Artikels

Verbanning aan de systemische rand

Ruben Ramboer

+

SASKIA SASSEN

— 21 juni 2019

De pathologieën van het hedendaags kapitalisme typeren als louter meer neoliberalisme met meer ongelijkheid is het bredere plaatje missen, vindt Saskia Sassen.

De pathologieën van het hedendaags kapitalisme typeren als louter uitbreiding van de markt, meer armoede en sociale uitsluiting is het bredere plaatje missen, vindt Saskia Sassen, een wereldwijd gekende sociologe. Je gaat dan voorbij aan diepere mechanismen die aan het werk zijn. Expulsions. Brutality and Complexity in the Global Economy is Sassens meest recente boek. Een schatkamer aan inzichten, feiten en cijfers over zeer verscheiden thema’s als de bezuinigingen in het Noorden, de Structurele Aanpassingsprogramma’s in het Zuiden, financiën, land grabbing, klimaatverandering, uithuiszettingen, opsluiting, ontheemden, dode oceanen…

De middenklasse woont nog in dezelfde fijne huizen, maar de nette facades verbergen financiële verliezen.

Ze brengt het allemaal mooi samen en legt enkele verrassende verbanden met sleutelconcepten als Predatory Formations (roofzuchtige formaties) en Systemic Edge (systemische rand). Zo ontwaart ze de systemische logica van wat ze Expulsions noemt, de titel van het boek (Al naargelang de context spreken we in dit interview van uitwijzen, verjagen, verwijderen, verstoten, uitsluiten, nvdr.): het uitwijzen of verwijderen van jobs, mensen, leefruimte, lokale economieën en zelfs delen van de biosfeer. Dat significante delen van de wereldbevolking uitgesloten worden van actieve deelname in de maatschappij lijkt vandaag een trieste realiteit. Het boek dateert van 2014. Vijf jaar later blijkt dat ze inderdaad meerdere systemische trends heeft blootgelegd. Een gesprek over de staat van de wereld.

Ruben Ramboer: We beginnen met uw concept ‘Systemic Edge’. U vindt de ziektes van deze tijd zó extreem dat de statistici ze niet meer registreren. Globalere trends wil u zichtbaar maken door te focussen op extreme en acute toestanden. Leg eens uit?

Saskia Sassen: Laten we ter illustratie een voorbeeld nemen uit een eerder tijdperk. Vanuit vogelperspectief leek Engeland in de tweede helft van de 18e eeuw op een overwegend rurale economie. Maar in feite werd het industriële kapitalisme de dominante politieke economie. De schapen op het land voedden de machines van de fabrieken in de stad. Wel, schapen en machines bevonden zich toen op de ‘systemische rand’: ze evolueerden in een nieuw, stedelijk industrieel tijdperk ondanks het feit dat Engeland nog oogde als een rurale economie.

Saskia Sassen is sociologe en econome aan de Universiteit van Chicago en de London School of Economics. Haar onderzoek gaat uit naar steden, migraties en de rol van de staat in de wereldeconomie. Ze is auteur van onder meer Expulsions. Brutality and complexity in the Global Economy (2014) en The Global City (1991).

Vandaag zie ik ook nieuwe systemische logica’s oprijzen vanuit de afstervende politieke economie van de 20e eeuw. De dodenzang werd ingezet in de jaren 1980 met welvaartsstaten en arbeidersbewegingen in het Westen, inbegrepen in Latijns-Amerika, die werden verwoest of onder druk kwamen te staan. Hetzelfde geldt, elk op hun specifieke wijze, voor de communistische landen, of landen als Indië, Egypte en zelfs meerdere Afrikaanse landen. Ook in die landen begon het verval in de jaren 1990. De overgang van het keynesianisme naar globalisering, privatisering en deregulering bracht een andere dynamiek op gang: van inclusie en integratie naar verbanning en verstoting, van mensen inlijven naar mensen wegduwen en verbannen.

De twintigste eeuw was wel niet bepaald rozengeur en maneschijn.

Neen, zeker niet, maar neem nu ongelijkheid. Als die blijft groeien, kan die op een bepaald punt beter omschreven worden als een soort verbanning. Ongelijkheid is steeds een kenmerk geweest van de geavanceerde markteconomieën maar de verschillen vandaag zijn wel van een totaal andere orde dan in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. En ze nemen verder toe. De VS zijn hier natuurlijk het meest sprekende voorbeeld. De inkomensgroei in de 21e eeuw voor het uitbreken van de crisis in 2008 was hoog maar zéér ongelijk. Het gros ging naar de hoogste tien procent, in het bijzonder de hoogste 1 procent van de gezinnen. De resterende 90 procent huishoudens zagen hun inkomen tussen 2001 en 2005 dalen met 4,2 procent. De top 1% verdieners kenden een groei van het gezinsinkomen met 280 procent tussen 1979 en 2007. Die trend gaat door tot op vandaag. Overigens, de ongelijkheid tussen landen verklaart nog altijd het grootste deel van de globale ongelijkheid, maar die neemt af. Het is wel de ongelijkheid in landen die toeneemt sinds de jaren 1980.

