Artikel

De bouw van een sociale tegenmacht

Marc Rigaux

— 21 juni 2019

Een juridisch-maatschappelijk betoog voor de verbreding van een inhoudsvol arbeidsrecht voor de strijd tegen de sociale concurrentie, de vermarkting en de ontmenselijking van de arbeidsverhoudingen.

Onder druk van de arbeidersbeweging ontwikkelde zich in de meeste West Europese staten een consistent arbeids- en socialezekerheidsrecht als nationale correctie op de vrije sociale concurrentie. Onder sociale concurrentie wordt doorgaans verstaan de competitie voor werk onder alle personen die hun arbeidspotentieel moeten te gelde maken om te kunnen voorzien in hun levensonderhoud. De uitbouw van een consistent arbeidsrecht onttrok de werknemers, en dus niet de (schijn)zelfstandigen, grotendeels aan de toepassing van het liberale recht der arbeidsrelaties, zonder het evenwel helemaal op te heffen.1

De sociale geschiedenis leert ons hoe het liberale recht van de arbeidsverhoudingen leidde tot extreme vormen van uitsluiting en uitbuiting.

Reeds enkele decennia ziet de arbeidersbeweging zich genoodzaakt deze sociale verworvenheden en de bijhorende sociale emancipatie te verdedigen tegen de aangehouden liberale politiek van vrijmaking van de arbeidsmarkt. Sociale rechten zijn verworden tot belemmeringen van de efficiënte werking van de markt. Meer dan ooit rijmt liberaliseren op flexibiliseren en precariseren. Sociale uitbuiting en uitsluiting vormen dan weer de rechtstreekse aanleiding tot een algemene verpaupering van de burgers. De schaalvergroting van de arbeidsmarkt als gevolg van de globalisering en de Europeanisering heeft immers de verhouding tussen arbeid en kapitaal grondig ontwricht. De nationaal uitgebouwde sociale wetgeving komt zwaar onder druk. Daarmee keren we terug naar het liberale kapitalistische recht der arbeidsverhoudingen, dat de verdoken grondslag vormt voor het nog steeds geldende arbeidsrecht.2

Het behoud van een inhoudsvol arbeidsrecht is meer dan ooit aan de orde, wil men het respect voor de waardigheid van de werkende mens vrijwaren. In deze bijdrage willen we, vertrekkende van een situering van het arbeidsrecht binnen de liberale kapitalistische rechtsorde, komen tot het suggereren van enkele actielijnen, die mee moeten toelaten de bevrijdende en de beschermende functie van de arbeidswetgeving beter te garanderen. Deze suggesties zijn zeker niet limitatief. Ze overstijgen ook het niveau van het gangbare recht en zijn nauw verbonden met het ontwikkelen van een adequate sociale tegenmacht. Dergelijke tegenmacht is zonder meer de basisvoorwaarde om de kapitalistische productieverhoudingen te kunnen controleren, corrigeren en beperkt om te buigen naar een vermenselijking van de arbeid.3

Arbeidsrecht als correctie van de kapitalistische rechtsorde

De liberale kapitalistische rechtsorde is gestoeld op een aantal algemeen geformuleerde rechten en rechtsbeginselen, zoals onder meer: het particuliere eigendomsrecht, de individuele contractvrijheid, de vrijheden van arbeid en van ondernemen en het beginsel van de individuele aansprakelijkheid. Deze rechten en beginselen bouwen verder op het axioma van de vrijheid en gelijkheid van de burgers in rechte. Het betreft een louter formele vrijheid en gelijkheid onder de rechtsonderhorigen, die helemaal geen rekening houdt met het verschil in economische draagkracht der burgers en dus evenmin met hun verschillende mogelijkheden om rechten ook af te dwingen. Vandaar dat we rustig kunnen stellen dat in het liberale rechtsstelsel de vrijheid en gelijkheid van de burger slechts waard zijn wat zijn vermogen en draagkracht wegen.4 Voor het regelen van de rechtstoestand van het presteren van arbeid gaat het burgerlijk liberale recht dus onder meer voorbij aan het feit dat het merendeel der burgers niet over kapitaal of productiemiddelen beschikt en dus om in hun levensonderhoud te voorzien aangewezen zijn op de verkoop van hun arbeid.

Vooral de vrijheid van arbeid en de contractvrijheid zijn van belang bij het reguleren van de individuele arbeidsverhoudingen. De economische vrijheid van arbeid reikt de burger de mogelijkheid aan om ‘vrij’ te kiezen waar, wanneer, met wie, onder welke vorm en tegen welke voorwaarden hij zijn arbeid wil verkopen. Het verschil in economische macht en draagkracht tussen de opdrachtgever of werkgever enerzijds en de arbeidskracht anderzijds vormt hoegenaamd geen bezwaar voor de vrije instemming van de economisch zwakkere. De sociale geschiedenis leert ons hoe het liberale recht van de arbeidsverhoudingen leidde tot extreme vormen van uitsluiting en uitbuiting. En het doet dit nog steeds voor die personen, die aan de arbeidswetgeving onttrokken blijven. Het liberale kapitalistische recht der arbeidsverhoudingen laat de arbeidskracht namelijk de ‘vrije keuze’ voor de rechtstoestand, waarin hij wenst te arbeiden: als werknemer met een arbeidsovereenkomst of als zelfstandige met een aannemingscontract. Als onderaannemer verzeilt de arbeidskracht meer dan eens in een situatie van schijnzelfstandigheid ten aanzien van de opdrachtgever, die alzo aan de werkgeversverplichtingen poogt te ontkomen.

