Artikels

Wolfgang Schäuble en het “ordoliberalisme”

Wolfgang Schäuble overleed op 26 december 2023. Als belichaming van het Duitse “ordoliberalisme” ijverde deze staatsman onvermoeibaar om die doctrine aan Europa op te leggen. In 1990 was hij de architect van de Duitse eenwording, een eenwording die hij zelf omschreef als “pure en eenvoudige annexatie” van de DDR. In 2015 speelde hij ook een rol bij het opleggen van draconische bezuinigingsmaatregelen aan Griekenland.

Shutterstock

Na de bekendmaking van de resultaten van de Griekse volksraadpleging fulmineerde de website van het weekblad Der Spiegel op 6 juli 2015: “Als iemand nog meer bewijs nodig had voor het gevaar van referenda voor het functioneren van moderne democratieën, dan is dit het wel.” De schok die in Duitsland werd veroorzaakt door het volmondige “nee” uit Athene kan worden verklaard door de frontale botsing tussen twee opvattingen over de economie en, in bredere zin, over de publieke zaak.

De eerste werkwijze, die begin juli door de Griekse leiders werd belichaamd, weerspiegelt een zuiver politieke manier van besturen. Het stemrecht van het volk heeft daarbij voorrang op de boekhoudregels en een gekozen regering kan ervoor kiezen om de regels te veranderen. De tweede methodiek daarentegen onderwerpt het regeringsoptreden aan de strikte naleving van een bevel. Politici kunnen doen wat ze willen zolang ze binnen het opgelegde kader blijven dat de facto onttrokken is aan democratische beraadslaging. De Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble verpersoonlijkt deze laatste visie. “Voor hem zijn de regels goddelijk”, merkte zijn voormalige Griekse collega Yanis Varoufakis op (zie “Leur seul objectif était de nous humilier.” [Hun enige doel was ons te vernederen]).

Deze weinig bekende Duitse ideologie heeft een naam: het ordoliberalisme. Net als de Angelsaksische aanhangers van het laissez-faire, verwerpen ordoliberalen het idee dat de staat de markt verstoort. Maar in tegenstelling tot hen geloven zij dat vrije concurrentie zich niet spontaan ontwikkelt. De staat moet de vrije concurrentie organiseren. Hij moet het juridische, technische, sociale, morele en culturele kader van de markt opbouwen en de regels handhaven. Dat is “Ordnungspolitik”. De geschiedenis van dit liberale interventionisme heeft zijn wortels in de gistingen van het interbellum, acht decennia geleden. “Ik ben geboren in Freiburg”, zei Schäuble in september 2012. Daar vind je “de School van Freiburg”. Die heeft iets te maken met ordoliberalisme. En ook met Walter Eucken.1

Freiburg im Breisgau is een welvarende stad, niet ver van de kathedraal van Straatsburg en van de Zwitserse kluizen. Ze ligt aan de voet van het Zwarte Woud. In dit conservatieve, katholieke bolwerk had de economische crisis die in 1929 begon, net als elders haar gevolgen: bij de verkiezingen in maart 1933 kwam de nazipartij er als winnaar uit de bus met bijna 36% van de stemmen. Terwijl de Weimarrepubliek op sterven na dood was, dachten drie academici na over de toekomst. Walter Eucken (1891-1950), een econoom, wilde zijn vakgebied filosofisch herdefiniëren. Als juristen worstelden Franz Böhm (1895-1977) en Hans Grossmann-Doerth (1894-1944) met het netelige probleem van monopolies en kartels.2 De ontmoeting van dit trio leverde een vreemde alchemie op.

“Voor Schaüble zijn de regels goddelijk”, merkte zijn voormalige Griekse collega Yanis Varoufakis op.

