Artikel

Naar het einde van het poldermodel

Door de groeiende ongelijkheid in Nederland groeit de kritiek op het overlegsyndicalisme eigen aan het poldermodel. Het is een verliezersstrategie, want overleg komt op het einde van de strijd, niet andersom.

Nederland kent een lange traditie van overlegsyndicalisme, een aanpak die onze noorderburen gewoonlijk “polderen” noemen. Volgens het Van Dale-woordenboek is de definitie van polderen: 1. proberen om door overleg de problemen op te lossen, 2. eindeloos beraadslagen zonder beslissingen te durven nemen. De ene definitie is iets milder dan de andere, maar het lijkt er sterk op dat geen van beide de werkende klasse vooruit helpt. Het aandeel van de beloning van werknemers in het Nederlandse nationaal inkomen daalde van 71% in de jaren zeventig naar 57% nu, tot groot genoegen van de aandeelhouders die hun kapitaalwinsten omgekeerd evenredig zagen stijgen.1 Deze trend deed zich in heel Europa voor, maar in Nederland het scherpst. De praktijkervaring van drie vakbondsmensen toont dat de strijd van de werkende klasse loont. Ze zijn actief binnen FNV, met één miljoen leden de grootste Nederlandse vakbond.2 De twee andere koepels, CNV en VCP, vertegenwoordigen samen zo’n 600.000 leden.

Ongelijkheid en polderen in vraag gesteld

Een groot deel van Nederland ligt onder het zeeniveau. Eeuwenlang werkte men er aan het winnen van land door terugdringing van de zee. Het poldermodel duidt op de samenwerking tussen alle klassen. Allen samen tegen het water en voor het creëren van polders.3 Men doet daarmee uitschijnen dat alle klassen ook iets te winnen hadden bij dat polderen. In realiteit gingen de gronden en opbrengsten naar leenheren en later de burgerij. De werkende klasse won er weinig of niets bij. Het is illustratief voor het sociaal overleg dat ook de naam poldermodel meekreeg.

Het jaar 1982 is een sleutelmoment. In het Akkoord van Wassenaar verklaren de vakbonden zich akkoord met loonmatiging. De meest tastbare maatregel is de afschaffing van de automatische loonindexering. Andere vormen van loonsverhoging zijn ook uit den boze. In ruil mogen ze over arbeidsduurvermindering onderhandelen. In veel bedrijven gebeurt dat in de vorm van extra verlofdagen. In 1983 ging het op jaarbasis over gemiddeld 2,0 dagen. Een jaar later ging het over gemiddeld 3,1 extra verlofdagen. Arbeidsduurvermindering moest de werkloosheid terugdringen. Een lovenswaardig initiatief, maar ze werd wel betaald door de werkende klasse zelf, in de vorm van loonblokkering. En de werklozen, die kregen vooral deeltijdse en tijdelijke jobs opgedrongen. Goed voor de statistieken, maar niet voor de inkomens van intussen ruim 1,7 miljoen werknemers.4

Sorry, dit artikel is alleen voor leden. Inschrijven of Login als u al een account hebt.