Artikel

Tegenstellingen van kunstmatige intelligentie

Larry Lohmann

—30 december 2021

Nu het kapitaal, met massale staatsbemoeienis in de rug, de digitale weg inslaat, is het van cruciaal belang te weten dat het daarbij geen enkele van zijn fundamentele tegenstellingen achter zich laat.

Sinds de 19e eeuw heeft de politieke strijd er herhaaldelijk toe geleid dat linkse bewegingen houvast gingen zoeken in de almaar toenemende nieuwe tegenstellingen van de kapitalistische industriële mechanisering en haar verhouding tot arbeid en energie. Die onderzoeken en experimenten, waaraan ook Karl Marx, een van hun grote pioniers, ternauwernood was toegekomen, blijven echter fragmentarisch en omstreden.1 De crisissen die nu worden veroorzaakt en verergerd door de eenentwintigste-eeuwse digitale mechanisering, stellen enerzijds links voor nieuwe raadsels maar bieden anderzijds wel kansen om een nieuw licht te werpen op deze langere geschiedenis van de automatisering.

In dit essay zetten we drie argumenten uiteen als antwoord op die uitdagingen. Ten eerste: met het oog op de organisatie van bewegingen kan het nuttiger zijn de nadruk te leggen op de continuïteit tussen waardecreatie in het industriële tijdperk en in het digitale tijdperk, dan alleen de aandacht te richten op de verschillen. Ten tweede: de tegenstelling tussen levende en dode arbeid, die Marx in de 19e eeuw signaleerde, blijft niet alleen aanwezig tot in de uithoeken van de huidige digitale economie, maar blijft ook van fundamenteel belang om zowel de crisis te begrijpen als de kansen te ontwaren om radicale politieke verandering te realiseren. Ten derde: het zou voor links strategisch zinvoller kunnen zijn de opmerkelijke vernieuwingen van Big Tech van de afgelopen tien jaar op het vlak van automatisering te benaderen als een nieuw niveau van mechanisering van interpretatief werk, dan zich neer te leggen bij mystificerende etiketten als kunstmatige intelligentie [ook AI, artificial intelligence].

De tegenstelling tussen de dode kennis van het kapitaal, weergegeven in algoritmen en computers, en de levende kennis van de arbeid is geen nieuwe vorm van antagonisme die de traditionele tegenstelling tussen dode arbeid en levende arbeid, inherent aan het industriële kapitalisme vervangt.2 Het gaat in wezen om dezelfde tegenstelling. In de 19e eeuw begonnen de kapitalisten te dromen dat het proces van arbeidsdeling in combinatie met de door fossiele brandstoffen aangedreven mechanisering, de vroege stadia vertegenwoordigde van een asymptotische evolutie naar een hypothetische eindtoestand van het kapitalisme waarin alle arbeiders volledig en voor altijd zouden kunnen worden gedekwalificeerd, alle menselijke arbeid zou kunnen worden vervangen, overbodig en waardeloos gemaakt en onder welwillend machinetoezicht tot rust zou mogen komen. Alle kennis zou dan kunnen worden overgebracht naar zichzelf voorzienende machines, die al dan niet onder controle zouden blijven van de kapitalisten, wier gedrevenheid, vindingrijkheid en zelfdiscipline zogezegd aan de basis van hun ontstaan zou liggen. Hadden de arbeidersbewegingen met die fantasie ingestemd, het zou je reinste zelfmoord zijn geweest.

De continuïteit tussen waardecreatie in het industriële en het digitale tijdperk onderstrepen kan nuttiger zijn dan alleen de aandacht te richten op de verschillen.

Vandaag de dag zou het evenzeer contraproductief zijn om mee te gaan in wat Aaron Benanav het nieuwe automatiseringsdiscours noemt, dat aanhang vindt bij zowel liberale, rechtse als linkse analisten die beweren dat “we op het punt staan een grotendeels geautomatiseerde maatschappij te bereiken, waarin bijna al het werk zal worden uitgevoerd door uit zichzelf bewegende machines en intelligente computers” en de mens op stal kan worden gezet terwijl het kapitalisme (of het volledig geautomatiseerde communisme) voortbolt.3

Sorry, dit artikel is alleen voor leden. Inschrijven of Login als u al een account hebt.