Artikel

Wanneer de elite met de regels speelt

Carla Nagels

— 21 juni 2019

De elite, die de normen opstelt, is de eerste om deze normen te overtreden zodra haar eigen belangen op het spel staan. Zij die de regels moeten verdedigen houden haar een hand boven het hoofd.

De grootste ongelijkheid is wellicht de ongelijkheid in het naleven van de regels. Hoe hoger men op de sociale ladder klimt, hoe meer men de regels naar zijn hand kan zetten, hoe minder men op de proef wordt gesteld.
—L. Boltanski1

Deze bijdrage wil aantonen hoe de beroepselites op een speciale manier omgaan met de sociale normen en de administratieve en strafrechtelijke wetten. Het eerste deel toont aan hoe de elites algemene en specifieke regels opstellen; het tweede deel focust op het feit dat zij zelf de regels overtreden maar dat niet als zodanig opvatten, evenmin als de institutionele actoren die de overtredingen moeten aanpakken.

Voor we naar de kern van de zaak gaan, moeten we eerst kort verduidelijken wat we onder het ‘afwijkend gedrag’ van de beroepselites verstaan. Het beroepsmilieu wordt omkaderd door een geheel van reglementaire of juridische normen, waarvan de hiërarchie onduidelijk is. Sommige regels staan op papier maar gelden strikt binnen een bedrijf (gedragsregels, kwaliteitsnormen van een product, enz.). Andere regels zijn geformaliseerd in een rechtsregel die verschillende bronnen kan hebben (administratief, strafrechtelijk) maar die een overtreding uitdrukkelijk bestraft. Dit artikel slaat op alle al dan niet wettelijke, reglementaire normen die de leidende functies (en dus niet de ondergeschikte functies) van een beroepskring aansturen. Leiders zijn personen aan wie anderen (bijvoorbeeld een raad van bestuur) autoriteit hebben gedelegeerd, aan wie men ‘het vertrouwen’ geeft om een beslissingsfunctie te vervullen. Het is dus het niet naleven van de omschrijving van een mandaat en het schenden van het vertrouwen die worden bestraft.

Eenmaal de regels zijn vastgesteld, zet de elite die naar haar hand zodat ze zo goed mogelijk op haar belangen zijn afgestemd.

Wat betekent het overigens om tot de elite te behoren? Een bedrijfsleider behoort er niet noodzakelijk toe, en ook materiële rijkdom volstaat niet. Lid zijn van de elite betekent over een aanzienlijk economisch, cultureel en sociaal kapitaal beschikken,2 op een duurzaam netwerk van kennissen en legitieme en erkende tussenpersonen kunnen rekenen, inzetbare relaties hebben, waarvan elke relatie een geheel van kapitalen bezit, en die een netwerk vormen waardoor de macht van elk lid kan worden vertienvoudigd. Naast dat inzetbare sociale kapitaal bezit de elite ook een groot cultureel kapitaal, omdat ze de belangrijkste klanten van ontwerpers en van de kunstmarkt zijn. De elite kan er ook prat op gaan dat ze, heel dikwijls, hoogwaardige diploma’s heeft van prestigieuze vakrichtingen en instellingen. In feite vormen “het economisch kapitaal, het sociaal kapitaal en het cultureel kapitaal een systeem. […] Omdat de economisch rijkste families ook de meeste kans maken om dat onder de andere vormen te zijn, vindt er een echt samenspel plaats, dat de realiteit van de rijkdom van gedaante doet veranderen. […] De materiële welvaart gaat samen met de elegantie van manieren en uitstraling, gekoppeld aan briljante relaties waarvan het prestige op elk groepslid weerspiegelt.”3

De elites als opstellers van normen

De elite legt per definitie de normen op, of inspireert ze. Alle normen, met inbegrip van de normen die specifiek op haar van toepassing zijn. In de eerste plaats omdat ze regelmatig het politieke domein betreedt, dat als wetgevende macht de regels opstelt. Vervolgens omdat ze dankzij lobbying het opstellen van normen beïnvloedt. De economische wereld heeft altijd actief meegewerkt aan zijn eigen reglementaire kader.