Om de schets van de liberaal kapitalistische rechtsorde te vervolledigen nog even aanhalen dat het arbeidspotentieel van de burger wordt afgescheiden van zijn persoon. Arbeid wordt verzakelijkt tot koopwaar, net zoals de presteerder van die arbeid. De werknemer en de zelfstandige verkopen juridisch dus enkel een product: hun arbeidskracht. In werkelijkheid verkopen ze hun eigen persoon. De afscheiding van de arbeid van de persoon die ze voortbrengt, laat toe de vaststelling te vermijden dat het arbeidscontract de werkgever de heerschappij en de beschikking verleent over een andere persoon, de werknemer. Een vaststelling die onwillekeurig het beeld zou kunnen oproepen van een toestand van slavernij of lijfeigenschap.5

In het liberale rechtsstelsel zijn de vrijheid en gelijkheid van de burger slechts waard wat zijn vermogen en draagkracht wegen.

De neoliberalen bouwen vandaag verder op dit idee van het arbeidspotentieel als zaak en beschouwen de burger als een micro-ondernemer, die zijn arbeidspotentieel als een soort menselijk kapitaal behoorlijk dient te beheren. Hij moet ervoor zorgen dat zijn graad van inzetbaarheid op de markt voldoende op niveau blijft. Werkloosheid kan dan in vele gevallen herleid worden tot een slecht beheer van de inzetbaarheid, waarvoor de burger kan worden aangesproken (lees: hij mag zijn werkloosheidsuitkering zien verminderen of zelfs helemaal verliezen). De inzetbaarheid van de arbeidskracht of zijn employability zien de neoliberalen als een persoonlijke aangelegenheid. De toestand van werkloosheid is volgens hen aan het individu aan te rekenen. De uitkomst van de redenering is dat de werklozen verantwoordelijk zijn voor de werkloosheid. Elimineer de werklozen en je elimineert meteen ook de werkloosheid, is dan ook de misdadige conclusie van deze hypocriete gedachtegang…6

De sociale correctie aan de arbeidsmarkt berust in de particuliere sector op vier pijlers. Vooreerst drong de regelgever de concurrentie terug door de werking van de arbeidsmarkt mee te organiseren en te begeleiden. Zo reguleerde de wetgever onder meer de arbeidsbemiddeling, de toegang tot de nationale arbeidsmarkt, de beroepsopleiding en aspecten van de bescherming van de sollicitant. Een tweede pijler van de sociale verbetering van de arbeidsmarkt en van de sociale concurrentie kwam er door de standaardisering van de loon- en arbeidsvoorwaarden door middel van wetgeving en van het mogelijk maken van cao’s. Arbeidsvoorwaarden werden niet langer uitsluitend individueel bepaald. Ze waren in de eerste plaats het gevolg van de collectieve wil van de georganiseerde werknemers. Een derde pijler kwam er door het burgerschap van de werknemer in de onderneming te ontwikkelen, door hem politieke rechten toe te kennen. De werknemer neemt deel aan de organisatie van de sociale dialoog in zijn onderneming. De sociale zekerheid tenslotte leverde de vierde pijler door een inkomen te verzekeren voor werknemers die tijdelijk of definitief hun arbeidspotentieel niet meer te gelde kunnen maken.7 Het arbeidsrecht en het sociaal zekerheidsrecht voor werknemers diende uiteindelijk als sokkel voor de verwezenlijking van de sociale staat; de staat waarin iedere burger zekere sociale rechten bezit, gewoon omdat hij burger is. Alhoewel sociale staat een geijkte uitdrukking is geworden binnen het sociaal recht, klinkt de term nogal eufemistisch binnen een context van door het kapitalisme beheerste productieverhoudingen. De sociale staat slaagde er, alle sociale grondrechten ten spijt, bijvoorbeeld nooit in de blijvende ongelijkheid van haar burgers uit te sluiten.

Omwille van het reduceren van de sociale concurrentie, van de verzakelijking en van de ontmenselijking van de arbeidsverhoudingen, draagt het arbeidsrecht bij tot het waarborgen van meer waardigheid voor de werkende mens. Tot enige tijd geleden hielp het voor velen dan ook te pleiten voor het behoud ervan om het recht op een menswaardig leven te dienen. Jammer genoeg lijkt die tijd voorbij. Te veel werkenden blijven thans verstoken van een (volwaardige) onderwerping aan de arbeidswetgeving. Ze verzamelen opeenvolgende zeer precaire arbeidscontracten, ze worden gedwongen met een schijnzelfstandigheid vrede te nemen of ze zitten gewrongen in het clandestiene arbeidscircuit. Ze werken niet om te leven maar om te overleven. Ze rekenen op de solidariteit van de georganiseerde werknemers om voor hen de verbreding van de toepassing van het arbeidsrecht af te dwingen en om het ook voor hen mogelijk te maken meer menselijke waardigheid te genieten. Want de strijd om een betekenisvol (lees: beschermend en ontvoogdend) arbeidsrecht belangt ook hen in eerste instantie aan. Een meer inclusieve arbeidswetgeving is dan ook aan de orde…

