbeiders, en het financieel kapitaal wat strakker in de hand houdt. Maar dat blijft allemaal compatibel met de voortzetting van de klassensamenleving waarin we vandaag leven.

Welke sleutelideeën maken van Polanyi een belangrijke auteur voor links?

Polanyi tracht radicaal in te gaan tegen wat hij ‘de economistische dwaling’ noemt. Dat is de misvatting dat begrippen die ontwikkeld werden om de moderne, kapitalistische wereld te verklaren en te rechtvaardigen, ook meteen kunnen worden toegepast op prekapitalistische samenlevingen. Dat is typerend voor het werk van veel neoklassieke economen.1

Karl Polanyi werd de laatste decennia een belangrijke inspiratiebron voor de kritiek op het marktfundamentalisme. Doorlichting van een briljant schrijver over protectionisme, de wereldoorlogen, de Grote Depressie, socialisme en fascisme.

Daardoor ontstaat het beeld van een transcendente geschiedenis van het kapitalisme, alsof dat systeem altijd heeft bestaan, in embryonale vorm zelfs in antieke samenlevingen. Polanyi laat heel scherp zien dat het kapitalisme op een bepaald moment is ontstaan, allerlei historische ontwikkelingen kent, en dus niet eeuwig is.

Hij is echter vooral bekend geworden omwille van zijn kritiek op de marktsamenleving, een samenleving die wordt gedomineerd door marktkrachten. In de geschiedenis is zo’n samenleving de uitzondering in plaats van de norm. Het is pas recent dat de markteconomie zich begon af te scheiden van alle andere sferen en de hele samenleving begon te overheersen.

Volgens Polanyi is die marktsamenleving ontstaan als gevolg van een heel bijzondere breuk in de late 18e en vroege 19e eeuw in Groot-Brittannië. De begrippen waarmee we het functioneren ervan kunnen vatten, zijn enkel toepasbaar op dit heel specifieke type van samenleving. Dat inzicht bracht hem ertoe de economische geschiedenis van antieke samenlevingen opnieuw te gaan onderzoeken en een ‘algemene economische geschiedenis’ te ontwikkelen. Economische processen kunnen volgens hem teruggebracht worden tot drie patronen van integratie: wederzijdsheid, herverdeling en ruil.

Welk van de drie patronen domineert is afhankelijk van hoe een samenleving omgaat met grond, geld en arbeid. Op basis daarvan leverde hij belangrijk werk over de economische geschiedenis van de antieke oudheid. Maar hij is natuurlijk vooral bekend door zijn kritiek op het marktfundamentalisme.

De bijzondere breuk, die in de vroege 19e eeuw voor het eerst tot uiting kwam in Groot-Brittannië, is de volledige commodificatie van grond, geld en arbeid.2 Polanyi spreekt over ‘fictieve koopwaren’, omdat grond, geld en arbeid natuurlijk niet bedoeld zijn om op de markt te verkopen. De creatie van specifieke markten van die waren was het startpunt van een ‘liberaal utopisch’ project. De markt, die oorspronkelijk ingebed zit in de maatschappij, wrikt zich los uit die maatschappelijke inbedding (‘disembedding’), en gaat alle domeinen van de samenleving aan zich onderwerpen.

Het gevolg van die vermarkting is een maatschappelijke ontwrichting die zich uit in een reeks crisisfenomenen zoals werkloosheid, de teloorgang van het sociale weefsel, het uiteenvallen van gemeenschapsvorming, milieuverontreiniging enzovoort. Dat leidt ook tot een spirituele en morele crisis doordat sociale waarden worden ondermijnd. Door de dominantie van de markt ontstaat een situatie waarin mensen niet langer in staat zijn verantwoordelijkheid op te nemen voor hun keuzes.

En dat roept allerlei vormen van verzet op, wat Polanyi een ‘tegenbeweging’ noemt?

De commodificatie van grond, geld en arbeid vormt een bedreiging voor de natuur, voor de mensen en zelfs voor de economie zelf. Ze roept onvermijdelijk allerlei grieven en vormen van verzet op. Polanyi wees erop hoe als antwoord op dat liberale utopische project bijna meteen een tegenbeweging ontstond om de samenleving te beschermen tegen de schade die de marktsamenleving veroorzaakte, door middel van sociale wetgeving, protectionisme, het beheer van het geldsysteem enzovoort. Hij was daarbij overigens minder geïnteresseerd in klassiek economisch protectionisme, in de zin van bescherming tegen buitenlandse concurrentie. Het gaat bij hem vooral om de bescherming tegen ontwikkelingen die het sociale weefsel en maatschappelijke instellingen ontwrichten, en individuen en de natuur schaden.