Als ik spreek over verval, is het niet om de twintigste eeuw te romantiseren. Die is gekenmerkt door oorlog, genocide, honger enzovoort. Maar zeker na de Tweede Wereldoorlog was de politieke economie overwegend gedreven door een logica van inclusie, met een groeiende middenklasse, met inspanningen om de armen te integreren, niet alleen in het Westen maar wereldwijd. Ook in Zwart-Afrika kenden meerdere landen een periode met massaproductie, bloeiende steden, groeiende middenklasse en een functionerende gezondheidzorg en schoolsysteem. Vandaag is de systemische rand een plek van uitwijzingen in plaats van de plek van integratie die het tijdens de keynesiaanse periode was. De dynamiek was er een van massaproductie en massaconsumptie.

Vandaag is dat niet meer het geval. De hoge aantallen daklozen, verwaarloosde ouderen, bewoners van sloppenwijken, gevangenen, armen zonder toegang tot sociale diensten … zijn een nieuwe ontwikkeling. Denk verder ook aan de krimpende economieën of de grote oppervlaktes vernietigd land en dode oceanen, de uitstervende diersoorten … Uitbanning is de sleuteldynamiek op de nieuwe systemische rand — economisch, sociaal én biosferisch.

In de VS groeiden de winsten driemaal sneller dan de winsten op belastingen in het eerste decennium van de 21e eeuw.

We zien een aantal scherpe verschuivingen in diverse domeinen: snelle groei van bedrijfswinsten en snelle stijgingen van de begrotingstekorten, groeiende populaties in gevangenissen in het Noorden en meer en meer ontheemden in het Zuiden. Elk van die domeinen is hoogst specifiek maar als de omstandigheden acuut worden, dragen ze bij aan het begin van een nieuwe fase, een fase gekenmerkt door verbanning, uitwijzing en uitstoting. Dat is van een heel andere orde dan gewoon meer ongelijkheid en meer armoede. Het is een nog niet volledig zichtbare en herkenbare ontwikkeling maar we mogen ons verwachten aan de geleidelijke veralgemening van de extreme omstandigheden aan de systemische rand.

Staar je door je focus op extremen niet naar uitzonderingen, in plaats van dat je tendensen blootlegt?

Goed punt. Maar dat is dan ook wat ik bedoel met tendensen die nog niet zichtbaar zijn voor de statisticus. Zo is bijvoorbeeld het bruto binnenlands product (bbp) een zeer problematische economische indicator. Groei was natuurlijk ook cruciaal in het project van de welvaartsstaat, maar het was ook een middel tot verhoging van de welvaart waarin velen zouden delen, zelfs al deelden sommigen veel meer dan anderen. Maar vandaag staat het bbp helemaal in het teken van bedrijfsgroei. Alles of iedereen dat in de weg staat van bedrijfswinst wordt opzijgezet – uitgewezen.

Neem bijvoorbeeld de globale markt voor grond. Als een bedrijf of een buitenlandse regering een groot stuk grond verwerft om palmolie te kweken voor biobrandstoffen komt dat neer op het verjagen van de gehele flora en fauna, van de kleine landbouwers en de plaatselijke landbouwproductie. Dat brengt degradatie van de aarde met zich mee door het verlies van voedingsstoffen en insecten. Na een paar decennia is de grond uitgeput, klinisch dood. Op heel lange termijn zal het land zich misschien herstellen, maar de afstammelingen van de uitgewezen boeren en rurale producenten leven ondertussen wel opeengepakt in de sloppenwijken aan de rand van de grote steden. Nochtans vertaalt het zich allemaal in de groei van bedrijfswinsten en de groei van lands bbp. Dit hele proces is de norm geworden voor enorme gebieden in Midden-Amerika en grote delen van Afrika.