De vergrendeling van de kapitalistische rechtsorde

Zoals hierboven besproken vormen de vrijheid van ondernemen, vrijheid van arbeid en contractvrijheid de juridische pijlers, waarop het bestaan en de werking van de vrije (arbeids)markt en de vrije (sociale) concurrentie rusten. Mede doorheen de marktvrijheden en het concurrentierecht zijn de vrije markt en de bijhorende concurrentie ook beschermd in het EU-recht. Meer nog: in de juridische ordening, die de Unie aan de lidstaten oplegt, maken het marktrecht en het concurrentierecht de hoogste rechtsnormen uit. Arbeidswetgeving en sociale bescherming dienen dus marktconform te wezen.8 Het is allicht onnodig te preciseren dat de beschermende logica van het sociaal recht meer dan eens in strijd komt met de concurrentielogica van het marktrecht.

Te veel werkenden blijven thans verstoken van een (volwaardige) onderwerping aan de arbeidswetgeving.

De suprematie van het Europese marktrecht en het concurrentierecht dragen zonder meer bij tot een gestage aftakeling van de nationale sociale wetgeving. Maar het is nog erger. Door de doelbewuste keuze van de Europese wetgever om zich in beginsel niet in te laten met het arbeidsrecht en het materiële socialezekerheidsrecht, brengt hij de nationale stelsels van sociaal recht met elkaar in concurrentie. Sociaal recht wordt vermarkt en wordt meegezogen in een negatieve sociale concurrentiespiraal. Een Europese herwaardering van het sociaal recht dringt zich op … en daarvoor moet de suprematie van het marktrecht in vraag gesteld worden. Anders verwoord: de aanzwengeling van de sociale concurrentie door de Europese rechtsorde dient afgestopt. Dit kan evenwel enkel door het nemen van structurele maatregelen, waaronder het wegwerken van de onderschikking van de sociale rechten aan de economische in het primaire Europese Unierecht. Sociale en economische rechten dienen op zijn minst op eenzelfde niveau te komen in de normenhiërarchie.

De oneerlijke sociale concurrentie tussen burgers met zeer lage lonen en zeer weinig sociale bescherming enerzijds en burgers met een meer consistente bezoldiging en sociale rechten anderzijds werd door de uitdenkers van de Europese eenheidsmarkt gewild. Gewild is dus ook de neerwaartse druk op de arbeidsrechten en op de sociale zekerheid van de Europese werknemers. Gewild tenslotte is ook het onderhouden van sociale dumpingpraktijken en het tegenhouden van efficiënte instrumenten om ze te bestrijden. Het massaal uitsluiten van burgers van de arbeidsmarkt en de gestage verarming van de bevolking betreft het glansrijke ‘succes’ van het neoliberale Europa van de eengemaakte markt. Wil men de structurele sociale aderlating stoppen, dient de Europese wetgever het geweer van schouder te veranderen en dienen de basisverdragen van de Unie grondig geamendeerd te worden.9

Hetzelfde kan ook gezegd van de internationale handelsverdragen en van de Wereldhandelsorganisatie, die erop toeziet. Internationale vrijhandel zonder sociale correcties veroorzaakt enkel uitbuiting en uitsluiting van de werkenden ten bate van de internationale handelaars. Om de neerwaartse mondiale sociale concurrentiespiraal te ontmantelen zijn ook hier structurele wijzigingen aan het stelsel van handelstransacties nodig. De internationale arbeidsnormen, ontwikkeld in de schoot van de Internationale Arbeidsorganisatie, wegen jammer genoeg niet op tegen het recht van de Wereldhandelsorganisatie. Sociale correcties aan de mondiale markten dienen dus vooreerst een grondslag te krijgen in het WHO-recht.10

De proliferatie van de sociale concurrentie

Sociale concurrentie gehoorzaamt grotendeels aan het principe van de communicerende vaten. Als de sociale concurrentiedruk wereldwijd verhoogt, verhoogt die ook Europees en nationaal. De nationale instrumenten van beheersing van de sociale concurrentie bezitten nog slechts een beperkte reikwijdte. Het afsluiten van de nationale grenzen voor de markt en de sociale concurrentie betreft dus geenszins een afdoende remedie tegen de sociale afbraak. Zonder aanpak van de transnationale netwerken scheppen nationale maatregelen enkel illusies van oplossingen.11 Transnationale netwerken betreft een algemeen en generiek begrip dat slaat op alle structuren, die over de landsgrenzen heen zorgen voor het (vrij) verkeer van kapitaal, goederen en diensten. Het gaat dus zowel om de beurzen, de multinationale ondernemingen (waaronder de banken) als om de netwerkondernemingen.

De Europese economische integratie en de globalisering brachten een schaalvergroting van de markt en van de sociale concurrentie met zich mee. Markt en concurrentie werden transnationale gegevens. De nationale correctiemiddelen verloren grotendeels hun vat op de economische en sociale verhoudingen. Het nationale correctiesysteem, gebaseerd op een sociale tegenmacht die de politiek aansprak om het economische bij te sturen, had dan wel decennialang lokaal efficiënt gewerkt, het schoot en schiet te kort om de correctie Europees en Internationaal te hernemen. Bevrijd van de druk van de sociale beweging, ontplooit het kapitalisme zich tot het globale economische referentiesysteem met het neoliberalisme als ideologische ondersteuning.12 De kapitalistische productieverhoudingen wegen terug zwaarder door.