Samen ontwikkelden ze een onderzoeksprogramma gebaseerd op het begrip orde (Ordnung). Zij zagen orde als het basisgegeven voor de economie en als de basisspelregel. Om de kartels te neutraliseren en te voorkomen dat de economische oorlog ontaardt, zo stelden ze, is een sterke staat nodig. “De staat moet de structuren, het institutionele kader en de orde waarin de economie functioneert bewust opbouwen, al mag [de staat] het economische proces zelf niet sturen”, schrijft Eucken.3

In tegenstelling tot klassieke liberalen beschouwen ordoliberalen de markt of het privébezit niet als producten van de natuur, maar als menselijke constructies, die daardoor kwetsbaar zijn. De staat moet de concurrentie herstellen als die niet werkt. Hij moet ook een gunstig klimaat scheppen: opleiding voor werknemers, infrastructuur, stimulansen om te sparen, eigendomswetten, contracten, patenten, enz. Geld speelt zijn rol tussen het algemene kader en de processen. In zijn intellectueel testament (Grondslagen van de politieke economie, 1952) benadrukte Eucken het “primaat van het monetair beleid” en de noodzaak om het af te schermen van politieke en populaire druk. Niet alleen moet een goede “monetaire grondwet” inflatie voorkomen, maar “net als de concurrerende orde moet het zo automatisch mogelijk werken”. Zo niet zullen “onwetendheid, zwakte tegenover belangengroepen en de publieke opinie”4 ervoor zorgen dat monetaire beleidsmakers afwijken van hun heilige doel: stabiliteit.

Pierre Rimbert is socioloog en journalist bij Le Monde diplomatique. Hij schreef mee aan het scenario van de film Les nouveaux chiens de garde (De nieuwe waakhonden), gebaseerd op het essay van Serge Halimi over mediakritiek. Van zijn hand is ook Libération, de Sartre à Rothschild (2005, Liber-Raisons d’agir).

In Freiburg groeide de kleine kring van ordoliberalen. Hun reputatie verspreidde zich al snel buiten de stadsmuren. Hun werk inspireerde twee economen in het bijzonder, Wilhelm Röpke (1899-1966) en Alexander Rüstow (1885-1963), die er – naast een sterke dosis conservatisme – historische en sociologische referenties aan toevoegden. Volgens deze tegenstanders van het naziregime lag het epicentrum van de crisis niet in de economische sfeer zelf, maar in de desintegratie van de sociale orde, veroorzaakt door het laissez-faire. De moderniteit had een ontmenselijkt proletariaat, een opgeblazen welvaartsstaat en een collectivistisch elan voortgebracht. Geconfronteerd met de “opstand van de massa’s” riep Röpke op tot een “opstand van de elites”.5 Om de verloren waardigheid van de arbeiders te herstellen, zouden ze opnieuw moeten worden opgenomen in verschillende pre-democratische gemeenschappen die als natuurlijk werden beschouwd (het gezin, het dorp, de kerk, enzovoort). Voor hem moest het egalitarisme worden uitgeroeid.

De staat moet de vrije concurrentie organiseren.

Door ons op te offeren aan de cultus van de liberale Moloch, schrijft Rüstow, “hebben we het principe van trapsgewijze organisatie in het algemeen verloochend en er het valse en foutieve ideaal van gelijkheid en het gedeeltelijke en ontoereikende ideaal van broederschap voor in de plaats gesteld; want zowel in het kleine als in het grote gezin is de relatie van ouders tot kinderen belangrijker dan die van broer tot broer. Het is de opeenvolging van generaties die erdoor wordt gewaarborgd en die de culturele traditie in stand houdt”.6 Net als hun vrienden in Freiburg gaven Röpke en Rüstow, die allebei een christelijke achtergrond hadden, het begrip “orde” de betekenis die de heilige Augustinus eraan gaf: een disciplinaire regel die het samenleven ordent.

De opkomst van het ordoliberalisme maakte deel uit van een grote internationale beweging om het liberale denken nieuw leven in te blazen. Die beweging werd in de jaren 1930 bekend als het “neoliberalisme”. Binnen deze beweging verzetten de “ordo’s” zich tegen de nostalgici van het laissez-faire – Ludwig von Mises en zijn leerling Friedrich Hayek. Volgens Rüstow vonden beide heren “in het traditionele liberalisme niets wezenlijks terug om te bekritiseren of te veranderen”.

