Artikel

Geld, gezondheid en solidariteit: een driehoeksverhouding

Marc Rigaux

— 24 juni 2020

Hoe het neoliberale marktsysteem de kosten van zijn almacht afwentelt op de sociale solidariteit.

Een veelzijdige uitdaging voor de sociale tegenmacht

Dat de kapitalistische markteconomie niet in staat is het algemeen belang te vrijwaren en de menselijke waardigheid te eerbiedigen, is al langer bekend. Alle materiële en immateriële zaken kunnen worden verhandeld. Alles wordt vermarkt om winst te genereren en om macht te concentreren. Moraliteit en respect voor de mens blijven het kapitalisme vreemd. Bovendien heeft de markteconomie de – neoliberale – politiek nodig om zich te beschermen tegen haar eigen drang naar machtsconcentratie en om een omgeving te creëren waar de rechten van de heersende klasse optimaal gevrijwaard worden. Zonder hulp van de politiek was het kapitalisme trouwens al lang gestikt in zijn eigen perverse drang naar macht. Het is dan ook niet te verwonderen dat zelfs de COVID-19-pandemie het kapitalisme er niet toe kon aanzetten zichzelf beperkingen op te leggen om de neoliberale marktorde van de ondergang te redden. Het is bijzonder cynisch hoe de propagandisten van de “helende en heilzame werking” van de markt hun dogma’s tijdelijk opzij schuiven om de hulp in te roepen van de sociale solidariteit. Hun grote principes zijn blijkbaar zeer relatief als hun zelfbehoud op het spel staat.

Marc Rigaux leidde tot aan zijn emeritaat in 2015 de onderzoeksgroep “sociale concurrentie en recht” aan de Universiteit Antwerpen, waar hij het arbeidsrecht onderwees en beoefende. Hij is voorzitter geweest van het ISUA (Instituut voor de Samenwerking tussen Universiteit en Arbeidersbeweging). Hij publiceert vooral in het domein van het collectief arbeidsrecht en van de theorie over de arbeidsverhoudingen.

Verder in deze tekst zullen we zien hoezeer de sociale solidariteit van de werkende klasse tijdens de gezondheidscrisis de hele samenleving overeind houdt, terwijl de bezittende klasse volledig opgaat in een verhevigde machtsstrijd en in onderlinge afrekeningen. Deze blijft overigens oorverdovend stil als het erop aankomt hun financiële verantwoordelijkheid op te nemen voor de noodlijdende samenleving.

De driehoeksverhouding tussen de gezondheidscrisis, het neoliberale kapitalisme en de sociale solidariteit vormt dan wel de hoofdmoot van dit betoog, toch is het aangewezen ook bij een aantal nevenfenomenen stil te staan. Zo rijst de vraag of de meer geleide vorm van economie die we in deze gezondheidscrisis zien, geen blijvende sporen zal nalaten op de organisatie van onze samenleving. Meer bepaald: zal de markteconomie niet vaker genoodzaakt zijn om plaats te ruimen als bepaalde maatschappelijke vraagstukken een solidaire aanpak vergen? Ook kan men zich afvragen of het autoritaire beleid van de huidige – ondemocratisch samengestelde – regering de burgerlijke rechtsstaat niet blijvend dreigt te amputeren op het vlak van rechten en vrijheden. Lopen we, met andere woorden, niet het risico dat de autoritaire noodwetgeving ook na de gezondheidscrisis van kracht blijft om het decennialange verrechtsingsproces een groter juridisch draagvlak te bezorgen?

Tot slot moeten we ook ingaan op de mogelijke gevolgen van de crisis voor de sociale tegenmacht. Het is niet onmogelijk dat, als de neoliberale marktorde zich eenmaal heeft hersteld, ze zich zal wreken op de structuren van de sociale solidariteit en opnieuw werk zal maken van sociale afbouw. Eerdere crisissen van het neoliberale kapitalisme wezen trouwens uit dat het kapitalisme de rekening voor zijn falen doorstuurt naar de gemeenschap, die met de fiscale en sociale last wordt opgezadeld. Met andere woorden, de werkende klasse wordt bedankt voor het redden van de neoliberale orde met aanvallen op de sociale bescherming: meer sociale concurrentie, meer sociale uitsluiting, meer sociale uitbuiting … De sociale tegenmacht moet strategische lessen trekken uit de gezondheidscrisis. De gebeurtenissen van de voorbije weken toonden hoe kwetsbaar het kapitalisme is als het geconfronteerd wordt met een fenomeen dat wereldwijd toeslaat. En dat fenomeen is vandaag dan wel biologisch van aard, maar niets sluit uit dat het kapitalisme morgen wordt afgerekend op zijn manifeste ontkenning van het ecologische evenwicht. De sociale tegenmacht is het aan de mensheid verplicht om zich op die mogelijkheid voor te bereiden, en haar verantwoordelijkheid te nemen.

