Artikel

Mooie sociale huisvesting is mogelijk

Meagan Day

— 30 maart 2021

Van Wenen tot Chili en Madrid tot Brussel toont het succes van sociale huisvesting voor de arbeidersklasse en de middenklasse dat mooie woningen kunnen samengaan met stedelijke huisvesting voor iedereen.

Wikimedia | Serge Brison

Voor Amerikanen zijn sociale woningen synoniem met uniformiteit en lelijkheid. Ze zijn niet zozeer een plaats om te wonen als wel om het hoofd te buigen terwijl je je ontsnapping beraamt, of om je er gewoon bij neer te leggen dat verlammende armoede en sociale onzichtbaarheid je lot zijn.

Meagan Day schrijft voor Jacobin en is coauteur van Bigger than Bernie: How We Go from the Sanders Campaign to Democratic Socialism (Verso, 2020).

Het idee dat sociale woningen saai, verloederd en gevaarlijk zijn speelde uiteraard in de kaart van al wie liever helemaal geen sociale huisvesting zag. Particuliere projectontwikkelaars, verhuurders, banken en allerlei rijken die niet graag belasting betalen, profiteren enorm van ons pessimisme en gebrek aan verbeelding. Dat wij op een dag sociale huisvesting niet langer als noodhulp voor de meest behoeftigen zouden kunnen beschouwen, maar als een ambitieuze langetermijnoplossing en een verkieslijk alternatief voor de atomisering, onzekerheid en meedogenloze uitbuiting door de private huurmarkt, vervult hen met afgrijzen. Dat wij sociale woningen zo aantrekkelijk zouden kunnen maken dat niemand nog een hypotheek zou willen afsluiten of door de markt gestuurde huur meer zou willen betalen, jaagt hen de stuipen op het lijf.

Ze laten ons dus liever in het ongewisse over Rood Wenen, of Le Lorrain in Brussel, of Sa Pobla op Mallorca, of zelfs de stille getuigen van de hoogtijdagen in de Britse sociale woningbouw. Die projecten van vroeger en nu tonen aan dat sociale huisvesting levendig, veilig en mooi kan zijn, en tegelijk betaalbaar en degelijk voor gewone werkende mensen.

Rood Wenen: de appartementen van Karl Marx-Hof Dreizung

Wikimedia | Bwag

Om winst te maken moeten vastgoedkapitalisten zoveel mogelijk waarde onttrekken aan grond en gebouwen. De hogere verwachtingen van wat sociale huisvesting kan betekenen zijn voor hen dan ook een existentiële bedreiging. En niets wekt die verwachtingen sneller en stuwt ze nog hoger dan een kennismaking met Rood Wenen, het absolute toonbeeld van sociale huisvesting in de moderne geschiedenis.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de socialisten het voortouw namen bij de grootscheepse plannen voor de bouw van sociale woningen voor de inwoners van de stad.1 In Oostenrijk was er tijdens de industrialisatie aan het eind van de negentiende eeuw een sterke arbeidersbeweging met socialistische leiders gegroeid, maar het socialisme kwam pas echt van de grond na de Eerste Wereldoorlog, toen de ineenstorting van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie nieuwe politieke mogelijkheden creëerde. De Sociaaldemocratische Arbeiderspartij kwam in Wenen aan de macht in 1919 en zette onmiddellijk een ambitieus hervormingsprogramma in de steigers.

Het socialistische stadsbestuur legde de rijken zware belastingen op en gebruikte vanaf 1923 de nieuwe inkomsten om de overbevolkte en grauwe arbeiderskrotten te vervangen door moderne sociale woningen. De socialisten hadden een duidelijke visie om huisvesting volledig aan de markt te onttrekken. Dat en hun politieke verbond met de arbeidersklasse maakte dat de huizen niet alleen maar voldeden aan de minimale behoeften. Integendeel, het waren goed ontworpen, meesterlijk opgetrokken gebouwen waarvan vele de tand des tijds hebben doorstaan. De bouw ervan maakte ook deel uit van een door de vakbonden gesteund tewerkstellingsprogramma voor goede banen bij de overheid en droeg bij aan het herstel van de economie na de oorlog.