Een sleutelbegrip in The Great transformation is ‘De dubbele beweging’. Het verwijst naar het proces waarbij marktfundamentalisten de markt eerst uit zijn maatschappelijke inbedding trachten te halen, wat dan een sterke tegenreactie uitlokt ten voordele van sociale bescherming tegen de gevolgen van de marktsamenleving. Vaak wordt die dubbele beweging geïnterpreteerd als een pendelbeweging: wanneer je te ver evolueert in de richting van een marktsamenleving, krijg je spontane tegenreacties, en omgekeerd. Dat is tenminste de gangbare interpretatie van Polanyi. Maar volgens u is dat niet wat Polanyi bedoelde?

De gangbare interpretatie van Polanyi suggereert dat er in een kapitalistische samenleving een slingerbeweging zou zijn tussen een tendens tot volledige vermarkting enerzijds en een tendens tot (sociaaldemocratische of andere) bescherming van de maatschappij tegen vermarkting. Ik vind voor die theorie geen enkel bewijs in het werk van Polanyi.

Zijn stelling is dat de opkomst van de vrijemarktsamenleving een unieke, scherpe breuk vertegenwoordigt in de menselijke geschiedenis. Die breuk leidde tot de onnatuurlijke scheiding van economische en politieke macht.

Die scheiding is, aldus de christelijk geïnspireerde Polanyi, onnatuurlijk: ze ondermijnt de door God gegeven conditie dat de menselijke samenleving er is opdat mensen kunnen samenwerken in gemeenschap. Bovenop de strijd tussen maatschappelijke klassen ontstaat zo een strijd tussen het economische en het politieke systeem, en die is heel ontwrichtend. Zeker wanneer arbeiders algemeen stemrecht verkrijgen en sociale beschermingsmaatregelen eisen, wordt het erg moeilijk om een evenwicht tussen beide systemen te handhaven. Wanneer het industriële systeem in crisis geraakt, worden de laissez-faire-economie en de democratie incompatibel.

The Great Transformation onderzoekt hoe de marktsamenleving op een relatief stabiele manier functioneert in de 19e eeuw, maar dan onvermijdelijk op haar eigen contradicties stoot en vanaf het begin van de 20e eeuw haar eigen bestaansvoorwaarden ontmantelt. De leefomstandigheden van heel veel mensen gaan zodanig achteruit dat er een reactie (de ‘tegenbeweging’) plaatsvindt. De tegenstelling tussen de beschermende tegenbeweging en de liberale vermarktingsdrift kan op termijn niet gestabiliseerd geraken. Polanyi is het eens met de stelling van de Oostenrijkse economische school3 dat ingrepen in de markt ervoor zorgen dat de werking ervan verstoord geraakt: hogere lonen leiden tot minder investeringen en een sterke arbeidersbeweging vermindert de capaciteit van het kapitalisme om zichzelf te herstellen. Een gereguleerd kapitalisme is daarom inherent instabiel. Spanningen accumuleren zich en halen de samenleving neer, dat leidt tot een reeks catastrofes: de Eerste Wereldoorlog, de Grote Depressie, de Tweede Wereldoorlog.

De crisis van de marktsamenleving is niet alleen een aanknopingspunt voor socialistische strijd, maar kan ze ook het bedje spreiden voor het fascisme?

In de context van de crisis wint het idee terrein de samenleving op een of andere manier opnieuw één te maken en politiek en economie te verzoenen. Dat kan op een reactionaire manier gebeuren door het fascisme, dat de samenleving één tracht te maken onder de hak van het kapitaal, waarbij de democratie gewoon wordt vernietigd. En er is een progressieve manier via socialistische planning. Polanyi zag de Sovjet-Unie als de vertegenwoordiger van een semiprogressieve strategie. Hoewel hij in de jaren 1920 erg kritisch was over de Oktoberrevolutie, ging hij in de jaren 1930 opmerkelijk genoeg de Sovjet-Unie en Stalin verdedigen. In zijn historische studies had hij geanalyseerd hoe vormen van tirannie de prelude konden vormen voor democratie, iets wat hij in het achterhoofd hield wanneer hij over de Sovjet-Unie nadacht. De toenemende scholingsgraad zou bijvoorbeeld de deur openzetten naar democratisering. Later is hij op die analyse teruggekomen en werd hij veel kritischer tegenover de Sovjet-Unie.