De gezondheidscrisis en zelfbehoud

De COVID-19-pandemie confronteert de mensheid voor het eerst sinds lang met het probleem van haar zelfbehoud. Door de ontwikkeling van vaccins kon de wetenschap – de immunologie in dit geval – de mens vrijwaren van soortbedreigende infectieziekten. Ook de preventieve opsporing en isolering van potentieel levensbedreigende microben – door bemiddeling van de Wereldgezondheidsorganisatie – droegen ertoe bij dat het kapitalisme zich wereldwijd kon ontwikkelen in een relatief goed beveiligde samenleving.

Al moeten we er meteen bij zeggen dat die economische ontwikkeling gebeurde met twee snelheden. De ontwikkeling van de gezondheidszorg en het financiële belang van de farmaceutische industrie schiepen decennialang vooral in de economisch ontwikkelde landen (de landen die het kapitalisme dragen) een veilig milieu op het vlak van gezondheid. De zogeheten ontwikkelingslanden (de landen die voor de vrije markt minder aantrekkelijk zijn als afzetgebied) blijven onderhevig aan periodiek terugkerende epidemieën die de lokale samenlevingen onder druk zetten. Toch zijn er ook in de “ontwikkelde” landen verschillen op het vlak van besmettingspreventie. Armere bevolkingslagen kunnen minder vaak terugvallen op het netwerk van gezondheidszorg. De huidige wereldwijde gezondheidscrisis onderstreept dat andermaal.

Er is echter meer aan de hand. In veel van die veiligere landen legt de pandemiebestrijding bloot wat de gevolgen zijn van de decennialange neoliberale drang om steeds meer te snoeien in de publieke gezondheidszorg. We zien daarnaast ook de neoliberale privatiseringsijver in het toegepast medisch onderzoek en in de ontwikkeling van nieuwe-generatie-geneesmiddelen. In hetzelfde neoliberale verhaal past ook het verminderen van de publieke middelen voor fundamenteel onderzoek in de virologie. En dan spreken we nog niet over de dwangmatige drang om ook in de gezondheidszorg steeds meer te privatiseren, en om de ziekteverzekering te onttrekken aan de sociale zekerheid en ze in handen te geven van private verzekeringsconcerns.

We kunnen dus stellen dat de strijd voor zelfbehoud, waarmee de pandemie de mensheid confronteert, met verschillende snelheden verloopt.

In landen die voor het kapitalisme nuttig zijn als productie- en afzetgebied verloopt de strijd voor het zelfbehoud heel anders dan in gebieden waarin het kapitalisme niet geïnteresseerd is. En ook binnen de economisch ontwikkelde landen is er een verschil tussen degenen die economisch nuttig zijn en degenen die aan de rand van het systeem leven. Door de gezondheidscrisis komt het belang van zelfbehoud aan de oppervlakte, maar de sociale en economische achterstelling van een ruim deel van de wereldbevolking zorgt ervoor dat de manier waarop de strijd voor zelfbehoud wordt ingekleurd, zeer verschillend is.

Van een andere orde is de vraag of de gezondheidscrisis het neoliberalisme dermate ontwricht dat het ervan is gaan wankelen. Wellicht kunnen we de economische en de financiële schade pas goed opgemeten als de pandemie helemaal bezworen is. Maar nu reeds blijkt dat er een stevige economische achteruitgang aankomt. Tal van bedrijven en sectoren zien zwarte sneeuw en de lockdownmaatregelen beginnen zwaar te wegen op bepaalde aspecten van de vrije wereldhandel en op het functioneren van de Europese eengemaakte markt. Om nog te zwijgen van de menselijke en materiële schade in de ontwikkelingslanden. Het valt moeilijk te ontkennen dat de gezondheidscrisis het neoliberale kapitalisme momenteel ontwricht. Anderzijds kunnen we evenmin negeren dat de politiek er op meerdere niveaus alles aan doet om de neoliberale marktorde zo snel mogelijk te herstellen, ook al staat het systeem zeer onder druk. Vraag is evenwel tegen welke menselijke, sociale en economische kost zo’n doorstart realiseerbaar is. En voor de sociale tegenmacht: is het sociaal en ecologisch bewustzijn op deze korte tijd voldoende gestructureerd om een overgang naar een nieuwe wereldorde en een nieuw economisch systeem in gang te zetten?