Gesterkt door een wereldwijde aanzwengeling van een niet-gereguleerde marktwerking en een bijhorende wildgroei van de (sociale) concurrentie, overheerst de neoliberale ideologie de samenleving. Hierin wordt ze ondersteund door een om zich heen grijpende formattering van de menselijke verhoudingen, dringt het marktmodel zich daarbij als besturingssysteem op aan de verschillende segmenten van de samenleving… met onder meer als logisch gevolg een verbreiding van de concurrentie naar activiteiten en domeinen, die in se weinig uitstaans hebben met het bedrijven van economie of handel, zoals onderwijs of zorg.13 Onder de noemer flexibilisering grijpt ook een gestage individualisering en precarisering plaats. Het liberale arbeidsverhoudingenrecht komt steeds meer terug aan de oppervlakte. De economische vrijheid van arbeid lijkt terug van nooit echt weggeweest …

Vooral onder druk van de Europese beleidsinstanties ondergingen de diverse nationale arbeidsverhoudingenstelsels opeenvolgende flexibiliseringsgolven. Dit geldt uiteraard ook voor het Belgische stelsel. Het neoliberalisme werd de dominante politieke stroming en dit ongeacht de samenstelling van de regeringscoalities. Met de hang naar de terugkeer naar het individuele contractenrecht als constante, nam de flexibilisering vooral de volgende vormen aan: het scheppen van een veelheid aan tewerkstellingsvormen van beperkte duur en van geringe kwaliteit, het terugschroeven van de vastheid van betrekking en de bestaanszekerheid van de meer vaste contracten, een aangehouden loonblokkering, een reducering van bepaalde sociale zekerheidsrechten (werkloosheidsuitkeringen en pensioenen), de inhoudelijke bemoeilijking van de collectieve arbeidsovereenkomsten op sectoraal en interprofessioneel vlak en een aanval op de syndicale actievrijheid.14

Onnodig te preciseren dat het sociaal statuut van de werknemer niet ongehavend uit de confrontatie kwam. De toename van de precaire en kwalitatief slechte contracten nam diverse vormen aan. Toch springen vooral de verbreiding van de vormen van uitzendarbeid (dagcontracten en uitzendarbeid als proeftijd) en de flexi-jobs in het oog. De berekening van de arbeidsduur op jaarbasis en het gradueel verscherpen van de loonblokkering tasten dan weer vooral de vaste contracten aan. Dat de regering Michel met de sociale afbraak nieuwe grenzen overschreed, kan moeilijk betwijfeld worden. Doch kan men evenwel ook niet voorbij aan de vaststelling dat sociaaldemocratische bewindslui in vorige coalities de afbraak hadden ingezet. Men denke onder meer aan de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen. Nog steeds steunend op een beduidend breed draagvlak, slaagde de Belgische arbeidersbeweging er toch nog in om de precarisering van het salariaat en van andere werkenden binnen de perken te houden, maar het water komt velen stilaan tot aan de lippen …

Als prijs voor de sociale bescherming stemde de leiding van de arbeidersbeweging in met een zekere depolitisering van de arbeidsverhoudingen.

Na een decennialange ongecomplexeerde beoefening van een neoliberale marktpolitiek oogsten de beleidsinstanties van de Europese Unie vandaag wat ze met hun concurrentiebeleid gezaaid hebben: een schrijnende sociale uitbuiting van de zwaksten, een massale uitsluiting van vaak vooral jongeren en een algemene verpaupering van de Europese burgers. Meer nog, het zonder scrupules doorgedreven besparingsbeleid leidde tot een verregaande ontaarding van de nationale burgerlijke democratieën … met een aanzwelling van het oorlogverwekkende nationalisme en populisme tot gevolg.

Het behoud van een betekenisvol arbeidsrecht

Om de arbeidsmarkt en de concurrentie sociaal bij te kunnen sturen dienen drie voorwaarden vervuld. Er is vooreerst nood aan een politieke structuur (een Staat), die bij machte is de economische ordening aan te passen en sociaal bij te werken. Voorts is er behoefte aan een burgerschap, dat toelaat de sociale bijsturingen te vertalen naar individuele rechten van werknemers. Maar bovenal moet men kunnen rekenen op een sociale tegenmacht, die sterk genoeg is om de politieke structuur onder druk te zetten de economische ordening sociaal bij te schaven. Sociale tegenmacht betreft een complex gegeven, dat meer omvat dan de syndicale mobilisatiekracht. Meestal bevat de tegenmacht naast een syndicale component ook een politiek, cultureel en zelfs economisch bestanddeel. Het spreekt voor zich dat de staat in eerste instantie de kapitalistische ordening vrijwaart en bevestigt. Een voldoende sterke sociale tegenmacht zal de staat en zijn politieke structuren ertoe brengen de sociale correcties te realiseren. Bovendien is de interventie van de staat technisch noodzakelijk om feitelijke macht om te zetten in geïnstitutionaliseerde macht en dus in rechten. De aldus van de staat afgedwongen rechten schrijven zich evenwel in als een subsysteem van de kapitalistische ordening. Terecht kan trouwens de vraag rijzen of deze sociale correcties niet het perverse effect hebben die ordening nog te versterken ….