Sinds de Middeleeuwen hebben de economische spelers zich willen beschermen tegen de regels van de gemene justitie door hun eigen gespecialiseerde geschillenregelingen op te stellen, en de bijzondere instellingen om die uit te voeren. Ze verzetten zich niet tegen elke regulering, maar ze wilden die wel blijven controleren. Die instellingen waren samengesteld uit vertegenwoordigers van de Staat, vertegenwoordigers van de betrokken belangengroep en uit deskundigen. De ‘gereguleerden’ maakten op die manier volledig deel uit van de regulerende instanties. De deskundigen, die dikwijls uit de academische wereld kwamen, werden zo een beetje als derde pijler beschouwd, niet zonder een zekere dubbelzinnigheid, want het was uitzonderlijk dat een deskundige niet voor de ene of de andere, of zelfs voor beide had gewerkt. Die gespecialiseerde instellingen hadden nog een andere interessante eigenschap. Ze cumuleerden vaak de drie machten: ze namen deel aan de totstandkoming van de normen (wetgevende macht), ze voerden ze uit (uitvoerende macht) en ze bestraften als de normen niet werden nageleefd (rechtelijke macht).4

Vandaag behoort de elite zowel tot de economische als tot de politieke wereld. Ze kan tegelijk tot beide behoren, zoals blijkt uit het artikel van Marco Van Hees5 waarin hij aantoont dat vele Belgische politieke persoonlijkheden ook verantwoordelijkheid dragen in privébedrijven. Het is trouwens verwonderlijk dat de debatten in België over de transparantie van het politieke leven, als gevolg van de verschillende schandalen (Publifin, De Decker, Samu Social…), zich alleen toespitsten op de kwestie van de cumulatie van openbare mandaten en niet op de cumulatie van openbare en privémandaten, wat al even problematisch lijkt, zo niet meer. De elite maakt vrijwel systematisch afwisselend deel uit van de politieke en van de economische wereld (zie de verkiezing van Emmanuel Macron in 2017, die voordien aan de slag was bij de zakenbank Rothschild & Cie; de Britse oud-premier Tony Blair die adviseur bij de bank JP Morgan en Zurich Financial is geworden; José Barroso die na zijn mandaat als voorzitter van de Europese Commissie naar de zakenbank Goldman Sachs is verhuisd, enz.).

Diverse onderzoeken6 tonen aan dat de elite van de ene in de andere machtspositie stapt en dat die werelden zeer innig met elkaar verbonden zijn. Charles Wright Mills bestudeerde wat hij de ‘machtselite’ noemde (dat wil zeggen de politieke, economische en militaire elite), en toonde al in 1969 aan hoe de culturele en politieke samenhang wordt opgebouwd van die groepen die uit dezelfde scholen komen en in dezelfde kringen vertoeven en met dezelfde mensen omgaan. Hij onderstreept de sociale gelijkenissen en psychosociale raakvlakken van hen die de commandoposten bezetten en “vooral de almaar meer onderling uitwisselbare aard ervan”.7 Daaruit vloeit onvermijdelijk een verloop tussen de verschillende posten en functies voort. Vanuit zijn belangstelling voor de toenadering tussen de politieke wereld en de zakenadvocatenbureaus in Frankrijk8 toont André Vauchez aan hoe het verloop tussen beide werelden sterker wordt sinds het beroep van zakenadvocaat zich diversifieert en meer en meer juridisch advies voor de bedrijven aflevert, zelfs voor ministeriële kabinetten (zoals blijkt uit het schandaal rond de minister van Mobiliteit Jacqueline Galant en het advocatenbureau Clifford Chance in oktober 2015 in België).

