Artikel

Meer van hetzelfde, maar anders

Joachim Becker

+

KOEN SMET

— 17 december 2018

Nationalistisch rechts in Europa

Nationalistisch rechts in Europa kent verschillende gezichten en economische programma’s.
Tegenstrategieën moeten met die verschillen rekening houden.

Sinds het einde van het voorbije millennium, in het bijzonder na het uitbarsten van de financiële en economische crisis in 2008, is nationalistisch rechts opnieuw een politieke kracht aan het worden. Dat manifesteert zich niet alleen in de groeiende politieke steun aan traditionele rechts-nationalistische partijen zoals het Vlaams Belang (VB), de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ), Rassemblement National (vroeger Front National), de Lega (Nord) en Prawo i Sprawiedliwość (PiS), maar ook in het feit dat traditionele christendemocratische partijen zoals de Österreichische Volkspartei (ÖVP) en de Christlich-Soziale Union (CSU) steeds meer nationalistische standpunten verdedigen. Niettegenstaande deze algemene trend, heeft nationalistisch rechts in Europa verschillende kleuren en vormen. Dat wordt helemaal duidelijk als je voorbij de overkoepelende xenofobe oriëntatie kijkt en hun politiek-economische posities onder de loep neemt. Waar de meeste rechts-nationalistische partijen beschouwd kunnen worden als eurosceptisch, nemen etno-nationalistische partijen met regionale wortels, zoals de Vlaams-nationalisten in België en de Catalaanse nationalisten in Spanje, een neutralere houding aan tegenover de Europese Unie, maar uiten ze wel kritiek op de bestaande natiestaten.

Voor Europese rechts-nationalistische partijen is etnische competitie de belangrijkste verklaring voor sociale, politieke en economische problemen.1 Zij verwijzen klassen- en andere socio-economische conflicten naar de achtergrond. De concrete politieke programma’s van nationalistisch-rechts omvatten wel uiteenlopende oplossingen, gaande van steun aan binnenlandse kapitaalgroepen tot het versterken van een nationalistisch-exclusieve welvaartstaat.

We vinden de wortels van de socio-economische concepten van nationalistisch rechts in twee politiek-filosofische stromingen: het neoliberalisme en het nationaal-conservatisme. Hoewel de verschillende partijen elementen uit beide scholen combineren, leunen ze door de band genomen wel dichter bij de ene of de andere stroming aan. Daarbovenop zullen we aantonen dat hun programma’s de Europese arbeidsverdeling weerspiegelen. Deze analyse focust op nationalistisch rechts in België, Oostenrijk, Hongarije en Polen, met als hoofdvraag: in wiens belang tekenen regeringen met een sterke rechts-nationalistische inslag hun beleid uit?

Neoliberalisme en nationaal-conservatisme

Binnen nationalistisch rechts bestaan er twee belangrijke stromingen: het neoliberalisme en het nationaal-conservatisme. Het neoliberalisme maakte opmars als een school die zich richtte tegen door de staat aangestuurde hervormingen. In die lijn nam het toonaangevende regulerende instellingen op de korrel en pleitte het voor een alomvattende liberalisering van handel en kapitaalstromen. Volgens Stephanie Mudge2 resulteerde de neoliberale aanpak in “de depolitisering van besluitvorming rond economisch en monetair beleid, en de splitsing tussen de regulerende en de uitvoerende autoriteit – met inbegrip van de creatie van een politiek onafhankelijke centrale bank”. De voorbije jaren is dit op verandering gerichte programma door rechts-nationalistische krachten ingebed in een nationalistisch kader.

Nationaal-conservatieven hebben gewoonlijk een veel sceptischere kijk op de zelfregulerende capaciteiten van de markt. Zoals hun voorlopers in de late 19e en 20e eeuw, vinden zij een proactieve rol van de staat onontbeerlijk om de hiërarchie van sociale klassen en genderrollen in stand te houden. Aangezien zij een rechtse strategie van herpolitisering nastreven, gaan ze gewoon in tegen de neoliberale depolitisering. Tot hiertoe zijn openlijk racistische formaties relatief marginaal en worden ze gekenmerkt door extreme vormen van (veelal cultuurgebonden) racisme en sociale uitsluiting, net zoals door een geweldcultus. In wat volgt schetsen we een ruwe typologie van deze bewegingen gebaseerd op hun visie op de staat, hun sociaal en economisch beleid en hun begrip van nationalisme.

Staatsprojecten

Sinds het prille begin ontwikkelden neoliberale theoretici concepten van wat Supiot “ingeperkte democratie” noemt3, teneinde bemoeienis met economische politiek te voorkomen. Die inperkingen kunnen twee richtingen uitgaan. Enerzijds kan de invloed beperkt worden van personen en organisaties die deelnemen aan democratische processen. Hayek pleitte bijvoorbeeld voor een beperkt stemrecht en zeer lange bestuursperiodes.4 Rüstow, zwaar beïnvloed als hij was door het Duitse interbellum, bekritiseerde de “monopoliemacht” van de vakbonden, het stakingsrecht en het parlementaire systeem in het algemeen.5 Recenter pleitte onder meer Václav Klaus ervoor om de invloed van de civiele samenleving te beperken.6 Anderzijds kan de invloed en macht van verkozen staatsinstellingen ingedamd worden. Dit kan bijvoorbeeld door de staat te onderwerpen aan een set bindende regels, zoals met het Europese Stabiliteits- en Groeipact. Een andere strategie bestaat erin om bepaalde politieke bevoegdheden over te hevelen naar “onafhankelijke” instanties als de Europese Centrale Bank. Door het gezag van de staat te beknotten worden niet alleen technocratische structuren versterkt maar wordt, wat belangrijker is, democratische en parlementaire controle teruggeschroefd.

