Artikels

Toverkollen tegen globalisering

Raf Custers

— 30 mei 2017

Silvia Federici suggereert in Caliban and the witch om de commons te herontdekken. Vrouwen zijn voor haar de finale hefboom om het kapitalisme in de vuilbak van de geschiedenis te kieperen.

Hadden ze elkaar gekend, dat weet ik zeker, dan zou Erna Claessen door Silvia Federici bewildered geweest zijn. Maar de eerste (mijn moeder) stierf in 2005, 95 jaar oud, een jaar nadat Federici haar boek Caliban and the witch publiceerde. En nu pas maakt die studie bij ons in feministische kringen en daarbuiten furore.

  1. Raf Custers (°1954) is historicus en journalist. Hij werkt als researcher voor de Groupe de recherche pour une stratégie économique alternative (GRESEA). Al dertig jaar maakt hij reportages over volkeren die hun eigen lot in handen nemen.

Beide vrouwen hadden een paar trekken gemeen. Ze zijn allebei dun, klein, frêle, maar ze staan sterk in een mannenwereld. Ze zijn allebei migrant, zij het van een ander kaliber, want waar Federici van het landelijke Italië naar New York migreerde, verhuisde Erna Claessen van een groot dorp tegen de grens met Nederland naar de hoofdstad van de provincie Limburg. Maar vooral omwille van haar leven-in-dienst had Erna Claessen in Silvia Federici een bondgenoot herkend. Geboren op de 11de van de 9de (nine eleven) van ’10 (zo onthield ik dat) moest ze op haar vijftiende van school. De rest van haar leven werkte ze voor het gezin, eerst bij haar moeder, dan bij ons thuis. Loon? Hoezo loon! Ze bracht tien baby’s op de wereld (waarvan er zeven een volwassen leeftijd haalden), ze presteerde het zonder dat ze ervoor betaald werd, en bovendien maakte ze nog de tijd om bij te studeren. Erna had zonder twijfel in Silvia een medestander gevonden. En was dat zo geweest dan had ik niet tot 2016 hoeven wachten om Federici te ontdekken. Soit, beter laat dan nooit.

Geen cadeau’s meer aan het kapitaal

Vijf december 2016. Silvia Federici spreekt in Brussel de Université des Femmes toe, voor een tjokvol auditorium in Amazone, het vrouwenhuis aan de Middaglijnstraat. Twee of drie jaar geleden had dat nog niet gekund. Nu wel. Haar bekendste boek, Caliban and the witch verscheen pas in 2014 in een Franse vertaling.1 Federici wordt nu ook bij ons een bron van inspiratie. Ze vernieuwt voortdurend haar inzichten en spreekt aan als begeesterende, onvermoeibare mobilisatrice: de conferentie duurt drie uur, daarna geeft ze een interview aan twee collega’s en mezelf in het Frans, het Engels, het Italiaans en het Spaans tegelijk. Maar ik verklaar de grote nieuwsgierigheid naar haar onderzoek ook door de woelige tijden. We beleven de langgerekte doodsreutel van het kapitalisme. Dit systeem zit vast, al zijn knelpunten draaien met elkaar in de knoop maar tegelijk groeien er verzetskernen naar elkaar toe, ecologisten, travaillisten, feministen en wij vragen ons af: dit dodelijk systeem willen we niet, wat dan wel?

Silvia Federici heeft geen uitgekiende blauwdruk voor het vervolg, ze ontcijfert wel op haar manier het kapitalisme en ze suggereert dat we best de militante commons herontdekken als een vorm van autonoom samenleven, dat sociaal en solidair is, en oorspronkelijk omdat we het zelf gestalte geven. Die commons zijn overal in het leven geroepen en op diverse momenten in de geschiedenis. Het kapitalisme heeft ze kapotgemaakt, en toch blijven ze in ons collectieve bewustzijn sluimeren, subversief, ondergronds, tijd om ze terug naar het oppervlak te halen en tot antikapitalistische sociale praktijk te maken. Daarrond draait Federici’s levenswerk. Ze heeft het in 2004 een keer samengevat in Caliban and the witch. Dat boek was een tussenstop. In alle artikels, boeken en conferenties die zijn gevolgd, zoekt Federici voort op haar strijdpunt: hoe vrouwen mee dit systeem in de vuilbak van de geschiedenis kunnen duwen. Want vrouwen, stelt Federici, controleren daarvoor de finale hefboom.