De schijn van een nieuwe maatschappelijke orde

Om de pandemie onder controle te krijgen en af te bouwen, leven burgers over de hele wereld in een soort noodtoestand, met maatregelen als een lockdown, social distancing en de opsporing van besmette personen. Binnen de Europese Unie zijn de nationale grenzen opeens terug. De regeringen hebben tijdelijk bevoegdheden van de parlementen overgenomen. Ze onderwerpen de burgerbevolking aan drastische maatregelen die de sociale interactie inperken, de economische activiteit selectief gedogen en de maatschappelijke verhoudingen onderwerpen aan streng politietoezicht. Er is daarbij ook een grote inbreng van medische experten, die vaak meer doen dan de beleidsmakers adviseren. Doordat de materie zo technisch is, hebben ze de facto een directiebevoegdheid. De noodsituatie grijpt dus ernstig in op de beginselen van de burgerlijke rechtsstaat, want heel wat grondrechten worden opgeheven of op zijn minst ernstig teruggeschroefd.

Binnen de Europese Unie ligt vooral het vrij verkeer van personen aan de ketting. Hoe vreemd het ook klinkt, past dat uitzonderingsregime volledig in de Europese mensenrechtenverdragen die de krachtlijnen van de burgerlijke (en sociale) rechtsstaat vastleggen. Ook het oprichtings- en het werkingsverdrag van de Europese Unie worden niet geschonden door de maatregelen. Wellicht met de trieste oorlogservaringen in het achterhoofd voorzien die verdragen in de tijdelijke opschorting of gedeeltelijke beperking van de mensenrechten, en de sociale en economische grondrechten. Voorwaarde is wel dat het uitzonderingsregime bij wet wordt ingesteld en in de tijd beperkt blijft. Een en ander neemt evenwel niet weg dat er ernstige twijfels kunnen rijzen over hoe grondwettelijk bepaalde bijzondere machtsbesluiten zijn. Aan de bevoegde rechters om zich na het opheffen van de noodsituatie zich hierover uit te spreken.

De politiek lijkt voor het eerst sinds lang weer het initiatief op te eisen binnen de maatschappelijke verhoudingen, en dit ten nadele van de markt.

Los van de rechtsvragen die de gezondheidscrisis onvermijdelijk oproept en wellicht nog zal oproepen, rijst de vraag welke impact dit heeft op hoe burgers het politieke systeem ervaren. Om te beginnen kunnen we vaststellen dat de politiek voor het eerst sinds lang weer het initiatief lijkt op te eisen binnen de maatschappelijke verhoudingen, en dit ten nadele van de markt. Voorts zal het de burgers niet ontgaan zijn hoezeer de politiek op de wetenschap steunt om doelmatige beslissingen te nemen. Niet het economische belang van de markt lijkt voorop te staan, maar wel het zelfbehoud van de samenleving en de gezondheid van de bevolking. Verontrustend is dan weer met welk gemak de burgerlijke rechtsstaat opzij wordt geschoven om plaats te maken voor een politiestaat. Uiteraard was er onder de bevolking een breed draagvlak voor de maatregelen, maar toch, de greep van de sociale media op de opinievorming mag niet worden onderschat. Daarom kunnen we alleen maar pleiten voor een ontmanteling van de machtspositie van de internetgiganten en een streng democratisch toezicht op de werking van de sociale media.

De gezondheidscrisis heeft een aantal aspecten van de maatschappelijke ordening gewijzigd. We moeten daarbij wel beseffen dat het slechts gaat om een vluchtige schijn van een nieuwe sociale ordening, want kapitalisme en zijn productieverhoudingen blijven onaangeroerd. Bovendien zijn de ingrepen in de werking van de vrije markt slechts tijdelijk, en is het uiteindelijke doel ervan net om het neoliberale kapitalisme te herstellen. Belangrijk is anderzijds wel dat de wetenschap werd ingeroepen om de biologische dreiging af te wenden. Dat zal er wellicht voor zorgen dat de wetenschap steeds vaker een belangrijke plaats inneemt in politieke besluitvorming. Een gepaste reactie op de ecologische uitdagingen die ons te wachten staan, zal wellicht niet kunnen zonder een krachtdadig economisch beleid met een stevige wetenschappelijke inbreng.