De nationaal-conservatieve notie van politiek is dan weer niet gericht op depolitisering maar op herpolitisering. Zdzisław Krasnodębski7, een intellectuele vaandeldrager van het Poolse conservatisme, bekritiseert openlijk dat “vrijheid” en niet “de wil van de meerderheid” beklemtoond werd in het liberale publieke debat in Polen. Als antwoord op (neo-)liberale visies op de staat draagt hij republikeinse opvattingen aan. Voor hem zijn actieve burgers en een focus van de besluitvoering op het “algemeen belang”8 centrale kenmerken van het republikeinse denken. Hij verdedigt echter een specifieke vorm van republikanisme die als nationaalrepublikanisme kan omschreven worden, aangezien hij een zeer nauwe relatie voorstaat tussen “demos” en “natie”.9

Dergelijk nationalistisch republikanisme kan mogelijk de deur openzetten naar het delegitimeren van “non-nationale” krachten in de politiek en de civiele samenleving. Sommige protagonisten van nationalistisch rechts zien een “nationaal” politiek mandaat als een onbeperkte volmacht om de nationale wil van de meerderheid op te leggen.10 Dit kan ertoe leiden dat de scheiding der machten in vraag gesteld wordt. Nationaal-conservatieve intellectuelen staan kritisch tegenover de procedurele liberale opvatting van democratie en de liberale neiging tot juridisering. Bijgevolg vormen nationalistische restricties op het vlak van legitieme politieke en sociale actoren, net als de interpretatie van een electorale overwinning van “nationale krachten” als een carte blanche, een centraal en hoogst problematisch kenmerk van nationaal-conservatieve visies op de staat.

Economisch beleid

In haar kern draait de neoliberale doctrine om economische vrijheid en competitie. Het economisch beleid moet beide kernwaarden garanderen door middel van het privaatrecht in plaats van het publiek recht. De drie vuistregels van dit privaatrecht zijn de private eigendom, de contractvrijheid en burgerlijke aansprakelijkheid. Vanuit dit standpunt zetten neoliberalen zich af tegen het minimumloon,11 aangezien dit indruist tegen de contractvrijheid. Zij wensen regels gebaseerd op kwantitatieve maatregelen, wat beantwoordt aan een technocratische politiek van het getal.

Al in de 19e en het begin van de 20e eeuw steunde het nationaal-conservatisme op concepten uit Duitse denkscholen en een oud institutionalisme die voor de staat een proactieve rol wegleggen in de ontwikkelingsstrategie. Denker in deze traditie Friedrich List vond dat ontluikende industrieën moesten beschermd worden en onderlijnde ook het belang van intersectoriële verbanden. Ook vandaag nog is het nationaal-conservatief economisch denken afgeleid van klassieke economische stromingen die staan voor een selectieve economische bescherming en een pro-actieve rol van de staat. Woźniak12, bijvoorbeeld, ijvert voor een selectieve bescherming gecombineerd met stabilisering van de nationale vraag door sociale politiek.

Sociaal welzijn

Omwille van zijn veronderstelde superioriteit, moet de markt de sociale bijstand organiseren, zo luidt het neoliberale argument. Bijgevolg moeten de meeste sociale diensten (ziekteverzekering, pensioensystemen) gemodificeerd en gecommercialiseerd worden. Het neoliberalisme geeft de staat hoogstens een beperkte rol, om basisbehoeften van de allerarmsten te lenigen. Publieke sociale bijstand moet strikt gericht gebeuren en samengaan met rigoureuze controles. Conservatief sociaal beleid wil sociale risico’s en spanningen verminderen, enerzijds, en bestaande sociale structuren en hiërarchieën in stand houden, anderzijds. De sociale verzekering wordt gezien als de institutionele kern van het sociaal beleid. Het doel om verschillen qua inkomen en sociale status te vrijwaren komt vooral aan het licht in het pensioensysteem.

Nationaal-conservatief sociaal beleid streeft ernaar om “traditionele” genderrollen te behouden of te herstellen en loonarbeid voor te behouden voor mannen. Ook de sociale politiek van het neoliberalisme toont een subtiele vooringenomenheid qua genderrollen. Feministische studies tonen aan dat het aanvullen van ontoereikende sociale dienstverlening op de schouders valt van onbetaalde vrouwelijke arbeid.

Nationalistische denkbeelden

De grondleggers van het nationalisme, zoals Mises, verwierpen heel duidelijk het protectionistisch economische nationalisme uit de traditie van List. Voor hen stimuleert protectionisme tendensen van monopolisering en inefficiëntie. Ze pleitten dan ook voor een vrijhandelsbeleid. Dit gezegd zijnde, kunnen “nationale” economische belangen wel varen bij een vrijhandelsstrategie en kan deze uiteindelijk neerkomen op een verdoken vorm van economisch nationalisme voor dominante economieën. Zoals Schui en Blankenburg al aantoonden13, slaat Hayeks evolutionaire concept van de “spontaan gegroeide orde” een brug tussen neoliberale posities en die van het antimigratie-nationalisme.

Nationaal-conservatief nationalisme, daarentegen, focust op selectieve beschermingsmechanismen die de ontwikkelingen van binnenlandse economische structuren mogelijk maken. In het huidige nationaal-conservatieve debat in Europa blijven protectionistische ideeën echter veeleer vaag. Nationaal-conservatieven bepleiten inperkende maatregelen tegen migratie en baseren zich daarbij gewoonlijk op culturalistische concepten.

