Artikels

Hoe het neoliberalisme de democratie heruitvond

Daniel Zamora

+

NIKLAS OLSEN

— 25 maart 2019

Door de economische orde in een nieuwe mal te gieten herdefinieerde het neoliberalisme ook onze ideeën over democratie. Een kiezende “onafhankelijke consument” werd de centrale figuur in een politieke markt.

Comment le néolibéralisme a réinventé la démocratie

Het concept van de soevereine consument, bedacht door Ludwig von Mises, speelde een sleutelrol in de legitimering van het neoliberale project.

Sinds het uitbreken van de crisis in 2008 krijgt het “neoliberalisme” de wind van voren. Het zou verantwoordelijk zijn voor de crisis en de explosieve toename van ongelijkheden. Hoewel vaak verbonden aan de regeringen van Margaret Thatcher in Groot-Brittannië (1979-1990) en Ronald Reagan in de VS (1981-89) blijft de notie vaag. Een eenduidige definitie van het neoliberalisme ontbreekt. Beoogt het neoliberalisme het terugdringen van de staat, zoals vaak wordt beweerd? Gaat het om een werkelijk politiek project? Of is het louter een economisch programma? Met deze vragen trokken we naar de historicus Niklas Olsen die recent een conceptuele geschiedenis van het neoliberalisme publiceerde.

Daniel Zamora. Wat is uw definitie van ‘neoliberalisme ’ en van ‘consument’ ? Vandaag worden beide begrippen volop gebruikt, zowel in de academische wereld als in de media. In welke zin zijn ze belangrijk om het neoliberalisme te begrijpen?

Niklas Olsen
Niklas Olsen is professor geschiedenis en voorzitter van het Centrum voor Moderne Europese Studies aan de universiteit van Kopenhagen. Onlangs publiceerde hij The Sovereign Consumer. A New Intellectual History of Neoliberalism (Palgrave, 2018).

Niklas Olsen. Door de wijdverspreide toepassing en de uitwassen van het neoliberalisme in de voorbije decennia moet je natuurlijk een duidelijke definitie van het begrip hebben voor je het grondig kunt analyseren. Ik ga uit van een pragmatische definitie. Ik beschouw het neoliberalisme gewoon als het ideologische product van processen waarin mensen die zichzelf liberalen noemen vanaf het interbellum hebben geprobeerd het liberalisme te vernieuwen en het voorstellen als een ideologie die streeft naar een maatschappij die gebaseerd is op de vrije markt en individuele vrijheid. Met andere woorden, het neoliberalisme verwijst, toch volgens mij, naar pogingen om nieuwe vormen van liberalisme tot stand te brengen.

Bovendien hadden veel van de neoliberalen die ik bestudeerd heb banden met de zogeheten Mont Pèlerin Society en deelden ze dezelfde ambitie, namelijk uitzoeken hoe de taken van de staat hertekend konden worden om een vrije markt en individuele vrijheid te garanderen. De positieve connotatie van de staat – en andere politieke instellingen – als instantie die een concurrentiële maatschappij garandeert, is cruciaal voor de manier waarop die neoliberalen zich wilden onderscheiden van de politieke economie van het zogeheten klassieke liberalisme.

En aan die visie op neoliberalisme voeg ikzelf één facet toe, namelijk dat alle pleitbezorgers van neoliberalisme de soevereine consument als een instrument zien om de liberale ideologie te redden en te vernieuwen. En wat de definitie van consument betreft, ik wil benadrukken dat ik de soevereine consument niet zie als een echt individu of als een vastomlijnd concept. Voor mij is dat een overkoepelend analytisch begrip voor een waaier van strekkingen die stellen dat de vrije keuze van de consument het bepalende kenmerk is van de markteconomie. En ja, naargelang de tijd en de plaats is het idee consument op verschillende manieren ingevuld en heeft het verschillende doelstellingen gediend.

Wat betekent ‘soevereiniteit ’ voor de consument? Was het een manier om de soevereiniteit van de staat te vervangen door de soevereiniteit van de consument? U zegt ook dat het neoliberalisme tot ‘een nieuwe vorm van soevereiniteit leidt ’ … Wat bedoelt u daarmee?

