Artikels

Je keuken werd ontworpen door een communist

Marcel Bois

—7 april 2021

PDF-versie

Margarete Schütte-Lihotzky staat bekend als de ontwerper van de eerste volledig ingerichte keuken. Haar “sociale architectuur” kaderde in haar politiek, die haar tot het communistische verzet tegen het nazisme bracht.

Zonder twijfel was de “Frankfurt-Keuken” Margarete Schütte-Lihotzky’s meest baanbrekende werk – vandaag kan je er zelfs een voorbeeld van vinden in New Yorks Museum of Modern Art. Met afmetingen van slechts 1,9 op 3,4 meter was het de eerste ingerichte keuken, vooral bekend voor de blauwgroene kastjes, compacte werkruimte en betaalbare prijs. Ze was ontworpen om het meeste te kunnen halen uit de kleine ruimte die appartementen van arbeiders hadden in 1920. De keuken had zo een efficiënte lay-out dat de tijd tussen verschillende taken kon gemeten worden met een stopwatch. Toch droomde Schütte-Lihotzky er niet van om als interieurontwerper gekend te staan. Wanneer mensen haar omschreven als de ontwerper van dé Frankfurt Keuken, stond ze erop dat “ze geen keuken was”. De waarheid is dat de Oostenrijkse architecte, die 103 werd, de wereld veel meer heeft gegeven – meer bepaald door haar socialistische politieke visie. Toen ze in 1897 geboren werd in het Oostenrijks-Hongaars rijk, werd de rol van de vrouw omschreven als “kinder, küche, kirche”: kinderen, keuken, kerk. Toch heeft Schütte-Lihotzky’s leven een hele andere wending genomen, die beter omschreven kan worden als carrière, keuken en communisme.

Vormende ervaring

Margarete Lihotzky werd geboren op 23 januari 1897 en groeide op in Wenen. Ze kwam uit een burgerlijke familie: haar vader was een hoge ambtenaar en haar moeder, familie van de bekende kunsthistoricus Wilhelm van Bode, was een kennis van de Nobelprijs laureaat Bertha von Suttner. Deze achtergrond maakt het mogelijk voor haar om tijdens de Eerste Wereldoorlog te studeren aan de Weense Universiteit van Toegepaste Kunsten – één van de weinige universiteiten die toen vrouwen toeliet.

Haar leerkracht daar was de architect Oskar Strnad. Wanneer Lihotzky interesse toonde om deel te nemen aan een wedstrijd voor het ontwerpen van arbeidersappartementen, raadde hij haar aan om een arbeiderswijk te bezoeken zodat ze zich de leefomstandigheden echt kon voorstellen. Het was zo dat Wenen bij de eeuwwisseling een erg gesegregeerde stad was. In het centrum leefden de vertegenwoordigers van de Habsburgse monarchie en de welvarende middenklasse in grootse gebouwen, terwijl in de omgevende buitenwijken het rondtrekkend industrieel proletariaat in donkere en nauwe huurwoningen leefde.

Het was een vormende ervaring voor Lihotzky. “Ik kende het geweldige citaat van Heinrich Zille nog niet, ‘Je kan een persoon net zo goed vermoorden met een appartement als met een hamer,’ maar ik voelde het”, schreef ze in haar memoires. “Ik ontdekte dat er naast mijn wereld van middenklasse-intellectuelen en de elite die zich boven de andere klassen verheven voelde een andere wereld bestond in Wenen waarbij er een enorme sociale klasse van honderdduizenden mensen een zeer beladen leven leidden. Hoewel de oorzaken van hun ellende me nog niet duidelijk waren, wou ik een carrière kiezen waarbij ik kon bijdragen tot het verzachten van hun wanhoop. Mijn beslissing om architect te worden stond vast.”

Lihotzky hielp bij de planning van één van de 400.000 woonblokken in het ‘Rode Wenen’.

Zo was haar eerste job nadat ze afstudeerde in 1919 toegespitst op de armere delen van de samenleving. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog hadden zowel arbeidersopstanden als revoltes door nationale minderheden geleid tot de val van Oostenrijk-Hongarije. Wenen werd overmand door honger en een extreem gebrek aan huisvesting. Grote aantallen arbeiders bezetten het beboste gebied rond de stad en bouwden er simpele hutten. Zo beschreef ze later dat “de arbeiders uit noodzaak omslachtige nederzettingen bouwden zonder bouwvergunning.” De jonge architecte startte een job bij de bouwvergunningscommissie en steunde de beweging. Ze ontwikkelde prototypes voor simpele huizen, ontwierp de eerste keuken en adviseerde de ‘bezetters’ bij hun problemen.

