Artikel

Vlaanderen en Wallonië: een verhaal van ritmes

Judith Wambacq

— 29 september 2020

Samenlevingen deinen mee op de golven van hun eigen productieritme. De Vlaamse cadans is niet die van Wallonië. Een eigenzinnige lezing van België, aan de hand van de filosoof Henri Lefebvre.

Ongeveer een jaar geleden, op 15 september 2019, hield Jean-Claude Marcourt, de voorzitter van het Waalse parlement, een toespraak ter gelegenheid van de Waalse feesten. Daarin stelde hij dat Wallonië voluit moet gaan voor de uitbouw van een sterk gewest. Voor een uitgeweken Vlaming die de Belgische actualiteit vanop een afstand volgt, kwam dit als een totale verrassing. Wat is er gebeurd in België waardoor hetgene dat ooit de splijtzwam was tussen Vlaamse en Waalse politici, nu opeens datgene is waarin ze elkaar kunnen vinden? Wat opzoekwerk leerde me dat deze regionalistische stroming al langer bestaat in Wallonië, en met name in de PS, maar dat deze weinig aandacht krijgt in de Vlaamse media.1 In de context van de recente, weliswaar afgesprongen, toenadering tussen N-VA en PS is het echter interessant te onderzoeken waarom deze zich juist nu heeft voorgedaan.

Judith Wambacq is docent aan het KASK (Gent) en schrijft over 20e eeuwse Franse denkers. Ze voert momenteel onderzoek rond kapitalisme en ecologie.

De relatief onbekende Franse filosoof Henri Lefebvre (1901-1991) en zijn discipline van de ritme-analyse, zet ons op weg naar een antwoord: er is iets veranderd in de manier waarop de ritmes van Vlaanderen en Wallonië aan elkaar zijn vastgeklonken.

Ritme-analyse

Henri Lefebvre is een marxistische filosoof en socioloog – hijzelf verkoos evenwel de benaming ‘marxien’, een combinatie van marxist en ‘martien’ of marsmannetje – die vooral bekend staat om zijn analyses van de stad en het alledaagse leven. In zijn laatste boek, postuum verschenen in 1992 onder de titel Éléments de rythmanalyse : Introduction à la connaissance des rythmes, brengt hij sommige van zijn vorige onderzoeksthema’s – de stad, het ritueel, arbeidsprocessen, etc. – samen door ze te beschouwen vanuit het ritme dat hen kenmerkt, dat wil zeggen vanuit de bewegingen die hen doorkruisen en de manier waarop deze bewegingen zich herhalen. Aangezien deze herhalingen doorgaans niet identiek zijn – er zit variatie op – is het ritme een kwestie van herhaling en differentie. Net zoals Gilles Deleuze, die andere icoon van de différence et répétition, ziet Lefebvre dingen niet als statische objecten maar als tijdelijke configuraties van krachten. Om ze te begrijpen, moeten we dan ook niet zozeer op zoek naar hun essentie, naar het onveranderlijke en algemene in de dingen, maar naar de specifieke bewegingen die hen doorkruisen, en naar de patronen in deze bewegingen. We moeten op zoek naar hoe de tijd zich in de dingen ontvouwt. Dit doe je niet alleen door te denken, maar ook door te kijken, te voelen en te luisteren. Aangezien alles voorwerp is van beweging en van de herhaling van bewegingen, kan het object van de ritme-analyse dus zowel een stad zijn, als een ziekte, een ritueel of een arbeidsproces. Ritme-analyse is transdisciplinair.

Anders dan de oceaan, kent de Middellandse Zee nauwelijks getijden. Het leven in de mediterraanse kuststeden wordt dus niet geritmeerd door eb en vloed.

Hoe kom je deze ritmes op het spoor? Ze laten zich niet meten zoals men de snelheid van een hardloper meet. In dat laatste geval beschikt men over een duidelijk begin- en eindpunt (de start en de eindmeet) en een vastomlijnde tijdseenheid (seconden). In het geval van stedelijke ritmes daarentegen, die in rekening brengen wie wanneer de straat op komt, waar mensen stil blijven staan, etc., is het niet duidelijk wanneer men moet beginnen kijken (op maandag? In 2000?), noch wanneer men dient op te houden (op vrijdag? In 2019?). Evenmin is de meeteenheid voorhanden. Dit ritme laat zich enkel bepalen door het te vergelijken met andere ritmes: het ritme van een stad als Parijs laat zich enkel omschrijven door het te vergelijken met het ritme van bijvoorbeeld Gent. We hebben in de ritmeanalyse dus altijd te maken met meerdere ritmes, met polyritmie. Elk ritme is in interactie met andere ritmes. Samen vormen ze een geheel dat telkens verandert en evolueert.

