|
Een van de felle tegenstanders van deze landaankopen was Tecumseh. Hij stelde dat de grond toebehoorde aan alle inheemse volkeren samen en dus onverkoopbaar was. Dit Shawnee-opperhoofd, geboren in 1768, ontmoette in 1810 William Henry Harrison, de latere president van de Verenigde Staten, om de annulering van een verkoopverdrag te eisen. Toen Harrison weigerde, dreigde Tecumseh met oorlog en trok hij het continent rond op zoek naar bondgenoten. Zijn plan voor een inheemse confederatie ging de geschiedenis in als de Opstand van Tecumseh en duurde twee jaar. Tijdens die reizen ontmoette hij ook de Osage in het huidige Oklahoma. Zonder het woord expliciet te noemen, klaagde hij de genocidale plannen van de bezetter aan. Tecumseh wist 3.500 krijgers achter zijn zaak te scharen. Toen in 1812 de oorlog uitbrak tussen de Britten en de Verenigde Staten, koos hij de kant van de Engelsen om zijn echte vijand te bestrijden: de Amerikaanse kolonist. In 1813 sneuvelde Tecumseh in de strijd. Met hem stierf ook zijn droom van een confederatie. Eind jaren 1830 werden de laatste Shawnee uit Ohio hardhandig verdreven naar het gebied ten westen van de Mississippi. President Jackson lapte de beloften van Jefferson aan zijn laars en palmde de inheemse gronden in via dreigementen, gedwongen verkoop en afgedwongen verdragen. Tecumseh blijft een spilfiguur in de geschiedenis van de inheemse Amerikanen. Omdat hij vaak werd geëxotiseerd als de ‘nobele wilde’, was het lang moeilijk om feiten van fictie te scheiden. Toch is Tecumseh wel degelijk het symbool van een 19e-eeuwse strijd tegen imperialisme en genocide. |
Broeders, wij zijn vrienden, wij moeten elkaar bijstaan om onze lasten samen te dragen. Het bloed van velen van onze vaderen en broeders is als water over de grond gevloeid om de hebzucht van de blanken te stillen.
Wijzelf worden bedreigd door een groot kwaad; niets zal hen sussen behalve de vernietiging van alle rode mensen. Broeders, toen de blanken voor het eerst voet op onze gronden zetten, hadden zij honger, zij hadden geen plek om hun dekens uit te spreiden of hun vuren aan te steken. Zij waren zwak, zij konden niets voor zichzelf doen. Onze vader had medelijden met hun nood en deelde vrijgevig met hen wat de Grote Geest aan zijn rode kinderen had gegeven.
De blanken zijn geen vrienden, niets zal hen meer tevredenstellen dan het geheel van onze jachtgronden.
Zij gaven hen voedsel als ze honger hadden, medicijnen als ze ziek waren, spreidden huiden uit zodat ze konden slapen en gaven hen grond zodat ze konden jagen en maïs konden verbouwen. Broeders, de blanken zijn als giftige slangen: wanneer ze bevangen zijn door de kou, zijn ze zwak en ongevaarlijk, maar schenk hun warmte en ze steken hun weldoeners dood. Het blanke volk kwam in zwakte onder ons en nu wij hen sterk hebben gemaakt, wensen zij ons te doden of ons terug te drijven, zoals ze dat met wolven en panters zouden doen. Broeders, de blanken zijn geen vrienden van de Indianen: in het begin vroegen ze slechts voldoende land voor een wigwam, nu zal niets hen meer tevredenstellen dan het geheel van onze jachtgronden, van de opkomst tot de ondergang van de zon. Broeders, de blanken willen meer dan onze jachtgronden, ze wensen onze krijgers te doden, ze zouden zelfs onze oude mannen, vrouwen en kinderen doden.

Broeders, mijn volk wenst vrede. Alle rode mensen wensen vrede, maar waar de blanken zijn, is er geen vrede voor hen, tenzij aan de boezem van onze moeder.
Broeders, de blanken verachten en bedriegen de Indianen, ze misbruiken en beledigen hen, ze vinden de rode mensen niet goed genoeg om te leven. De rode mensen hebben vele en grote onrechtmatigheden verdragen, ze zouden deze niet langer moeten dulden. Mijn volk zal dat niet doen, zij zijn vastberaden op wraak, zij hebben de tomahawk opgenomen, zij zullen deze vetmesten met bloed, zij zullen het bloed van de blanken drinken.
Broeders, mijn volk is dapper en talrijk, maar de blanken zijn te sterk voor hen alleen. Ik wens dat u samen met hen de tomahawk opneemt.
Als wij ons allen verenigen, zullen wij ervoor zorgen dat de rivieren de grote wateren kleuren met hun bloed. Broeders, als u zich niet met ons verenigt, zullen zij eerst ons vernietigen en daarna zult u een gemakkelijke prooi voor hen zijn. Zij hebben vele naties van rode mensen vernietigd, omdat ze niet verenigd waren, omdat ze geen vrienden van elkaar waren. Broeders, onze Grote Vader, over de grote wateren, is vertoornd op de blanken, onze vijanden. Hij zal zijn dappere krijgers tegen hen sturen, hij zal ons geweren sturen en wat we ook maar wensen — hij is onze vriend en wij zijn zijn kinderen.
Broeders, wie zijn de blanken dat wij hen zouden vrezen ? Zij kunnen niet snel rennen en zijn een gemakkelijk doelwit om op te schieten: het zijn slechts mensen, onze vaderen hebben er velen gedood, wij zijn geen squaws en wij zullen de aarde rood kleuren met bloed.
Broeders, wij moeten verenigd zijn, wij moeten dezelfde pijp roken; wij moeten elkaars strijd uitvechten en bovenal moeten wij de Grote Geest liefhebben: hij is voor ons, hij zal onze vijanden vernietigen en al zijn rode kinderen gelukkig maken.
Toen de Amerikaanse kolonisten in 1776 hun onafhankelijkheid uitriepen, waren ze met amper 4 miljoen. Tegen 1830 was dat aantal al opgelopen tot 13 miljoen. In 1791 stelden Knox en Jefferson nog dat de inheemse bevolking recht had op haar grond en met rust gelaten moest worden. De druk van de kolonisten nam echter snel toe. Dat dreef de federale overheid ertoe om in 1803 Louisiana van Frankrijk te kopen en de oorspronkelijke bewoners gedwongen naar die nieuwe gebieden te verhuizen, terwijl hun eigen gronden werden opgekocht.