De sociale woningen van Rood Wenen werden niet alleen ontworpen als een plaats waar de arbeiders zich tussen hun shifts weer konden opladen – door Barbara Ehrenreich treffend “ingeblikte arbeid” genoemd – maar ook als een plaats om te leven. Naast de majestueuze appartementsgebouwen zelf waren er lommerrijke binnenplaatsen, een overvloed aan open ruimte en veel natuurlijk licht. Er waren gemeenschappelijke wasserettes en ultramoderne gemeenschappelijke keukens, voorzien van alle faciliteiten. Zij waren verbonden met openbare scholen en coöperatieve winkels. Soms bevonden die zich in het complex zelf. Vele hadden zelfs badhuizen en zwembaden, centra voor gezondheidszorg en kinderopvang, apotheken, postkantoren en bibliotheken.

Het grootste flatgebouw in Rood Wenen, Karl Marx-Hof, werd in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog gebruikt als vesting tegen militante fascisten. De socialisten boden dapper weerstand, maar na verloop van tijd moest Rood Wenen zich gewonnen geven. Maar de herinnering aan mooie sociale woningen was in het geheugen van de stad gegrift: de illusie dat je alleen op de privémarkt terecht kon of tevreden moest zijn met ofwel een private of een ondermaatse woning was voorgoed aan diggelen geslagen. Na de oorlog bleef Wenen aantrekkelijke sociale woningen bouwen. Vandaag woont 62 procent van de inwoners in een sociale woning. In New York City is het 5 procent.2

“Het is een oud idee, maar het leeft hier nog altijd: niet alleen rijke mensen moeten leven in goede omstandigheden,” zegt een 52-jarige bewoonster van een sociale woning in Wenen. “Het is een belangrijk idee en we moeten daaraan vasthouden.”

Britse sociale huisvesting

Wikimedia | Jwslubbock

In 1979 woonde 42 procent van de Britten in een sociale woning.3 De stoutmoedige keuze voor sociale huisvesting in het naoorlogse Verenigd Koninkrijk was niet het gevolg van wijdverbreide armoede. Het was het resultaat van een eeuw van hervormingsgezinde visies en arbeidersstrijd. Sommige sociale woningen waren bescheiden, terwijl andere – zoals de charmante, excentrieke Boundary Street Estate uit het begin van de eeuw, of de opvallende modernistische gebouwen van de communistische architect Berthold Lubetkin – zorgvuldig gepland waren met oog voor maximale leefbaarheid en architectonische allure.

De Britse sociale woningbouw werd gefinancierd uit progressieve belastingen, een regeling die de sociaaldemocraten rechtvaardigden met het argument dat de arbeid van de huurders aan de basis lag van die persoonlijke fortuinen. Dit viel natuurlijk niet in goede aarde bij de heersende klasse. Toen een wereldwijde recessie in 1973 een barst veroorzaakte in het fundament van het economisch systeem, zagen de kapitalisten en hun politieke bondgenoten hun kans. Vanaf de jaren 70 werden de huisvestingsprojecten opzettelijke ondergefinancierd en dat werd verkocht als een gevolg van bezuinigingen die nu eenmaal onvermijdelijk zijn in een recessietijdperk. Een allesomvattend privatiseringsproces in de jaren 80 maakte de catastrofale ingreep compleet.

In 1979 kwam Thatcher aan de macht. Zij vaardigde meteen wetgeving uit die huurders toestond hun sociale woning te kopen en uiteindelijk te verkopen. Het was een slimme manier om door de overheid beheerde woningen op te nemen in de privésector en de suprematie van de kapitalistische woningmarkt te herstellen. Huurders met een laag inkomen zijn sindsdien almaar minder beschermd en worden geconfronteerd met continu stijgende huurprijzen.