Ook de evolutie van de inkomensherverdeling is gecamoufleerd. Een derde van de werkende bevolking is goed betaald. Hun uitgaven voor kledij, appartementen, plezierwagens, en zo meer, geven de indruk dat er meer welvaart is in de steden dan ooit tevoren. Samen met het renoveren van de binnenstad geeft het de indruk dat ‘we het allemaal bijzonder goed doen’. Maar wat ontbreekt in dit plaatje is de bescheiden middenklasse en de arbeidersklasse. Zij verliezen. De voorbijganger in een modale Westerse straat ziet de verarming van de middenklasse niet. Die woont nog in dezelfde fijne huizen, maar de nette façades verbergen financiële verliezen. In toenemende mate verkochten die gezinnen hun waardevolle goederen om de facturen te kunnen betalen en zitten ze met volwassen kinderen die geen betaalbare huisvesting vinden. Mijn veronderstelling is dat deze extreme toestanden helpen bij het begrijpen van de de globalere, minder extreme dynamiek van onze politieke economieën.

Dat brengt ons bij de saneringspolitiek in Europa. Griekenland, Spanje en Portugal zijn volgens u de “proeftuinen van de Europese beleidsmaker.” Hoezo?

De maatregelen die deze landen werden opgelegd zijn extractief en treffen de arbeidersklasse, inbegrepen de bescheiden middenklasse, keihard. Banken en multinationals hebben tegenwoordig absolute bewegingsvrijheid. Westerse regeringen, centrale bankiers en het IMF spreken over de nood om de overheidsschuld terug te dringen, om te besparen in de sociale zekerheid om die ‘betaalbaar’ te houden; dit zou het vertrouwen van de investeerders en de financiële markten herstellen. Dat is het dominante verhaal. Dat houdt de belofte in dat eens de excessen worden verminderd, we terugkeren naar de normaalstaat, naar de goede dagen van de naoorlogse periode. Maar die belofte verbergt in welke mate die wereld werkelijk is verdwenen en in welke mate ook, wat nationale politici ook zeggen, de ondernemingen die wereld niet terugwensen. Zij willen een wereld waarin de overheid steeds minder uitgeeft aan openbare diensten en sociale noden. De facto is dat een project van inkrimping, niet van de winstgevendheid van die ondernemingen, maar wel van de economische ruimte van dat land.

De brutale transformatie van Griekenland toont dat bijzonder goed: de bescheiden en zelfs de meer gegoede middenklasse werden massaal uitgesloten van jobs, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en in toenemende mate ook van huisvesting. Een derde van de Griekse werkende bevolking werd verdreven uit werk en basisvoorzieningen. Griekenland, maar ook Spanje en Portugal, tonen ons hoe sterk de ruimte van de economie kan krimpen. Zo’n inkrimping is ongebruikelijk in ontwikkelingslanden die niet in oorlog zijn. De werklozen verliezen alles – werk, woonst, gezondheidsverzekering – en vallen makkelijk uit de boot. Kleine zelfstandigen gaan op de fles. Zelfdoding en honger nemen toe. Hoogopgeleide studenten en professionals emigreren. Kinderen worden opgegeven in kerken door ouders die te arm werden om hen te voeden.

De inkrimping van Griekenland heeft veel weg van een economische versie van een etnische zuivering.

Dat heeft veel weg van een economische versie van een etnische zuivering waarbij moeilijkheden worden opgelost door ze te elimineren. De uitgewezenen komen niet meer voor in de cijfers en hun negatieve impact op de groeicijfers is geneutraliseerd. De herbepaling van de economie maakt die cijfermatig weer presentabel met een lichte groei van het bbp-cijfer per inwoner. Nadat Griekenland zo’n 30 procent van haar economie had verdreven, heette het bij de Trojka dat Griekenland weer ‘op het goede spoor’ zit, dat de Griekse economie zich herstelt. De krimpende economieën in Zuid-Europa leggen nieuwe trends van geografische mobiliteit bloot. In de EU-27 leven 120 miljoen mensen, dat is 24,2 procent, in armoederiscio. Ze zijn ernstig materieel achtergesteld of leven in gezinnen met lage jobintensiteit. Een langdurige werkloze, een failliete kleine zelfstandige, een zelfdoding, een gevangene in het Noorden of een ontheemde in het Zuiden: ze hebben allemaal een ander verhaal. Maar de trend wijst in eenzelfde richting: het wegduwen van mensen.

Zijn er indicatoren die dan wel enigszins de trends vatten die u omschrijft?

De Genuine Progress Indicator (GPI) is een indicator die sociale factoren en milieukosten meeneemt in de metingen zodat er rekening wordt gehouden met de kosten van vervuiling, misdaad en ongelijkheid evenals met activiteiten die welzijn opleveren buiten de geldhandel zoals huishoudelijk en vrijwilligerswerk. Wel, onderzoek in 17 landen, goed voor de helft van de wereldbevolking, toont dat die GPI piekte in 1978 maar sindsdien daalde, ondanks het feit dat het bbp per inwoner er wel geleidelijk toenam.