Solidariteit als reddingsboei

De crisisregering legde de economische en sociale bedrijvigheid tijdelijk stil door niet-essentiële activiteiten en diensten te verbieden of flink terug te schroeven. Dat had uiteraard gevolgen voor het inkomen en de mobiliteit van de burgers. Toch moest de samenleving blijven functioneren. Dat lukte voornamelijk dankzij de stevige sociale solidariteit, die – ondanks het neoliberalisme – zorgt voor een stabiele onderbouw voor de maatschappelijke verhoudingen. Sociale solidariteit is in dit geval een ruim begrip. Ze bevat de sociale zekerheid, een inhoudsvolle arbeidswetgeving, de sociale bijstand, maar vooral ook het rijke weefsel van netwerken die ijveren voor inclusie en sociale rechtvaardigheid.

Sociale solidariteit kunnen we in deze context niet definiëren zonder bijzondere aandacht te schenken aan de organisaties en structuren die de overheid heeft opgezet om de essentiële behoeften van de samenleving te lenigen. We denken hierbij onder meer aan de gezondheidszorg, de politie, de vuilnisophaling, het onderwijs … Alle mensen die vaak met een ernstig risico op besmetting toch plichtbewust hun werk bleven verrichten, waren en zijn sociaal solidair. En dat geldt ook voor de zeer talrijke groep vrijwilligers, die belangeloos in de marge het sociale weefsel versterken.

De sociale solidariteit van de werkende klasse steekt schril af tegen het op winst en macht beluste gedrag van de kapitaalbezitters en superrijken.

De sociale solidariteit zorgde ervoor dat de meeste mensen steeds een inkomen hadden, ook al waren ze niet in de mogelijkheid om hun arbeid in normale omstandigheden te verrichten. Sociale solidariteit is dus niet enkel genieten van een vervangingsinkomen (inclusief het behoud van de contractuele tewerkstelling), het betekent ook bereid zijn om in vaak moeilijke omstandigheden arbeid onder de vorm van thuiswerk verder te blijven verrichten.

Het is wellicht niet overdreven te stellen dat de sociale solidariteit de samenleving, het sociale weefsel én het neoliberale economische systeem overeind heeft gehouden. Ook al werd het systeem gedeeltelijk op rust gezet, het wordt in stand gehouden, zodat een heropstart mogelijk blijft zodra de gezondheidscrisis voorbij is. De sociale solidariteit van de werkende klasse steekt schril af tegen het op winst en macht beluste gedrag van de kapitaalbezitters en superrijken. De sociale geschiedenis leert ons dat zij wel graag mee profiteren van de sociaal solidaire samenleving, maar zelf keer op keer weigeren hun financiële – lees: fiscale – verantwoordelijkheid te nemen. De beeldspraak van de arbeider die inlevert om de patroon verder te verrijken, is hier wellicht opnieuw op zijn plaats.

Solidariteit als vetpot

Zoals het er nu uitziet, volgt op de gezondheidscrisis een nieuwe crisis van het neoliberale kapitalisme. In heel Europa staat een recessie voor de deur. De staatsschuld zal vermoedelijk flink zijn aangezwollen, want om de sociale solidariteit zijn helende rol te laten spelen, deed de overheid uitgaven die niet werden gecompenseerd door nieuwe inkomsten (een gevolg van de sterk verminderde economische activiteit). Ook al werd de tewerkstellingskost doorgeschoven naar de werkloosheidsverzekering, straks wacht er ons allicht opnieuw een flinke verhoging van de werkloosheidscijfers, omdat bedrijven massaal mensen zullen afdanken. De klassieke neoliberale remedies voor de crisis zijn ondertussen bekend. Ze berusten op een geloof in de heilzame werking van de markt, die zogezegd de kans moet krijgen om opnieuw aan te trekken, waardoor de vraag naar tewerkstelling zal toenemen en de sociale welstand vanzelf zal terugkeren. Overheidsinterventie in de werking van de markt is voor de neoliberalen uitgesloten. Met de Europese instellingen als autoritaire waakhond, krijgen de lidstaten van de Europese Unie zware budgettaire beperkingen opgelegd. Daardoor krimpt de rol van de staat als economische en sociale actor nog meer.