Voor Silvia Federici is het huishouden een schakel in de kapitalistische keten, de vrouw wordt geacht arbeidskrachten te kweken, voor die reproductieve arbeid wordt ze niet betaald. In Brussel besluit Federici zo: “Laten we dringend stoppen, met nog maar iets gratis aan het kapitaal te geven.”2 Maar hoe komt ze tot die oproep?

Toen Silvia Federici eind de jaren zestig in de VS aankwam, zette ze het activisme voort waarbij ze al als feministe in Italië betrokken was. Ze werd een spil van het International Feminist Collective. Hier kwamen ervaringen van de antikoloniale strijd samen met het operaismo van Noord-Italië waar stakingen van de fabrieksarbeiders het kapitaal echt pijn hadden gedaan. Voor het Collective draaiden niet alleen de fabrieken maar de hele maatschappij in functie van de kapitalistische productie en de circulatie van goederen. Met dit verschil dat de fabrieksarbeiders vochten voor een loon en het afdwongen ook, terwijl wie in het huishouden stond niets verdiende, ook al was het huishouden een even cruciale schakel in de productieketen. Om dat aan te klagen, begon het Collective begin de jaren zeventig de Wages for Housework-campagne: ook huiswerkers moeten vergoed worden voor hun maatschappelijke rol. Maar, belangrijke beperking: bezie ‘loon voor huiswerk’ niet als een som geld voor geleverde prestaties, denk ook niet dat de strijd gestreden is eens deze eis afgedwongen zou zijn. ‘Loon voor huiswerk’ is geen louter materiële eis, voor Federici is het een politiek en revolutionair perspectief dat een omwenteling teweegbrengt.

‘Loon voor huiswerk’ is geen louter materiële eis, voor Federici is het een politiek en revolutionair perspectief dat een omwenteling teweegbrengt.

Daardoor, zo schrijft ze, moet “het kapitaal verplicht de sociale relaties in ons voordeel te herstructureren”. Vechten voor betaald huiswerk zet ons op weg naar de afschaffing van huiswerk en daartegen is dit economisch systeem volgens haar niet bestand.3

They say it is love. We say it is unwaged work.
They call it frigidity. We call it absenteeism.
Every miscarriage is a work accident.
(Wages against Housework, 1974)

Helemaal nieuw was deze opvatting niet. Maar ze zette wel het feminisme op haar kop, èn dat deel van de marxistische stroming dat enkel aan het fabrieksproletariaat een echt revolutionaire rol toekende. Wages for Housework ging met hen in de clinch. De campagne pikte het niet dat huiswerkers uit de sociale strijd werden weggegomd, alsof ze geen enkele rol speelden in de sociale productie en helemaal buiten de kapitalistische markt stonden. Het is een fictie, zo stelde de campagne, dat het werk en het huishouden, de productie en de reproductie, niets met elkaar te maken hebben. Meer nog, het is voor het kapitalisme een levensnoodzakelijke fictie. Want, stel u een algemene staking van de vrouwen voor, dat ze het werk staken in hun huishoudens, als kokkin, als schoonmaakster, als troost en toeverlaat, maar ook als het lijf waarin een man bevrediging en plezier vindt, en waarop hij zich afreageert: wat een horror voor het kapitaal. Want dan wordt de arbeidskracht in geen enkel opzicht nog ververst en vernieuwd. Maar het kapitalisme onderdrukt die formidabele macht. Terwijl Federici al haar hele leven dit revolutionaire potentieel ontdekt en mobiliseert.4 En haar verhaal slaat in. In Brussel stond de aula voor haar in vuur en vlam.

Lieflijke transities bestaan niet

Haar betoog steunt op diepgravende studie. Silvia Federici maakte daarvoor een lange omweg door de geschiedenis. Ze keerde terug naar de roots van ons systeem en het proto-kapitalisme.

Een tijd terug kreeg ik hieromtrent een tip.5 Die luidde zo: “Kijk, in een verslag van een bezoek (…) aan het biermuseum lees ik dit:

“Het middeleeuwse brouwen was kleinschalig, gebeurde op boerderijen, waar het graanoverschot verwerkt werd voor bier, door de vrouwen. Om de smaak te bepalen, maakten de brouwsters gebruik van ‘gruut’, kruiden die ze zelf verzamelden en werkten ze met spontane gisting. Wie bier te koop had, stak een bezem door het raam om klanten te lokken.