Het aspect soevereiniteit vind ik heel interessant. De betekenis en het belang ervan moet je zien in de context waarin het is ontstaan. Daarvoor moeten we teruggaan naar het begin van de jaren 1920, toen de Oostenrijkse econoom Ludwig von Mises het begrip ‘soevereine consument ’ bedacht. Mises was een voorstander van het liberalisme en moest de ideologie verdedigen tegen mensen zoals de Duitse jurist en politiek filosoof Carl Schmitt, die kritiek uitten op het liberalisme en zeiden dat het geen duidelijke visie op de maatschappelijke orde had. Von Mises riposteerde door het beeld van de soevereine consument te creëren, hij bedacht een nieuw autoriteitssymbool voor de liberale maatschappij dat de specifieke politieke organisatie van het liberalisme verklaarde en rechtvaardigde. Die nieuwe autoriteit werd verondersteld in geen enkele mate ingeperkt te worden door religieuze of politieke normen en instellingen. Ze luisterde enkel naar individuele verlangens en de formele vrijheid van wetten en markten.

En aangezien de neoliberalen zich in het interbellum grote zorgen maakten om de groeiende macht en de almaar autoritairdere neigingen van de staat, schoven ze de soevereine consument naar voren om de soevereiniteit van de staat in te perken. Dat is wat Quinn Slobodian ook beweert in zijn uitstekende boek Globalists: The End of Empire and the Birth of Neoliberalism. Hij beschrijft daarin hoe de neoliberalen alles in het werk hebben gesteld om het kapitalisme op globaal niveau te verspreiden. Slobodian formuleert het zo: de soevereiniteit van de consument gaat boven nationale soevereiniteit. Algemeen kun je stellen dat de soevereine consument staat voor een hoofdzakelijk individualistische, maar goed geordende, efficiënte en democratische marktmaatschappij.

Maar in welke zin is die visie op de consument, die naar voren is geschoven in werken van Oostenrijkse en Amerikaanse neoliberalen, fundamenteel anders dan vorige definities?

Volgens mij is de soevereine consument altijd een onmisbare sleutelfiguur geweest in de legitimering van het neoliberale project. Wat bij alle voorstanders van de neoliberale ideologie terugkeert, van Ludwig von Mises tot Milton Friedman, is dat ze de vrije keuze van de consument hebben voorgesteld als het bepalende kenmerk van de door hen geambieerde markteconomie, en de soevereine consument als een speler die in staat is de economische productie zijn wensen op te leggen en de politieke activiteit te sturen. Door een rechtstreekse link te leggen tussen de keuze op de markt en in het stemhokje hebben neoliberalen de soevereine consument niet alleen geportretteerd als de belangrijkste stuwende kracht achter het kapitalisme en de liberale democratie, ze hebben de dagelijkse keuzes die op de markt gemaakt worden ook omschreven als de echte stuwende kracht voor individuele vertegenwoordiging en voor participatie in de samenleving.

Kiezen tussen beschikbare ‘producten ’ werd in neoliberale tijden het centrale uitgangspunt voor politieke activiteit.

Daarom hebben ze geprobeerd een nieuwe politieke economie vorm te geven waarbij de consument kiest, in een poging het politieke luik zoals een markt te benaderen. Ik bedoel daarmee dat kiezen tussen beschikbare ‘producten ’ het centrale uitgangspunt werd voor politieke activiteit. Je vindt voorlopers van die ideeën terug bij liberale politiek economen zoals Adam Smith en Jean-Baptiste Say en ook bij grensnuteconomen zoals William Jevons en Carl Menger. Maar de neoliberale versie verschilt aanzienlijk van de eerdere definities. Het cruciale verschil is de sterke morele en politieke implicaties die neoliberalen aan het individu verbinden en de manieren waarop het de neoliberale politieke orde rechtvaardigt. Daarom definieer ik de soevereine consument als de belangrijkste speler in het neoliberalisme.

U legt uitvoerig uit hoe het individu gebruikt werd om de markt in te vullen als het ideale democratische forum. Zoals von Mises aanhaalde, is het prijssysteem geëvolueerd tot een mechanisme om bijzonder efficiënt een ‘continue verkiezing ’ te organiseren. Dat brengt ons bij de bewering van de politicologe Wendy Brown dat het neoliberale denken de democratie in een markt verandert.

