Artikel

Oorlog en democratie gaan niet samen

Olivier Goessens

—22 juni 2022

De trein van militarisering die met een rotvaart is vertrokken, is gedoemd om te ontsporen. Die evolutie moeten we zo vroeg mogelijk stoppen.

De Europese landen maken enorme sommen belastinggeld vrij om hun militair budget te verhogen. Geld dat niet kan gaan naar een meer sociaal beleid of maatregelen tegen klimaatverandering. Dit gebeurt zonder democratisch debat en midden in een crisis waarbij mensen lijden onder de torenhoge prijzen. Na de injecties voor het redden van de banken en de steunmaatregelen voor de coronapandemie, steken de Europese lidstaten zich op korte tijd een derde keer in de schulden, ditmaal om te militariseren. Die militarisering gaat gepaard met een ideologisch offensief om de geesten voor te bereiden op oorlog. Ondertussen staan grondrechten en democratische vrijheden onder druk.

‘Een nieuw tijdperk’ van militarisering in Duitsland

De militariseringsgolf die Europa overspoelt, betekent een breuk met het verleden, op de eerste plaats in Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog legden de geallieerden een demilitarisering op aan Duitsland. De Duitse militarisering had immers twee keer tot een wereldoorlog geleid. Pas in 1955, toen West-Duitsland aansloot bij de NAVO, werd de Bundeswehr voorzichtig heropgericht. De grondwet legde echter vast dat het nieuwe, veeleer bescheiden leger een strikt defensieve rol zou spelen. Een ander aspect van de demilitarisering was dat een deel van de West-Duitse militaire industrie overschakelde op civiele productie.

Na de hereniging van Duitsland in 1991 bleef de West-Duitse grondwet grotendeels behouden, al moet men het zelfverklaarde ‘Duitse pacifisme’ met een serieuze korrel zout nemen. Zo nam het Duitse leger deel aan meerdere buitenlandse missies van de NAVO. Sommige beperkingen — zoals het verbod op wapenexport naar conflictgebieden — namen de vorm aan van ‘politieke principes’ die te pas en te onpas met de voeten worden getreden. De Duitse militaire industrie keerde nooit terug naar haar vooroorlogse proporties, maar groeide wel uit tot de op drie na grootste wapenexporteur ter wereld (op gelijke hoogte met China). Ondanks druk van de NAVO en herhaaldelijke, haast rituele klaagbedes van Duitse legerofficieren over de ‘armzalige’ toestand van hun leger, is Militarisierung een zeker politiek taboe gebleven. Duitsland investeert bijvoorbeeld per capita minder in defensie dan Frankrijk, het VK of Nederland.

De nieuwe Duitse militaire investeringspolitiek werd zelfs opgenomen in de grondwet, zodat ze buiten de strenge begrotingsregels vallen.

De Russische invasie in Oekraïne werd meteen aangegrepen om dit taboe te slopen en bijna tachtig jaar geschiedenis om te draaien. “Een nieuw tijdperk breekt aan”, zo sprak bondskanselier Olaf Scholz het Duitse parlement toe op 27 februari. Het parlement keurde zijn mega-budget van 100 miljard euro voor wapenaankopen goed. De nieuwe militaire investeringspolitiek werd zelfs opgenomen in de grondwet, zodat ze buiten de strenge Duitse begrotingsregels vallen. Bovenop die eenmalige investering, kondigde Scholz ook aan dat Duitsland zijn defensiebudget structureel optrekt naar 2 % van het bruto binnenlands product. Nog een primeur is dat Duitsland zware wapens — luchtafweervoertuigen en tanks — levert aan een conflictgebied.

Oorlog als businessmodel

De maatregelen wakkerden terstond het ‘patriotisme’ aan bij de Duitse industriëlen. Wapenfabrikanten Rheinmetall, Kraus-Maffei-Wegemann, Heckler & Koch en Rhode & Schwarz staan te watertanden om de nieuwe vrijgemaakte budgetten naar hun boekhouding te transfereren. Vliegtuigbouwer Diehl en het Frans-Duitse Airbus bereiden zich voor om over te schakelen naar militaire productie. Ook andere Duitse multinationals als Volkswagen, ThyssenKrupp en Siemens, die na de Tweede Wereldoorlog op civiele productie terugvielen, zien hoe er gezwaaid wordt met miljarden voor wapen­aankopen en bekijken of ze in een deel van het aanbod kunnen voorzien.

Een heropbloei van de Duitse militaire industrie maakt het moeilijk om terug te keren naar een meer getemperd defensiebeleid. Grote bedrijven zijn namelijk meester in het creëren van vraag voor hun aanbod, zeker als de overheid klant is. De Amerikaanse president Eisenhower waarschuwde hiervoor in zijn afscheidsspeech in 1961. Tijdens de Tweede Wereldoorlog groeide de militaire industrie in de Verenigde Staten uit tot een van de grootste sectoren. Eisenhower zag hoe deze bedrijven na de oorlog invloed uitoefenden op de regering en het congres om militaire contracten te blijven binnenrijven, en bedacht de term ‘militair-industrieel complex’. In de VS groeide dit complex uit tot een van de machtigste belangengroepen, met tentakels in het leger en de academische wereld — een permanente lobby voor bewapening en militaire avonturen. Oorlog is het businessmodel, nodig om producten te testen en te verbruiken.

Francken (N-VA) staat in België bekend als NAVO-havik, die de wenslijsten van het Pentagon braaf voorleest in het parlement.

Sorry, dit artikel is alleen voor leden. Inschrijven of Login als u al een account hebt.