De verschillende rechts-nationalistische partijen streven deze twee ideeën niet in hun zuivere vorm na. Ze neigen ernaar om elementen van beide te combineren en leunen gewoonlijk dichter aan bij een van de twee. Rechts-nationalistische partijen in de kernlanden, zoals AfD, FPÖ, N-VA en UKIP, geven in hun programma’s en hun praxis blijk van een duidelijk neoliberale tendens. Zo ook nationalistische krachten in de periferie die de ondergeschikte positie van hun land in de Europese arbeidsverdeling aanvaarden. De Tsjechische Občanská demokratická strana (ODS) en het Slovaakse Sloboda a Solidarita (SaS) zijn voorbeelden van zo’n positionering.

Nationaal-conservatieve posities spelen dan weer een rol voor nationalistische partijen in de-industrialiserende en krimpende kerneconomieën als Italië (Lega) en Frankrijk (FN), en voor nationalistische partijen in de exportgerichte periferie die de status quo (deels) in vraag stellen. Terwijl PiS in hoofdzaak een nationaal-conservatieve koers vaart, staan Fidesz, Lega en FN voor een mix van nationaal-conservatieve en neoliberale stellingnames. In deze gevallen kan echter niet gezegd worden dat het nationaal-conservatisme enkel dient als dekmantel voor het neoliberalisme. Het gaat veeleer om een samenraapsel van elementen uit beide ideologische stromingen, die een “tegenstrijdige eenheid” vormen.14

In wat volgt zullen we ingaan op de beleidspraxis van regeringen met een sterke nationalistische tint in België, Oostenrijk, Hongarije en Polen.

België en Oostenrijk

Economisch hebben België en Oostenrijk enkele belangrijke zaken gemeen. Beide zijn kleine, open economieën. Hun exportgerichte economieën zijn sterk vervlochten met hun grote buurlanden. Kapitaal uit beide landen werd internationaal geïnvesteerd. Oostenrijkse banken hebben een stevige aanwezigheid in Oost-Europa. Het politieke plaatje verschilt echter. De Oostenrijkse FPÖ had al in het centrum van de internationale aandacht gestaan tijdens de eerste ÖVP/FPÖ-regering die gevormd werd in 2000. Nationalistisch rechts in België kreeg heel wat minder internationale aandacht. De sterke positie van de Vlaams-nationalistische N-VA is niet bepaald het onderwerp van internationaal debat of onderzoek. In tegenstelling tot de N-VA, was het rechtsere Vlaams Blok, later Vlaams Belang, wel het voorwerp van vergelijkend onderzoek. De laatste jaren is het VB steeds meer naar de zijlijn verwezen door de N-VA. Deze neoliberale Vlaamse formatie stelt zichzelf voor als gematigder en flexibeler dan andere rechts-nationalistische regeringspartijen.

Sinds 2014 maakt de N-VA deel uit van de Belgische coalitieregering, samen met liberale en christendemocratische partijen. Hoewel de partij afstand deed van de post van eerste minister, weet ze de politieke agenda te bepalen. De N-VA is een outsider binnen de neo-corporatistische regelingen. De partij onderhoudt nauwe banden met de exclusief Vlaamse werkgeversorganisatie Voka, die eveneens buiten het neo-corporatistische kader opereert. In haar discours neemt de N-VA een kritische houding aan tegenover politieke partijen en bepleit ze een belangrijke rol voor technocraten in topposities van het staatsapparaat.15 Haar benoemingspraktijk volgt deze technocratische lijn.

In Oostenrijk hebben de uitgesproken rechtse FPÖ en de christendemocratische ÖVP sterk verschillende partijstructuren. De FPÖ focuste zich steeds op de uitbouw van een slagkrachtige electorale machine. Gezien haar beperkte rol in het Oostenrijkse neo-corporatistische systeem is ze vooral aantrekkelijk voor kiezers met een wrok tegenover neo-corporatistische instituten (de vakbonden, het systeem van de Kamers). De ÖVP daarentegen heeft traditioneel diepe wortels in deze instellingen, vooral in de Kamer van Koophandel en de Economische Kamer van Landbouw.

De huidige ÖVP-voorzitter, Sebastian Kurz, heeft een sterke shift naar zowel neoliberale als neo-nationalistische posities teweeggebracht. Sinds hij in 2017 de partijleiding heeft overgenomen, duwt hij een neoliberale partijhervorming door en gebruikt hij zijn toegenomen invloed om mensen op de lijst te krijgen die hem trouw zijn, en om de positie te verzwakken van de vertegenwoordigers van de op basis van socio-economische krachtlijnen (handel, werknemers, landbouwers) georganiseerde Bünde. Daarmee hebben de krachten met een voorkeur voor “sociaal partnerschap” aan macht ingeboet.16

Kurz heroriënteerde de partij in de richting van het grootkapitaal, vertegenwoordigd door de Industriellenvereinigung (de Vereniging van Industriëlen). Op dit moment steken spanningen de kop op tussen Kurz’ vleugel van de ÖVP, die afstand neemt van het “sociale partnerschap”, en de krachten binnen de ÖVP die de neo-corporatistische akkoorden verdedigen. In lijn met zijn partijhervorming benoemde Kurz technocraten in zijn regering, veeleer dan politieke boegbeelden, terwijl de FPÖ net ervaren politici uitkoos voor haar sleutelposten.