Laten we deze abstracte theorie wat concreter maken en aanvullen door te verwijzen naar Lefebvres analyse van het ritme van de steden die gelegen zijn rond de Middellandse Zee. Hij gelooft dat dit anders is dan dat van steden die aan de oceaan liggen. Waarom?

Anders dan de oceaan, kent de Middellandse Zee nauwelijks getijden. Dat wil zeggen dat het leven in de mediterraanse kuststeden niet geritmeerd wordt door eb en vloed, terwijl de oceanische steden wel onder invloed staan van deze lunaire krachten. Bij vloed kan er bijvoorbeeld op vele plekken niet gezwommen worden of zijn bepaalde paden niet bruikbaar. De lunaire krachten regelen het leven, de tijd én de ruimte in deze steden dus op een heel duidelijke manier. Bovendien valt er niet aan dit ritme te tornen: heb je je wandeling slecht getimed en wil je terugkeren op een tijdstip dat het pad onder water staat, dan zit je onherroepelijk vast. Volgens Lefebvre zorgt het feit dat inwoners van oceanische steden onderworpen zijn aan een categorisch ritme opgelegd door de maan ervoor dat ze zich ook makkelijker schikken in een ritme dat opgelegd wordt door, bijvoorbeeld, de staat. Ze zijn het immers gewoon te gehoorzamen aan een wet die niet openstaat voor individuele interpretatie. De staat stuit dan ook op weinig weerstand en kan bijgevolg dieper ingrijpen op het individuele en sociale leven. Het mediterraanse, solaire ritme daarentegen, is niet zo strak en laat meer creativiteit toe. De mediterraanse burgers houden er, naast het opgelegde ritme, nog een eigen ritme op na, of liever, ze schatten de afstand tussen het opgelegde ritme en het eigen ritme groter in. De kloof tussen publiek en privé, tussen wat aan de buitenwereld kan worden getoond en wat binnenskamers wordt gehouden, is groter. Vandaar de opvallende ongeschreven afspraken omtrent de functie van beide ruimten: de publieke ruimte is de plek bij voorbaat om het publieke imago te cultiveren (het paraderen op de dijk), terwijl de privéwoning zorgvuldig wordt afgesloten, bijvoorbeeld door het architecturale element van de trap. De mediterraanse burger beschouwt de staat als “brutaal” en tegelijkertijd “machteloos”,2 als iets wat beslissingen neemt boven de hoofden van de burgers en juist daarom zwak staat. Deze zwakte verklaart de individuele allianties (bijvoorbeeld maffia en cliëntelisme) die de burgers sluiten en die de staat ondermijnen.

Ritme-analyse van Vlaanderen en Wallonië

Er valt veel aan te merken op deze toch wel schematische karakterisering van steden rond de Middellandse Zee. Zou het ritme ingesteld door de zon, en dan met name de periodes van hitte en afkoeling, niet even categorisch kunnen zijn als het ritme van de getijden ingesteld door de maan? En vinden we de opvatting over de staat als iets uitwendigs en omzeilbaars niet ook terug in oceanische gebieden zoals de Verenigde Staten?

In het kader van het onderwerp van deze tekst, laat deze karakterisering bovendien niet toe om een analogie te maken tussen het Waalse ritme en het mediterraanse ritme. Wallonië mag dan dezelfde linguïstische wortels hebben als de mediterraanse steden, de geografische basis voor een vergelijking ontbreekt: Wallonië ligt niet aan de kust, en al helemaal niet aan een zee zonder getijden, terwijl Vlaanderen wel een zee heeft met getijden, maar toch niet oceanisch is.

Waarom dan deze karakterisering vermelden? Het biedt een goede illustratie van hoe een ritme-analyse eruit kan zien, en meer in het bijzonder, van wat het inhoudt om fenomenen te bekijken vanuit het soort van bewegingen die hen doorkruisen (bijvoorbeeld strak en opgelegd versus losser en open voor individuele variatie). Deze benadering laat toe fenomenen zowel temporeel als ruimtelijk te onderzoeken aangezien bewegingen zich altijd in tijd én in ruimte voordoen. De invalshoek is zeer ruim in die zin dat hij toelaat om verschillende soorten van informatie te combineren: historische, urbanistische, culturele, geografische, architecturale, etc. De Vlaams-Waalse verhoudingen op deze manier bestuderen zou een nieuw licht kunnen werpen op de zaak. Ik stel voor om deze ritme-analyse te baseren, niet op de bewegingen van zon en maan, maar op de bewegingen die men kan ontwaren in de verkiezingsprogramma’s van de grootste partijen in elk taalgebied. Welke zijn deze bewegingen?