Zijn hoop lag daarnaast bij een democratisch socialisme dat, toch tot op zekere hoogte, werd belichaamd in de Amerikaanse New Deal en in sociaaldemocratische regeringen zoals die van Clement Attlee in Groot-Brittannië. Zijn aanname was dat de tendens naar de hereniging van de samenleving in de loop van de 20e eeuw gaandeweg terrein zou winnen, hopelijk onder de vlag van een democratisch socialisme. Die prognose kwam niet uit, maar nergens komt Polanyi in het reine met dat vastgelopen of haperende verloop van de eenmakingstendens, of zelfs de terugval ervan in de naoorlogse periode. Hij gaat nooit intensief met de vraag worstelen of zijn voorspelling nu wel of niet is uitgekomen.

De New Deal, de regering-Attlee en de Sovjet-Unie zien als uitingen van een gelijkaardige tegenbeweging naar democratie, voorbij de scheiding tussen economie en politiek, schuilt daarin niet een al te eenvoudige opvatting over de staat?

Polanyi ziet de staat niet in de eerste plaats als een middel voor politieke onderdrukking of als een instrument van de burgerlijke heerschappij. Zijn opvatting over de staat is meer mainstream: het is de institutie waardoor een gemeenschap van burgers zichzelf omvormt tot een collectief subject met een gemeenschappelijke wil. Voor hem is er iets intrinsieks sociaaldemocratisch aan de moderne democratie omwille van de rol die gewone mensen daarin zullen spelen. Vanuit marxistisch oogpunt is de idee dat het kapitalisme en de democratie als aparte systemen tegenover elkaar staan natuurlijk onhoudbaar. Het idee dat ze aparte systemen vormen is een voorbeeld van fetisjdenken dat verhoudingen tussen mensen ziet als verhoudingen tussen dingen.

We zien vandaag allerlei symptomen van een beschermende tegenbeweging. Hoe moeten we die symptomen interpreteren? Wat moeten we bijvoorbeeld denken over de roep naar protectionisme die vandaag weer opduikt?

Het normale functioneren van de kapitalistische samenleving is gebaseerd op vermarkting en uitbuiting, wat leidt tot allerlei onaangename fenomenen en vormen van lijden. Een cruciale rol van de staat daarbij is dat lijden te verlichten door beschermende maatregelen: de welvaartstaat bijvoorbeeld. Een andere piste is die van beleid zoals immigratiecontrole, een beleid dat xenofobe verdeeldheid zaait onder het mom van de bescherming van ‘de natie’. Ikzelf zie dat als een onderdeel van het normale functioneren van de burgerlijke samenleving. Hoewel Polanyi’s theorie van de tegenbeweging erg rijk en interessant is, denk ik niet dat protectionisme direct ingaat tegen de basisstructuren en basisprocessen van de marktsamenleving.

U noemde The Great Transformation een merkwaardig boek. Waarom?

Mij lijkt het een boek dat van onze tijd is en tegelijk erg gebonden aan de periode waarin het werd geschreven. Zoals ik hem lees, was Polanyi een linkse sociaaldemocraat van de oude stijl, tenminste in dat deel van zijn leven waarvoor hij het meest bekend is: de jaren 1930 en 1940, toen hij aan The Great Transformation werkte. De linkse sociaaldemocratie van die periode is ons vandaag niet meer vertrouwd. Linkse sociaaldemocraten uit die tijd waren er nog van overtuigd dat de partijen die ze steunden zich engageerden voor een postkapitalistische toekomst. Er was een moralistische en in het geval van Polanyi christelijke denktrant aanwezig in linkse sociaaldemocratische kringen, een ethiek van plicht en dienstbaarheid aan je medemensen. Wat ik opmerkelijk vind aan het boek is dat het veel weergalm bevat van dat tijdperk, dat ik in de biografie ‘een verloren wereld van het socialisme’ noem. Het was een vorm van socialisme die vandaag niet meer bestaat. De grote socialistische figuren met wie Polanyi in contact stond, zoals G.D.H. Cole of Richard Tawney, zijn vandaag nauwelijks nog bekend.