Nu de huurprijzen de inkomens in het VK almaar meer ondergraven, denken veel van de vroegere bewoners uit die sociale woongemeenschappen met nostalgie terug aan de tijd toen de werkers werden beschermd tegen de grillen van de privéhuurmarkt. Ze hebben mooie herinneringen aan hun jeugd in die sociale woongemeenschap. “Je kende bijna elk kind van de blok en je had altijd iemand om mee te spelen,” herinnert zich een vrouw die opgroeide in de Quaker Court Estate in Londen. “Ook de ouders konden het ook goed met elkaar vinden. Als er één een feestje gaf, waren we allemaal van de partij.”4

“Wij hadden een idyllische jeugd,” zegt een ander, die opgroeide in de Boundary Street Estate in Londen, het oudste sociale huisvestingsproject van de stad, opgetrokken na de uitvaardiging van de Housing of the Working Classes Act in 1885. “Echt waar. Toch een beetje raar om dat nu zo te zeggen.”5

Een man die opgroeide in de Heygate Estate in Londen herinnert zich dat hij “het hier geweldig vond… Het wit van de ingebouwde keukens verblindde mij, en de trappenhuizen leken wel naar de hemel te leiden, weg van de grijze straten beneden. Dit was de moderne wereld, en hij lag voor het grijpen.”6

Door bezuinigingen zijn veel van die wijken in verval geraakt aan het eind van de twintigste eeuw en dankzij Thatchers recht op kopen wordt ook de rest geprivatiseerd.

Nu woont nog maar 8 procent van de Britten in een sociale woning, maar zij staan nog altijd veel meer open voor sociale huisvesting dan de Amerikanen. De Labourpartij van Jeremy Corbyn lanceerde in 2018 een nieuw en ambitieus initiatief voor sociale huisvesting. De mensen waren laaiend enthousiast. Je kunt je moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, eenzelfde respons in de VS voor de geest halen.7

Architectonisch avontuurlijke huisvestingsprojecten in Spanje

Wikimedia | Francisco Andeyro

Hoewel privatisering en bezuinigingen overal in opmars zijn, is de sociaaldemocratische erfenis van kwaliteitsvolle sociale huisvesting niet helemaal vervlogen. Vooral in Europa halen een handvol recente ontwikkelingen hun inspiratie uit de projecten uit het verleden, in het bijzonder uit hun architectonische nalatenschap.

Spanje heeft onlangs de handschoen opgenomen en met zijn sociaal huisvestingsprogramma de weg geplaveid voor architectonische experimenten. Zo heeft het Mirador-woningbouwproject in Madrid een grote open ruimte in het midden van het verticale gebouw, die dienst doet als gemeenschappelijk plein. Nog in Madrid maakt het Carabanchel-project voor sociale huisvesting ruim gebruik van bamboe, het 120 Parla-project heeft dan weer een veeleer retrofuturistische uitstraling. In Barcelona kan de Torre Plaça Europa doorgaan voor een duur flatgebouw zoals in Londen of New York City en hetzelfde geldt voor het sociale project Parc Central in Valencia. De sociale woningen van Sa Pobla op Mallorca hebben veel weg van vakantieverblijfjes waarmee je op Instagram kan uitpakken, terwijl de optrekjes voor de mijnwerkers in Asturië een geometrische noviteit zijn en waarvan kleur en vorm zijn afgeleid van de steenkool die de mijnwerkers delven.

Maar Spanje wordt niet geregeerd door socialisten, en hoewel de architectuur van die nieuwe projecten het idee dat arme mensen in lelijke en saaie gebouwen moeten wonen onderuithaalt, laten ze op meerdere punten toch te wensen over. Vaak worden die blokken neergepoot in de stedelijke periferie waar de grond goedkoper is. Daar is een goede reden voor: die gebieden zijn in het algemeen onderontwikkeld en veraf gelegen. De bouw van sociale woningen aan de rand van de stad segregeert de huurders uit de arbeidersklasse en zadelt hen op met dure en tijdrovende verplaatsingen, een fout die ook het overigens vrij succesvolle Zweedse Miljonprogrammet (Miljoenenprogramma) heeft gemaakt.8 Stijlvolle gebouwen zijn uiteraard een verbetering, maar als er geen winkels of scholen in de buurt zijn, blijft het bij goede bedoelingen.

Beeld je even in dat die gebouwen in levendige stadscentra staan. Zie je het? Dát is wat sociale huisvesting eigenlijk kan doen. Beter nog: wat als die gebouwen zouden opgetrokken worden in bruisende buurten met openbare apotheken en kinderdagverblijven? Dat is de reden waarom Rood Wenen in termen van reële waarde voor huurders uit de werkende klasse de gouden standaard blijft voor sociale huisvesting. .