Ook de andere remedies uit het neoliberale draaiboek zijn overbekend. De staat moet besparen op de sociale zekerheid. De sociale kost van de tewerkstelling in de ondernemingen moet worden gedrukt. Om aanwervingen aantrekkelijker te maken moet de tewerkstelling nog flexibeler en dus nog onzekerder worden. Om de aandeelhouders hun dividenden te kunnen uitkeren, moeten de lonen worden bevroren en indien mogelijk verminderd. Voor de neoliberaal is het duidelijk: meer werkgelegenheid is niet de zorg van het kapitaal, maar van de werkende klasse zelf. De solidariteit onder de werkende klasse moet de werkloosheid doen dalen.

De zo globaal mogelijke concurrentie zonder beperkingen is enkel ten bate van de handelaars geweest, en zeker niet van de werkende klasse.

De grote verdedigers van het neoliberale systeem zouden na drie decennia van marktvriendelijke politiek ondertussen wel moeten weten tot wat het neoliberale gehuichel leidt: sociale uitbuiting, uitsluiting en verarming van de hele werkende klasse. Om dan nog te zwijgen van de Europees georkestreerde uitverkoop van de economische en sociale intelligentie. Die is een gevolg van het feit dat men dwangmatig vasthoudt aan een zo globaal mogelijke concurrentie door de wereldhandel zonder beperkingen vrij te maken, iets waarvan alleen de handelaars beter worden en zeker niet de werkende klasse. In België komt daar nog bij dat de Vlaamse (extreem)rechterzijde de regionalisering van de gezondheidszorg eist, waardoor een verdere privatisering en bureaucratisering van de sector wenkt.

Natuurlijk kunnen we dromen. Dat er een nieuw, inhoudelijk sterk sociaal en ecologisch pact komt, waarbij de bezittende klasse na de gezondheidscrisis sociaal wijzer is geworden en zich opeens het sociale en ecologische lot van de samenleving zou aantrekken. We kunnen dromen dat diezelfde klasse finaal toch overtuigd raakt van de noodzaak van een evenwichtige samenleving, van een stevige sociale solidariteit, en wroeging zou hebben over hun winstbejag. Dat deze spontaan zelfs correct hun belastingen zou betalen. En misschien zouden alle neoliberalen meteen afstand doen van hun nationale en internationale politieke machtspositie om een meer geleide vorm van kapitalisme aan te hangen … Het staat de sociaaldemocraten en hun sympathisanten vrij te dromen van dat soort beter en mensvriendelijker kapitalisme. Maar denken dat het kapitaal spontaan zijn macht zal opgeven, is wel bijzonder naïef. Macht neutraliseer je door tegenmacht. De gezondheidscrisis heeft nogmaals duidelijk gemaakt dat het neoliberale kapitalisme niet kan overleven zonder de sociale solidariteit van de werkende klasse, maar dat betekent niet dat het kapitalisme bereid is zijn dominantie op te geven. Beter dan te dagdromen over nieuwe sociale pacten, die men bij gebrek aan macht toch niet kan realiseren, is het verstandiger om actie te voeren: om onrechtvaardige ontslagen te voorkomen, om de superrijken op hun verantwoordelijkheid te wijzen en om in te zetten op arbeidsduurvermindering als instrument om jobs te creëren.

Dat betekent niet dat de sociale tegenmacht geen lessen kan trekken uit de gezondheidscrisis. De progressieve krachten in Europa hebben de plicht een strategie uit te werken om de overgang naar een meer geleid ecologisch, sociaal en economisch systeem voor te bereiden.