In de loop van de jaren dertig bleven de pioniers van de ordopolitiek marginaal. Ze hadden nauwelijks contacten in nazi-Duitsland, ook al namen sommigen van hen deel aan de economische denktanks van het regime. Dat was in het bijzonder het geval met Ludwig Erhard (1897-1977) en Alfred Müller-Armack (1901-1978). Beiden waren vaste leden van werkgeversorganisaties met een mooie toekomst voor zich. Zij ontmoetten mekaar voor het eerst in 1941 “in het kader van een samenwerking met de nazistaat ten behoeve van de lichte industrie”.7 Van bij zijn prille ontstaan “werd het ordoliberalisme in zekere zin ‘verbannen’ of gereduceerd tot een leven in de catacomben”, merkt de econoom François Bilger op. “Twee van de belangrijkste Duitse liberalen, Röpke en Rüstow, moesten met de komst van het nationaalsocialistische regime in ballingschap gaan; de anderen konden alleen blijven lesgeven of andere activiteiten ontplooien als ze ophielden te zeggen wat ze dachten.”8

Voor hen was de val van het nazisme het moment voor de herovering. In West-Duitsland was de wederopbouw, in tegenstelling tot Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk, meer gebaseerd op liberale dan op sociaaldemocratische principes. Als meest invloedrijke bezettingsmacht verhinderden de Verenigde Staten de nationalisaties waar de meerderheid naar streefde.9 Anderzijds vergemakkelijkten ze de overgang naar een open economie die een ideale vergaarbak werd voor de VS-exportproducten. Ze halveerden ook de buitenlandse schuld van hun nieuwe bondgenoot.10

“De staat moet de structuren, het institutionele kader en de orde waarin de economie functioneert bewust opbouwen, al mag [de staat] het economisch proces zelf niet sturen”, schrijft Eucken.

Van 1948-1949 bevorderden deze omstandigheden de opbouw van een systeem dat ordoliberalisme en christelijke doctrine samenvoegde tot een “sociale markteconomie”. Het is een charmante uitdrukking, maar het adjectief is misleidend: “Het sociale karakter”, verklaarde Müller-Armack in 1948, de uitvinder van de formule, “ligt in het feit dat ze in staat is om een gediversifieerde massa consumptiegoederen aan te bieden tegen prijzen die de consument mede kan bepalen door de vraag.”11 Een reeks maatregelen compenseerde de ongelijkheden die door het concurrentiemodel werden gegenereerd: behoud van het sociale verzekeringsstelsel dat van Bismarck was geërfd, inkomstenbelasting, sociale huisvesting, steun voor kleine bedrijven, enz. Kortom, het “sociale” waar het hier om gaat herinnert ons eraan dat een markteconomie alleen werkt als de staat de samenleving kan creëren die ervoor nodig is. Het naoorlogse Duitsland werd een neoliberaal openluchtlaboratorium.

De belangrijkste proefnemer was Ludwig Erhard, directeur van de economische administratie van de door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bezette zone (Bizonia). Erhard was Konrad Adenauers minister van Economie van 1949 tot 1963 en werd uiteindelijk zelf kanselier van 1963 tot 1966. Onder leiding van deze econoom, die zich tijdens de oorlog tot de ordoliberale theorieën had bekeerd, werden de meeste structurele hervormingen ingevoerd die met het “Wirtschafswunder” (de wonderlijke economische opleving) werden geassocieerd, met name de liberalisering van de prijzen en de invoering van de Duitse mark op 20 juni 1948. Beide hervormingen blijven in het collectieve geheugen gegrift.

Erhard, de initiator van de openstelling voor internationale vrijhandel en privatisering, vatte zijn acties graag samen met een metafoor: “Net zoals de scheidsrechter niet zelf aan het spel deelneemt, wordt ook de staat uit de wedstrijd gehouden. In elke goede voetbalmatch is er één constante: de precies ontworpen regels die het spel bepalen. Het doel van mijn liberaal beleid is juist om de regels van het spel te creëren.”12 De invoering van medezeggenschap in de industrie in 1951-1952 werd hem opgelegd door kanselier Adenauer en de vakbonden, die het zagen als compensatie voor de loonstagnatie.

Geconfronteerd met de “opstand van de massa’s” riep Röpke op tot een “opstand van de elites”.