In Vlaanderen kwam de N-VA als winnaar uit de verkiezingen van 2019 (op de hielen gezeten door het Vlaams Belang, maar daar zal in deze tekst niet verder op worden ingegaan), terwijl dit in Wallonië voorbehouden was aan Ecolo en de radicaal-linkse PTB-PVDA. De PS is echter nog steeds de grootste Waalse partij.

De N-VA gebruikt Europa dus ‘ter normalisering van het Vlaams-nationalistische project’.

Wat is de kern van het programma van de N-VA? Ico Maly maakt in zijn boek N-VA. Analyse van een politieke ideologie een zeer grondige en coherente analyse: de N-VA stelt zich voor als een nationalistische partij die desalniettemin pro-Europees is. Ze verzet zich tegen het kosmopolitisme, tegen de politieke theorie die stelt dat elk individu een aantal onvervreemdbare rechten heeft die niet stoppen aan de nationale grenzen en dat de staat een sociaal contract betreft, gesloten door deze individuen, opdat deze universele rechten zouden kunnen worden gewaarborgd. Volgens De Wever en zijn kompanen is dit een abstracte theorie, een theorie die niet aansluit bij de realiteit van alledag: individuen zouden hun etnoculturele gehechtheid niet zomaar opzij kunnen schuiven ten voordele van universele rechten, d.w.z. rechten die abstractie maken van de concrete culturele, religieuze, linguïstische en psychologische context waarin een individu zich altijd bevindt. De rede, waarop volgens de kosmopolieten het sociaal contract is gestoeld, is volgens de N-VA niet sterk genoeg om deze context te kunnen overstijgen. De N-VA doet zich dan ook voor als de partij die utopie inruilt voor realisme en een politiek programma aanbiedt dat gebaseerd is op de etnoculturele eigenheid van Vlaanderen. Ze zou verschillen van een racistische partij als het Vlaams Belang omdat ze ervan uitgaat dat ook niet-Vlamingen zich deze Vlaamse identiteit eigen kunnen maken, o.a. via inburgeringscursussen. Opmerkelijk is ook dat dit nationalisme volgens de N-VA niet in tegenspraak is met hun pro-Europese standpunten. Sommige problemen, vooral dan i.v.m. defensie en muntbeleid, dienen immers op grotere schaal te worden aangepakt. Het samenwerkingsverband hoeft echter geen verregaande eenwording te betekenen. Ze verdedigen een Herderiaans Europa der volkeren: ‘Europa als een verzameling van naties met respect voor de taal en cultuur van de volkeren die de naties bevolken’. De N-VA gebruikt Europa dus ‘ter normalisering van het Vlaams-nationalistische project’.3

Bij de Waalse winnaars van de verkiezingen – PVDA, Ecolo en PS – is men niet bang om na te denken over hoe de ideale maatschappij eruit zou moeten zien. Zo lezen we in het programma van de PVDA dat gezondheid een universeel recht is van ieder en dat we daarom komaf moeten maken met de huidige gezondheidszorg aan twee snelheden. In de beginselverklaringen van de PS staat dat ze strijden voor een meer rechtvaardige en meer menselijke samenleving waarin het algemeen belang primeert op het eigenbelang. En in het manifest van Ecolo wordt gesteld dat ze willen bouwen aan een maatschappij die gebaseerd is op o.a. het respect voor toekomstige generaties en de natuur en op creativiteit en samenwerking i.p.v. op uitbuiting en concurrentie. Het vertrekpunt van deze programma’s is niet realisme en efficiëntie, maar de waarden en principes die de partijen willen nastreven. Of beter (aangezien het nationalisme van de N-VA natuurlijk ook een waarde is): hun vertrekpunten zijn niet concreet maar abstract. Vergelijken we het programma van de PVDA omtrent gezondheid met het actieplan van de N-VA hieromtrent. Op de website van de N-VA wordt die als volgt samengevat: van gezondheidszorg een Vlaamse bevoegdheid maken zodanig dat het beleid niet meer versnipperd is over de verschillende beleidsniveaus en er meer geld vrijkomt “voor het streven naar een gezondere bevolking”. Het uitgangspunt is volgens de N-VA dus niet ideologisch maar pragmatisch.

Men zou kunnen zeggen dat de Waalse opwaartse blik verankerd is in haar industriële verleden.