En toen kwam de 16e eeuw, met zijn rationalisme (cogito ergo sum), de reformatie en het proto-kapitalisme. Vanaf nu werd grootschaliger gebrouwen, de natuur werd aan banden gelegd door het uniforme gebruik van hop en reingisten, in de plaats van kruiden en spontane gisting. De middeleeuwse brouwsters werden herdoopt tot heksen, die rond hun pruttelende ketel vergaderden, op een bezem door de lucht vlogen en kruidendranken maakten.”

De steller van het verslag zal het niet beseft hebben, maar dit is pure Caliban and the witch. Want in dat boek legt Federici de omslag bloot, met al zijn radicale consequenties, van de late middeleeuwen en het feodalisme naar het beginnende kapitalisme. Het is – ik condenseer – een omslag van artisanaal naar industrieel, van sociaal naar kapitaal, van vrouwen op de barricaden naar heksen op de brandstapel, in een weergaloze historische en geografische omwenteling, want rond dezelfde tijd beginnen de Europese machten van toen met de onderwerping en uitbating van overzeese kolonies en het verschepen van gratis arbeidskrachten daarnaartoe, de slavenhandel. Een storm, een Tempest van een tijd. Nu is The Tempest de titel van een theaterstuk, geschreven in 1610 door William Shakespeare. Daar haalt Federici het personage uit haar titel. In deze tekst is Caliban ‘een wilde, mismaakte slaaf’.6 Sommigen hebben in Caliban overigens een anagram van canibal gelezen en gedacht dat Shakespeare al vroeg blijk gaf van het racisme dat door de kolonisatie is voortgebracht.

In de 14de eeuw decimeerde de Zwarte Pest zodanig de bevolking dat het herenvolk massaal arbeidskrachten tekort kwam en de arbeiders hun eisen stelden.

Tijdens deze omwenteling transformeert het proto-kapitalisme de samenleving volgens zijn behoeften. Dat gebeurt, zoals tijdens elke structurele revolutie, met geweld. Grootscheeps geweld in dit geval, niet alleen op de slavenmarkten, niet alleen in de kolonies, ook bij ons. Het klinkt paradoxaal maar Silvia Federici vertelt dat ze een enorm plezier heeft geschept in het doorwoelen van de archieven. Want alles wat ze daar vond, was nieuw en opbeurend. Toen ze nog studeerde, was haar nooit verteld hoeveel opstanden er in de geschiedenis hadden gewoed, en hoe vaak die het van de machtigen hadden gewonnen. Maar dat bleek nu net uit de archieven. Hoe ze het opschrijft, maakt van Caliban zo’n fascinerende lectuur. In de late middeleeuwen, zo bleek, duwden de volksmassa’s de rijke klassen compleet in het defensief. Dat begon in de veertiende eeuw (de eeuw van 1302 en ‘onze’ Guldensporenslag). Die eeuw decimeerde de Zwarte Pest zodanig de bevolking van Europa dat het herenvolk massaal arbeidskrachten tekort kwam en de arbeiders hun eisen stelden. Overal leidde dat tot regelrechte klassenstrijd. En overal, aldus Federici, stonden volksvrouwen in de voorste linies.

Maar toen een eeuw later het proto-kapitalisme opkwam, sloeg het net zo heftig terug. Want dit was geen geleidelijke overgang. Federici: “De overgang naar het kapitalisme verliep niet geleidelijk maar was één van de bloedigste en hortendste perioden uit de wereldgeschiedenis.” (p. 62).

“De overgang naar het kapitalisme verliep niet geleidelijk maar was één van de bloedigste en hortendste perioden uit de wereldgeschiedenis.”