In overeenstemming met de leefregels van Eucken was Ehrard terughoudend om de effecten van economische recessies te compenseren. Een van zijn discipelen, Hans Tietmeyer, president van de Bundesbank (Duitse Centrale Bank) tussen 1993 en 1999, stelt het zo: “Hij vreesde dat een economisch beleid, dat zich hoofdzakelijk richtte op een volledige tewerkstelling, de monetaire stabiliteit en de individuele verantwoordelijkheid zou aantasten ten koste van alle andere maatregelen.”13

François Denord is socioloog en auteur van Néo-libéralisme version française. Histoire d’une idéologie politique, Demopolis, Parijs, 2007 en van l’Europe sociale n’aura pas lieu, Raison d’agir, Parijs, 2009.

De ordopolitiek bereikte haar apotheose in 1957, toen Erhard twee beslissende wetten doordrukte: de ene over de onafhankelijkheid van de Bundesbank, de andere tegen concurrentiebeperkingen. Monetaire stabiliteit en onvervalste concurrentie: “In het model van de sociale markteconomie”, analyseert Christophe Strassel, een hoge Franse ambtenaar, “ontsnappen deze twee beleidslijnen aan het gewone democratische debat.”14

Natuurlijk handelde de minister van Economische Zaken niet alleen. Al in 1948 omringde Erhard zich met ordoliberale experts zoals Böhm, Eucken en Müller-Armack. Zij namen de Wetenschappelijke Raad van Bizonia met kracht over. Het ministerie van Economische Zaken werd hun privédomein. De Ordopolitiek kende ook een groot aantal geledingen: een theoretisch tijdschrift, Ordo, waarvan het eerste nummer verscheen in augustus 1948; een lobbyteam verantwoordelijk voor het promoten van de ordopolitiek: de Actiegemeenschap voor de Sociale Markteconomie, opgericht in 1953, waarvan het werk onophoudelijk doorklonk in de pers, in het bijzonder in de Frankfurter Allgemeine Zeitung; een beweging van katholieke industriëlen, Die Waage (“de Balans”); een Gemeenschap ter Bevordering van Sociale Gelijkheid, die een decennium lang – voorafgaand aan parlementsverkiezingen – campagnes financierde om de publieke opinie te beïnvloeden.15

Maar het was in het parlement dat het ordoliberalisme zijn meest onverwachte doorbraak maakte. Met het concept van de sociale markteconomie en de slogan “Welvaart voor iedereen” bood het de jonge Christen-Democratische Unie van Duitsland (CDU) de kans om de sociaaldemocraten de loef af te steken. Vanaf 1949 riep de partij op tot een samenleving waarin “orde wordt bereikt door vrijheid en respect voor verbintenissen die tot uitdrukking komen in de ‘sociale markteconomie’ door middel van echte concurrentie en de controle op monopolies.”16

Sommige intellectuelen in de Sociaaldemocratische Partij (SPD) bezweken voor deze sirenenzang. In 1955 publiceerde Karl Schiller Socialisme en Concurrentie, met daarin het beroemde motto “Concurrentie zoveel als mogelijk, planning zoveel als nodig.” Deze zin werd zelfs door de SPD overgenomen op haar groot doctrinair keerpunt in november 1959, toen een meerderheid van de congresafgevaardigden in Bad Godesberg het privé-eigendom van de productiemiddelen en de markteconomie erkenden als onmiskenbare voordelen.

De opkomst van het ordoliberalisme maakte deel uit van een grote internationale beweging om het liberale denken nieuw leven in te blazen.

Zo’n aggiornamento zou niet mogelijk zijn geweest als het ordoliberalisme zich in zijn ruwe staat aan de Duitse samenleving had opgedrongen. In de praktijk is de sociale markteconomie een hybride vorm van Eucken en Bismarck. Het is de boekhoudregel die in Freiburg werd getheoretiseerd en het welvaartssysteem dat aan het eind van de 19de eeuw door de besnorde kanselier werd geïntroduceerd. De val van Erhard in 1966 markeerde een “sociale” ommekeer die werd geaccentueerd door het aantreden van de sociaaldemocraat Willy Brandt in 1969. Naast de “ordo-” en de Bismarckiaanse invloeden werd een Keynesiaans perspectief toegevoegd: middellangetermijnplanning, loonsverhogingen, sterkere medezeggenschap, investeringen in onderwijs en gezondheid. De Bondsrepubliek Duitsland stelde zo in de jaren 1970 en 1980 een “Duits model” samen dat trouw bleef aan de sociale markteconomie maar ook een gezonde dosis traditioneel interventionisme bevatte.