Hetzelfde geldt voor het contrast tussen de beginselverklaringen van de PS en die van de N-VA. Verwijst de PS naar het algemeen belang, de N-VA heeft het over het “algemeen Vlaams belang”. Aangezien de N-VA focust op één specifieke bevolkingsgroep, is haar uitgangspunt dus concreet (en de omschrijving ‘algemeen Vlaams’ dus een contradictio in terminis). Ze voegt hieraan toe dat het Vlaams nationalisme ‘een middel is om te komen tot meer democratie en beter bestuur’. Is democratie dan geen abstract principe van de N-VA? Niet echt, of toch niet zoals de rechtvaardigheid een principe is van de PS. Zoals Maly aantoont, begrijpt de N-VA de democratie die ze nastreven immers niet als de politieke inspraak van elkeen, dan wel als de politieke inspraak van de Vlaming.4 Ze streven naar de inspraak van wie zich als Vlaming opwerpt, maar niet naar de inspraak van iemand die in Vlaanderen geboren is maar zich anders identificeert. De N-VA werkt m.a.w. voor een heel concrete doelgroep, de Vlamingen, en niet voor de abstracte categorie van de mens. M.b.t. het derde voorbeeld, de ideologische onderbouw van ecologie, blijft de lezer van het N-VA-manifest op zijn honger zitten: hij moet het doen met het voornemen dat alle vormen van verontreiniging krachtdadig en systematisch dienen te worden aangepakt, en dat er meer dient te worden ingezet op preventie. Opnieuw een aanpak die louter door pragmatische redenen is ingegeven, niet door principiële.

Vertalen we dit contrast tussen concreet en abstract, pragmatisch en principieel/ideologisch in termen van bewegingen, dan zouden we kunnen zeggen dat de eerste een beweging naar beneden toe betreft, terwijl de tweede eerder naar boven reikt. Als men pragmatisch te werk gaat, dan kan men immers niet anders dan rond zich heen kijken, zien hoe het er hier en nu aan toe gaat, terwijl een ideologische werkwijze veronderstelt dat men zijn verbeeldingskracht gebruikt om verder te kijken dan de actuele situatie. De ideologische aanpak vertrekt vanuit de gewenste situatie, hoe het er in een onbepaalde tijd en ruimte aan toe zou moeten gaan. Idealiter komen beide aanpakken elkaar ergens halverwege tegen, maar hun vertrekpunt is anders. Bij het opstellen van haar programma kijkt de N-VA naar de bodem, terwijl de Waalse, linkse partijen naar het bovenaardse kijken.5

Als marxist is Lefebvre ervan overtuigd dat de ritmes een materiële basis hebben die niet alleen klimatologisch is maar ook economisch. Productiemiddelen en –verhoudingen vormen de onderbouw van zaken als staat, politiek en cultuur. Als we het politiek-culturele verschil tussen Vlaanderen en Wallonië, of correcter tussen de gemiddelde Vlaming en de gemiddelde Waal (want er zijn natuurlijk ook Vlamingen die zich niet achter de N-VA scharen, en Walen die niet links hebben gestemd) ritmisch willen analyseren, dan moeten we het dus ook kunnen baseren op een verschil in onderbouw. Het verschil in beweging dat we uit de verschillende verkiezingsprogramma’s hebben gedestilleerd, moet ook gelinkt kunnen worden aan een verschil in productiemiddelen en -verhoudingen. Enkel op die manier kunnen we ontsnappen aan de kritiek dat het verschil louter symbolisch zou zijn. Hoe zou dit verschil in onderbouw eruit kunnen zien?

Men zou kunnen zeggen dat de Waalse opwaartse blik verankerd is in haar industriële verleden. Zoals bekend, telde Wallonië tot de jaren zestig van de 20e eeuw veel steenkoolmijnen en staalfabrieken. In deze werkcontext was het heel duidelijk wie de winnaars waren en wie de verliezers: de arbeider die ’s avonds zwart van het stof thuiskwam en al hoestend in bed kroop, was duidelijk minder goed af dan de eigenaar van de mijn die misschien nog later thuiskwam, maar wel veel beter betaald was en in betere gezondheid verkeerde. De discrepanties en de manier waarop principes zoals gelijkheid, solidariteit en rechtvaardigheid werden geschonden, waren er zeer expliciet. Voor de arbeidersbewegingen lagen de te verdedigen principes dan ook voor het rapen.