Ik vat het graag versimpeld samen: neem één van de vroegste op industriële leest geschoeide kapitalistische activiteiten, de textielindustrie, zij had wol nodig en zij verjoeg de mensen van de gemeenschappelijke gronden – bron van gemeenschappelijke welstand, common wealth – om schapen te kweken, de gronden werden geprivatiseerd, de mensen verloren have en goed, de trek naar de stad begon om nooit meer te stoppen en wie niet gesettled raakte die moest gaan zwerven. Daar ligt de oorsprong van de geslachtsdominantie (tussen über- en onder-genders) die feitelijk productie en reproductie van elkaar scheidt. Het kapitalisme begon winsten op te stapelen, maar Marx, zegt Federici, beschouwde dit proces van primitieve accumulatie “louter vanuit het standpunt van het verloonde industriële proletariaat. (…) Zijn werk vermeldt nergens de diepgaande transformatie die het kapitalisme teweegbracht in de reproductie van de arbeidskracht en de sociale positie van vrouwen.” (p. 63)

[Terloops: ‘primitieve accumulatie’ is het proces waardoor pre-kapitalistische productiewijzen, zoals het feodalisme, tot de kapitalistische productiewijze worden omgevormd. Maar eigen aan dat proces is dat het met grootschalig, ‘primitief’ geweld gepaard gaat: gewelddadige verovering en onderwerping en de fysieke eliminatie van de massa’s die in de weg lopen.7]

Federici hekelt ook dat “Marx’ analyse geen melding maakt van de primitieve accumulatie van de Grote Heksenjacht van de 16e en 17e eeuw, terwijl deze door de staat gesponsorde en door paapse bullen8 gelegitimeerde terreurcampagne volgens haar juist de kern uitmaakte van het verslaan van de Europese boerenstand en hielp om de boeren te verjagen van de gronden die ze ooit gemeen hadden.” (p. 63.9 De Grote Heksenjacht: hier duikt Federici’s meest spectakulaire ontdekking op.

Bezems tegen de globalisering

Silvia Federici blijft, zichzelf getrouw, niet steken in de anekdotiek van toverkollen die op bezems door de lucht scheren, onderweg naar de heksensabbat. Uit haar onderzoek blijkt dat de heksenvervolging een echte femicide is geweest. Hoeveel heksen zijn verbrand? Het blijft een moeilijk punt, erkent Federici (weliswaar in een voetnoot), “maar op basis van de stand van het archiefonderzoek mogen we aannemen dat in drie eeuwen tijd (grosso modo van 1500 tot 1800, RC) ongeveer 200.000 vrouwen beschuldigd zijn van hekserij en een kleiner aantal is omgebracht.” (p. 208) Zelfs al waren het er niet eens half zoveel, het blijft een ontzaglijk cijfer, zodat de term femicide hier op zijn plaats is. De vervolgden pasten niet in de Nieuwe kapitalistische Orde of verzetten zich daartegen. Dat verzet richtte zich vaak tegen de enclosures, het omheinen van gemeenschappelijke gronden voor privégebruik. In Engeland waren de anti-enclosure struggles in de jaren 1500 en 1600 zelfs “de meest gebruikelijke uiting van sociaal protest”. (p. 73).

De heksenvervolging was een echte femicide. In drie eeuwen tijd zijn ongeveer 200.000 vrouwen beschuldigd van hekserij en een kleiner aantal is omgebracht.

Maar voor Federici telt vooral het effect van de transitie naar het kapitalisme en de vrouwenvervolging. De gemeenschappen verloren het gemeengoed waarop ze steunden voor hun overlevingslandbouw, “productie en reproductie vielen niet langer samen, terwijl dat nu juist zo typisch was voor alle samenlevingen die voor eigen gebruik produceren. […] En de scheiding van productie en reproductie schiep een klasse van proletarische vrouwen die net zo bezitloos waren als de mannen maar die, anders dan de mannen, géén toegang hadden tot verloning en dus terechtkwamen in chronische armoede en economische afhankelijkheid en als werkers onzichtbaar werden.” (p. 74-75).

De femicide is nooit opgehouden. In de jaren tachtig begon een nieuwe heksenjacht. “Er bestaan vandaag zelfs kampen waar heksen worden opgesloten”, aldus Silvia Federici in Brussel. In Afrika alleen zijn bijna 20.000 vrouwen omgebracht, verbrand, levend begraven. Het zijn evenveel individuele gevallen, en daarom wordt de slachting zelden opgemerkt. Maar dat is aan het veranderen. In oktober 2016 houden vrouwen in Argentinië een nationale schokstaking nadat de 16-jarige Lucia Perez is verkracht en vermoord. Op dat moment zijn in Argentinië over het hele jaar al 226 moorden op vrouwen geteld.