De machtswissel in 1982 gaf de christendemocraat Helmut Kohl de kans om de haakjes te sluiten. De ideologische slinger was omgeslagen; de tijd was gekomen om de begroting weer in evenwicht te brengen. Maar in de jaren 1990 stonden de kosten van de Duitse eenwording  een terugkeer naar de ordoliberale grondbeginselen in de weg. En het was aan de sociaaldemocraat Gerhard Schröder, die in 1998 werd geïnstalleerd, om de orde van de jaren 1950 te herstellen door het arbeidsrecht massaal te dereguleren en de sociale bescherming te verzwakken. Die maatregelen werden bevestigd door bondskanselier Angela Merkel. Zij herinnerde er in januari 2014 aan dat “de sociale markteconomie veel meer is dan een economische en sociale orde. Haar principes zijn tijdloos”.

Rachel Knaebel is journaliste (Berlijn) en publiceerde meerdere artikels bij Le Monde Diplomatique. Ze schreef, samen met Mathieu Bellahsen, een boek over de crisis in de Franse psychiatrie: La révolte de la psychiatrie: Les ripostes à la catastrophe gestionnaire, Editions La Découverte, Parijs, 2018.

Tachtig jaar na zijn oprichting leeft het ordoliberalisme in Duitsland voort in instellingen zoals het in 1957 opgerichte Federale Antikartelbureau; de Monopoliescommissie, die de politieke autoriteiten adviseert over mededingingskwesties, en de Stabiliteitsraad, opgericht in 2010 die ervoor moet zorgen dat de “gouden regel” van het nultekort wordt nageleefd, zowel op federaal niveau als op het niveau van de deelstaten. Maar het ordoliberalisme doordesemt ook de Duitse politieke en economische debatten als een gemeenschappelijk cultureel erfgoed dat iedereen naar eigen inzicht interpreteert: van conservatieven en liberalen tot de SPD en de Groenen, en niet te vergeten de Alternative für Deutschland (AfD, waarvan de medeoprichter, de econoom Joachim Starbatty, assistent was van Müller-Armack in Keulen).

“Sociale markteconomie” is een charmante uitdrukking, maar het adjectief is misleidend.

Ja, de Duitse partijen hebben veel erfgenamen van Eucken in hun gelederen. Ze hekelen allemaal het misbruik van de traditie door hun tegenstanders. “Ik ben een ordoliberaal, maar een linkse”, zegt Gerhard Schick, sinds 2005 Bondsdag-lid voor de Groenen. Met een doctoraat in economie zou deze voormalige onderzoeker aan het Walter-Eucken Instituut zichzelf echter nooit omschrijven als “op enigerlei wijze neoliberaal. Er bestaat consensus onder de Groenen over de term ‘sociale markteconomie’, ook als we er het woord ‘ecologisch’ aan toevoegen. Ik deel de ordoliberale analyses van de marktcontrole. En ik denk dat het belangrijk is dat de staat regels opstelt zodat de concurrentie werkt.”

In de loop der jaren zijn er meer of minder interventionistische stromingen ontstaan. “Het gaat niet om een gesloten doctrine”, zegt Ralf Fücks, directeur van de invloedrijke Heinrich Böll-Stichting van de Groenen. Het ordoliberale principe van “verantwoordelijkheid opnemen” kan de regulering van financiële markten en ecologische belastingen rechtvaardigen, maar ook de afwijzing van een Europese (her)verdeling van schulden. “Ordoliberalisme is een derde weg tussen laissez-faire en staatsvoogdij”, zegt deze voormalige leider van de Groenen. “Voor de Groenen is het een bijzonder interessante positie, die ons in staat stelt om afstand te nemen van de ideeën van zowel traditioneel links als van het neoliberalisme.”