Savonnerie Heymans en Le Lorrain in Brussel

Wikipedia | Serge Brison

Brussel heeft Spanje de afgelopen jaren het nakijken gegeven. Twee projecten in het bijzonder – Savonnerie Heymans en Le Lorrain – zijn lichtende voorbeelden van sociale woningbouwarchitectuur.

Savonnerie Heymans, genoemd naar de zeepfabriek die er vroeger gevestigd was, ligt op minder dan een halve mijl van de Brusselse Grote Markt. Het bestaat uit tientallen eenheden van verschillende types – studio’s, lofts, duplexen en appartementen, met één tot zes slaapkamers. De architectuur is even gevarieerd als de units zelf: sommige lijken op dozen van glas en met houten latten, die wat doen denken aan een moderne Finse sauna, er zijn witte woningen met zadeldaken die lijken op moderne interpretaties van Belgische plattelandshuisjes. In het midden staat de oude schoorsteen van de zeepfabriek, een soort eerbetoon aan de industriële geschiedenis dat meestal zeemzoet aanvoelt in een burgerlijke omgeving, maar minder in een sociaal huisvestingsproject.

Het kleinere Le Lorrain is door dezelfde architecten ontworpen en is ook een gerenoveerd industrieel complex, deze keer van een oude ijzerhandelaar. Het nieuwe gebouw is kraaknet en stijlvol, bijna recht uit het woonmagazine Kinfolk of de woonwebsite Dwell. Maar opvallend aan Savonnerie Heymans en Le Lorrain is niet alleen hun fraaie architectuur. In tegenstelling tot de Spaanse projecten, staan beide op hoogwaardige kavels in levendige buurten, waardoor de huurders uit de werkende klasse niet als in een bunker opgesloten zitten. Ook het gemeenschapsleven wordt hier meer aangemoedigd dan bij andere ontwerpen: er is veel gemeenschappelijke buitenruimte, er zijn paviljoenen en tuinen en “mini-bossen”. Savonnerie Heymans heeft zelfs een spelotheek voor kinderen.

Het grote nadeel van sociale huisvesting in België is dat het een ingewikkelde publiek-private aangelegenheid is, met een labyrint van ontwikkelaars, aanbieders, betalers en categorieën huurders.9 Het systeem is gedecentraliseerd, en hoewel Brussel huurders niet toestaat een sociale woning te kopen (of uiteindelijk te verkopen) zoals Groot-Brittannië, doen andere Belgische gewesten dat wel. Het gevaar is dus reëel dat Brussel dezelfde weg opgaat nu bezuinigingen en neoliberalisme de sociaaldemocratische verbintenissen van gemeentelijke overheden in heel Europa doorbreken.

Ook hier is het contrast met Rood Wenen opvallend. De planning, de bouw, de financiering en het onderhoud van de sociale woningen waren sterk gecentraliseerd. De gebouwen werden volledig gepland en beheerd door een democratisch verkozen orgaan, en het was nooit de bedoeling dat zij zouden worden geprivatiseerd. Ze werden gebouwd door arbeiders voor arbeiders, idealiter voor altijd.

Participatieve sociale huisvesting in Chili

Archdaily | Cristobal Palma

Een van de meest vindingrijke sociale huisvestingsexperimenten van de laatste decennia is het Quinta Monroy-project in Iquique, Chili.

Door de snelle verstedelijking zagen de arme Chilenen zich verplicht buurten met informele woningen in te richten in de steden, ver weg van hun oorspronkelijke woonplaats op het platteland maar dicht bij de broodnodige arbeidsmogelijkheden. Maar de niet goedgekeurde woningen waren ook levensgevaarlijk en de Chileense overheid nam in 2004 architect Alejandro Aravena onder de arm om de sloppenwijken om te bouwen tot sociale woningen.10

Aravena kwam met het originele idee van participatieve huisvesting: de overheid zou elke huurder een half huis ter beschikking stellen, met een stevige buitenkant en de nodige binneninfrastructuur zoals badkamers en keukens. De bewoners konden ze naar believen vervolledigen. Aravena calls this participatory housing.11

Die aanpak biedt veel voordelen. Zowel in Quinta Monroy als in de daaropvolgende projecten – waaronder een in Mexico – werd heel erg gekeken naar de nabijheid van voorzieningen en mogelijkheden. Daardoor liggen ze allemaal dicht bij het stadscentrum. Ze doen ook dienst als sociaal dienstencentrum, met werkopleidingen en kinderopvang ter plaatse. En aangezien de bewoners zelf hun woningen mogen afwerken, krijgen ze de kans om creatief aan de slag te gaan en hun unieke gevoeligheden tot uitdrukking te brengen.