“De nieuwe golf van vervolgingen van vrouwen, aldus Silvia Federici, vindt zijn materiële grondslag in de globalisering: de landroof en de privatisering van gronden, de vernietiging van de gemeenschapssystemen en de uitbreiding van het monetaire regime.” Globalisering – een holistische kolonisatie van alles door het grote geld – betekent ontworteling en ontheemding. Ze verbijstert hele regio’s van de aardbol.

De commons: instrumenten voor de omwenteling

Toen Silvia Federici in de jaren tachtig veldwerk deed in Nigeria zag ze met eigen ogen hoe de globalisering het landelijke leven kapotmaakte. “Ik kende dat leven”, zegt ze tijdens ons interview. “Mijn moeder was één generatie van het boerenleven verwijderd. Ik herinner me dat zij vroeg, tijdens de grote fabrieksstakingen: maar wat met de boeren? Ik was toen zestien. Dus als kind ving ik verre echo’s op van het leven op het land. Maar pas in Nigeria realiseerde ik me hoezeer mensen met het land verbonden konden zijn.”

Nigeria was opnieuw een doorslaggevende ervaring. Federici trekt er twee grote lessen uit tijdens ons interview:

“Hier had je een natie waar de meerderheid van de bevolking het land bewerkte. Dat was de situatie in de jaren tachtig. Die band bepaalde wie ze waren, hun cultuur, hun kijk op de wereld en op wat waarde is. Ik gaf er les en sommige collega’s vroegen: hoe kun je nu enkel van een loon leven? Dat geeft toch geen zekere toekomst. De andere les was dat de commons een levende realiteit waren. Ik bestudeerde al een tijd de vrouwenvervolging en de geschiedenis. Maar in Nigeria zag ik dat de band met het land een impact had op het hele sociale weefsel, op hoe mensen met elkaar omgingen. Het gemeenschapsleven zoals ik het in de middeleeuwen beschreef, bestond hier. Mensen komen naar je huis, ze hoeven niet uitgenodigd te worden, ze eten mee; privacy of de privésfeer zijn er heel andere concepten. Dus toen ik terugkwam uit Afrika, ging ik de strijd om de reproductieve arbeid veel breder bezien. De strijd om het land, om de overlevingslandbouw, over de vergiftiging van het milieu, het hangt er allemaal mee samen. Als het water wordt vergiftigd, of het land, maakt dat het werk van de vrouwen alleen maar nog harder, nog zwaarder. Want zij moeten ervoor zorgen dat wat ze aan hun kinderen en hun gezinnen voorzetten hen zal voeden in plaats van hen te doden. Dat is vandaag en met concepten over reproductief werk en huiswerk. Huiswerk begint in de melkstal,op het stuk land, de zaden die je plant op het land.”

“Vandaag, zegt Silvia Federici, begrijp ik dat we niet alleen op het vlak van de reproductieve arbeid een revolutie nodig hebben, dat we niet alleen moeten stoppen met de giften die vrouwen door hun onbetaalde huiswerk doen aan de kapitalistenklasse, maar dat we ook een omwenteling nodig hebben om meer sociale en collectieve vormen van reproductie te scheppen. Dat doen we niet alleen door te vragen dat de staat publieke diensten organiseert, maar door samen te komen en te beslissen hoe wij reproductieve arbeid georganiseerd willen zien. We kunnen de reproductie niet reorganiseren als niet beginnen met een proces van herovering van de rijkdom die we niet hebben.” Het is een gevecht op de lange termijn om een andere maatschappij te bouwen. Maar de commons kunnen daarvan nu al een voorafspiegeling zijn. Want, zegt Federici, hoe hard er eeuwenlang ook is ingehakt op gemeenschapsgevoelens en communautaire solidariteit, die zijn niet uitgeroeid maar hielden stand. Of op zijn minst sluimerden ze voort tot ze weer werden wakker gemaakt.