Wil men de waardigheid van de werkende mens wereldwijd en dus ook hier verdedigen door de sociale rechten van de werkenden te vrijwaren, dient men resoluut in te zetten op de sociale tegenmacht. Menselijke en maatschappelijke verhoudingen betreffen immers grotendeels machtsverhoudingen. Meer nog, men kan rustig stellen dat macht de ordenende factor bij uitstek vormt in de samenleving. De uitdagingen voor de sociale tegenmacht zijn veelzijdig, complex, maar van levensbelang.

Veelzijdig omdat de tegenmacht zich zowel op het stuk van de arbeidsverhoudingen en productieverhoudingen dient te manifesteren als op het algemene beleidsvlak, zowel actief dient te zijn op het microvlak van de werkvloer en het microvlak van de sociaal verzekerde in zijn relatie tot de staat, als op het macrovlak van de versteviging van de Europese en internationale tegenmachtnetwerken.

Complex, omdat de tegenmachtsvorming en -werking rechtstreeks raakt aan het bedrijven van democratie en omdat hierover nu zeer uiteenlopende opinies in zwang zijn. Complex nog, omdat terecht van de tegenmacht is verwacht dat ze een consequente maatschappijkritiek voert en tegelijk voorstellen uitwerkt voor een meer werkelijk democratisch bestuur. Complex tenslotte, omdat de gevestigde macht waartegen de tegenmacht moet optornen, een monster vormt met vele koppen … lees: het kent verschillende en zeer uiteenlopende verschijningen.

De actie van de tegenmacht heet tenslotte ook van levensbelang te zijn, omdat de sociale tegenmacht een centrale spil vormt in de strijd voor het behoud van duurzaamheid en diversiteit van de planeet in de wetenschap dat deze strijd enkel succesvol kan wezen als de markteconomie kan vervangen worden door een meer geleide economische bestuursvorm. De strijd tegen de klimaatopwarming kan slechts succesvol zijn als de door de wetenschap voorgerekende doelstellingen nauwgezet worden nagestreefd. Een en ander kan slechts in een economisch besturingssysteem dat discipline uitstraalt en zelf verdraagt; en waarbinnen het verwezenlijken van profijt niet langer de voornaamste motivatie is om te handelen. De kapitalistische markteconomie lijkt dus allerminst aan het gewenste profiel te beantwoorden …

Vijf suggesties voor actielijnen

De arbeidsverhoudingen doelbewust politiek kaderen

Het sociale heeft de politiek nodig om het economische bij te sturen. Tot aan de verdwijning in 1989 van de Europese planeconomieën stond de verhouding tussen arbeid en kapitaal permanent en wereldwijd op de politieke agenda. Allicht heeft het bestaan van alternatieven voor het kapitalisme de verwezenlijking van de sociale staat in Europa vergemakkelijkt.15

De sociale grondrechten, die de aspiratie van de minder gegoeden naar meer werkelijke gelijkheid belichamen, geven de limieten aan van wat de sociale beweging binnen de markteconomie kan bereiken. Als prijs voor de sociale bescherming stemde de leiding van de arbeidersbeweging in met een zekere depolitisering van de arbeidsverhoudingen.16 Het patronaat aanvaardde het syndicale feit in ruil voor de acceptatie door de vakorganisaties van de wettigheid van het werkgeversgezag. Lees: de kapitalistische productieverhoudingen mochten door de arbeidersbeweging niet langer in vraag worden gesteld. Over loon- en arbeidsvoorwaarden mocht worden gesproken, overlegd en onderhandeld; over de dominantie van het kapitaal niet. Arbeidsverhoudingen waren syndicaal geworden, productiestructuren werden politiek. Naderhand zullen de arbeidseconomen deze transactie aanwijzen met de term ‘Fordistisch compromis’. Diverse Belgische beleidsteksten verwoorden het compromis. We denken hierbij onder meer aan het Sociaal Pact van 1944, het Beginselakkoord over het statuut van de syndicale delegatie van 1947 (de passus wordt hernomen in de nog steeds van kracht zijnde CAO nr. 5, de Gemeenschappelijke verklaring over de opvoering van de productiviteit, het eerste Interprofessioneel akkoord van 1961, e.a.).

Sociaal-democratische bewindslui hebben in vorige coalities de sociale afbraak ingezet.

Binnen de sociale tegenmacht werd de verhouding tussen de syndicale en een belangrijk deel van de politieke component losser.17 Dit vertaalde zich onder meer in het geleidelijk loslaten door de arbeidersbeweging van een langere termijnvisie en door het afzweren van meer ideologische eisen ten voordele van revindicaties op korte termijn, beperkt tot het onmiddellijk haalbare. Wil de syndicale beweging evenwel inzetten op een versteviging en op een transnationale duurzame mobilisatie van de werkenden, dan is het aanreiken van een langer termijnperspectief onontbeerlijk en dient de strijd voor het behoud van een betekenisvol arbeidsrecht dringend opnieuw politiek en ideologisch gekaderd. Wellicht is het niet onzinvol om opnieuw aan te sluiten bij de syndicale traditie van de BWP en bij de inspirerende teksten van zijn stichting.18 Door te stellen dat rijkdom enkel door de natuur en door de menselijke arbeid tot stand komt, legt het Charter van Quaregnon 1894 reeds het verband tussen het sociale en het ecologische. Ook de verwijzing naar de klassenstrijd heeft de vakbeweging decennialang geïnspireerd. Voorts was er nog de interactie tussen het syndicale en het politieke door de werking van de syndicale commissie in de schoot van de BWP. Het is bijvoorbeeld niet oninteressant te vermelden dat het begrip arbeiderscontrole van politieke herkomst is (Louis De Brouckère), ook al vormt dit al jaren een syndicale eis …