Inderdaad. Ik denk dat Wendy Brown terecht argumenteert dat het neoliberalisme de democratie zoals we die kennen ondermijnt door ze in een markt te veranderen. Daarbij hebben neoliberalen vanzelfsprekend hun twijfels geuit (en sommigen hebben de invulling ronduit verworpen) over de traditionele definities van democratie, waarbij de nadruk wordt gelegd op openbaar overleg en een meerderheid van de stemmen als de belangrijkste elementen om politieke besluitvorming te legitimeren.

Maar volgens mij moeten we het neoliberalisme ook zien als een positief programma dat in belangrijke mate legitimiteit en algemene steun heeft verworven door een beroep te doen op democratische legitimiteit. Veel neoliberalen beschouwen de markt namelijk als een superieure oplossing om de vertegenwoordiging en participatie van de individuele burger in sociopolitieke processen te waarborgen. Het is een oplossing die ogenschijnlijk individuele keuzes mogelijk maakt, keuzes die niet gebonden zijn aan de wil van de meerderheid, en het is een oplossing die het idee countert dat sociale bewegingen, vakbonden en organisaties delen van de bevolking mondiger kunnen maken zodat ze hun leefomstandigheden kunnen verbeteren en voor hun sociaalpolitieke rechten kunnen opkomen.

Het neoliberalisme countert het idee dat sociale bewegingen, vakbonden en organisaties delen van de bevolking mondiger kunnen maken.

Als ik het zo mag uitdrukken, de neoliberalen hebben ‘democratische ’ argumenten aangedragen om de mechanismen van de traditionele politiek aan banden te leggen ten voordele van een marktdemocratie die focust op de keuze van de consument en het prijsmechanisme. Die ambitie zien we bijvoorbeeld terug in de oprichting van internationale instellingen die immuun zijn voor de druk van massale democratie en de werking van de markt beschermen. In die context heeft William Davies dus gelijk als hij het neoliberalisme omschrijft als ‘via economie aan politiek doen’. Het punt is dat het neoliberalisme de markt en zijn voordelen in ere herstelt en opnieuw aantrekkelijk maakt voor traditionele democratische instellingen, maar daarbij wel het economische voorrang geeft op het politieke.

In uw boek licht u ook op boeiende wijze toe waarom zoveel neoliberale economen, o.a. von Mises en Friedman, op verschillende momenten in hun carrière zich uitspraken voor autoritaire of zelfs fascistische regimes. Klopt het dat, als puntje bij paaltje komt, voor hen het beschermen van de markt belangrijker is dan het beschermen van de democratie?

Zeker weten. In het boek kom ik verschillende keren tot de conclusie dat voor veel neoliberalen het beschermen van de markt doorgaans zwaarder weegt dan het beschermen van de politieke democratie zoals we die kennen. Het is overduidelijk dat de democratie van de consument, die zij gelijkstelden met de markteconomie, vaak enkel een analogie vertoonde met de economische processen en geen oog had voor de politieke orde, gekenmerkt door traditionele politieke democratische instellingen en waarden.

Het is ook zonneklaar dat de politieke maatregelen waarvan zij voorstander waren, omdat die een ‘democratische ’ economische orde steunden, vaak leidden tot heel antidemocratische maatregelen en antiparlementaire benaderingen als het ging om eisen voor maatschappelijke en politieke participatie. Het Duitse neoliberalisme van de jaren 1930 is daar een duidelijk voorbeeld van. Om het de nationaalsocialisten naar de zin te maken schetsten Duitse neoliberalen een ideaal van consumentensoevereiniteit dat berustte op het omzeilen van fundamentele democratische en sociale rechten. Eigenlijk komt het erop neer dat er een bevolking van consumenten werd gecreëerd die het overheidsbeleid ten uitvoer moest brengen door zich op een specifieke manier op de markt te gedragen, versterkt door door de staat opgelegd onderwijs en dwangmaatregelen. Ik denk dat je wel degelijk kunt stellen dat de markt laten primeren op de democratie een terugkerend patroon is in de neoliberale ideologie en praktijk.

U vermeldt dat von Mises ooit schreef dat niemand ‘spontaan liberaal ’ is tenzij hij ertoe ‘gedwongen ’ wordt. Maar hoe kan een orde liberaal zijn als mensen ‘gedwongen ’ worden om liberaal te zijn? Wat bedoelt hij daarmee? En waren er veel neoliberalen die die mening deelden?