Vlaanderen had daarentegen ten tijde van de eerste industriële revolutie, op de Limburgse mijnen na, quasi geen zware industrie. Dit betekende niet dat er geen sprake was van de schending van principes als gelijkheid en rechtvaardigheid: de armoede en verpaupering was er nog groter dan bij de Waalse arbeiders. Alleen hadden de Vlaamse armen het moeilijker om zich te verenigen en de waarden waarvoor ze wilden strijden kenbaar te maken omdat ze als werklozen of zelfstandige boeren niet konden staken en verspreid waren over de hele regio. Kortom: het grote aantal fabrieken en mijnen in het 19eeeuwse Wallonië, met hun concentraties aan arbeiders, zorgde ervoor dat het politieke bewustzijn en de principes waarop dit was gestoeld, er zich beter heeft kunnen ontwikkelen dan in Vlaanderen. Aangezien de PS voortkomt uit deze arbeidersbewegingen, zou men de oorsprong van hun opwaartse blik dan ook hierin kunnen situeren.6

Vlaanderen had ook fabrieken en er werden ook machines gebruikt, maar niet op dezelfde schaal als in Wallonië, waardoor het effect van machinale synchronisatie veel kleiner was.

Maar is dit verschil in onderbouw ook een ritmisch verschil? Jazeker. In het industriële Wallonië van de 19e eeuw werd het leven bepaald door het ritme van de machine. De machine bepaalde bijvoorbeeld wanneer er werd gewerkt, namelijk altijd. Aangezien een machine nooit moe wordt en geen nood heeft aan daglicht, kan ze de klok rond draaien. Om zoveel mogelijk profijt te halen uit de grote investering die de invoering van machines inhoudt, lieten vele Waalse fabriekseigenaars de machines dag en nacht werken en de arbeiders bijgevolg ook. De introductie van de machine vormde aldus het begin van het ploegen- en nachtwerk. De machine bepaalde echter ook hoe er werd gewerkt: het arbeidsproces werd opgedeeld in duidelijk omschreven handelingen teneinde deze af te stemmen op de mogelijkheden van de machine en het hele proces efficiënter en productiever te maken. De introductie van de machine vormde het begin van het bandwerk. Tot slot bepaalde de machine niet alleen het leven van al wie in de fabriek werkte (zware fysieke en mentale tol die het eentonige werk eiste) maar ook van de families van deze arbeiders (effect van alcoholisme op gezinnen, van vroegtijdig sterven) en van de dorpen waarin deze arbeiders leefden (vaak werkte de meerderheid van het hele dorp in één bepaalde fabriek), etc. De sissende en stomende machines synchroniseerden het ritme van volledige gemeenschappen.

In het arme Vlaanderen van de 19e eeuw waren de werkomstandigheden ook erbarmelijk – boeren hadden te lijden onder hoge pachtprijzen of hadden honger door mislukte oogsten – maar de oorzaak van de miserie was er niet zo eenduidig verbonden met de machine. Vlaanderen had ook fabrieken en er werden ook machines gebruikt, maar niet op dezelfde schaal als in Wallonië, waardoor het effect van machinale synchronisatie veel kleiner was. Het leven werd er nog veel meer geritmeerd door de natuur: door dag en nacht, door de seizoenen, door regen en droogte, door ziektes, etc. Het verschil tussen een machinaal en een natuurlijk ritme is dat men in het laatste geval niemand ter verantwoording kan roepen als het fout gaat. Als vele arbeiders vingers of handen verliezen doordat de machine te snel gaat, kunnen de arbeiders naar de fabrieksbaas stappen en vragen wat hij het belangrijkst vindt: vermijden dat vele arbeiders gehandicapt worden of een iets grotere productie. Naargelang zijn antwoord, zal het probleem al dan niet opgelost worden. De oplossing van het probleem hangt af van welke waarde de fabrieksbaas voorstaat. Als de oogsten dreigen te mislukken omdat de regen uitblijft, dan kan men hieraan proberen verhelpen door het aanleggen van waterreservoirs en voedselvoorraden, maar men kan diegene die aan de oorzaak van het probleem ligt – de natuur – niet ter verantwoording roepen. Men kan de natuur niet vragen wat ze het belangrijkst vindt: zuinig zijn met water of vele doden op haar geweten hebben. De oplossing van het probleem hangt niet af van waarden en principes, maar van klimatologische clementie en het vernuft van landbouwers en staat. Anders gesteld: waarden en principes doen in deze context weinig ter zake. Zelfs al achten landbouwers en staat zich verantwoordelijk voor het overleven van de bevolking en laten ze zich in hun handelen leiden door dit principe, dan is dit niet voldoende om in hun opdracht te slagen. Als het weer gedurende lange tijd tegen zit, dan mogen ze nog zoveel voorzieningen hebben getroffen, de bevolking zal lijden. Met andere woorden: in een rurale context kan men wel waarden en principes aanhangen (bijvoorbeeld het katholicisme) maar deze hebben minder invloed dan in een industriële context, wat Vlaanderens neerwaartse blik zou kunnen verklaren.