De staatsprojecten van zowel de N-VA als ÖVP/FPÖ zijn sterk neoliberaal gekleurd. De ÖVP/FPÖ-regering, die in 2017 ingezworen werd, koos ervoor om belangrijke wetgeving versneld door te duwen, zonder formele hoorzittingen met experten. Haar strategie wil de neo-corporatistische instituten systematisch verzwakken, in het bijzonder de vakbonden en de Kamer van Arbeid.17 Terwijl de N-VA voorrang geeft aan haar neoliberale doelstellingen, drijft ook haar nationalistische agenda haar afkeer voor sociale partners aan. Aangezien het leeuwendeel van zowel de werkloosheids- als de ziekteverzekering beheerd wordt door de sociale partners, die nog steeds nationaal georganiseerd zijn, beschouwt de N-VA de vakbonden en ziekteverzekeringen als duidelijke tegenstanders. Verder zijn verschillende federale staatsinstellingen, bijvoorbeeld in het culturele en het wetenschappelijke veld, het doelwit van begrotingsbesparingen die aansluiten bij de neoliberale idee van een kleine staat.

Zowel de Belgische als de Oostenrijkse regering streeft een bedrijfsgerichte, neoliberale agenda na op het vlak van economisch en sociaal bestuur. De Belgische regering-Michel identificeerde hoge loonkosten en belastingen als problematisch voor de exportcompetitiviteit. Op fiscaal vlak voerde ze een pakket aan herstructureringsmaatregelen dat inkomstenneutraal zou zijn en daarom “taxshift” werd gedoopt. Het idee was om verschillende maatregelen voor jobcreatie en groeistimulatie door te voeren tussen 2016 en 2020 vastgelegd. Minder sociale bijdragen en belastingen op lonen komen werkgevers en werknemers ten goede maar verlagen ook de regeringsinkomsten en de financiële haalbaarheid van welzijnsplannen. Een verbreding van het basispakket voor de hoogste btw-schijf (21%), een verhoging van de accijnzen en van de belastingen op interesten en dividenden, en het invoeren van een speculatietaks werden verondersteld die verliezen op te vangen.

Recente berekeningen van de Belgische Nationale Bank en de Universiteit van Leuven zijn sceptisch over de resultaten. De jobcreatie is beperkt, de taxshift is niet budgetneutraal en heeft een negatief effect op de overheidsinkomsten. Bovendien is het voor elke econoom met een basiskennis van fiscaal beleid duidelijk dat de shift van directe naar indirecte belastingen negatieve gevolgen heeft voor gezinnen met lage inkomens en de ongelijkheid aanzwengelt. Naast de beruchte taxshift besliste de regering in 2017 om de bedrijfsbelasting gradueel te verlagen tussen 2018 en 2020. Het mag geen verrassing heten dat ook openbare uitgaven onderworpen worden aan bezuinigingen. Naast besparingen in specifieke sociale sectoren (gezondheidszorg), sneed de lopende regering ook in publieke investeringen. Als gevolg van de socio-economische asymmetrie in België draagt Wallonië de zwaarste last van deze herstructureringen en besparingen in de openbare uitgaven.

De ÖVP/FPÖ-regering voerde dan wel al enkele kleinere veranderingen qua fiscale wetgeving door die de bedrijfswereld ten goede komen, de grootste stappen op dit vlak komen er nog aan. Onlangs bevestigde ze haar doelstelling om belastingtarieven te beperken tot 40%, zonder evenwel concrete maatregelen aan te kondigen. De voornaamste bedoeling is om te snijden in de bijdragen aan de sociale zekerheid, wat vanzelfsprekend het sociaal beleid negatief zou beïnvloeden. Tot hiertoe hebben de besparingen vooral toegeslagen in de sociale zekerheid, met name in de werkloosheidsverzekering.

Zowel voor de Oostenrijkse als voor de Belgische werkgeversorganisaties stond de flexibilisering van arbeid hoog op de politieke agenda en hun regeringen kwamen aan die oproep tegemoet. Verandering op het vlak van arbeidsverhoudingen en –wetgeving was een hoofdzaak voor de Belgische federale regering. Om arbeid flexibeler te maken voerde de wet-Peeters van 5 maart 2017 belangrijke wijzigingen door. De wettelijke maximale arbeidsduur werd opgetrokken tot 9 uur per dag en 45 uur per week. Terwijl het wekelijkse gemiddelde van 38 werkuren behouden werd, werd de referentieperiode voor dit gemiddelde opgetrokken naar 12 maanden. De regelgeving die outsourcingsbedrijven verbood om vaste contracten met werknemers af te sluiten werd opgeheven.

Verder werd ook het systeem voor werkloosheidsuitkeringen bijgesteld: terwijl de federale regering de tegemoetkomingen in 2012 (toen nog zonder N-VA-deelname) herstructureerde om sneller naar het minimum te zakken, verstrengde de huidige regering dit systeem verder in 2015. Werklozen werden geconfronteerd met verdere verminderingen en striktere termijnen, wat vooral jonge (hoofdzakelijk Waalse en Brusselse) werkzoekenden trof.

De aanval op arbeid stopte daar echter niet: in 2015 besliste de regering-Michel de automatische loonindexering op te schorten. Bijgevolg zagen Belgische werknemers hun reële verloning dalen met zo’n 2%. Verder topte ze, middels de wet van 27 maart 2017, toekomstige loonsverhogingen af door die nog meer te koppelen aan de evolutie van de lonen in de buurlanden.