Kwetsbaar kapitalisme

De voorbije decennia kende het globale kapitalisme al meer dan één moeilijk moment. Tot op heden waren de problemen meestal toe te schrijven aan criminele praktijken van het speculatief kapitaal en van degenen die het beheren. De crisissituatie was dus telkens veroorzaakt door de perversiteit van het globale kapitalisme zelf. Bij de huidige gezondheidscrisis ligt dat anders. Die bewijst dat een biologische factor het hele stelsel aan het wankelen kan brengen. Ook al valt er iets voor te zeggen dat de diepere oorzaak van de pandemie ligt in de kwalijke neveneffecten van de geglobaliseerde markteconomie, toch blijft de COVID-19-pandemie in wezen een extern gebeuren, dat door zijn wereldwijde omvang de menselijke samenleving en de economie naar de keel grijpt. Het is niet de eerste keer in de geschiedenis van het kapitalisme dat dit voorvalt. In de achttiende en de negentiende eeuw wogen epidemieën en klimatologische veranderingen soms ook al zwaar op het toenmalige Europese kapitalisme.

Ook de twintigste-eeuwse wereldoorlogen, die in wezen imperialistische conflicten zijn, vertonen kenmerken vergelijkbaar met die van een pandemie, en brachten het wereldkapitalisme ernstig aan het wankelen. De Sovjetrevolutie van 1917 en de talrijke communistische opstanden die volgden in het zog van WOI, tonen aan hoe de sociale tegenmacht van weleer het met wisselend succes opnam tegen het kapitalisme. Het is nu aan de huidige sociale tegenmacht om de gezondheidscrisis en de impact ervan op het wereldkapitalisme grondig te analyseren. Op die manier moeten we komen tot een gepaste strategie die leidt naar meer sociale bevrijding en een prominenter belang van de ecologie in nieuwe politieke modellen. Voorts is het ook vanzelfsprekend dat de sociale tegenmacht versnippering tegengaat en werkt aan eenheid. Daarbij zijn de bestaande internationale structuren waarschijnlijk een belangrijke factor.

Het is van het grootste belang dat de sociale tegenmacht perspectieven kan aanreiken aan de werkende klasse op alle domeinen waarop de werkende klasse de dominantie van het kapitaal ondergaat. Met het marxisme als leidraad moet de sociale tegenmacht de periode na het kapitalisme voorbereiden, met alternatieven om de sociale solidaire samenleving te verstevigen. Momenten waarop het neoliberale kapitalisme wordt ontwricht, moeten we in de toekomst beter benutten om stappen te zetten in de richting van een sociale en ecologische politiek. Dat sluit uiteraard niet uit dat die tegenmacht zich inzet voor de strijd tegen de rechtstreekse onderdrukking van de werkende klasse. Eerder onderstreepten we al dat het aangewezen lijkt dat de syndicale strijd politieker wordt. Vooreerst omdat dit de vakbeweging zou bevrijden van het juk van de arbeidsverhoudingen om zo opnieuw de productieverhoudingen te kunnen viseren. Maar anderzijds ook omdat de eendracht van de syndicale en van de politieke strijd beter aansluit bij een herschikte sociale tegenmacht die strijdt voor een nieuwe, meer geleide sociale en ecologische economie.

Een instructieve driehoeksverhouding

Door de gezondheidscrisis zijn de inzichten over de verhouding tussen het neoliberalisme en de sociale solidariteit scherper gesteld. De crisis herinnert er ons aan dat ook fenomenen buiten de economie en buiten de financiële wereld het kapitalisme grondig kunnen ontwrichten. Het neoliberale marktsysteem blijft kwetsbaar. Al blijven de structuren in eerste instantie buiten schot en raakt enkel het functioneren van het systeem ontregeld.

Voor de sociale tegenmacht blijft de uitdaging zeer omvattend. Ze moet de samenleving perspectieven aanreiken voor een meer dan nodige wissel van het economische systeem.

Voorts bevestigt de crisis hoe het kapitalisme in nood maar overeind kan blijven dankzij de sociale solidariteit. De belangeloze inzet van de werkende klasse houdt de samenleving, maar ook de internationaal gevestigde kapitalistische ordening overeind. Toch blijkt, net zoals bij vorige reddingsoperaties, dat de sociale solidariteit haar essentiële positie niet wil of kan omzetten in meer sociale tegenmacht.

Voor die tegenmacht blijft de uitdaging trouwens zeer omvattend. Ze moet de samenleving perspectieven aanreiken voor een meer dan nodige wissel van het economische systeem. Een meer geleide economie is hoognodig om de uitdagingen voor een sociaal emancipatorische en ecologisch bewuste maatschappij aan te gaan. Aan de sociale tegenmacht om na te denken over hoe hij zich kan reorganiseren en nieuwe vormen kan aannemen.