Dit was nieuw. De meeste architecten onder de Habsburgse monarchie werkten voor de elite en ontwierpen huizen voor de allerrijksten met veel grandeur en grootste gevels. Maar Lihotzky pleitte voor ‘sociale architectuur’, om zo de levensomstandigheden van de arbeidersklasse te verbeteren. Met het leidende principe in haar werk – een functioneel georiënteerde kijk op architectuur – stond ze erop dat de gemiddelde arbeider “meer kon profiteren van een gootsteen in zijn keuken dan van de engel op zijn dak”.

Lihotzky was zeker niet de enige met deze visie. Geïnspireerd door de revoltes en revoluties op het einde van de oorlog, begonnen meerdere architecten en artiesten de noden van het gewone volk aan te kaarten. In Moskou ontwierpen de vertegenwoordigers van de Russische avant-garde posters, etalages en clubs voor arbeiders en schilderden ze op propaganda-treinen (die doorheen het land reden om de boodschap van de revolutie te verspreiden). Tegelijkertijd was er in Berlijn – zelf ook een centrum van revolutie – een arbeidersraad voor kunst. De leden ontwierpen monumentale publieke gebouwen, hielden tentoonstellingen voor amateurarchitecten en ontwikkelden veel ideeën die later zouden worden gerealiseerd door Bauhaus.

Toch was Lihotzky vooral gevormd door de ontwikkelingen in haar thuisstad Wenen. In de hoofdstad van de nieuwe Oostenrijkse Republiek begon de nieuwe socialistische regering van de stad aan een radicaal hervormingsplan met kinderdagverblijven, kleuterscholen en gratis gezondheidszorg. Maar het ‘rode Wenen’ uit de jaren 20 stond vooral bekend voor haar uitgebreide huisvesting. De stad begon grote appartementsblokken te bouwen in plaats van kleine huizen. Aan het begin van 1930 had de stad 64.000 appartementen gebouwd waar 200.000 mensen in konden wonen. Lihotzky hielp bij de planning van één van de 400.000 blokken. Het “gemeenschapssocialisme” werd gefinancierd door een sterk herverdelend beleid, waaronder belastingen op huishoudhulpen, luxe artikelen en duurdere woningen vielen.

Tegelijkertijd begonnen steden over de grens in Duitsland ook aan sociale huisvesting, met projecten als het “Hoefijzernederzetting” in Berlijn, gebouwd tussen 1925 en 1933 en het “Nieuwe Frankfurt”. Halfweg de jaren twintig begon de nieuwe planningsdirecteur van Frankfurt, Ernst May en zijn team een nieuwe esthetische norm te stellen. Niet enkel bouwden ze duizenden appartementen, maar ze ontwierpen ook een nieuw wapenschild, neonverlichting en tramhokjes. Een van de meest blijvende invloeden is het nu alomtegenwoordige lettertype “Futura”, dat ontworpen was voor een project van een lokale firma.

Lihotzky was ook direct betrokken bij dit project. Tijdens een trip naar Wenen overtuigde May haar om voor hem te werken. In het begin van 1926 begon de zevenentwintigjarige architecte te werken voor de standaardisatie afdeling van het huisvestingsdepartement in Frankfurt, waar ze haar tijd stak in de bouw van appartementen en de rationalisatie van huishoudwerk. Ze gaf meerdere lezingen, schetste ontwerpen voor woonblokken en ontwikkelde haar beroemde keuken, die in meer dan tienduizend appartementen geïnstalleerd werd.

Ook hier was het doel van Lihotzky om het leven van de werkende klasse te verbeteren, door onbetaald huiswerk te vergemakkelijken. Zo stelde ze later: “Ik was ervan overtuigd dat de economische onafhankelijkheid en de zelfbeschikking van vrouwen van algemeen belang was en dat de verdere rationalisering van huishoudwerk daarom een noodzaak was.” Ze was beïnvloed door het Taylorisme: de Frankfurt Keuken was bedoeld om even praktisch te zijn als de moderne industriële werkplaats. De inrichting was geïnspireerd door de keukens in treinen, met de meest belangrijke items altijd bij de hand en verschillende apparaten om het proces te verkorten. De dienbladen werden blauwgroen geschilderd omdat wetenschappers beweerden dat de kleur vliegen afweerde. Om de kost te verlagen werd de Frankfurt Keuken ontworpen als een modulair systeem dat makkelijk in massa geproduceerd kon worden. Aangezien het direct in een nieuw appartement werd geïnstalleerd, kon het hout dat nodig was voor de achterkant van de kastjes uitgespaard worden.