Politici zijn gegeerd bij deze advocatenbureaus omdat zij hun een adresboekje en een netwerk aanreiken in het hart van de politiek en de administratie, en hun vermogen om invloed uit te oefenen en te overtuigen, wat zo nuttig is bij het lobbyen, vergroten. Robert Tillman toont aan dat in de VS de uitgaven voor de federale verkiezingscampagnes door de telecomsector gestegen zijn van 17 miljoen dollar in 1990 tot 134 miljoen dollar in 2006.9 Sylvain Laurens, die het lobbyen van de zakenwereld in de Europese instellingen volgt, toont goed aan dat het een weelderig universum omspant. Voor de banksector alleen zijn meer dan 1700 lobbyisten rond de Europese Commissie actief. Voor de zakenwereld gaat het er enerzijds om dat ze haar deel van de Europese subsidies en overheidsopdrachten binnenhaalt, en anderzijds dat ze kan wegen op het normerend kader van de economische markt. De markt en haar regels beïnvloeden is het algemene doel. Voor sommige markten, waarvan de producten onder een strenge controle vallen van volksgezondheid en leefmilieu, wordt er meer gelobbyd dan voor andere. Zo gaf de farmaceutische groep Bayer in 2013 2.760.000 euro uit aan lobbywerk bij de Europese instellingen, terwijl Coca-Cola daar maar 800.000 euro aan besteedde.10

Leden van de elite leren al heel vroeg dat over de institutionele regels kan worden onderhandeld als die hen niet bevallen.

Aandachtig luisteren naar wat de beroepswereld zegt over de wetgeving die haar zal worden opgelegd, is voor de politici des te gemakkelijker te verantwoorden omdat men van mening is dat het advies van de betrokken sectoren nodig is. De elite heeft een zekere invloed op de regelgeving, maar ze doet veel meer dan dat. Eenmaal de regels zijn vastgesteld, zet ze die naar haar hand zodat ze zo goed mogelijk op haar belangen zijn afgestemd, en “worden de regels afwisselend nageleefd, buitensporig aangewend, ontweken of omzeild”.11

Spelen met de regels

Men zou kunnen zeggen dat elke sociale categorie haar misdrijven kent, afhankelijk van de concrete gelegenheden die zich bij de sociale actoren aanbieden. Zo moet men voor fiscale fraude eerst iets hebben om bij de fiscus aan te geven.

Het oordeel dat we vellen over de zaken die ons omringen is noodzakelijkerwijze het resultaat van ons handelen en de sociale verhoudingen waarin dat is ingebed. Leden van de elite vinden dat zij belangrijk zijn. Ze geven duizenden mensen werk en ondersteunen zelfs wereldwijd liefdadigheidswerken. Ze vinden dat ze onmisbaar zijn in het scheppen van de rijkdom. Ze leven ook alsof ze superieur zijn. In feite denkt de elite dat de gewone regels voor haar niet tellen, dat ze erboven staan. Vanaf hun prille jeugd worden ze bij activiteiten betrokken die hun prestaties (op het gebied van taalkennis, gedrag, cultuur, sociale omgang, argumenteren, uitstraling…) moeten versterken en ze bewegen zich in uiterst concurrentiële kringen. Ze menen dat ze het recht hebben om met gezagspersonen te discussiëren, hen ter verantwoording te roepen om hun standpunten en behaalde resultaten toe te lichten, ze vinden het normaal om te onderhandelen over zaken die zij als onwettig zien en om een voorkeursbehandeling te eisen. Hun mening doet er van meet af aan toe en wordt ernstig genomen. Ze leren al heel vroeg dat over de institutionele regels kan worden onderhandeld als die hun niet bevallen.12

De elite is in staat om fiscale fraude om te vormen tot fiscale ontwijking.

In die zin vormt het breken van de regels — hen maar naleven als ze een voordeel bieden — een integraal onderdeel van hun socialisatieproces. Er moeten absoluut regels zijn, maar voor de anderen. Een onderzoek toont aan dat de personen die het meest onwettige manieren goedkeuren om zich te verrijken (door fiscale fraude, cumul van banen, personeel in het zwart tewerk te stellen en trucjes allerhande) hoogopgeleid zijn, bedrijfsleiders zijn of een vrij beroep uitoefenen.13 Dat onderzoek bevestigt een psychosociale studie in de VS14 die een verband legt tussen een gunstig sociaal statuut en de mogelijkheid om de regels te overtreden. De onderzoekers toonden daarin aan dat de elites belangrijke elementen om de situatie te begrijpen achterhouden als die niet in hun voordeel zijn; dat ze bedrog plegen als dat hun winstkansen vergroot; dat ze gemakkelijker andermans eigendom inpikken als hen dat niet rechtstreeks schade berokkent; kortom dat ze afstand nemen van de bestaande normen. “Doordat de leden van de elite sociaal onafhankelijk zijn, lijken zij meer bewogen door hun persoonlijke belangen die als het ware de referentiewaarde worden waarmee ze de moraliteit van hun daden beoordelen.”15