De ÖVP/FPÖ-regering van haar kant maakte van de flexibilisering van arbeid een prioriteit en ging een heel stuk verder dan de Belgische. Door middel van versneld doorgeduwde wetgeving verlengde ze de wettelijk toegelaten werkdag tot 12 uur en de maximale werkweek tot 60 uur. Ze beperkte ook de rol van arbeidsraden bij het vastleggen van de arbeidsduur. FPÖ-fractieleider Johann Gudenus benadrukte dat een van de belangrijkste doelstellingen is dat deze raden “hun macht en controlefunctie niet langer zullen kunnen uitoefenen”.18

Hoewel beide regeringen een neoliberale agenda nastreven in hun sociaal beleid, verschillen de prioriteiten. Terwijl de Oostenrijkse regering tot hiertoe focuste op ziekteverzekering, werkloosheidsvergoedingen en publieke dienstverlening, nam de regering-Michel vooral het pensioensysteem onder vuur. Het plan om de pensioensleeftijd geleidelijk te verhogen tot 67 jaar in 2030 dient daarbij als vlaggenschip. Daarbovenop worden ook de mogelijkheden tot vervroegd pensioen verder beperkt. Tegelijkertijd worden mensen naar private pensioenfondsen geduwd, wat de financialisering van het dagelijks leven aanzwengelt. Aangezien de staat zich terugtrekt uit de verzekering tegen levensrisico’s, komt deze last terecht op de schouders van privé-huishoudens.

In haar sociaal beleid voerde de ÖVP/FPÖ-regering als eerste stap een verbredende maatregel door om haar aanzien te verhogen: de introductie van een “familiebonus”, geheel in lijn van haar conservatieve visie op genderrollen. Vooral de middenklasse profiteert van deze belastingbonus. Daarbuiten is het sociaal beleid van de ÖVP/FPÖ-coalitie veeleer op neoliberale leest geschoeid. Besparingen viseren vooral armen en migranten. De Oostenrijkse regering ging al snel snijden in het budget voor werkloosheidsverzekering, en bereidt een grootschalige neoliberale hervorming van het hele werkloosheidssysteem voor. Langdurig werklozen worden doorverwezen naar programma’s van openbare bijstand.19 Dit verergert hun sociale situatie aanzienlijk en verhoogt ook de druk op hen die wel nog werk hebben. De ÖVP/FPÖ-regering is van plan het Duitse Hartz IV-systeem te volgen, dat de precariteit en de sociale polarisatie opdreef.

De veranderingen in het beleid van publieke bijstand treffen in het bijzonder de meest kwetsbare groepen, zoals gezinnen met veel kinderen, migranten en vluchtelingen. De nationalistische uitsluitingsbenadering is een typerend kenmerk in het sociaal beleid van de ÖVP/FPÖ-regering, en de belangrijkste uitdrukking van haar neo-nationalisme. Met de stelselmatige stigmatisering van specifieke groepen migranten tracht de Oostenrijkse regering systematisch de aandacht af te leiden van het antisociaal karakter van haar beleid.

Hongarije en Polen

In de geïndustrialiseerde semi-periferie spelen nationaal-conservatieve elementen een belangrijke rol in de regeringspraxis van rechts-nationalistische partijen. In centraal Oost-Europa streven PiS en Fidesz ernaar de rol van binnenlands kapitaal te versterken. PiS mikt verder op een verbetering van de rol die de Poolse economie speelt in de Europese arbeidsverdeling. Omdat ze alleen regeren, hebben Fidesz en PiS ook meer politieke manoeuvreerruimte dan de FPÖ en de N-VA.

Zowel Fidesz als PiS mikt erop de positie van nationaal-conservatieve krachten in het staatsapparaat te versterken door een rechtse herpolitisering. Met dat doel voor ogen nemen ze een sleutelrol in binnen het staatssysteem. Deze agenda vuurde echter ook de politieke polarisatie aan. Geleidelijk aan gingen deze partijen liberaal-progressieve krachten als hun belangrijkste tegenstanders zien. Sinds de verkiezingsoverwinning van 2010 functioneert de Fidesz als een strak georganiseerde doorgeefband voor de partijleiding met Viktor Órban als middelpunt. PiS is gelijkaardig georganiseerd maar pluralistischer dan Fidesz. Zoals Maciej Gdula benadrukt in zijn boek Nowy autorytaryzm, is PiS erin geslaagd zichzelf te presenteren als een politieke correctie op de heersende machten en “een nieuwe vorm van politieke subjectiviteit”20 te creëren.

Deze partijen streven ernaar om controle te veroveren over sleutelinstrumenten van de staat. Met name het gerechtelijk apparaat wordt op de korrel genomen, aangezien dat hun herpolitiserende ambities kan tegenwerken. Daarom is het voor hen van cruciaal belang om de scheiding der machten af te zwakken. Fidesz’ tweederdemeerderheid in het parlement maakte een nieuwe grondwet van eigen ontwerp mogelijk. PiS legde dan weer het Grondwettelijk Hof aan banden om obstakels in de Grondwet te kunnen omzeilen. Bovendien hebben beide ook pogingen ondernomen om de controle over de media te verscherpen en hebben ze openbare media gedwongen de partijlijn nauwgezet over te nemen. Verder is Fidesz er via gebruiksovereenkomsten en bevriende oligarchen ook in geslaagd controle te verwerven over de meeste private media.21 De partij heeft ook kritische ngo’s aan banden gelegd en hulp aan vluchtelingen gecriminaliseerd als onderdeel van haar agressieve antivluchtelingencampagne.22 Terwijl beide partijen erop uit zijn het veld aan legitieme politieke actoren te beperken tot “nationale” krachten, is Fidesz veel verder de autoritaire richting ingegaan.