Herbert Schui, parlementslid voor Die Linke (radicaal-links) van 2005 tot 2010 en voormalig hoogleraar economie, wijst erop dat “de sociale markteconomie een suggestief concept is. Het werd na de oorlog gecreëerd om mensen weg te houden van socialistische ideeën. De formule werkt zo goed dat zelfs sommigen ter linkerzijde erin trappen.” Het is een rekbaar maar zeer legitiem uitgangspunt, omdat het wordt geassocieerd met het idee van heropstanding – een beetje zoals het gaullisme in Frankrijk. Het Duitse Verbond van Vakverenigingen (DGB) nam het in 1996 over. “De sociale markteconomie heeft een hoog niveau van materiële welvaart voortgebracht” en vertegenwoordigt “een grote historische vooruitgang ten opzichte van het ongebreidelde kapitalisme”, staat in het oprichtingsprogramma dat sindsdien ongewijzigd is gebleven. Terwijl het DGB toch erkent dat dit systeem “noch massale werkloosheid noch verspilling van middelen heeft voorkomen en het geen sociale gelijkheid heeft voortgebracht”.

Het naoorlogse Duitsland werd een neoliberaal openluchtlaboratorium.

Een deel van Duits links ziet het ordoliberalisme als een vorm van interventionisme die tegenover het neoliberalisme kan staan. Werkgevers associëren het echter met een strikt liberale markteconomie. Een reeks organisaties die deze visie delen, biedt een polyfone echokamer voor ordoliberaal denken. Het Initiatief voor een Nieuwe Sociale Markteconomie, een denktank die vroeger werd voorgezeten door de heer Tietmeyer, strijdt tegen overheidssteun voor hernieuwbare energie, tegen vermogensbelasting en tegen het wettelijk minimumloon dat begin 2015 werd ingevoerd. De Actiegemeenschap voor de Sociale Markteconomie is zestig jaar na haar oprichting nog steeds actief. Meer recent reikt de Jena Alliantie voor de vernieuwing van de sociale markteconomie een jaarlijkse prijs uit voor innovatie van de Ordnungspolitik, terwijl de Kronberger Kreis – een kring van economen gesteund door een stichting voor de markteconomie – er prat op gaat dat het regeringen “het denken achter onmisbare hervormingen” aanreikt. Ordopolitiek wordt ook vertegenwoordigd door de kerk, in de persoon van Mgr. Reinhard Marx, aartsbisschop van München en voorzitter van de Duitse bisschoppenconferentie.

Maar de meest invloedrijke stem van de ordopolitiek is niemand minder dan de Duitse Raad van Economische Experts, die in 1963 door Erhard werd opgericht om de keuzes van de regering te sturen. Slechts één van de vijf leden, Peter Bofinger, is een keynesiaan. “Wat het onderwerp ook is, ik ben in de minderheid met vier tegen één”, klaagt hij (The Economist, 9 mei 2015). Zijn collega’s daarentegen zijn vooral pragmatici. “We zien de voordelen van ordopolitieke concepten, maar bij nader inzien is het heterogener”, legt Lars Feld bijvoorbeeld uit, een van de “wijze mannen”. Feld is professor aan de Universiteit van Freiburg en voorzitter van het Walter-Eucken Instituut. “Ordoliberalisme betekent op zichzelf niet noodzakelijkerwijs bezuinigingen. In 2008 hebben mijn collega Clemens Füst en ik de regering bijvoorbeeld aanbevolen een programma op te zetten om het herstel na de financiële crisis te ondersteunen. Maar, voegden we eraan toe, ‘als je vreest dat deze maatregel je herfinancieringsvoorwaarden op de markten zal benadelen, voer dan een schuldenrem in’ – de gouden begrotingsregel.” De regering heeft beide aanbevelingen letterlijk opgevolgd. “Als Duitser is het voor mij onbegrijpelijk om te zien in welke mate mijn land verstard is in zijn economisch denken”, zegt econoom en specialist in het ordoliberalisme, Ralf Ptak.

In november 1959 erkende een meerderheid van de congresafgevaardigden van de SPD in Bad Godesberg dat het privé-eigendom van de productiemiddelen en de markteconomie onmiskenbare voordelen bood.

Naast de Duitse implementatie in een min of meer verbasterde versie, is de “ordo-ideologie” in een chemisch zuivere staat getransponeerd in de EU-structuren. “Het hele raamwerk van Maastricht weerspiegelt de centrale principes van het ordoliberalisme en van de sociale markteconomie”, geeft Jens Weidmann, president van de Bundesbank, grif toe.17 Met zijn oproep tot “de duurzame ontwikkeling van Europa op basis van een evenwichtige economische groei; van prijsstabiliteit en van een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen” lijkt artikel 2.3 van het Verdrag van Lissabon, dat sinds eind 2009 van kracht is, een doorslagje van een van Erhards toespraken.