De overgrote meerderheid van inbreuken door de elite in het kader van haar beroepsactiviteiten slaat in werkelijkheid op de definitie van de regels. Die worden als het ware in haar voordeel ‘omgebogen’. De elite is in staat om fiscale fraude om te vormen tot fiscale ontwijking, door bijvoorbeeld een natuurlijke persoon door een rechtspersoon te vervangen, door het onderscheid tussen beroepskapitaal en privévermogen te verdoezelen, of door het rechtstreeks op een akkoordje met de Staten te gooien (Luxleaks). Het debat waarbij men dus probeert een onderscheid te maken tussen ‘afwijkend’ en ‘misdadig’ gedrag is vruchteloos omdat de elite in staat is om delinquentie in afwijkend gedrag te veranderen.

Men moet dus “niet alleen de nadruk leggen op de misdaad maar op het subtiele verschijnsel van de wettelijke ontwijking, onderzoeken hoe de economische elite actief een beroep doet op de instellingen, de ideologieën en de wettelijke methoden om hun immuniteit ten aanzien van de controles te garanderen”.16 Zoals Alexis Spire het zegt: “de overheersers […] weten dat een regel nooit los kan worden gezien van zijn context en altijd vatbaar voor interpretatie is, en dat het erom gaat die interpretatiemarge zo te richten dat ze het best met hun eigenbelang overeenstemt”.17 Wat het overtredingsgedrag van de beroepselite fundamenteel onderscheidt van het overtredingsgedrag van de volksklassen is dat “in plaats van te worden herleid tot een uitdrukkelijke wetsovertreding, [zij] er alles aan kunnen doen om het recht naar hun hand te zetten en de wet te verdraaien om actief met de grenzen tussen conform gedrag en afwijkend gedrag te spelen”.18

Wanneer leden van de elite worden beschuldigd, wanneer ze openlijk als ‘delinquent’ worden betiteld, wijzen ze dat beschamende etiket van de hand. Onderzoek bij opgesloten leden van de elite toont aan dat hun gerechtelijke veroordeling hen niet uit evenwicht brengt.19 Zij menen dat ze moreel hebben gehandeld, in de zin dat ze verantwoordelijkheid hebben opgenomen ten aanzien van anderen (hun gezinnen, maar ook hun werknemers en hun bedrijf), dat ze verkozen de regels te overtreden om hun functie als leider volledig te kunnen vervullen (bijvoorbeeld een financiële balans vervalsen in plaats van personeel te ontslaan). De perceptie die de elite ervaart bij de sociale reactie aan hun adres hangt niet af van de scherpte van die reactie, maar van het niveau van interactie, al naargelang die uit de nabije of verre omgeving komt. Hoe directer de interactie, hoe meer de elites ze beleven als respectvol en welwillend. Dat is het geval voor de interacties met hun gezinnen, hun collega’s, hun naasten, maar ook met hun bewakers en medegevangenen. De interacties met de media en de rechters worden dan weer als misprijzend en bestraffend gezien.

Zelfs in de gevangenis behoudt de elite een superioriteitsgevoel. Ze beschikken over economische, sociale, culturele en emotionele middelen die ze gedurende hun gevangenschap inzetten en waardoor ze bestand zijn tegen de degradatieceremonies. Ze kunnen op duurzame sociale relaties rekenen om een goed beeld van zichzelf te behouden. Eenmaal uit de gevangenis vinden ze overigens zonder veel problemen werk.