Terug naar Marcourt

Er valt dus wel wat voor te zeggen om het verschil tussen de Vlaamse en de Waalse politieke blik te verbinden met een verschil in onderbouw en dit verschil ritmisch te duiden. Maar hoe sluit dit nu aan bij de toespraak van Marcourt? Immers, wat zo bijzonder is aan deze toespraak is dat ze getuigt van een naar elkaar toegroeien van Wallonië en Vlaanderen. Wallonië trekt, net zoals Vlaanderen, de regionalistische kaart. Wallonië gelooft in de troeven van de eigen regionale identiteit en is in dat opzicht dus niet zo verschillend van Vlaanderen. Wat rest er dan nog van bovengenoemd verschil?

Om te beginnen kan men dit naar elkaar toegroeien van Wallonië en Vlaanderen ook economisch onderbouwen. Zoals reeds gezegd, heeft Vlaanderen een veel minder grote industriële erfenis dan Wallonië. Dit heeft ervoor gezorgd dat de diensteneconomie zich er sneller heeft geïnstalleerd. Vanaf de jaren 50 ligt de basis van de Vlaamse economie in handel, transport, financiële activiteiten, diensten aan personen en ondernemingen, restauratie, immobiliën, ICT, onderwijs, gezondheidszorg, overheidsdiensten en de sociale sector. Kortom: in Vlaanderen wordt niet echt meer iets gemaakt, er wordt gezorgd dat anderen kunnen maken en dat datgene wat ze maken ter bestemming komt, verkocht wordt, juist in de boekhouding terechtkomt, etc. Of nog correcter: het aandeel van de maakindustrie in Vlaanderen is klein.

Het verschil tussen een machinaal en een natuurlijk ritme is dat men in het laatste geval niemand ter verantwoording kan roepen als het fout gaat.

Door de aanwezigheid van talrijke fabrieken en mijnen in Wallonië was de omschakeling naar een nieuwe, meer geïmmaterialiseerde economie er minder evident. Dat er geen grote haven was, hielp evenmin. Gedurende lange tijd heeft de Waalse overheid geprobeerd de Waalse staalnijverheid te beschermen, tot duidelijk werd dat ze ten dode was opgeschreven. In 2005 gooide ze het over een andere boeg en zette een Marshallplan op voor Wallonië dat nu zijn vruchten begint af te werpen. Steunmaatregelen als de taxshelter voor de film- en de game-industrie en het stimuleren van de IT-sector en de farmacie hebben van Wallonië een volwaardige, goed draaiende diensteneconomie gemaakt, net zoals Vlaanderen.

Is deze harmonisering van de Vlaamse en de Waalse economische onderbouw tot een gelijkaardige diensteneconomie een kwestie van ritme? En zo ja, hoe ziet dit er dan uit? Laten we eens kijken hoe de dag van een doorsnee werknemer in de diensteneconomie eruitziet. ’s Morgens begeeft hij of zij (in het vervolg kiezen we gemakkelijkheidshalve voor ‘zij’) zich naar het werk, daarbij al dan niet gebruik makend van het openbaar vervoer. In tegenstelling tot de fabrieksarbeiders, begint haar werkdag niet noodzakelijk op hetzelfde uur als die van de collega’s. Zij kan later beginnen als ze bijvoorbeeld met haar kind naar de tandarts moet, of wanneer ze ’s avonds ook moet werken. ’s Middags bestelt ze een lunch die gebracht wordt door de Deliveroo-koerier zodanig dat ze tijdens de middagpauze enkele mails kan beantwoorden die niets met het werk te maken hebben (bijvoorbeeld een mail van het rusthuis waarin haar ouders verblijven, of van het feestcomité van de school dat de rommelmarkt organiseert). Na het werk haalt ze de boodschappen op die ze eveneens tijdens de middagpauze via het internet heeft besteld, waarna ze de kinderen oppikt bij de naschoolse opvang. Ze heeft de kinderen ingeschreven voor huiswerkbegeleiding tijdens de naschoolse opvang zodanig dat ze daarvoor ’s avonds geen tijd meer hoeft uit te rekken. Tussen de boodschappen zit een voedzaam en ecologisch verantwoord quinoa-slaatje zodanig dat er niet meer gekookt moet worden en ze ‘s avonds naar de sportzaal of de gitaarles kan. In één dag heeft ze dus gewerkt, gezorgd voor familie en gemeenschap, en gezorgd voor haar eigen gezondheid en ontwikkeling. Om al deze dingen te kunnen combineren, heeft ze gebruik gemaakt van verschillende diensten: openbaar vervoer, koerier, drive in, huiswerkbegeleiding, traiteur, sport- of muziekleraar. En om van al deze diensten gebruik te kunnen maken, heeft ze al haar organisatietalent moeten aanboren en elke minuut in haar dag optimaal moeten benutten. Vijf minuten wachten tot de fotokopieermachine haar werk heeft gedaan? Nog snel even de bestelling plaatsen bij de drive in. Drie minuten voor de middagpauze afloopt? Nog snel even het mailtje beantwoorden van het rusthuis.