Maar het boek is tegelijk bijzonder actueel, omdat het tracht te begrijpen hoe de samenleving van De Ene Grote Markt, de marktsamenleving die gebaseerd is op het winstmotief en op louter economische belangen, de hele samenleving neigt te overklassen en omvormt tot een aanhangsel van economische belangen. In onze neoliberale tijd is dat terug een heel actueel argument.

In een boeiend hoofdstuk in uw boek Reconstructing Karl Polanyi, toont u dat Polanyi intellectueel dicht aanleunde bij neoliberale auteurs zoals Friedrich von Hayek. Dat lijkt erg verrassend. Tegelijk is het fascinerend: vertrekken van gelijkaardige aannames, maar tot radicaal tegenovergestelde conclusies komen.

De relatie tussen Hayek en Polanyi is boeiend omdat beide auteurs over bepaalde aspecten gelijkaardige ideeën hebben en op andere vlakken absoluut tegenstrijdige posities verdedigen. Polanyi is opgeleid in de Oostenrijkse School in de economie, die later een cruciale rol zou spelen in de ontwikkeling van neoliberale ideeën. Hij onderschreef hun waardetheorie, de grensnuttheorie of het marginalisme, en die is radicaal verschillend van de arbeidswaardetheorie van Marx.4

Een gereguleerd kapitalisme is inherent instabiel. Spanningen accumuleren zich en leiden tot catastrofes zoals depressie en wereldoorlog.

Net zoals bij Hayek, speelt het idee van individuele verantwoordelijkheid een centrale rol in de ethiek van Polanyi. Ook het begrip spontaneïteit is belangrijk voor beiden. Het idee dat de markt een spontane orde is die voortvloeit uit individuele gedragingen, is cruciaal voor Hayek. Volgens Polanyi daarentegen is het precies in de tegenbeweging tegen de markt dat een vorm van spontaneïteit zich manifesteert. Polanyi is op dat vlak beïnvloed door Jean-Jacques Rousseau. De markt is voor hem een artificiële, geconstrueerde institutie die allerlei vormen van lijden veroorzaakt. De sociale reactie ertegen, die uitdrukking is van dat menselijke lijden, is een spontane reactie. Ze komt tot uiting in eisen voor sociale bescherming die gedragen worden door vakbonden, de overheid, kerken enzovoort. Hayek daarentegen plaatst de spontaneïteit in het marktproces, en socialistische alternatieven ertegen beschouwt hij als geconstrueerd, artificieel en daarom gevaarlijk.

Wat ze nog delen, is hun opvatting over de staat als scherp afgelijnd van de markt. Wanneer de staat niet louter optreedt als ‘nachtwaker’ maar direct ingrijpt in de markt, dan wordt een grens overschreden. Wanneer de overheid tussenkomt in de markt, zo schrijft Hayek, dan zal dat de marktwerking verstoren. Het zal leiden tot crisisfenomenen en die zullen de roep om bijkomende of verdergaande ingrepen in de markt alleen maar doen toenemen. Het resultaat is het beruchte hellend-vlakargument dat Hayek ontwikkelt in zijn boek De weg naar slavernij: eens je begint te interveniëren in het spontane functioneren van de markt, roep je een logica in het leven van altijd maar diepere overheidsinterventie en dat zal uiteindelijk leiden tot totalitarisme.

Polanyi keert dat argument om: het is onvermijdelijk dat werkende mensen en andere groepen zich zullen organiseren om zich te verdedigen tegen de verwoestende effecten van de markt. Zij zullen daarbij overheidsinterventie eisen. Dat gaat inderdaad leiden tot marktverstoring en tot de roep om verdergaande veranderingen. Dat proces zal leiden tot een transformatie voorbij de marktsamenleving.

In die zin dacht Polanyi enigszins naïef dat democratisering het socialisme tot stand zou brengen. In Hayeks visie leidt de overschrijding van de grens tussen staat en economie tot slavernij. Er is dus een gelijkenis, maar voor Hayek ging het om een nachtmerrie, voor Polanyi om een droom. Onder bepaalde voorwaarden natuurlijk, want Polanyi erkent het risico dat de spontane tegenreactie naar fascisme leidt. Dat was de strijd van zijn tijd: zal de tegenbeweging, die volgens hem onvermijdelijk is, leiden naar socialisme of naar fascisme?