‘Normale’ overtredingen

De door de elite begane overtredingen worden vaak door andere instellingen dan de politie vastgesteld en behandeld. Zo is fiscale fraude voor alles een fiscale kwestie; sociale fraude is een zaak voor de sociale inspecties. De meeste van die instellingen stellen de beroepscriminaliteit van de elite echter niet alleen vast, maar leggen ook de sancties op zonder hiervoor de strafrechtbanken in te schakelen. Zo ontmaskerde de Franse fiscus in 2013 16.300 echte fraudeurs (bewuste gebreken) en verwees er maar 1000 naar de correctionele rechtbank, dat wil zeggen iets meer dan 6%. In België verwees de cel grote ondernemingen van de sociale inspectie van de FOD Sociale Zekerheid in 2016 maar 1,5% van de vastgestelde inbreuken door naar de strafrechtbank. Toch was die cel de meest performante, want zij stelde, met weinig behandelde zaken (7% van de zaken van sociale zekerheid), in verhouding de meeste inbreuken vast (84% tegen een gemiddelde van 33% voor alle cellen van die sociale inspectie). Inbreuken die zij zelf regulariseerde (98,5% tegen 64%), goed voor 26% van het totale bedrag dat naar de schatkist ging.20

De overgrote meerderheid van die instellingen meent dat het pedagogische aspect van hun optreden (bv. voor de sociale inspecties) of het restituerende aspect (bv. voor de fiscus) zwaarder moeten doorwegen dan elke andere doelstelling. Het strafwapen wordt als onaangepast beschouwd, zelfs contraproductief in de mate dat het de vertrouwensband tussen de inspecteurs en de geïnspecteerden zou kunnen verbreken. Die diensten zien zichzelf eerder als volwaardige leden van de beroepsgroep die ze reguleren dan als bestraffers.

Naast hun uitdrukkelijke controleopdracht moeten ze impliciet een ander doel dienen: de beroepsgroep vrijwaren. Enerzijds moeten ze de groep beschermen, en anderzijds moeten ze de economische activiteit tegen haar eigen afwijkingen beschermen. Voor die instellingen moeten de bevoorrechte relaties met het milieu dat ze moeten reguleren dus worden gevrijwaard, men moet het “van binnenuit begrijpen”.21 Er heerst overigens een wederzijdse afhankelijkheid tussen de gecontroleerde kringen en de controlediensten, waarbij de individuen in de loop van hun loopbaan vaak van de ene naar de andere kant overgaan. In de Angelsaksische literatuur zegt men dat de reguleringsdiensten worden “gekaapt”. “Onder de advocaten die gespecialiseerd zijn in bijstand bij fiscale controle, vindt men talrijke vroegere belastinginspecteurs die ervoor kozen van kamp te veranderen.”22 Denken we maar aan Macron die zijn loopbaan begon als fiscale inspecteur, vervolgens werd aangeworven door de zakenbank Rothschild & Cie en daarna minister van Economie werd… Het valt dus makkelijk te begrijpen dat de inspecteurs de overtreders niet als misdadigers zien, vooral als die laatsten tot de elite behoren.

Zelfs de actoren van het strafrecht beschouwen de ‘witte boorden’ niet als delinquenten. Een onderzoek in België bevestigt die vaststelling. Dan Kaminski interviewde zowel rechters van gemeen recht als rechters gespecialiseerd in economische en financiële zaken en stelde een “verdeling tussen twee sociale werelden” vast;23 de ‘witte boorden’ werden als ‘normaal’ beschouwd, terwijl de rechters de andere rechtsonderhorigen als ‘buiten de maatschappij’ zien. Laure Baudrihaye24 stelt van haar kant dan weer vast dat de financiële rechters vinden dat de zaken waarmee zij worden belast een lage emotionele last vormen omdat ze maar “om centen” draaien. Een van hen preciseert dat hij voor die specialisatie heeft gekozen “omdat [hij] er niet van houdt om mensen naar de gevangenis te sturen”. Waarmee hij de bijzondere status bevestigt die de magistraten aan dergelijke geschillen toekennen.

Verschillende onderzoeken bestuderen ook de interacties tussen de hoofdrolspelers van een strafzaak (rechter, procureur, burgerlijke partij, verdediging) wanneer de beklaagde welvarend is en wijzen op het duidelijke onevenwicht tussen de partijen. Zo staan op het Wildenstein-proces – een rechtszaak omtrent fiscale fraude – niet minder dan 21 advocaten van de verdediging tegenover de enige advocaat van de administratie en richt de rechter zich beleefd en hoffelijk tot de beklaagde.25

Leden van de elite spelen ook verschillende sociale rollen die ze kunnen aanwenden om
de gepleegde feiten te minimaliseren.