De effecten zijn ook zichtbaar in cijfers over de belastingen. In de VS groeiden de winsten driemaal sneller dan de winsten op belastingen in het eerste decennium van de 21e eeuw. Richard Murphy schatte in 2010 de belastingsontduiking van de multinaltionals en de rijksten in de globale economie op 3.000 miljard euro. Dat is 5 procent van de globale economie en maar liefst 18 procent van de globale belastingsinkomsten. De verliezers in dit verhaal zijn de mensen. Dat is het duidelijkst in de VS natuurlijk. De inkomens van de 90% gingen achteruit in de 21e eeuw, die van de 10% — in het bijzonder die van de 1% — stegen fenomenaal.

De overheden zitten daardoor ook in moeilijke financiële papieren. De roep om de overheidsschuld te doen dalen klinkt dan logisch, niet?

Heel dat schuldenvraagstuk is in feite een disciplineringsregime. Wat we vandaag in Europa kennen als het saneren van de overheidsschuld heeft heel wat weg van Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) die het IMF en de Wereldbank vanaf de jaren 1980 in het Zuiden oplegden. Die programma’s herpositioneren die landen als sites van extractie. Na twintig jaren SAP’s torsen vele van die landen een veel grotere overheidsschuld dan voorheen. Tussen 1982 en 1998 verviervoudigden hun schulden. In diezelfde tijd betaalden die landen in interesten vier maal hun originele schuld. Ze betalen nu meer aan hun ontleners vertegenwoordigd door het IMF dan ze investeren in basisvoorwaarden voor ontwikkeling zoals gezondheid en onderwijs. Voor elke dollar buitenlandse hulp, betalen Afrikaanse landen 1,4 dollar in financiële kosten verbonden aan de schulden.

Het grotere verhaal is dat bijna heel Afrika en grote delen van Latijns-Amerika en Centraal-Azië zich herpositioneerden in een massaal geherstructureerde globale economie met een groeiende vraag naar gronden voor voeding, water en mineralen. Na decennia van schuldaflossingen en competitie van buitenlandse firma’s schiet er niet veel over van wat ooit moderne economische sectoren waren in die landen. De verwoesting van traditionele economieën vergemakkelijkte de toegang tot die gronden voor buitenlandse regeringen en bedrijven. Lokale ondernemingen en middenklasse zijn weggeveegd door brain drain, militaire conflicten en de SAP’s. Wereldwijd namen de schulden van natiestaten toe. Om te vermijden dat ze instorten wordt dan beroep gedaan op financiële bedrijven, met als gevolg dat veel van hun inkomsten naar de interesten op schulden gaan. We zien zo een extreme vorm van extractief kapitalisme.

Op welke manier is de financiële industrie een proces van extractie? Wat is het verschil tussen finance en traditioneel bankieren?

Financiën maken sinds millennia deel uit van onze geschiedenis. Er is op zich niets mis met schulden en financiële instrumenten. Ze maken grootschalige projecten mogelijk, zoals het opkuisen van vervuilde sites, het vergroenen van onze energie of sociale investeringen. Financieel kapitaal hielp bij het uit de armoede helpen van een ontelbaar aantal mensen in China. Maar dat zijn investeringen in productie, infrastructuur en andere materiële economieën. Dat is het tegendeel van de financialisering van consumentenleningen en hypotheken, studentenleningen en pensioenen, gemeentefondsen enzovoort.

Wat nieuw en karakteristiek is voor dit tijdperk is de capaciteit van finance om enorm complexe instrumenten aan te maken die het mogelijk maken om zowat alles te effectiseren. Hebben we zulke complexe financiële instrumenten nodig om de basisnoden van bedrijven en gezinnen te financieren? Neen. Traditionele banken verkopen geld in hun bezit, financiële ondernemingen verkopen iets wat ze niet hebben. Om dit te kunnen verwezenlijken moet finance de niet-financiële sectoren binnendringen en veroveren — effectiseren — om zo het koren te bekomen voor de molen. Met ‘effectiseren’ bedoelen we dat een gebouw, een goed of een schuld op het financieel circuit aangesloten wordt. Daar wordt het mobiel en kan verhandeld worden op verre of nabije markten. Met complexe financiële producten worden heel alledaagse zaken geëffectiseerd — studieleningen, autoleningen, gemeenteschulden.

Wat zijn de gevolgen van die financialisering?