De Fidesz-regering heeft de eerdere driepartijenregelingen herhaaldelijk gewijzigd en verzwakt. Ze heeft tevens, zonder veel succes, getracht om een vorm van vakbondscliëntelisme in te stellen. PiS, met haar historische banden met de vakbonden, nam een andere positie in en blies de driepartijenorganen nieuw leven in. Minstens enkele belangrijke wetteksten, zoals een amendement op de arbeidswetgeving, werden geschreven in overleg met vakbonden en werkgeversorganisaties. Deze afwijkende houding van PiS tegenover de sociale partners past in haar pogingen om een bredere sociale consensus te bouwen, ook met minstens een deel van de arbeidersbeweging.

Terwijl Fidesz arbeid systematisch verzwakt heeft als deel van zijn exportdrift, was het PiS-beleid, in de context van een meer naar binnen gerichte accumulatiepolitiek, dubbelzinniger. Voor zowel Fidesz als PiS bestaat de kern van hun economische projecten erin om het evenwicht tussen buitenlands en binnenlands kapitaal te herschikken. Niettemin verschilt hun houding ten overstaan van binnenlands kapitaal. Fidesz bouwt aan een oligarchie die afhangt van de partij (bijvoorbeeld door contracten en vergunningen), terwijl PiS veel lossere banden onderhoudt met lokale kapitaalgroepen.23 Voor beide partijen is het versterken van lokaal kapitaal in de bankensector cruciaal, en dus verhoogden ze het aandeel ervan. De inspanningen van de Fidesz-regering om binnenlands kapitaal op te bouwen beperken zich tot de diensten- en bouwsector, terwijl ze voor de exportproductie blijft aankloppen bij buitenlands kapitaal. De regering beperkte de veranderingen in de basisprincipes van het accumulatiemodel voorlopig tot een aanvaarden van het feit dat de pre-crisis-financialisering gebaseerd op buitenlands kapitaal voorlopig niet kan worden volgehouden. Exportindustrie blijft vooralsnog de steunpilaar van de kapitaalaccumulatie.

In de context van de meer gediversifieerde Poolse economie is PiS dan weer een stuk ambitieuzer. Ze beoogt de technologische basis van de economie te vernieuwen en nieuwe subsectoren te creëren, maar een gebrek aan ontwikkelingscapaciteit verhindert voorlopig de realisatie van grote projecten. In de plaats heeft de PiS-regering de zones van vrije productie opgeschroefd middels lagere arbeids- en andere standaarden. De partij kondigde in haar verkiezingsmanifest ook aan dat ze de regressieve Poolse belastingstructuur zal aanpakken, maar heeft op dit vlak nog geen actie ondernomen. Fidesz voerde belastingen door in subsectoren gedomineerd door transnationaal kapitaal. Daarnaast streeft de Hongaarse regeringspartij een neoliberaal en uiterst regressief belastingbeleid na, zoals geïllustreerd met de invoering van een vlakke inkomensbelasting en aanzienlijke beperkingen op bedrijfsbelastingen.

Beide regeringen trachten de nationale manoeuvreerruimte op economisch vlak te vergroten. Fidesz heeft zijn eerdere plannen om bij de eurozone aan te sluiten opgeborgen, PiS ziet het vrijwaren van de nationale munt als een onontbeerlijke voorwaarde om een autonoom beleid te kunnen voeren.

Inzake arbeids- en sociaal beleid spreiden Fidesz en PiS aanzienlijke verschillen tentoon. De Fidesz-regering heeft arbeidsrechten systematisch verzwakt, drastisch gesneden in werkloosheidsuitkeringen en programma’s voor gemeenschapsdienst uitgebreid. In de armere gebieden van Hongarije functioneert toegang tot deze programma’s als een cliëntelistisch instrument.24 Ook bijdragen aan de sociale zekerheid zijn stevig teruggeschroefd.

Dit alles ligt in de lijn van een duidelijk neoliberaal sociaal beleid. Het gezinsbeleid is het enige sociale beleidsgebied waar Fidesz stevig in geïnvesteerd heeft, met de middenklasse als voornaamste doelgroep. Hoewel de partij traditionele genderpatronen wil herstellen, heeft ze zich tot hiertoe flexibel getoond en haar vooringenomenheid tegen tewerkstelling van vrouwen op een lager pitje gezet.25 De PiS-regering, van haar kant heeft evenzeer stevig ingezet op een gezinsbeleid met een fikse nationaal-conservatieve insteek, evenwel zonder dezelfde klassenoriëntatie. De toelage van 500 zloty per kind na het tweede is voor elke begunstigde gelijk. De Poolse regering zette ook een bouwprogramma op poten voor huurappartementen, zij het voorlopig met een zeer beperkt bereik.

Op vraag van de vakbonden werd de pensioenleeftijd verlaagd tot zijn vroegere niveau. De PiS-regering ondernam tenminste enkele kleine stappen rond precaire arbeid. Haar voornaamste neoliberale beleidsmaatregel bestaat in de versterking van een derde, private zuil in het pensioensysteem.26 Een uitbreiding van sociale maatregelen zwengelt groei meer aan in de veeleer op zichzelf gerichte Poolse economie dan in de sterk exportgerichte Hongaarse. De verschillende benadering van PiS van het sociaal beleid en arbeidsrelaties ligt ook deels in haar historische banden met Solidarność en in een meer inclusieve strategie voor het opbouwen van een sociale basis. Fidesz concentreert zich veeleer op de strikte middenklasse, terwijl PiS probeert om ook arbeiders en armere bewoners van landelijke gebieden te bereiken.

