Artikel

De vermarkte gelijkheid

Daniel Zamora

—23 juni 2021

Je kan de belangrijkste beslissingen over ons dagelijkse leven en de samenleving in het algemeen niet overlaten aan de markt zonder de kern van democratie aan te tasten.

In de beroemde lezing Citizenship and Social Class, die de Britse socioloog T.H. Marshall in 1949 aan de universiteit van Cambridge gaf, probeerde hij de historische evolutie te schetsen van wat hij “het moderne streven naar sociale gelijkheid” noemde. De lezing zelf was bedoeld als een eerbetoon aan econoom Alfred Marshall. Die had in 1890 zijn Principles of Economics gepubliceerd, een boek dat tientallen jaren lang de grondslag vormde van de discipline en tal van personen enorm heeft beïnvloed, o.a. Arthur Pigou en John Maynard Keynes. Ook T.H. Marshall liet zich door die traditie inspireren, maar zijn ervaringen tijdens de oorlog en zijn kennismaking met de werkende klasse als lid van de Labourpartij hebben eveneens een grote impact op hem gehad. Als econoom geloofde Marshall dat we het sociale vraagstuk konden aanpakken en tegelijk “de vrijheid van de vrije markt” konden bewaren, maar als socioloog was Marshall minder optimistisch.

“Is het echt zo dat we fundamentele gelijkheid kunnen realiseren en behouden zonder aan de vrijheid van de vrije markt te raken? ” Voor hem was dat een retorische vraag: “het antwoord is duidelijk nee”. Volgens hem hadden “burgerschap en het systeem van de kapitalistische klasse” de hele 20e eeuw “oorlog met elkaar gevoerd”. Wat hij bestempelde als “sociaal burgerschap”, streefde er niet enkel naar “de overduidelijke schadelijkheid van armoede bij de laagste rangen van de samenleving te verminderen”, het hield ook in dat “het hele model van sociale ongelijkheid moest worden aangepast”. Dat soort burgerschap mocht geen genoegen nemen met “het verhogen van de vloer in de kelder van het sociale gebouw terwijl de superstructuur ongemoeid wordt gelaten”, het had de ambitie “het hele gebouw te reorganiseren”.

Die visie was in die tijd niet echt uitzonderlijk. Zelfs economen van de neoklassieke strekking, zoals Pigou, gingen uit van het principe dat de staat een grotere rol in de economie moest gaan spelen. En dit om tegemoet te komen aan de sociale noden waaraan de markt niet had kunnen voldoen, en om ervoor te zorgen dat iedereen zijn potentieel volledig zou kunnen benutten. Het idee van herverdeling paste dus in een ruimer kader dat zich niet mocht beperken tot de toegang tot consumptiegoederen, het moest ook inzetten op de toegang tot cultuur, kennis, fatsoenlijk werk en, zoals Pigou schreef, “niet-materiële behoeften zoals de behoefte om deel te nemen aan de samenleving”.

Sorry, dit artikel is alleen voor leden. Inschrijven of Login als u al een account hebt.