Nu kan men opwerpen dat ook de fabrieksarbeider verantwoordelijk was voor de zorg voor zichzelf, het gezin en de gemeenschap. Ook hij moest ervoor zorgen dat hij de volgende dag weer aan het werk kon, dat zijn kinderen grootgebracht werden en dat het buurtleven op wieltjes liep. Dat klopt, al was het meestal zo dat deze zorg voorbehouden was voor de echtgenote van de fabrieksarbeider, en in het geval dat zij ook in de fabriek werkte, voor de grootouders. Meestal was het dus niet een en dezelfde persoon die instond voor de broodwinning en de zorg. Dit houdt in dat er een duidelijke grens bestond tussen de tijd van de productie – de tijd waarin de arbeider zijn arbeidskracht ter beschikking stelt van de fabriekseigenaar die de eigenaar is van de koopwaar vervaardigd door de arbeider – en de tijd van de reproductie of de tijd die de arbeider nodig heeft om zich te voeden en uit te rusten zodanig dat hij de volgende dag weer aan het werk kan. Tijdens de productietijd kon er niet gezorgd worden voor de reproductie; productie en reproductie hadden elk hun eigen time-slots. In een diensteneconomie is dit niet het geval: beide tijden lopen constant door elkaar. Meer nog, de druk op de reproductietijd is enorm toegenomen. Wil men de volgende dag op het werk verschijnen, dan is het vandaag niet meer voldoende om te eten en te slapen. De jobs zijn complexer geworden en de vereiste capaciteiten om deze jobs te kunnen uitoefenen dus ook. Werknemers voelen zich genoodzaakt om zoveel mogelijk van hun talenten (en die van hun kinderen) op te sporen en te ontwikkelen en om hun gezondheid permanent te monitoren (genoeg beweging, genoeg ontspanning, etc.) zodanig dat ze het werk kunnen blijven doen. Het takenpakket dat moet worden uitgevoerd binnen de reproductietijd is dus veel groter dan in een industriële economie, en dit ondanks het feit dat de staat zich in de 21e eeuw over meer taken ontfermt dan in de 19e eeuw (onderwijs, gezondheidszorg, zorg voor de ouderen, en zo meer). Het takenpakket in de reproductietijd staat nog meer dan vroeger in het teken van de productie.

De vraag of deze verregaande aandacht voor de eigen ontwikkeling en gezondheid echt nodig is en de opmerking dat het welzijn er ten opzichte van de 19e eeuw wel op is vooruitgegaan, doen hier eigenlijk niet ter zake. Nodig of niet nodig, verbetering of geen verbetering, het blijft een feit dat de werknemer in de diensteneconomie ‘veel aan zijn oren heeft’. Haar aansporen om zich niet zo te laten meeslepen door deze tendens van zelfontwikkeling etc. staat gelijk aan vragen om tegen de algemene stroom in te zwemmen. Dat is mogelijk, maar vraagt een kritisch bewustzijn dat continu actief is, wat niet evident is. De werknemer voelt zich dus genoodzaakt om veel te doen tijdens de reproductietijd – en er kan ook veel gedaan worden dankzij de technologische hulpmiddelen zoals digitale platformen, GPS, etc. – en dit vraagt om time management. Ze kan alleen veel gedaan krijgen als ze geen enkel moment onbenut laat. Het is dus niet alleen meer de productietijd die onder het dictaat van de efficiëntie staat, maar ook de reproductietijd, en die reproductietijd moet efficiënt verlopen teneinde de productie zoveel mogelijk te bevorderen.