Besluit

De meeste rechts-nationalistische regeringen stellen zich tot doel de macht van de vakbonden af te bouwen en proberen in het bijzonder hun institutionele macht te beteugelen. Dit is een strategisch element van hun exportgericht beleid en een bekommernis die ze delen met de Europese Commissie, die er een neo-mercantilistische strategie op nahoudt, net als met vele andere exportgerichte regeringen in de EU. De vooringenomenheid tegen arbeid zit ingebed in neoliberale beleidsaspecten omtrent staatsprojecten, economische politiek en sociaal beleid.

Neo-nationalistische krachten verbergen deze partijdigheid achter campagnes tegen vluchtelingen en migranten, die vooral in Oostenrijk en Hongarije stevig aantrekken. De PiS-regering in Polen vormt een uitzondering op deze regel: hoewel de Poolse regering niet arbeidsgezind is, staat ze meer open voor vakbondseisen. Dit valt niet alleen te verklaren door de historische banden tussen de nationaal-conservatieve politieke vleugel en Solidarność, maar ook door het grotere belang dat in Polen gehecht wordt aan de binnenlandse markt. Beperkte loonstijgingen en de uitbreiding van het sociaal beleid houden economische groei in stand. Tegelijkertijd laat een meer op het binnenland gericht economisch project meer ruimte voor een conservatief beleid dat net wat inclusiever is dan dat van hun liberale voorgangers.

In de Centraal- en Oost-Europese semi-periferie streven de Fidesz- en PiS-regeringen ernaar de belangen van binnenlands kapitaal tegenover buitenlands kapitaal te bevorderen. Dit is een tegenreactie op het op directe buitenlandse investeringen gerichte beleid dat in Hongarije begon tijdens de vroege, en in Polen tijdens de late jaren 1990. Voor beide regeringen is dat versterken van binnenlands kapitaal in het bankwezen van strategisch belang. Terwijl de PiS-regering deze versterking inbedt in een brede herstructureringsstrategie, beperkt de Fidesz-regering haar aanzwengelen van binnenlands kapitaal in de eerste plaats tot de diensten- en de bouwsector en blijft ze op vlak van exportproductie inzetten op directe buitenlandse investeringen.

Het programmatische en beleidsprofiel van de neo-nationalistische rechtse partijen hangt zowel samen met de positie van hun landen binnen de internationale arbeidsverdeling als met hun eigen doelstellingen. Het speelt ook een rol of ze er in de eerste plaats op mikken om de georganiseerde arbeid terug te dringen, dan wel om de positie van binnenlands kapitaal te verstevigen tegenover buitenlands kapitaal.

In de exportgerichte kernlanden België en Oostenrijk beheersen neoliberale elementen duidelijk de programma’s en de beleidspraxis van de regeringen. Deze staan ten dienste van kapitaal- en exportgerichte strategieën, en nationaal-conservatieve aspecten spelen een kleinere rol. Deze laatste zijn meer uitgesproken in het geval van Oostenrijk, waar de ÖVP/FPÖ-regering terugvalt op een nationaal-conservatief sociaal beleid om “traditionele” genderrollen te herstellen. Beide regeringen trachten de aandacht af te leiden van hun neoliberale inslag en klassenkarakter door de antimigratiekaart uit te spelen. Op dit vlak is de Oostenrijkse benadering een stuk agressiever en openlijker gericht op sociale uitsluiting dan die van de Belgische regering.

De regeringen in Hongarije en Polen vermengen neoliberale en nationaal-conservatieve aspecten. Deze laatste zijn het sterkst aanwezig in Polen. Nationaal-conservatieve elementen dienen, met name in het staatsproject, om macht te veroveren en te behouden. Verder spelen ze een rol in het versterken van de rol van binnenlands kapitaal en, in het geval van de meer op zichzelf gerichte Poolse economie, in het bouwen van een electorale basis die ook de werknemers en de georganiseerde arbeid omvat. Neoliberale beleidsdaden zijn erop gericht de exportsector te verstevigen en komen – vooral op vlak van fiscaal beleid – het kapitaal en de hogere middenklasse ten goede. Fidesz maakt uitgebreid gebruik van agressieve antivluchtelingen- en anti-migratiecampagnes om de aandacht af te leiden van hun tegen arbeid gerichte politiek en om een achterban uit te bouwen. Hoewel antivluchtelingenretoriek PiS niet vreemd is, heeft deze partij in de eerste plaats ingezet op een breder nationaal-conservatief programma en een selectieve uitbreiding van sociale uitgaven om een basis op te bouwen.

Zodoende mikken verschillende elementen van dit neoliberale/nationaal-conservatieve amalgaam op verschillende economische sectoren en sociale klassen. Het respectievelijke gewicht van naar binnen en naar buiten toe gerichte sectoren heeft een impact op de mix van neoliberale en nationaal-conservatieve elementen. Deze laatste hebben tot dusver enkel een wezenlijke rol gespeeld in de Europese periferie.

Neo-nationalistisch rechts is verenigd in zijn roep voor het “verdedigen” van de EU-grenzen tegen vluchtelingen en migranten. Over migratiekwesties zijn ze verdeeld, en dit volgens de tegenstelling tussen kern en periferie. Oostenrijkse en Belgische neo-nationalistische krachten kunnen zich door de band genomen vinden in de strategie van neoliberale integratie. Zij streven een restrictieve lijn na wat transfers naar de periferie betreft. Fidesz en PiS verdedigen weliswaar het (neoliberale) project van de eengemaakte markt, maar willen ondersteuning zien in de vorm van aanzienlijke regionale cohesiefondsen. Zij pleiten ervoor nationale regeringen binnen de EU te versterken en zien het behoud van hun nationale munteenheden als cruciaal om nationale manoeuvreerruimte te vrijwaren. Wat hun discours over veiligheid en de bescherming van de Europese buitengrenzen betreft, zit neo-nationalistische rechts op een lijn. Op andere vlakken vallen echter aanzienlijke verschillen te ontwaren.