Het is overduidelijk: van Walter Hallstein, de eerste voorzitter van de Europese Commissie (1958-1967), tot Hans von der Groeben, commissaris voor Mededinging (1958-1967), over Müller-Armack, onderhandelaar van het Verdrag … hielden de meeste Duitsers die betrokken waren bij het opzetten van de Gemeenschappelijke Markt in de jaren 1950 vast aan de denkwijze van Erhard. De hoge ambtenaren van de Europese instellingen reproduceerden op communautair niveau de strategie van Erhard en van zijn comité van deskundigen in de bezette Bondsrepubliek Duitsland. Zij waren spelers in een orgaan zonder legitimiteit en concentreerden zich op de ontwikkeling van een wettelijk kader voor concurrentie en monetaire stabiliteit; een zorg die door de gevestigde machten tijdens de Koude Oorlog van secundair belang werd geacht.

Hun triomf was geen uitgemaakte zaak. In de jaren 1950 was het Europese bouwwerk gestoeld op twee zeer verschillende doctrinaire pijlers. De eerste, de Franse, was interventionistisch en planmatig. De Fransen waren bereid subsidies te gebruiken om grote uitzonderingsgebieden te creëren binnen het concurrentiekader (het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het beleid voor de nationale topsectoren). Zij zagen het project van de Europese interne markt als een bescherming tegen de wereldwijde vrijhandel. De andere pijler, de ordoliberale, drong er bij zijn partners op aan om niet alleen een gemeenschappelijke markt te creëren, maar ook om door te gaan met het opheffen van douanebarrières tot de schaal van de hele “vrije wereld”. Bondskanselier Erhard riep al in 1956 op tot de oprichting van een trans-Atlantische interne markt.18

“De sociale markteconomie is een suggestief concept. Het werd na de oorlog gecreëerd om mensen weg te houden van socialistische ideeën.”

De Franse aanpak, die dominant was in de jaren 1960 en 1970, was niet bestand tegen de deregulering van de internationale handel. Die bracht immers begrotingsdiscipline en concurrentievermogen met zich mee. Parijs deed er symbolisch afstand van op 23 maart 1983, toen François Mitterrand afzag van het ontsnappingsbeleid waarvoor hij was verkozen en besloot de frank gekoppeld te houden aan het Europese monetaire stelsel en aan Duitsland. Deze keuze impliceerde dat links een bezuinigingsplan zou doorvoeren dat symbolisch vergelijkbaar was met het plan dat Alexis Tsipras in juli 2015 onderschreef. “Ik word verscheurd tussen twee ambities”, vertrouwde Mitterrand me op 19 februari 1983 toe: “die van de opbouw van Europa en die van sociale rechtvaardigheid”.19 Een soortgelijk alternatief werd de Griekse leiders opgelegd.

Vijfentwintig jaar na de val van de Berlijnse Muur dringt de “ordodoctrine” nog steeds door in het management van het Directoraat-Generaal voor de Concurrentie en inspireert ze verschillende Europese Commissarissen, zoals de Belg Karel Van Miert, winnaar van de Ludwig-Erhardprijs in 1998, en de Italiaan Mario Monti. Het meest onneembare ordoliberale bolwerk bevindt zich echter in Frankfurt. “De monetaire grondwet van de Europese Centrale Bank [ECB] is stevig verankerd in de principes van het ordoliberalisme”, erkent de huidige president van de instelling, Mario Draghi.20 In haar manier van werken, in haar onafhankelijkheid van democratische instellingen en in haar enige missie om de prijsstabiliteit te handhaven, plagieert de ECB de Bundesbank. In 2003 (19 september) bejubelde Les Echos haar toekomstige president, Jean-Claude Trichet als “de meest authentieke vertegenwoordiger van de geest en de praktijk belichaamd door de Bundesbank vanaf haar oprichting in 1949 tot de invoering van de euro” en dat ondanks het feit dat hij in Frankrijk was afgestudeerd aan de École Nationale d’Arques.