Tussen 2006 en 2010 werden in de VS 13,6 miljoen gezinnen uit hun huis gezet. Dat is een brutale vorm van primitieve accumulatie en het resultaat van een enorm complexe samenwerking van financiële, juridische, boekhoudkundige en wiskundige expertise. De kost breidt uit tot hele metropolitane gebieden door het verlies aan belastingsinkomsten voor gemeenten. De beslissing om de banken te redden met het geld van de belastingsbetaler leidde tot groeidalingen, stijgende armoede van burgers en regeringen, en besparingspolitiek. Global finance daarentegen boekt opnieuw superwinsten.

In zekere zin heeft finance onze wereld ondergronds vervormd op zoveel manieren. De effectisering ging heimelijk te werk maar vernietigde op grote schaal gezonde economieën, gezonde overheidsschuld en gezonde huishoudens. Als er iets fout gaat komt het brutale karakter van het economisch geweld aan de oppervlakte, zoals de massale uithuiszettingen in landen zo verscheiden als de VS, Spanje en Letland. Of de massale verliezen van gemeentefondsen door de speculatie.

Voor elke dollar buitenlandse hulp, betalen Afrikaanse landen 1,4 dollar financiële kosten verbonden aan de schulden.

Neem nu de huisvesting. Die vond je in de staatshuishouding terug in de bouwsector, in de immobilieënmarkt en in de hypotheekmarkt. Maar vanaf de jaren 1980 werden de hypotheken geëffectiseerd, opgesplitst in kleinere componenten en weer samengevoegd met andere, en omgevormd tot een financieel instrument voor speculatie. Het instrument kon dienen als onderpand in het investeringscircuit en de waarde van de woonst of de hypoteek was van geen tel meer. Het resultaat was een enorm complex en ondoorzichtig instrument. Geen enkel element in het pakketje vertegenwoordigt het hele huis. De bron van winst is niet meer de betaling van de traditionele hypotheek maar de verkoop van het financieel pakket die honderden stukjes hypoteek bundelt. En bovendien kan er in de logica van finance ook winst gemaakt worden door speculatie op koersdalingen. De zogezegde subprime crisis uit 2008 werd niet veroorzaakt door onverantwoordelijke gezinnen die hypotheken namen die ze niet konden betalen. Speculanten die hadden geïnvesteerd in de credit default swaps werden gealarmeerd door uithuiszettingen. Zij vonden het tijd om hun ‘verzekering’ te innen, maar dat geld was er niet meer, omdat de uithuiszettingen ook de swaps hadden gedevalueerd. En het kaartenhuisje stortte in elkaar.

Giovanni Arrighi stelde dat wanneer speculatieve financiën in een bepaalde periode dominant worden, dat ook het verval aankondigt van die periode. Maken we dat nu mee?

In zekere zin. Maar het neemt tijd. We zijn in zekere zin verblind door de vermenigvuldiging van hippe gebouwen, hippe winkels, hippe restaurants in de stedelijke centra. Groei lijkt dominant maar die is zeer partieel en selectief. Ze berust op de verarming van meer dan de helft van de huishoudens. We weten nu ook dat winsten verworven door de rijkere lagen van de samenleving niet naar beneden sijpelen. We weten ook dat de epidemieën resulterende van armoede en onaangepaste gezondheidszorg op termijn ook de rijken bereiken. En ook aan financialisering zijn grenzen.

Voor de crisis van 2008 was de (fictieve) waarde van de uitstaande afgeleide financiële producten 630.000 miljard dollar. Dat was 14 maal het globaal bbp. Die mismatch is nooit gezien in de Westerse geschiedenis. Enkele jaren na de crisis, nadat miljarden in rook opgingen, nadat bedrijven, overheden, huishoudens en hele economieën ten val werden gebracht, steeg het alweer naar 800 biljoen dollar in 2012, en 1 triljoen in 2013. De macht van finance, en wat het zo gevaarlijk maakt, is de capaciteit om fortuinen op te bouwen zelfs als gezinnen, economieën, regeringen waarde verliezen.

Landgrabbing verjaagt boeren, flora en fauna maar het vertaalt zich wel in de groei van bedrijfswinsten en de groei van lands bbp.

We mogen niet vergeten dat de crisis van 2008 niet de eerste is van dit type. Terugkerende crisissen zijn karakteristiek voor dit financieel systeem. In de VS zijn er sinds de beurscrash van 1987 al vijf grote reddingsoperaties van banken geweest. Elke keer werd het geld van de belastingbetaler gepompt in het financieel systeem, en de financiële industrie gebruikte het geld als nieuwe hefboom, met tot doel meer speculatie en meer profijt. Ze gebruikte het niet om de schulden af te betalen, omdat deze industrie nu eenmaal over schuld gaat. Finance moet nieuwe economische sectoren veroveren om te groeien. Eens het het gros van de economie onderworpen is aan zijn logica stoot het op zijn limieten en lijkt de neerwaartse curve ingezet. Dan heeft de sector nood aan nieuwe, niet-gefinancialiseerde sectoren om op te bouwen. Een acuut voorbeeld is de ontwikkeling van financiële firma’s om tegelijkertijd in te zetten op de groei van een sector én op de neergang van die sector. Goldman Sachs ontwierp derivaten voor de Griekse regering die de toegang van het land tot de EU vergemakkelijkten en voor een andere klant ontwikkelden ze instrumenten die winsten zouden opleveren indien het land bankroet ging.