Wat is volgens u de toegevoegde waarde van The Great Transformation in vergelijking met de marxistische traditie?

Polanyi was een uitzonderlijk intellect, een briljante schrijver. Van zo iemand kan je altijd iets leren. Gaat hij voorbij de marxisten rond eender welke kwestie? Het antwoord hangt af van welke marxist je voor ogen hebt. Veel thema’s die hij goed uitspit, zijn ook al in zekere mate aanwezig bij Marx, zoals de analyse van het warenfetisjisme of de kritiek van de economistische dwaling. Polanyi ontwikkelde een diepgaande kritiek op de klassieke politieke economie, vooral van Malthus en Ricardo, en een rijke verklaring van de crisis tussen de twee wereldoorlogen. Ik zou niet suggereren dat die analyse rijker of geavanceerder is dan pakweg die van Gramsci. Maar het vermogen van Polanyi om crisistendensen in het internationale systeem, de wereldeconomie, het nationalisme, en wat hij de clash tussen democratie en kapitalisme noemt, samen te verweven in één analyse, levert een originele visie op over het ineenstorten van de liberale beschaving tijdens het interbellum. Ontwikkelt The Great Transformation een onderzoeksprogramma dat voorbij het marxisme gaat? Ik denk het niet. Verrijkt het ons begrip van de klassieke politieke economie, van de 20e eeuw en van de internationale politieke economie? Ja, vast en zeker.

Polanyi analyseert hoe de markt de samenleving schade toebrengt op allerlei niveaus en hoe dat allerlei tegenreacties uitlokt. Zou je kunnen zeggen dat er voor Polanyi dan ook een potentieel bredere waaier van verzet is dan voor het marxisme? Veel meer mensen worden geraakt door de crisisfenomenen van de marktsamenleving dan enkel de werkende klasse.

Het idee dat Marx’ begrip van de actor van verandering beperkt is tot wie werkzaam is in de productiesfeer, is een misverstand. Het is inderdaad een vaak gehoorde visie dat Marx op de productie focuste terwijl Polanyi zijn aandacht toespitste op het lijden dat door de markt wordt veroorzaakt, met inbegrip van vervreemding, werkloosheid, de volatiliteit van prijzen, een lijden dat kapitalisten en grondeigenaars net zo kan raken als alle anderen. Het klopt zeker dat dit de focus van Polanyi is. Vanuit die achtergrond kan je zijn steun aan het Volksfront in de jaren 1930 begrijpen, toen hij heel dicht in de buurt van de communistische beweging kwam.

Volgens hem veroorzaakt het marktsysteem vormen van lijden onder alle sociale klassen. Iedereen, met inbegrip van kapitalisten en grondeigenaars, wordt geraakt door de markt, en daarom is de actor van verandering gesitueerd binnen de samenleving als geheel. In die argumentatie geeft Polanyi van de samenleving een fetisj: een voorstelling van zaken waarbij de sociale relaties verdwijnen die verborgen zitten in de producten van de markt. Hij onderschat het belang van klassentegenstellingen. Zijn argumentatie voor coalities van maatschappelijke krachten miskent de scherpe tegenstellingen tussen die krachten; uiteindelijk kunnen die tegenstellingen het verzet ondermijnen.

Maar ik pleit daarom nog niet voor een terugkeer naar een karikaturaal marxisme dat de mannelijke industriële arbeidersklasse ziet als speerpunt van elke progressieve verandering. Dat is overigens nooit de benadering geweest van Marx zelf, noch van de meeste belangrijke marxisten. Bouwen aan coalities van sociale krachten is onontbeerlijk. Er zijn nu eenmaal allerlei verschillende vormen van onderdrukking in de kapitalistische samenleving. Linken leggen tussen belangen en bewegingen van uitgebuite of onderdrukte groepen is absoluut essentieel voor elke revolutionaire politiek.

Polanyi had ook nauwe banden met een aantal belangrijke marxisten van zijn tijd.