Hoewel die projecten een enorme en noodzakelijke stap vooruit betekenen in vergelijking met de vroegere gevaarlijke krottenwijken, en de eindresultaten eclectisch en uniek kunnen genoemd worden, zijn ze ook een ode aan de zuinigheid en zetten ze het gebrek aan overheidsmiddelen in de verf op een manier die in strijd is met een werkelijk socialistisch sociaal woonbeleid. Aravena’s idee is een slimme oplossing voor een probleem – krappe overheidsbegrotingen – dat er niet hoeft te zijn. De welvaartskloof in Chili en Mexico is de grootste van heel de wereld. Aan de basis daarvan ligt een oneerlijke verdeling van de middelen en dat wordt door participatieve huisvesting niet aangepakt. Integendeel, door mee te gaan in het bezuinigingsverhaal van de openbare sector, wordt dit probleem net bevestigd.

Veel mensen in Aravena’s woningen werken in een of ander houtbedrijf in Constitución, of in en rond de haven van Iquique waar het koper dat ze in de regio delven op schepen wordt geladen en uitgevoerd. De hout- en koperbaronnen hebben zich schandalig verrijkt in een land dat de Washington Post “een laboratorium voor een lopend experiment in vrijemarktkapitalisme” noemt.12

De aantrekkelijke flexibiliteit van Chili’s participatieve woningbouw zou kunnen behouden blijven met daarnaast nieuwe elegantere en beter ingerichte woningen, als Chili zijn rijkdom maar zou herverdelen zoals Rood Wenen heeft gedaan. En ja, zoals de Chileense democratische socialistische president Salvador Allende wilde doen voordat de door de VS gesteunde staatsgreep een einde maakte aan zijn leven en zijn visie.

De socialistische visie

Ondanks hun gebreken en kwetsbaarheden weerleggen de Britse, Spaanse, Belgische en Chileense experimenten met sociale huisvesting allemaal het idee dat sociale huisvesting lelijk en uniform moet zijn en er van duurzaamheid of enig gemeenschapsleven geen sprake mag zijn.

Maar Rood Wenen spant echt de kroon. Het is een waar testament van wat sociale huisvesting eigenlijk kan bereiken: ze kan volledig openbaar zijn, goed gefinancierd, tegelijk extravagant en comfortabel, een gezellige individuele thuis in een rijke gemeenschappelijke wereld, en uiteindelijk te verkiezen als alternatief voor particuliere huurwoningen.

Dit is de socialistische visie op sociale huisvesting in een notendop. Huisvesting wordt niet beschouwd als een ultimatum tussen een geprivatiseerde handelswaar en armzalige openbare liefdadigheid, maar als een sociaal goed dat wordt gegarandeerd door een staat voor wie iedereen recht heeft op kwalitatief goede huisvesting.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Jacobin.

Footnotes

  1. Veronika Duma & Hanna Lichtenberger, “Das Rote Wien“, LuXemburg, september 2016.
  2. Adam Forrest, “Vienna’s Affordable Housing Paradise“, Huffington Post, 19 juli 2018.
  3. John Harris, “The end of council housing“, The Guardian, 4 januari 2016.
  4. Ibid.
  5. Archive for the ‘interviews’ category“, St Hilda’s East Community Memories.
  6. The Great Estate – The Rise and Fall of the Council House“, YouTube, 6 november 2011.
  7. John Healey, “Britain’s housing market is broken. Here’s how Labour will fix it“, The Guardian, 19 april 2018.
  8. Karen Narefsky, “Trickle-down gentrification“, Jacobin, 31 december 2013.
  9. Social Housing in Europe: Belgium“, Housing Europe, 28 februari 2010.
  10. Annemarie Gray, “The evolving process of incremental Social Housing in Chile“, RCHI, 15 juni 2014.
  11. Episode 231: Half a House“, 99% Invisible, 11 oktober 2016.
  12. Nick Miroff, “Chile tax overhaul aims to tackle some of the developed world’s highest levels of inequality“, Washington Post, 5 mei 2014.