Een ander luik van verdrijvingen vindt u in de praktijk van land grabbing. Oxfam spreekt van een gebied acht maal zo groot als het Verenigd Koninkrijk dat verkocht of gepacht werd tussen 2000 en 2010. Die landroof is misschien minder gewelddadig maar ze zijn meer verwoestend dan de imperiale landveroveringen uit het het verleden. Waarom?

Het verhaal van de land grabs is een heel straf gebeuren van de laatste 20 jaar. De landgrabescalatie is enigszins onzichtbaar vanuit satellietperspectief. Je kan niet vertellen dat 30 regeringen en een honderdtal bedrijven nu gronden bezitten in buitenland met Afrika als de eerste site, gevolgd door Latijns-Amerika en stukken van armer Europa. De mijnbedrijven zijn de best gekende actoren. Maar mogelijk vonden veel grotere land grabs plaats door de plantage-economieën. Vele landen verwierven enorme stukken grond in buitenland voor de teelt van hun voedsel en biogrondstoffen. Dat laatste gebeurt in naam van het aanleveren van groene energie maar er is weinig groen aan.

Niet de buitenlandse verwerving op zich is het probleem. Die is al langer een element in de wereldgeschiedenis. De kwestie is dat de scherpe stijging van buitenlandse eigendom het karakter van de lokale economieën – de grondeigendom en de soevereiniteit van de staat over zijn territorium – ingrijpend aantast. Land grabs zijn van een totaal andere orde dan het plaatsen van een jobgenererende Ford-fabriek in Europa of een Volkswagen-fabriek in Brazilië. De gronden verworven door buitenlanders zijn uitgebreide oppervlaktes nationaal territorium met dorpen, kleinschalige landbouw en rurale industriedistricten, met actoren die deze economieën herproduceren. Door de landroof wordt die politiek-structurele complexiteit weggeveegd. Miljoenen kleine landeigenaars worden verjaagd. Het nationaal territorium degradeert tot buitenlandse grondbezit voor plantages dat al het andere verdrijft. Het is een verhaal van wegjagen van mensen, van verwijderen lokale economieën en van destructie van de biosfeer.

En er is niet alleen sprake van land grabs, maar ook van water grabs. In hun draai naar fracking worden mijnbedrijven de meest intensieve consumenten van water terwijl ze datzelfde water direct en indirect vergiftigen. Stiller en rustiger dreven ook de sodabedrijven en waterbottelaars hun waterconsumptie op. Nestlé bijvoorbeeld bouwt enorme pijplijnen en gebruikt supertankers om water te verplaatsen over lange afstanden. Men voorspelt dat de watervraag tegen 2030 zal stijgen met 50 procent. Sommigen spreken over water als ‘de nieuwe olie’. Nestlés voorman Peter Brabeck-Letmathe over de privatisering van het wateraanbod: “Water moet een marktprijs krijgen omdat het een voedingsstof is zoals andere voedingsstoffen.” Water als publiek recht vindt hij een “extreme oplossing”.

In het laatste hoofdstuk van uw boek “Dead land, dead water” schetst u een waarlijk apocalyptisch beeld van de aarde: 6 enorme vuilnisbelten in de oceaan met 7 miljoen ton plastiek, 400 klinisch dode kustzones, 75% onvruchtbare landbouwgrond in Centraal-Amerika, methaanconcentraties in water, aardbevingen door fracking, chemische vervuiling…

Het is mijn favoriete hoofdstuk. Ik hou van de titel “Dood land, dood water”. Klimaatverandering klinkt veel te netjes. We hebben brutale termen nodig voor brutale fenomenen.

In plaats van hier dieper in te gaan op de oorzaken van de verwoesting van de biosfeer wil ik het hebben over een van de gevolgen: de migratie. Europa, Australië en de VS reageren met muren, kampen, gesloten centra en push backs. “We kunnen niet alle miserie van de wereld ontvangen” is het veel gehoorde credo. “Gelukszoekers vallen niet onder de conventie van Genève”.