Aangezien de rechtzoekende zich naar de juridische vormvereisten moet plooien, bestaat zijn enige macht erin “er zijn eigen draaiboek in te vinden en zijn sociale, culturele en intellectuele vaardigheden en zijn acteertalent zo goed mogelijk aan te wenden”.26 Het is dus evident dat “een sociaal integere, meer gecultiveerde beklaagde een geloofwaardiger verhaal zal kunnen ophangen. Bovendien zullen zijn waarden, zijn opvatting over het recht en de justitie minder veraf liggen van die van de andere betrokken partijen. Dat zal zijn band met zijn verdediger vergemakkelijken en bijdragen aan een betere verdediging.”27 Maar leden van de elite spelen ook verschillende sociale rollen die ze kunnen aanwenden om de gepleegde feiten te minimaliseren, om aan te tonen dat er een grote kloof is tussen “de kleinheid van de beschuldigingen en de grootsheid van de geviseerde man”,28 zoals Pierre Lascoumes aantoont in het proces van Chirac, waarin de verdediging er voortdurend aan herinnert dat men hier over een oud-president van de Republiek oordeelt die tijdens de inval in Irak het hoofd heeft geboden aan de VS.

Zoals we al hebben gezien, manipuleert de elite niet alleen het recht in haar eigen voordeel, maar, wanneer ze in beschuldiging wordt gesteld, stelt ze het strafrecht in al zijn dimensies in vraag. De kwalificatie van de inbreuken, de realiteit van de feiten, maar vooral de centrale vraag over hun bedoeling zijn zovele elementen die tot verhitte discussies leiden. Hoe ingewikkelder de zaken in elkaar steken, hoe meer die elementen in vraag kunnen worden gesteld, want de verantwoordelijkheid lijkt afgezwakt door een complexe beslissingsketen van vele actoren en vaak meerdere structuren. Het is dus niet ongewoon dat de ‘redelijke termijn’ wordt overschreden, want als er recht moet worden gesproken, moet tussen het begaan van ‘de inbreuk’ en het moment waarop de rechter veroordeelt, de straf nog als relevant kunnen worden beschouwd. Het strafrecht, waarvoor de ‘individuele verantwoordelijkheid’ in het middelpunt van het onderzoek staat, is niet geschikt om dergelijke zaken aan te pakken. Men kan zich afvragen of de filosofen van de Verlichting, die dat strafrecht als een antwoord op de sociale onrust zagen, het niet hebben ontwikkeld naar hun eigen beeld opdat mensen zoals zijzelf zich zo goed mogelijk zouden kunnen verdedigen tegen wat hen bedreigde: de willekeur van de Staat.