De Frankfurt Keuken maakte Lihotzky al snel bekend, en haar verhaal trok de aandacht van de internationale pers. Ze schreef later dat “het paste bij het burgerlijke en kleinburgerlijke idee dat de vrouw in de keuken thuishoorde, dus uiteraard zou een vrouwelijke architect weten wat belangrijk was in een keuken.” Maar ze voegde toe dat dit niet helemaal klopte: “het werkte toen wel als propaganda, maar om eerlijk te zijn had ik nog nooit een huishouden geregeld of enige ervaring gehad met koken voordat ik de Frankfurt Keuken ontwierp”.

Uit de keuken, de strijd in

Maar Lithotzky’s tijd in Frankfurt werd niet enkel gekenmerkt door haar carrièresucces — ze begon ook politiek te radicaliseren. Ze was reeds “onder de indruk van de verwezenlijkingen van het sociaaldemocratische Wenen op vlak van huisvesting, gezondheid, onderwijs en cultuur” en sloot zich kort daarna aan bij de Oostenrijkse Sociaaldemocratische Partij. Ze werd hiertoe aangemoedigd door de vooraanstaande Oostenrijkse econoom Otto Neurath, die betrokken was bij de kortstondige Radenrepubliek van München, maar naar Wenen terugkeerde nadat de Radenrepubliek was neergeslagen. Lihotzky had Neurath voor het eerst ontmoet terwijl ze werkte voor de Weense huisvestingscommissie, waaruit een levenslange vriendschap ontstond.

Later in Frankfurt miste de Oostenrijkse architecte de radicale politieke cultuur van haar thuisstad. Ze schreef over de tegenstelling tussen de Weense situatie en die in haar nieuwe Duitse thuis: “Ik ben verbaasd en geschrokken door de politieke uniformiteit van mijn collega’s – zowel bij het vast personeel als bij de hogere bureaucraten.” Ze vond de sociaaldemocraten uit Frankfurt niet veel beter dan haar collega’s en ze ontweek de pogingen van de partij om haar te rekruteren. Dit betekende ook dat ze niet vaak ideeën kon uitwisselen met gelijkgezinden. Een belangrijke uitzondering was Wilhelm Schütte, een collega waarmee ze in 1927 trouwde.

Niettemin vond Shütte-Lihotzky een andere uitlaatklep voor politieke activiteiten in de Frankfurt School – het instituut voor Sociaal Onderzoek. Neurath stelde haar voor aan de directeur, de “vooraanstaande oude marxist” Carl Grünberg, die ook uit Wenen kwam. Prominente Oostenrijkse marxisten waaronder Max Adler, Otto Bauer en Karl Renner werden ook beïnvloed door Grünberg. “Tijdens mijn vijf jaar in Frankfurt heb ik vele uren” bij hem thuis gespendeerd, vertelde ze later.

Dit leidde tot een verschuiving in Schütte-Lihotzky’s politieke engagement: in haar memoires gaf ze toe dat voor ze betrokken raakte bij het instituut haar kennis van het marxisme beperkt was tot het Communistisch Manifest en enkele teksten van Friedrich Engels, maar nu begon ze intensief politiek te bespreken met Grünberg. In die tijd had hij nauw contact met de Sovjet-Unie, en ze schreef later dat ze door hem “besefte wat de realiteit was van de Oostenrijkse sociaaldemocratie, en dat die niet zou leiden tot socialisme.”

Ze was overtuigd van de noodzaak van verdere rationalisering van huishoudwerk.

Deze verandering van gedachten werd ook beïnvloed door enkele gebeurtenissen in Wenen. In de zomer van 1927 leidde de vrijspraak van drie extreemrechtse paramilitairen voor moord tot een algemene staking en rellen die eindigden in de brandstichting van het justitiepaleis. Maar de sociaaldemocraten onthielden zich ervan de protestbeweging te steunen – een positie die voor diepe verontwaardiging zorgde bij velen aan de linkerzijde, waaronder Schütte-Lihotzky. De gebeurtenissen spoorden haar aan om een “zwakke ontslagbrief” te schrijven naar de partij. Door de invloeden van het instituut, begon ze zich te wenden tot het communisme.

Een communist worden

Toen de Grote Depressie crisis bracht naar het Nieuwe Frankfurt, kwam er een nieuwe mogelijkheid uit het oosten voor Schütte-Lihotzky tevoorschijn. De stad kon niet langer de projecten in Duitsland financieren, waardoor de directeur Ernst May de kans kreeg om naar de Sovjet-Unie te gaan om daar nieuwe steden te plannen voor het eerste Vijfjarenplan. In oktober 1930 vertrok hij naar Moskou met een groep Duitstalige architecten.