Polanyi groeide op in Boedapest. Hij had een goede relatie met Georg Lukács, de bekende Hongaarse marxistische filosoof. Zij waren jeugdvrienden en bleven vrienden, met tussenpozen, hun leven lang. Maar hun politieke standpunten liepen rond 1917 sterk uiteen. Lukács werd een revolutionaire marxist. Polanyi flirtte even met dat perspectief tijdens het korte bestaan van de Hongaarse Radenrepubliek in 1919, maar hij maakte nooit de sprong die Lukács maakte. Filosofisch was Polanyi, net als Lukács, sterk beïnvloed door Marx’ theorie van het warenfetisjisme. Die maakt duidelijk hoe in het kapitalisme de relaties tussen mensen relaties tussen dingen worden en hoe die dingen – zoals geld, koopwaren en kapitaal – een eigen leven gaan leiden en de mens gaan overheersen.

Maar op veel vlakken stond Polanyi in de jaren 1920 tamelijk vijandig tegenover het marxisme, vooral in zijn bolsjewistische vorm. Later maakte hij een toenadering tot het marxisme in zijn austromarxistische variant. Hij heeft ook lange tijd veel sympathie gehad voor het werk van Eduard Bernstein.5 In de jaren 1930 ging hij vervolgens de Sovjet-Unie verdedigen.

Hij was vooral gecharmeerd door de ethische interesses van de austromarxisten en het belang dat zij hechtten aan de scholing van de arbeidersklasse.6 Een rol speelde ook dat leidende austromarxisten bewondering hadden voor het werk van Ferdinand Tönnies, die ook door Polanyi hoog werd aangeschreven. Tönnies was een Duitse socioloog die een onderscheid maakte tussen ‘maatschappij’, met haar patroon van gedepersonaliseerde, koude en formele sociale verhoudingen (wanneer bijvoorbeeld de markt dominant wordt), en ‘gemeenschap’, waar sociale verbanden veel hechter en persoonlijker zijn. Het socialisme zou volgens Polanyi weer echte gemeenschapsbanden moeten creeren tussen mensen. Vandaar ook zijn sympathie voor het gildensocialisme, dat pleit voor zelfbeheer via arbeidersgilden, consumentenorganisaties en andere gemeenschapsorganen.

Bovenal was Polanyi heel sterk geïnspireerd door de ervaring van het Rode Wenen. Tussen 1918 en 1934 werd de hoofdstad van Oostenrijk democratisch bestuurd met een meerderheid van de toen marxistisch georiënteerde sociaaldemocratische partij. Polanyi was vooral onder de indruk van de culturele verheffing, het zelfvertrouwen en de zichtbaarheid van de werkende klasse in Wenen, en van de concrete veranderingen in het dagelijkse leven. Het was een tijd waarin culturele verenigingen bloeiden, onderwijsprogramma’s werden opgezet en bibliotheken en kleuterscholen werden uitgebouwd. ‘Niet hebben, maar zijn’, zo vatte Polanyi die concrete ervaring van socialisme samen.

In de biografie vertelt u het fascinerende verhaal over de joodse achtergrond van Polanyi. Toch zou Polanyi later groot belang hechten aan christelijke waarden, en zelfs een vorm van christelijk socialisme verdedigen. Hoe moeten we dat interpreteren?

Polanyi was nooit een praktiserende jood. Het was veeleer zijn culturele achtergrond die joods was. Hij maakte deel uit van een laag joodse bourgeois met invloed onder de vrije beroepen, maar die ook werd onderdrukt. Onder de joden in zijn milieu bestond het sterke gevoel dat ze niet werden aanvaard in de nationale gemeenschap. Polanyi zelf identificeerde zich niettemin sterk met de Hongaarse natie. De zoektocht naar een diepere gemeenschapszin was in zijn hele leven een sterk motief. Hij vond die natuurlijk tot op zekere hoogte in de kosmopolitische gemeenschap van intellectuelen en activisten ter linkerzijde, maar ook, in abstracte zin, in het christendom. Aan het christendom ontleende hij het idee dat een religieus systeem een duurzame gemeenschap van gelovigen kan stimuleren. Hij hoopte die sterk morele, gemeenschapsgerichte geest in verbinding te kunnen brengen met de socialistische beweging. Uit dat samenspel zou een radicale en grote transformatie van de samenleving kunnen voortkomen.

Zijn opvatting van socialisme lijkt sterk gebaseerd op morele waarden en gemeenschapszin. Hebben zijn ideeën op dat vlak relevantie voor het denken over socialisme vandaag?