Footnotes

  1. Libération, «Interview met Luc Boltanski», 13 september 2013.
  2. Zie in dat verband Pierre Bourdieu en Monique de St-Martin, «Le patronat», Actes de la recherche en sciences sociales, nr. 20-21, 1978, p. 3-82; Pierre Bourdieu, Méditations pascaliennes, Parijs, Seuil, 1997; Michel Pinçon en Monique Pinçon-Charlot, Sociologie de la Bourgeoisie, Parijs, La Découverte, 2007.
  3. Michel Pinçon en Monique Pinçon-Charlot, op. cit., p. 21.
  4. Zie Pierre Lascoumes en Carla Nagels, Sociologie des élites délinquantes, Parijs, Armand Colin, tweede editie, 2018, p. 70-72.
  5. Marco Van Hees, «Les liaisons dangereuses entre mandataires publics et monde des affaires», Bruxelles Laïque Echos, nr. 103, 2018, p. 8-11.
  6. Zie in het bijzonder C. Wright Mills, The power elite. New York, Oxford University Press, 1956.
  7. Idem, p. 303.
  8. André Vauchez, “Élite politico-administrative et barreau d’affaires. Sociologie d’un espace-frontière”, Pouvoirs, nr. 140, 2012, p. 71-81.
  9. Robert Tillman, “Making the rules and breaking the rules: the political origins of corporate corruption in the new economy”, Crime, Law and Social Change, vol. 51, p.73-86
  10. Sylvain Laurens, Les courtiers du capitalisme. Milieux d’affaires et bureaucraties à Bruxelles, Marseille, Agone, 2015, p.138.
  11. Pierre Lascoumes, Élites irrégulières: Essai sur la délinquance d’affaires, Parijs, Gallimard, 1997, p. 232.
  12. Zie Annette Lareau, “Invisible inequality: social class and childrearing”, American Sociological Review, vol. 67, nr. 5, 2002, p.747-776.
  13. Pierre Lascoumes, Le Hay, V. (2010 b), “Tolérance de la fraude et relations de confiance”, in D. Boy, Les Français, des européens comme les autres?, Parijs, Presses de Sciences-Po, p.73-107.
  14. Paul K. Piff, Daniel M. Stancato, Stéphane Côté, Rodolfo Mendoza-Denton, and Dacher Keltner, “Higher social class predicts increased unethical behavior”, Proceedings of the National Academy of Science (PNAS), 2002. Zie www.pnas.org/cgi/doi/10.1073/pnas.1118373109. Raadpleging: 10 mei 2019.
  15. Pierre Lascoumes en Carla Nagels, op. cit., p. 34.
  16. Doreen McBarnet, “Whiter than white-collar crime: tax, fraud insurance and the management of stigma”, British Journal of Sociology, vol. 42, nr.3, 1991, p. 323-344.
  17. Alexis Spire, “Pour une approche sociologique de la délinquance en col blanc”, Champ pénal, vol. X, 2013. Zie https://journals.openedition.org/champpenal/8582.
  18. Anthony Amicelle, “Deux attitudes face au monde. La criminologie à l’épreuve des illégalismes financiers”, Cultures et conflits, 94-95-96, 2014, p.72.
  19. Zie in het bijzonder Michael L. Benson, M.L., Francis T. Cullen, “The special sensitivity of white-collar crime offenders to prison: a critique and research agenda”, Journal of Criminal Justice, vol. 16, 1988, p.207-215.; Sara Willot, Christine Griffin, Mark Torrance, “Snakes and ladders: upper-middle class male offenders talk about economic crime”, Criminology, vol. 39, nr.2, 2001, p.441-466.; Mandeep K. Dhami, “White-collar prisoners’ perceptions of audience of reaction”, Deviant Behavior, vol. 28, 2007, p.57-77.
  20. Cijfers uit het Jaarverslag 2016, gepubliceerd door de Directie-generaal Sociale Inspectie, p.59-83. Zie https://socialsecurity.belgium.be/sites/default/files/jaarverslag-sociale-inspectie-2016-fr_0.pdf. Raadpleging: 10 mei 2019.
  21. Keith Hawkins, “Compliance strategy, Prosecution Policy and Aunt Sally. A comment on Pearce and Tombs”, British Journal of Criminology, vol. 30, nr.4, 1990, p.448-451.
  22. Alexis Spire, op. cit., p.11.
  23. Dan Kaminski, Condamner. Une analyse des pratiques pénales, Toulouse, Erès. 2015, p. 242.
  24. Laure Baudrihaye-Gérard, Les obstacles dans la lutte contre la délinquance économique et financière: confrontation des représentations des magistrats du parquet, du siège et de l’instruction, Mémoire présenté en vue de l’obtention du grade de Master en Criminologie, Bruxelles, ULB, 2016.
  25. Alexis Spire, “Des dominants à la barre. Stratégies de défense dans les procès pour fraude fiscale”, Sociétés contemporaines, nr. 108, 2017, p.41-67.
  26. Françoise Vanhamme, La rationalité de la peine. Enquête au tribunal correctionnel, Brussel, Bruylant, 2009.
  27. Amedeo Cottino, Maria Grazia Fischer, “Pourquoi l’inégalité devant la loi?”, Déviance et Société, vol. 20, nr. 3, 1996, p.199-214.
  28. Pierre Lascoumes, “Élites délinquantes et résistance au stigmate. Jacques Chirac et le syndrome Téflon”, Champ Pénal, X, 2013.