We weten nu dat Vlaanderen en Wallonië naar elkaar zijn toegegroeid in die zin dat ze nu beide zijn ingeschakeld in een diensteneconomie en hun werknemers dus zowel op de werkvloer als daarbuiten onderhevig zijn aan het ritme van de efficiëntie. Maar hoe moeten we in dit licht de recente verkiezingsuitslagen interpreteren? Hoe kunnen we de gedeelde beweging van de efficiëntie verbinden met het eerdergenoemde verschil in beweging – opwaarts voor Wallonië, neerwaarts voor Vlaanderen? Het antwoord schuilt in de manier waarop we dit verschil in blik verklaarden. We hebben de opwaartse blik verbonden met de industriële economie en het machinale ritme: arbeiders krijgen allen een ritme opgelegd dat uiteindelijk bepaald wordt door de waarden en principes die de fabrieksbaas aanhangt. In geval van problemen met dit ritme kunnen zij zich, omwille van hun grote concentratie en de uniformiteit van hun werkcondities, makkelijk verenigen en de fabrieksbaas op zijn keuze aanspreken. Ze kunnen een discours ontwikkelen over waarden en principes. In het rurale Vlaanderen was dit niet mogelijk: de natuur kan niet ter verantwoording worden geroepen en de landbouwers waren niet verenigd onder één dak.

Vlaanderen en Wallonië zijn nu beide ingeschakeld in een diensteneconomie, en haar burgers zijn onderhevig aan het ritme van de efficiëntie.

In de huidige diensteneconomie die Vlaanderen en Wallonië delen, zijn de werknemers evenmin spreekwoordelijk verenigd onder één dak. Zelfs binnen eenzelfde bedrijf kunnen de individuele werkcondities sterk uiteenlopen: de ene werknemer begint de werkdag om 8u en de andere om 9u30; de ene kiest voor een bedrijfswagen en de andere voor extra vakantiedagen, etc. Deze heterogeniteit maakt het niet alleen moeilijk om letterlijk samen te komen, maar ook figuurlijk: elkeen heeft immers zelf geijverd voor deze individuele regelingen. De concrete werkcondities in een diensteneconomie vertonen dus gelijkenissen met die van het rurale Vlaanderen, wat impliceert dat ze allesbehalve stimulerend zijn voor de ontwikkeling van een opwaartse blik bij de werknemers. Deze specifieke manier om het werk te organiseren mag de werknemer dan wel toelaten om haar werk beter af te stellen op haar individuele noden, het heeft wel tot gevolg dat het protest veel moeilijker wordt. Het wordt veel moeilijker om abstractie te maken van de individuele concrete situatie en na te denken over wat het systeem inhoudt voor de werknemer in het algemeen.

Zo gezien is de opwaartse blik van Wallonië slechts een overblijfsel uit haar industriële verleden, een overblijfsel dat dreigt te verdwijnen naarmate het ritme van de efficiëntie nog meer om zich heen grijpt. Dat dit laatste ook effectief zal gebeuren, is echter niet zeker: meer en meer mensen ondervinden aan den lijve dat de druk op de reproductietijd te hoog wordt. Werknemers met burn out bijvoorbeeld of kinderen met faalangst hebben allen last van de continue efficiëntie die van hen gevraagd wordt. Ze hebben het gevoel dat er geen tijd meer is om te falen, geen tijd meer op overschot. Het protest tegen dit ritme van de efficiëntie zou een medestander kunnen vinden in de ‘oubollige’ opwaartse blik. De opwaartse blik zou de critici kunnen stimuleren in te gaan tegen het pragmatisme waartoe de diensteneconomie aanzet en na te denken over de waarden en keuzes die ten grondslag liggen aan deze economie. Want het gaat hier wel degelijk om keuzes, die dus ook veranderd kunnen worden. De opwaartse blik is dus een overblijfsel, maar wel één met mogelijkheid tot reïncarnatie.

Bibliografie
Henri Lefebvre, Rhythmanalysis. Space, Time and Everyday Life, Continuum, 2004.
Ico Maly, N-VA. Analyse van een politieke ideologie, EPO, 2012.

Footnotes

  1. Met dank aan de Ruben Ramboer en Matthias Lievens voor hun pertinente opmerkingen.
  2. Lefebvre, 2004, 93.
  3. Ibid, p. 165.
  4. Maly, 2012, 154-155.
  5. Dat marxisten en socialisten materialisten zijn doet niets af aan deze idee: het materialisme stelt immers enkel dat de bovenbouw (politiek, cultuur, etc.) altijd begrepen moet worden vanuit de onderbouw (de produktiemiddelen en –verhoudingen), niet dat deze onderbouw niet ideologisch vormgegeven kan worden.
  6. Andere linkse partijen zoals Ecolo en PVDA komen niet direct voort uit de arbeidersbeweging maar hebben zich wel ontwikkeld in een klimaat dat door deze arbeidersbewegingen werd gekenmerkt en zijn er dus indirect door beïnvloed.