“Het hele raamwerk van Maastricht weerspiegelt de centrale principes van het ordoliberalisme en van de sociale markteconomie.”

De strijd is gestreden bij gebrek aan strijders. In Europa onthult de tanende volkssoevereiniteit de kille doeltreffendheid van de automatische pilootstructuren die met veel geduld in de Brusselse kantoren en in de torens van Frankfurt werden geïnstalleerd: enerzijds de indicatoren die door het Verdrag van Maastricht (het fameuze tekort van 3%) in democratische gewichtloosheid werden geplaatst en anderzijds de invoering in maart 2012 van de Duitse “gouden regel” die de begrotingstekorten van de lidstaten inperkt.

Tien dagen na het Griekse referendum zei Hans-Werner Sinn, de meest invloedrijke Duitse econoom, adviseur van de minister van Financiën en onbuigzame vertegenwoordiger van de orthodoxie: “De Europese crisis sluit keynesiaanse recepten uit. Dat is niet bijzonder ordoliberaal, dat is gewoon economische evidentie”. Het raamwerk van Eucken is een ijzeren kooi geworden.

Vertaald door Jan Reyniers
Oorspronkelijk gepubliceerd in Le Monde diplomatique, januari 2024. Volgens de overeenkomst die LMD en Lava in 2022 aangingen, herneemt Lava drie keer per maand een artikel in het Nederlands.

Footnotes

  1. Wolfgang Schäuble, toespraak in Frankfurt, 5 september 2012.
  2. David J. Gerber, “Constitutionalizing the economy: German neo-liberalism, competition law and the ‘new’ Europe” (PDF), The American Journal of Comparative Law, vol. 42, no. 1, Washington, DC, 1994.
  3. Geciteerd in Siegfried G. Karsten, “Eucken’s ‘social market economy’ and its test in post-war West Germany”, The American Journal of Economics and Sociology, vol. 44, no. 2, Hoboken (New Jersey), 1985.
  4. Walter Eucken, Grundsätze der Wirtschaftspolitik, Mohr, Tübingen, 1952.
  5. Jean Solchany, Wilhelm Röpke, l’autre Hayek. Aux origines du néolibéralisme, Publications de la Sorbonne, Parijs, 2015.
  6. Centre international d’études pour la rénovation du libéralisme (CIRL), Compte rendu des séances du colloque Walter Lippmann, Librairie de Médicis, Parijs, 1939.
  7. Patricia Commun, “La conversion de Ludwig Erhard à l’ordolibéralisme (1930-1950)”, in Patricia Commun (red.), L’Ordolibéralisme allemand. Aux sources de l’économie sociale de marché, Cirac, Cergy-Pontoise, 2003.
  8. François Bilger, La Pensée économique libérale dans l’Allemagne contemporaine, LGDJ, Parijs, 1964.
  9. Werner Abelshauser, “Les nationalisations n’auront pas lieu”, Le Mouvement social, nr. 134, januari-maart 1986.
  10. Zie Renaud Lambert, “Dette publique, un siècle de bras de fer”, Le Monde diplomatique, maart 2015.
  11. Alfred Müller-Armack, herdrukt in Genealogie der Sozialen Marktwirtschaft, Haupt, Bern, 1981.
  12. Ludwig Erhard, La Prospérité pour tous, Plon, Parijs, 1959.
  13. Hans Tietmeyer, Economie sociale de marché et stabilité monétaire, Economica, Parijs, 1999.
  14. Christophe Strassel, “La France, l’Europe et le modèle allemand”, Hérodote, vol. 4, La Découverte, Parijs, 2013.
  15. Ralf Ptak, Vom Ordoliberalismus zur Sozialen Marktwirtschaft, Leske+Budrich, Opladen, 2004.
  16. André Piettre, L’Economie allemande contemporaine (Allemagne occidentale), 1945-1952, Librairie de Médicis, Parijs, 1952.
  17. Lezing aan het Walter-Eucken Instituut, Freiburg im Breisgau, 11 februari 2013.
  18. Lees het online dossier van Le Monde Diplomatique.
  19. Jacques Attali, Verbatim I, Fayard, Parijs, 1993.
  20. Voordracht van Mario Draghi in Jeruzalem, 18 juni 2013.