Schütte-Lihotzky en haar man waren deel van dit team. Samen werkten ze aan de bouw van het industriële dorp Magnitogorsk aan het einde van het Oeralgebergte, naast nog andere projecten. Terwijl veel andere buitenlandse experten snel de Sovjet-Unie verlaten hadden, bleef het echtpaar genieten van hun nieuwe thuis. Ze bleven tot 1937, toen de Grote Zuivering en de schijnprocessen begonnen. Nieuw onderzoek suggereert dat Wilhelm Schütte zelf het doelwit werd van het regime, wat bijdroeg tot hun beslissing om te vertrekken. Maar de Sovjet-Unie verlaten betekende niet dat ze het communisme achterlieten. Na in Londen en Parijs gewerkt te hebben, verhuisde het koppel naar Istanboel, waar ze allebei begonnen te werken voor de Academie van Schone Kunsten met de hulp van hun vriend Bruno Taut. In Turkije werden Margarete en Wilhelm uiteindelijk lid van de KPÖ, de Oostenrijkse Communistische Partij.

Ondanks de steeds uitbreidende greep van nazi-Duitsland over Europa, was Turkije nooit direct betrokken bij het conflict. Toch besliste Schütte-Lihotzky om hun relatieve veiligheid achter te laten en zich aan te sluiten bij het antifascistisch verzet in haar thuisland. Ze reisde terug naar Wenen als een koerier voor het verzet. Haar groep werd helaas ontdekt, ze werd gearresteerd en ontsnapte ternauwernood aan de doodstraf. Ze spendeerde de meeste oorlogsjaren in Wenen en Beieren tot ze werd bevrijd door Amerikaanse soldaten in april 1945.

Deze nieuwe vrijheid bracht ook nieuwe uitdagingen. In het naoorlogse Wenen werd Schütte-Lihotzky politiek geïsoleerd en kreeg ze nauwelijks nieuwe contracten voor opdrachten. Haar professionele netwerk van voor de oorlog bestond niet meer en ze werd verder gemarginaliseerd als vrouw, verzetsstrijder en communist. “Jarenlang was ik persona non grata” schreef ze later, “als lid van de KPÖ werd ik praktisch uitgesloten van publieke projecten.” Mede hierdoor begon ze volop te reizen: in 1958 vertrok ze op een lange studietrip doorheen Mao’s China en in de decennia daarop werkte ze in Cuba en in de DDR.

Herinneringen aan het verzet

Doorheen Schütte-Lihotzky’s leven zijn twee zaken constant gebleven – haar professionele inzet als architect en haar politieke engagement. Als antifascist, communist en vrouwenactivist was ze meer dan zestig jaar lid van de KPÖ, en ze zetelde twee decennia in de Federatie van Democratische Vrouwen.

In het Wenen van de Koude Oorlog werd Schütte-Lihotzky politiek geïsoleerd en kreeg ze nauwelijks nieuwe contracten voor opdrachten.

Het was pas aan het einde van de Koude Oorlog dat de architecte de erkenning in haar thuisland kreeg die haar zo lang was ontzegd. Bijna drie decennia negeerden de media en politici de ooit wereldberoemde architect. Pas toen ze al voorbij de tachtig was, verschenen er meer en meer berichten over haar. Ze ontving eredoctoraten en kreeg meerdere prijzen, waaronder het “Ereteken van Verdienste voor de Republiek Oostenrijk”.

Ze behield steeds haar politieke overtuigingen, en schreef in 1985 een boek over herinneringen aan het verzet. Toen ze bijna honderd werd, klaagde ze samen met vier andere overlevenden van het naziregime de extreemrechtse politicus Jörg Haider aan toen hij uitroeiingskampen van de nazi’s bagatelliseerde. De opmars van Haiders Vrijheidspartij (FPÖ) verontrustte haar diep. Ze zou echter nooit de intrede van extreemrechts in de Oostenrijkse regering zien – maar enkel o

mdat ze op 18 januari 2000 stierf, slechts enkele weken voor de FPÖ-ministers aantraden.

Schütte-Lihotzky beschreef haar eigen leven als volgt: “Voor mij is het altijd van fundamenteel belang geweest, in mijn job en erbuiten, om met elk beetje invloed dat ik heb bij te dragen aan het creëren van een betere wereld dan die waarin ik werd geboren.” Haar 103 jaar op de wereld is een bewijs van die overtuiging.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Jacobin (18 januari 2020) als “A Communist Designed your Kitchen”.