Antikapitalistische commons, zo schrijft Federici, zouden gezien moeten worden “als autonome ruimten vanwaaruit de controle over onze reproductie wordt teruggewonnen èn als uitvalsbasis om de privatisering (enclosure) tegen te gaan en onze levens steeds meer los te maken van de markt en de staat.”10 Hier laat Silvia Federici zich vermoedelijk beïnvloeden door een stroming die onder meer in Zuid-Amerika sterk staat en die de commons als een derde maatschappelijke factor tegenover de onderdrukking van zowel de staat als het kapitaal zet. De vraag of we niet de controle over de staat moeten grijpen en er een echte volksstaat van moeten maken, stelt ze bij mijn weten niet. Terwijl je openbare diensten en gesocialiseerde ondernemingen toch ook als reëel bestaande commons moet bezien.11

De vraag of er geen echte volksstaat moet komen stelt Federici niet. Terwijl je openbare diensten en gesocialiseerde ondernemingen toch ook als reëel bestaande commons moet bezien

De commons dus als ordewoord en toekomstperspectief. Al waarschuwt Federici: the more the commons are attacked, the more they are celebrated. Vrij vertaald: de kringen die het gemeengoed privatiseren en wegvegen, gebruiken de notie van het gemeengoed tegelijk ook voor hun eigen privébelangen. Denk aan de Wereldbank, ook zij schaart zich nu vlotjes achter het ideaal van het gemeengoed. In de salons van de globalisering wordt er bij voorbeeld over het Amazonegebied gepraat als over een deel van de global commons, waarvoor instellingen zoals de Wereldbank zorg moeten dragen, en als het moet in weerwil van de soevereine volkeren en regeringen aan wie het werelderfgoed feitelijk toebehoort.

Nogmaals, buiten het kapitalisme om hebben er talrijke gemeenschapsstructuren bestaan, en er worden er continu nieuwe gemaakt. Denk aan de free software/open source-beweging die een kwarteeuw belangeloos bestaat. Federici heeft het daar niet expliciet over, maar die beweging is wat mij betreft het mooiste niet-materiële commons voorbeeld van dit tijdvak.

Maak deze commons truly transformative, schrijven Silvia Federici en George Caffentzis in een recent artikel. Maak er dus geen instrumenten van een ‘menselijk kapitalisme’ van, maar maak ze antikapitalistisch. En zet ze in voor de realisatie van een niet-kapitalistische wereld.12

  1. Camille Barbagallo en Silvia Federici brachten een dertigtal artikels van henzelf en anderen uit de jaren 1970 tot 2012 samen in een bloemlezing onder de titel Care work and the commons. Ze verscheen in The Commoner, nr. 13, winter 2012. De publicatie is online te vinden op http://www.thecommoner.org of http://www.commoner.org.uk.

Footnotes

  1. Ik citeer verderop uit: Silvia Federici, Caliban and the witch. Women, the body and primitive accumulation, tweede herziene uitgave, Autonomedia, New York, 2014, 284 p.
  2. Met dank aan Antoinette Brouyaux voor haar nota’s van Federici’s conferentie van 5 december 2016 in Brussel.
  3. Silvia Federici, Wages against Housework, 1974.
  4. In 2012 bundelde ze haar inzichten opnieuw in Silvia Federici, Revolution at Point Zero: Housework, Reproduction, and Feminist Struggle, PM Press, 2012.
  5. Voor dit artikel leverden verscheidene zangeressen en zangers van het Brussels Brecht Eisler-koor tips en inspiratie.
  6. De typering “een wilde, mismaakte slaaf” staat in De Storm, de vertaling van The Tempest van Shakespeare die Gerrit Komrij in 1990 uitgaf bij Bert Bakker.
  7. Encyclopedia of Marxism, marxists.org.
  8. Eén van de vroegste maar zeker de meest beruchte is de Malleus Maleficarum, de ‘Heksenhamer’ uit 1486.
  9. Silvia Federici krijgt kritiek voor haar begrip van primitieve accumulatie. Gilles Dauvé bij voorbeeld schrijft: “Haar analyse van primitieve accumulatie komt voort uit een opvatting over het kapitalisme die mijlenver van die van Marx staat.” Zie hiervoor Gilles Dauvé, Federici versus Marx, Troploin, herfst 2015. Zie: https://thecharnelhouse.org/2015/11/28/federici-versus-marx/.
  10. George Caffentzis en Silvia Federici, “Commons against and beyond capitalism”, in Community Development Journal, Vol. 49, nr. S1, januari 2014, p. 92-105.
  11. Voor een conceptueel kader, zie: http://www.soulpress.be/Commons%2C%20cadre%20conceptuel.
  12. George Caffentzis en Silvia Federici, op. cit.