Investeren in de verdieping van de kennis over machtsontwikkeling

Macht wordt doorgaans omschreven als het vermogen van een persoon of organisatie om een ander persoon of organisatie te dwingen te handelen of zich van handelen te onthouden. Macht betreft een verhouding tussen één of meer machthebbers en één of meer machtsonderhorigen. Macht is kadergebonden. Het kader is materieel, temporeel en ruimtelijk bepaald. Macht kan niet zonder dwangmiddel. In arbeidsverhoudingen vormt het dreigen met – of het toebrengen van economische of morele schade een veel gebruikt element van pressie.19 De arbeidersbeweging neemt vaak, steunend op de syndicale vrijheid, zijn toevlucht tot persoonsintensieve dwangmiddelen zoals betogingen, stakingen of bezettingen …20

Macht dient doelmatig te zijn. De aanwending van het dwangmiddel dient aangepast aan het kader en aan de eigenheid van de machtsonderhorige. Macht bezit een veelheid aan verschijningsvormen, die niet steeds op een ruime mobilisering dienen te steunen. Correcte en kaderaangepaste argumenten laten machtsontwikkeling toe. De informatisering van de arbeidsverhoudingen openen allicht nieuwe, soms grensoverschrijdende, perspectieven bij het ontplooien van macht. Het doorbreken van het patronaal opgelegde machtskader vormt in elk geval de eerste opdracht van de tegenmacht, die moet pogen zijn eigen kader door te voeren. Redenen genoeg dus voor de verschillende componenten van de sociale tegenmacht om in te zetten op de kennisontwikkeling over machtsvorming.

Het spreekt voor zich dat de kennisontwikkeling ook het onderzoeken betreft van de mate waarin de syndicale vrijheid kan dienen als rechtsgrond voor nieuwe actievormen, dan wel of dergelijke rechtsgrond dient aangeleverd door andere grondrechten. Stippen we tenslotte nog aan dat ook het ontwerpen van nieuwe structuren voor de tegenmachtsorganisatie de efficiëntie van de macht ten goede kan komen … Maar laat het duidelijk wezen: zonder uitdieping en herstructurering van het tegenmachtsapparaat wordt het ijveren voor het behoud van een consistent en betekenisvol arbeidsrecht bijzonder moeilijk.

De instrumenten van de sociale dialoog ondanks hun gebreken optimaal benutten

De sociale dialoog laat de gesyndiceerde werknemers toe met de werkgever of met zijn organisaties op een gestructureerde wijze te spreken, te overleggen of te onderhandelen over arbeidsverhoudingen op ondernemingsvlak, sectoraal vlak of op interprofessioneel niveau. Collectief onderhandelen vertoont evenwel veel gebreken van diverse aard. Vooreerst is de dialoog al decennialang vervalst door een wet, die flagrant in strijd met de internationale arbeidsnormen de werknemers vrije loononderhandelingen onthoudt. Sedert de bijzondere machtenbesluitgeving van de tachtigerjaren over de loonmatiging heeft de Belgische wetgever de werknemers het recht op vrije loononderhandelingen ontzegd. Wat aanvankelijk aangekondigd was als een uitzonderlijke en tijdelijke maatregel, blijkt achteraf de norm te zijn geworden. Meer nog, gaandeweg is het keurslijf van de geleide loonvorming door diverse wetten nog verder aangespannen.

Door het afzweren van alternatieven voor het kapitalisme werden de vakbonden in het defensief gedrongen.

Voorts vertonen de werkgevers een wisselende bereidheid te onderhandelen, afhankelijk van de regeringssamenstelling. Ook slagen de werknemersvertegenwoordigers er niet altijd makkelijk in om binnen multinationale ondernemingen te overleggen of te onderhandelen met de instantie, die de economische macht over de onderneming voert.21 Verder dient zich nog het prangend probleem aan van de netwerkonderneming, waarvoor het bijzonder moeilijk blijft al het personeel vergelijkbare loon- en arbeidsvoorwaarden te bezorgen.22 Ondanks de onvolkomenheden blijft de boodschap nu al jaren identiek voor de georganiseerde werknemers, met name: alles in het werk stellen om de dialoog in leven te houden. De neoliberalen binnen de EU, de OESO en elders zouden er immers veel voor over hebben de dialoogcultuur te zien opdrogen, om nadien met meer kracht de dialoog te beperken tot het ondernemingsniveau om zo nog maar eens de sociale concurrentie onder werkenden te kunnen aanzwengelen…