Er zijn echo’s in actuele debatten. Een reden waarom Polanyi vandaag populair is in activistische milieus is dat er een breed gedragen gevoel leeft dat er iets fundamenteels fout zit in het wereldsysteem, maar dat we tegelijk niet in een periode leven met grote sociale bewegingen zoals in de jaren 1960 en 1970. Toen waren er heel zichtbare collectieve actoren die in staat leken de samenleving in een radicaal nieuwe richting te sturen. De conjunctuur is vandaag anders, met wel een breed gedragen kritiek op het systeem maar een relatief zwakke vorm van collectieve actie. In die context vindt een algemene, morele kritiek van het systeem zoals Polanyi die formuleert, met zijn nadruk op ethische waarden en op het belang van coöperatieven, gemakkelijk doorgang.

Zou het kunnen dat de herontdekking van de ethische en gemeenschapsgerichte aspecten van het socialisme aan belang wint door de ecologische crisis?

Om de sociaalecologische crisis te begrijpen, moeten we niet zozeer de ethiek van de sociaaldemocratie in het interbellum herontdekken, maar vooral de dynamiek van kapitaalaccumulatie voor ogen houden, een thema dat buiten het blikveld van Polanyi blijft. Niettemin halen sommige belangrijke bijdragen aan de marxistische ecologische kritiek hun mosterd bij Polanyi. Denk bijvoorbeeld aan het geweldige boek Capitalism in the Web of Life van Jason Moore. In zijn theoretische analyse van de kapitalistische ecologische crisis volgt Moore het werk van James O’Connor, die binnen een ecologisch kader Polanyi’s kritiek van de commodificatie van de natuur herontdekte. De grond is volgens Polanyi een door God gegeven substantie die niet het voorwerp mag zijn van gemarchandeer. Polanyi ontwikkelt zijn ecologische kritiek niet op een rigoureuze of omvattende manier, zelfs niet in The Great Transformation. Maar de kern is er, heel duidelijk, in zijn theorie over fictieve koopwaar: bepaalde dingen, namelijk menselijke arbeid, grond en geld, zijn speciale substanties die niet vermarkt mogen worden alsof het om komkommers of gadgets zou gaan.

Footnotes

  1. De neoklassieke economie is de hoofdstroom binnen de economische wetenschap. Het uitgangspunt ervan is dat individuen rationeel zijn en hun nut trachten te maximaliseren op een transparante markt. Grondleggers van de neoklassieke economie zijn onder andere William Stanley Jevons, Léon Walras en Carl Mengers.
  2. Commodificatie is het proces waarbij iets tot koopwaar wordt gemaakt waardoor het dus op de markt vrij gekocht en verkocht kan worden.
  3. Deze school was zeer invloedrijk in de ontwikkeling van de economische theorie van wat later het neoliberalisme zou heten. Grondleggers zijn o.a. Carl Menger, Ludwig von Mieses en Eugen Böhm-Bawerk. Friedrich von Hayek was een leerling van von Mieses. Deze school werd initieel vooral bekend omwille van zijn stelling dat socialistische planning onmogelijk is, omdat er zonder marktprijzen geen enkele basis is om economische berekeningen te maken. Gareth Dale gaat verder in het interview dieper in op de relatie tussen Polanyi en Hayek.
  4. De grensnuttheorie begrijpt economische waarde op een subjectieve manier: waarde – die tot uitdrukking komt in de prijs – is gebaseerd op subjectieve voorkeuren van marktactoren. Marx definieert waarde niet in subjectieve, maar in objectieve termen. De waarde van een goed wordt bepaald door de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die nodig is om een waar te produceren.
  5. Eduard Bernstein (1850-1932) was een Duitse sociaaldemocratische politicus en theoreticus die bekend is geworden als grondlegger van het ‘revisionisme’. Hij bekritiseerde centrale stellingen van Marx over de crisis van het kapitalisme, het verdwijnen van de middenklassen en de arbeidswaardeleer. Hij pleitte voor een reformistische strategie naar het socialisme via parlementaire wetgeving.
  6. Het austromarxisme is een Oostenrijkse theoretische stroming binnen het marxisme, die tot ontwikkeling kwam tijdens het interbellum. De invloedrijkste figuren uit deze stroming zijn Otto Bauer, Victor Adler, Karl Renner en Max Adler, allen lid van de sociaaldemocratische partij. Die partij stond vooral in Wenen sterk tijdens de eerste Oostenrijkse republiek (1918-1934). Van blijvend belang is onder andere de analyse van het nationaliteitenvraagstuk, ontwikkeld door Bauer.