Waar ik het bijzonder moeilijk mee heb is hoe vluchtelingen geportretteerd worden als gelukszoekers terwijl net de bedrijven uit het Noorden de lokale boerenbevolking verdrijven door hun land grabbing. Waarom ontvluchten zoveel mensen Honduras, El Salvador of Guatemala? Kleine landbewerkers worden er verdreven van hun land door privé-legers van rijke grootgrondbezitters. De vluchtelingen zijn de tweede helft van de lus die de land grabs van de rijke landen genereren. Migratie begint in de directiekamers van de multinationals en militaire hoofdkwartieren. Niemand koppelt deze gebeurtenissen.

Het prototype van de immigrant is de persoon die zijn handeltje opstart, geld naar huis stuurt en zichzelf verbeeldt terug naar huis te gaan voor bezoek of voorgoed. Maar vandaag is er een heel nieuw patroon van migratie met als epicentra de Middellandse Zee, Centraal-Amerika en de Andamaanse Zee. En het motief is niet zozeer de zoektocht naar een beter leven maar de vernietiging van hun habitat. Hele families en gemeenschappen worden verjaagd. Voor hen is er geen thuis om naar terug te keren. Hun thuis is nu een plantage, een oorlogszone, een woestijn, een mijn, een overstroomd gebied, een privé-stad. Die verjaging van thuis, grond en job biedt ook meer ruimte aan criminele netwerken voor mensenhandel.

De vernietiging van de kwaliteit van land, water en lucht om welke reden dan ook treft de arme gemeenschappen bijzonder hard. Ze produceert geschat zo’n 800 miljoen ontheemden wereldwijd. Daarvan wordt 80% geherbergd in het Zuiden. De vluchtelingenpopulatie heeft een veel veel grotere economische impact op het globale Zuiden. Pakistan heeft 605 vluchtelingen per US dollar van haar bbp/inwoner, Duitsland bijvoorbeeld slechts 15. Het zijn de arme landen die de lasten dragen.

Uw algemene stelling luidt dat we aan het begin van een nieuwe periode staan, een periode gekenmerkt door ‘expulsions’. Maar u schrijft ook dat die trends geen afwijkingen zijn, en ze zijn ook niet het resultaat van een crisis. Zij zijn het resultaat van de “systemische verdieping van de kapitalistische relaties”. Wat is het verschil met concepten als “accumulatie door onteigening” (David Harvey), “primitieve accumulatie” (Karl Marx) of de “metabolische breuk” (John Bellamy Foster)? Expulsions lijkt een beetje een containerbegrip.

Ik hou van al die termen die je noemt. Zelf koos ik voor ‘expulsions’ om niet enkel de toestand van ontbering uit te drukken maar ook het actieve geweld. Ik focus ook op hedendaagse dynamieken die verjaging produceren op een zelden geziene schaal, niet zozeer op dynamieken die er zijn sinds het begin van het kapitalisme. Bovendien vindt een en ander plaats onder de mantel van economische ontwikkeling. De notie ontwikkeling is een uitnodiging om niet te denken, om niet te onderzoeken, om niet te zoeken… “Ontwikkeling”? Moet goed zijn, niet?! En onze maatstaven maken die vertekening mogelijk. De plantage groeit, het bbp per inwoner groeit maar de gevolgen voor de 200 kleine landbewerkers die voedsel produceerden voor de plaatselijke bevolking en de nabije dorpen worden niet gemeten… Die zijn onzichtbaar in de boekhouding. Dat is de kwestie. Het concept verjaging/uitwijzing en ook roofzuchtige formaties vergemakkelijken mijn verkenningstocht. Ik had nood aan het destabiliseren van bestaande definities. Ik wilde ook de idee van “territorium” harder laten doorwerken in het begrippenapparaat.

Traditionele banken verkopen geld in hun bezit, financiële ondernemingen verkopen iets wat ze niet hebben.

We kunnen de verhouding van het geavanceerde kapitalisme tot het traditionele kapitalisme karakteriseren als gekenmerkt door extractie en vernietiging, een beetje zoals de relatie tussen traditioneel kapitalisme en prekapitalistische economieën. Achteraf bekeken is het geavanceerde kapitalisme in de jaren 1980 misschien wel in een nieuwe fase ingetreden: een periode die de mechanismen van primitieve accumulatie heruitvond. We meten zeer destructieve vormen van groei als positief. Het extreme uitvloeisel hiervan is de miserabilisering en uitsluiting van een groeiend aantal mensen die hun nut verliezen als werkers en consumenten. Ook economische actoren die eens cruciaal waren voor de ontwikkeling van het kapitalisme, zoals de kleinburgerij en de nationale traditionele burgerij, worden overbodig.