Nationalistisch rechts kent verschillende gezichten en economische programma’s, en tegenstrategieën dienen met deze verschillen rekening te houden. Het maakt een verschil of rechts-nationalisten simpelweg neoliberalen in een ander jasje zijn, of daarentegen in de eerste plaats een nationaal-conservatieve agenda nastreven. Tegenstanders moeten kritisch ingaan op de socio-economische inhoud van hun beleid. Het is niet genoeg om hun nationalisme en xenofobie te bestrijden. En geloofwaardige alternatieve projecten voor zowel het euro-neoliberalisme en de nationalistische stromingen zijn hoogdringend nodig.

Deze bijdrage is gebaseerd op Becker, Joachim, ed. (2018): Neo-Nationalismus in der EU: sozio-ökonomische Programmatik und Praxis. Materialien zu Wirtschaft und Gesellschaft No. 179, Vienna: AK Wien

Footnotes

  1. Betrand Badie (in Badie, Bernard/Foucher, Bernard, Vers un monde néo-national. Entretiens avec Gaïdz Minassian, Parijs 2017) gebruikt de term ‘neo-nationalisme’ om deze shift binnen nationalistische partijen te beschrijven. Het concept ‘etnische competitie’ komt van Paul Dirkx, La concurrence ethnique. La Belgique, l’Europe et le néolibéralisme, Parijs 2012.
  2. Stephanie L. Mudge, Leftism Reinvented. Western Parties from Socialism to Neoliberalism, Cambridge/London 2018, p. 59.
  3. Alain Supiot, La gouvernance par le nombres. Cours au Collège de France (2012-2014). Parijs 2015, p. 263.
  4. Friedrich A Hayek, Die Verfassung der Freiheit, Tübingen 1983, p. 125 ev.
  5. Alexander Rüstow, Das Versagen des Wirtschaftsliberalismus, in Alexander Rüstow, Das Versagen des Wirtschaftsliberalismus/Maier-Rigaud, Frank P./Maier-Rigaud, Gerhard: Das neo-liberale Projekt, Mariënburg 2001, p. 19-200, hier pp. 132 ev.
  6. Václav Klaus, “Prežije Evropa současnou migračnou vlnu?”, Literární noviny, nr. 6, 2016, p. 6-7.
  7. Zdzisław Krasnodębski, Demokracja peryferii, Gdańsk 2003, p. 54
  8. Krasnodębski, 2003, p. 299.
  9. Krasnodębski, 2003, pp. 18, 298 ev.
  10. Cf. Bucholc, Marta/Komornik, “Die PiS und das Recht. Verfassungskrise und polnische Rechtskultur”, in Osteuropa, nr. 66 (1-2), 2016, p. 79-93, here pp. 86 f.
  11. Ludwig von Mises, Omnipotent government. The Rise of the Total State and Total War, Auburn 2010, p. 63 ev.
  12. Michał Gabriel Woźniak, “Od kseromodernizacji do odpowiedzialnego rozwoju”, in Michał Gabriel Woźniak, (ed.): Gospodarska Polski 1990-2017. Kręte ścieżki rozwoju, Cracovie, 2017, p. 13-61, hier p. 57 en volgende.
  13. Herbert Schui en Stephanie Blankenburg, Neoliberalismus: Theorie, Gegner, Praxis, Hamburg 2002, p. 168 ev.
  14. Iľja Budraitskis, “Vládne v Rusku naozaj konzervatívny režim?” in kapitál, nr. 8, 2018,
    p. 6-7, hier p. 7.
  15. Ico Maly, N-VA. Analyse van een politieke ideologie, Berchem 2012, p. 523.
  16. Erwin Riess, “Der Triumpf des ‘Donaumessias’“, in junge welt, 21/22 oktober 2017, p. 12-13, hier p. 12.
  17. Simon Loidl, “Angriff auf Selbstverwaltung”, in junge welt, 23 mei 2018, p. 7.
  18. Cit. in Nina Horaczek, “Zwölf Stunden Arbeit: die neue Befreiung”, in Falter, n. 27, 2018, p. 15.
  19. Joachim Becker, “Schwarz-blaues Regieren II: Orbánisierung in Rot-Weiß-Rot?”, in Kurswechsel, nr. 1, 2018, p. 101-112, hier p. 106 ev.
  20. Maciej Gdula, Nowy autorytaryzm, Warsaw, 2017, p. 69.
  21. Cf. Joachim Becker, “Die Visegrád-4 und die EU: Zwischen Abhängigkeit und partieller Dissidenz”, in Prokla, nr. 48(3), 2018, p. 417-436, hier p. 426.
  22. Veronika Bilková, “Proč vadi tažení maďarské vlády Stop Soros?” in Právo, 12 juli 2018, p. 18.
  23. Cf. Bálint Magyar, Węgry. Anatomia państwa mafijnego. Czy taka przyszľość czeka Polskę?, Warsaw 2018, p. 107 ev., 408.
  24. Benjamin Breitegger, “Orbáns Orbit”, Falter, nr. 37, 2018, p. 16-18.
  25. Dorttya Szikra, Welfare for the Wealthy. The Social Policy of the Orbán Regime, Budapest 2018.
  26. Joachim Becker, “Der Wind weht von rechts. Sozialpolitik des Neonationalismus in der EU am Beispiel der Regierungen in Belgien, Ungarn und Polen”, in Arbeit& Wirtschaft, nr. 72(6), 2018, p. 38-39.