De neoliberale ankerpunten binnen de onderneming in het vizier houden

Binnen de ondernemingen berust het neoliberalisme in hoofdzaak op twee ankerpunten: de decadent overbetaalde bedrijfsleider (CEO) en zijn hofhouding van bureaucratievriendelijke kaderleden enerzijds en het HR-beleid anderzijds. De bedrijfsleider en zijn overtallige medewerkers consolideren de positie van de kapitaalinbrengers in de onderneming (en van henzelf) door een doorgedreven bureaucratisering van de leiding en werking van de onderneming. Het HR-beleid stimuleert de sociale concurrentie onder de werkenden om ze beter te kunnen onderdrukken. De objectiviteit, waarin het zich hult, is echter niet veel meer dan schone schijn. De onnoemelijke verbreding van het aantal soorten evaluaties en procedures sterken de bureaucratische onderdrukking van het personeel. Ondanks het feit dat sommige bevoegdheden van ondernemingsraad, welzijnscomité en afvaardiging zich daar uitstekend toe lenen, interpelleren de werknemersvertegenwoordigers de bedrijfsleiding slechts zeer weinig over de neoliberale ankerpunten in het algemeen en het HR-beleid in het bijzonder.23

Een tijdspad uittekenen van revindicaties van diverse aard

De markt was en is nog steeds een grotendeels virtueel gegeven. Van zodra er voor een product een vraag en een aanbod bestaan die elkaar kunnen ontmoeten, kan men gewagen van een markt. De informatisering en de revolutie in het transport faciliteerden de groei van transnationale relaties en transnationale netwerken. Opdat een transnationale markt met de bijhorende transnationale (sociale) concurrentie zouden gedijen, dient er geen formele economische eenmaking aan ten grondslag te liggen. Over de nationale grenzen heen kunnen markt en concurrentie dus groeien met als bijkomend voordeel dat de nationale systemen wereldwijd met elkaar in competitie worden gebracht. De afwezigheid van adequate transnationale politieke structuren effent voor de transnationale netwerken de weg naar een schier zorgeloos bestaan. Het meest in het oog springend voorbeeld van het als het ware ongehinderd handelen van transnationale netwerken wordt geleverd door de GAFA-bedrijven (Google, Amazon, Facebook en Apple). Transnationale netwerken vormen dus gigantische ongecontroleerde machtsconcentraties…24

Sociale tegenmacht vormt de centrale spil in de strijd voor het behoud van de planeet.

Het conform het Fordistisch compromis afzweren door de vakorganisaties van het formuleren van alternatieven voor de kapitalistische productieverhoudingen en het niet meer durven stellen van eisen op langere termijn, houdt de syndicale beweging gevangen in het onmiddellijk haalbare. De beweging werd in het defensief gedrongen. De arbeidersbeweging dient ongecomplexeerd de internationale (WHO) en de Europese vergrendeling (EU) met zijn acties te viseren en verantwoordelijk te stellen voor de wereldwijde sociale uitbuiting en uitsluiting. Er is dringend nood aan een groeipad van lange- en kortetermijneisen. Het lichten van de Europese grendel van de marktorde door het tot stand brengen van een sociaal verdrag vormt duidelijk een terugvordering op een langere termijn, die tevens een langere en allicht complexere tegenmachtsopbouw vergt. Het spreekt voor zich dat het pad ook korte- en middellangetermijneisen, als conjunctuurgebonden eisen bevat. Doch deze krijgen allicht een andere teneur wanneer ze kunnen gekaderd worden in een consequent politieke duiding van de arbeidsverhoudingen en in langere termijnperspectieven.