De ondertitel van uw boek is “Brutality and complexity in the global economy”. U benadrukt dat de brutaliteiten niet direct, eenduidige daden zijn van de multinationals of de rijksten, dat we niet eenvoudig de Wereldbank of het IMF met de vinger kunnen wijzen. U spreekt van “Predatory formations” (roofzuchtige formaties) eerder dan een handvol individuen of multinationals die de lakens uitdelen. Wat zijn dat precies?

Hoe produceert complexiteit brutaliteit? Een voorbeeld is de koolstofhandel: de belangrijkste politieke ‘innovatie’ van interstatelijke akkoorden om het klimaat te beschermen. Praktisch en brutaal komt koolstofhandel neer op landen die strijden om hun recht op vervuilen uit te breiden. Regeringen forceren zich om of hun recht tot vervuilen met ‘legale’ quota te verhogen of te verhogen wat ze kunnen verkopen aan andere regeringen die meer willen vervuilen. De inspanning is niet om de destructie te verminderen maar om voor de eigen staat het maximale recht tot vernietigen te bekomen.

Zo ontstaat een diepe ontkoppeling tussen de planetaire toestand enerzijds en de dominante logica die de politieke antwoorden en beleid vormt anderzijds. De staten focussen op het profiteren van de klimaatpolitiek die de consensus uitmaakt: koolstofhandel. Verwoeste lucht, grond en water worden een generisch gebeuren, een feitelijkheid losgemaakt van het geopolitiek landschap en de mainstream politiek.

Koolstofhandel komt neer op landen die strijden om hun recht op vervuilen uit te breiden.

Ik wil duidelijk maken dat het hier niet simpelweg bedrijven en mensen aan het werk zijn. Dit zijn veel complexere formaties die elkaar voeden en ervoor zorgen dat ze zich herhalen. Door de complexiteit volstaat het bijvoorbeeld niet om de water grabbing van Nestlé illegaal te verklaren. Nestlé rooft water in honderden sites zonder dat die regeringen dat weten of controleren. Nestlé doet voort met het extraheren van water tot er geen overblijft en pas dan worden haar acties ten volle zichtbaar. Algemeen is mijn stelling dan dat we niet zozeer een roofzuchtige elite aan het werk zien, maar wel roofzuchtige formaties, een mix van elites met systemische capaciteiten en finance als een sleutelfacilitator.

Die formaties duwen in de richting van concentratie. Concentratie aan de top is natuurlijk niets nieuws. Wat zorgwekkend is is de extreme vorm die het aanneemt. In 2012 voegden de rijkste honderd miljardairs 240 miljard dollar toe aan hun fortuinen. Dat is voldoende om vier maal komaf te maken met de armoede in de wereld. Vandaag zijn de structuren waarin die concentratie plaatsvindt complexe assemblages van veelvoudige elementen. De concentratie is niet het resultaat van overgedragen rijkdom door een handvol bandieten. Een systeem met de capaciteit om zo’n welvaart te concentreren op die schaal is apart. Het verschilt van een systeem dat de capaciteit had om de welvaart van de arbeidersklasse en middenklasse uit te breiden in een deel van de 20e eeuw in het globale Noorden, in een groot deel van Latijns-Amerika en ook in meerdere Afrikaanse landen zoals bijvoorbeeld Somalië.

Wat zijn de gevolgen van die complexiteiten voor verzet en klassenstrijd? Hoe vechten we tegen de roofzuchtige formaties? De ruimtes met de verworpenen zijn “geen zwarte gaten”, schrijft u, maar potentieel nieuwe bouwplaatsen. Ze creëren nieuwe lokale economieën, nieuwe verhalen en nieuwe vormen van lidmaatschap.

Ja, de plaatsen waarnaar mensen worden uitgewezen kunnen laboratoria worden voor nieuwe vormen van de economie of andere vormen van samenleving. Het houdt in dat elke lokale site van tel is … en dat op een globaal niveau. Dat is een uitdaging natuurlijk. En moeilijk te organiseren. Er zijn mogelijkheden maar het wordt niet makkelijk. We moeten om te beginnen al de negatieve gevolgen erkennen van wat nog steeds geregistreerd wordt als positieve groei. We moeten de druk opvoeren op nationale maar ook op lokale overheden. We hebben nood aan expertise van over heel de wereld om te studeren en te schrijven over wat er overal gebeurt. Ik denk dat we daarvan vandaag het begin zien. Het zal nooit een volledige operatie zijn, maar het zal mobiliseren en de destructies en extracties aan het licht brengen, die te vaak gecamoufleerd worden.

Saskia Sassen, Expulsions. Brutality and Complexity in the Global Economy, Harvard University Press, 2014.