Footnotes

  1. Deze tekst bouwt verder op standpunten, ingenomen in vroegere publicaties. Veel noten verwijzen dan ook zonder meer naar de vorige teksten. M. Rigaux, “De verzwakking van de rechtspositie van de werknemer: een logisch gevolg van de vrijmaking van de arbeidsmarkt? Een vrij betoog over wezenlijke ontwikkelingen in het arbeidsrecht”, in M. Rigaux en A. Latinne (eds), Actuele problemen van het arbeidsrecht 9, Werknemerschap: een precair statuut in wording?, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2014, p.9 e.v.
  2. Over de kapitalistische grondslag van het arbeidsrecht zie M. Rigaux, Droit du travail ou droit de la concurrence sociale, Essai sur un droit de la dignité de l’Homme au travail (re)mis en cause? Bruxelles, Bruylant, 2009, 217 p.
  3. M. Rigaux, Recht als tegenmacht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, p.33 e.v.
  4. De vrije markteconomie, die op de louter formele vrijheid en gelijkheid berust, werkt zonder meer als een permanente bron van maatschappelijke ongelijkheden en onderdrukkingen. M. Rigaux, Recht als tegenmacht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, p.23 e.v.
  5. M. Rigaux, “De verzwakking van de rechtspositie van de werknemer: een logisch gevolg van de vrijmaking van de arbeidsmarkt”, in M. Rigaux en A. Latinne (eds), Actuele problemen van het arbeidsrecht 9, Werknemerschap: een precair statuut in wording?, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2014, p.1-3
  6. Het geheel sluit aan bij de autonomisering van het individu, dierbaar aan de neoliberale ideologie. M. Rigaux, Tussen burgerschap en sociale concurrentie, Over arbeid in zijn verhouding tot kapitaal doorheen het recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, p. 30 e.v.
  7. Met als spil het sociaal recht van de werknemers, ontwikkelt zich in een latere fase het sociaal recht voor iedereen… en meteen ook de sociale staat. M. Rigaux, Tussen burgerschap en sociale concurrentie, Over Arbeid in zijn verhouding tot kapitaal doorheen het recht, Antwerpen-New York-Oxford, Intersentia, 2004, p.223 e.v. De sociale grondrechten berusten op vier pijlers: een zekere doorbreking van de verzakelijking van de arbeid, de socialisering van arbeidscapaciteit bedreigende risico’s, het aanreiken van openbare diensten en de vrijwaring van het algemeen (sociaal) belang.
  8. M. Rigaux, “De verzwakking van de rechtspositie van de werknemer: een logisch gevolg van de vrijmaking van de arbeidsmarkt?, een vrij betoog over wezenlijke ontwikkelingen in het arbeidsrecht”, in M. Rigaux en A. Latinne (eds), Actuele problemen van het arbeidsrecht 9, Werknemerschap: een precair statuut in wording?, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2014, p.34 e.v.
  9. De inzet van deze wijzigingen is de vrijwaring van het recht op waardigheid van de werkende mens. M. Rigaux, “Labour law or social competition law? The right of dignity of working people questioned (once again) Observations on the future of labour law”, in M. Rigaux, J. Beulens en A. Latinne (eds) From labour law to social competition law, Cambridge-Antwerp-Portland, Intersentia, 2014, p.12 e.v.
  10. M. Rigaux, Droit du travail ou droit de la concurrence sociale?, Essai sur un droit de la dignité de l’Homme au travail (re)mise en cause, Bruxelles, Bruylant, 2009, p.174 e.v.
  11. Macht is immers kadergebonden. Nationaal ontwikkelde macht dient zich te schikken naar de transnationale machtskaders, waarbinnen het evolueert. M. Rigaux, Recht als tegenmacht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 201, p.8-9.
  12. M. Rigaux, “Labour law or social competition law, The right of dignity of working people questioned (once again), Observations on the future of labour law”, in M. Rigaux, J.Buemens en A. Latinne (eds), From labour law to social competition law?, Cambridge-Antwerp, 2014, p.3 e.v.
  13. M. Rigaux, “De verzwakking van de rechtspositie van de werknemer: een logisch gevolg van de vrijmaking van de arbeidsmarkt. Een vrij betoog over fundamentele ontwikkelingen in het arbeidsrecht”, in M. Rigaux en A. Latinne (eds), Actuele problemen van het arbeidsrecht 9, Werknemerschap: een precair statuut in wording?, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2014, p.33 e.v.
  14. M. Rigaux, “De verzwakking van de rechtspositie van de werknemer: een logisch gevolg van de vrijmaking van de arbeidsmarkt. Een vrij betoog over fundamentele ontwikkelingen in het arbeidsrecht”, in M. Rigaux en A. Latinne (eds), Actuele problemen van het arbeidsrecht 9, Werknemerschap: een precair statuut in wording?, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2014, p.30 en 32
  15. M. Rigaux, Droit du travail ou droit de la concurrence sociale?, Essai sur un droit de la dignité de l’Homme au travail (re)mis en cause, Bruxelles, Bruylant, 2009, p.152 e.v.
  16. Een en ander kan onder meer afgeleid uit de inleidende overwegingen bij het Sociaal Pact van 1944. – M. Rigaux, “De beginselen en methodes van paritaire samenwerking”, in M. Stroobant (ed), 50 jaar Sociaal Pact, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu Uitgevers, 1995, p.190 e.v.
  17. Eenzelfde tweedeling vinden we terug in de inleidende tekst van CAO nr. 5, die de basisbeginselen verwoordt van het statuut van de vakbondsafvaardiging. M. Rigaux, “Omtrent de rechtspositie van de vakbondsafvaardiging, Capita selecta, Algemene beginselen”, in M. Rigaux en P. Humblet (eds), Syndicale afvaardiging of de sociale tegenmacht in de onderneming: knelpunten i.v.m. het statuut, Antwerpen-Groningen, Intersentia Rechtswetenschappen, 2001, p.10 e.v.
  18. De syndicale commissie van de Belgische Werkliedenpartij legde het verband tussen het syndicale en het politieke. De commissie coördineerde de actie van de diverse syndicale entiteiten …
  19. M. Rigaux, Recht als tegenmacht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, p.9.
  20. Overtuigen door de correcte en passende argumenten te benutten in het juiste kader betreft in feite ook een vorm van machtsuitoefening. Hetzelfde kan beweerd van de aanwending van wettelijke bevoegdheden door de vertegenwoordigers van het personeel binnen de organen van sociale dialoog in de onderneming.
  21. Vandaar een pleidooi voor een ruimer werkgeversbegrip met een Europese dimensie. M. Rigaux, Tussen burgerschap en sociale concurrentie, Over arbeid in zijn verhouding tot kapitaal doorheen het recht, Antwerpen-Oxford-Portland, Intersentia, 2004, p.141 e.v.
  22. Het pleidooi voor een aangepast werkgeversbegrip omvat ook de problematiek van de netwerkonderneming. M. Rigaux, Tussen burgerschap en sociale concurrentie, p.143 e.v.
  23. Over de nuttige algemene bevoegdheden om tussen te komen inzake het HR-beleid: M. Rigaux, Tussen burgerschap en sociale concurrentie, Antwerpen-Oxford-Portland, Intersentia, 2004, p.95 e.v.
  24. M. Rigaux, Recht als tegenmacht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, 5