Ik denk dat veel neoliberale ideologen het eens zijn met het idee dat marktliberaal worden voor mensen een leerproces is. Niemand heeft dat idee beter verwoord dan Michel Foucault. Om een marktmaatschappij tot stand te brengen moet je eerst een marktorde opbouwen en daarna mensen leren (of dwingen) zich te gedragen conform de principes van die orde. Foucault bestudeerde het Duitse ordoliberalisme en het neoliberalisme van de Chicago-school. Von Mises ontwikkelde zijn ideeën eerder en is vaak omschreven als een heel andere liberaal – een niet-neoliberaal – omdat hij zich sterk uitsprak voor een laissez-faire economie. Maar uit recent onderzoek en mijn boek blijkt dat hij in werkelijkheid de uitvinder is van het neoliberale politieke paradigma.

Von Mises pakte uit met een beruchte lofzang op hoe het Italiaanse fascisme erin slaagde de communistische bedreiging af te wenden.

Von Mises verwachtte niet dat de neoliberale marktorde vanzelf tot stand zou komen. Hij vond dat de bevolking overtuigd moest worden van de zegeningen van de neoliberale orde en hij omschreef de staat als een onmisbaar en sterk instrument om die orde tot stand te brengen en te beschermen. Bovendien was er in zijn visie van laissez-faire plaats voor sterke staatsinmenging en was hij niet afkerig van autoritaire politiek, zoals blijkt uit zijn steun aan het autoritaire regime van Engelbert Dollfuss in het Oostenrijk van de jaren 1930. Een ander bekend element is zijn in 1927 verschenen boek Liberalism met von Mises ’ beruchte lofzang op hoe het Italiaanse fascisme erin geslaagd was de communistische bedreiging voor het privébezit af te wenden.

Dat bewijst dat het idee dat mensen gedwongen moeten worden om te kiezen onlosmakelijk verbonden is met het neoliberalisme. En natuurlijk is de keuzeretoriek in het neoliberale discours vaak misleidend. Je kunt onmogelijk tegen het idee zijn dat iedereen vrij mag kiezen, maar de werkelijkheid leert ons dat, in een economie die bepaald wordt door ongelijkheid en de overheersing van monopolistische multinationals, de meeste mensen maar weinig geld te besteden hebben en het aantal producten waaruit ze kunnen kiezen beperkt is. Bovendien, eens we ons door die retoriek laten verschalken, holt ze onze slagkracht uit om collectieve eisen voor sociale rechten te formuleren.

Bent u het ermee eens dat inzetten op de consumentendemocratie een doelbewuste zet was om socialistische ideeën aan te vallen? Is het begrip consumentensoevereiniteit bedacht om de linkse kritiek te ontkrachten op het kapitalisme, dat immers door producentensoevereiniteit werd gekenmerkt?

De neoliberale soevereine consument is ongetwijfeld uitgevonden om het socialistische gedachtegoed aan te vallen, en om daarin te slagen was het absoluut noodzakelijk een antwoord te formuleren op de socialistische invulling van de economische democratie. Om moreel aanvaard te worden stelden de neoliberalen het idee van de consumentendemocratie voor als de ultieme vorm van economische democratie, want in tegenstelling tot de socialistische definitie, garandeert die wel degelijk dat alle leden van de maatschappij aandeel kunnen hebben in de economische besluitvorming, de macht en de welvaart. En door de consumenten te omschrijven als de ‘meesters van de productie ’ verdedigden de neoliberalen zich meteen ook tegen de marxistische definitie van kapitalisme, een systeem dat alleen door de eigenaars van de productiemiddelen wordt geleid en alleen die klasse verrijkt. Die voorbeelden tonen aan hoe de neoliberalen vanaf het begin geprobeerd hebben linkse idealen over te nemen en te herformuleren om hun eigen politieke projecten te legitimeren.

U toont ook uitgebreid aan hoe dat consumentenmodel het taalgebruik van links heeft beïnvloed. Denk bijvoorbeeld aan de derde weg en de herdefiniëring van het project van centrumlinks als een project van de bescherming van de consument en niet langer van de arbeidersklasse. Centrumlinks beschouwde de markt als de ideale plaats waar het individu tot bloei kon komen. Hoe verklaart u die ommezwaai?

Die ommezwaai is volgens mij een van de belangrijkste politieke gebeurtenissen uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Enkele belangrijke boeken hebben ons helpen inzien hoe dat gegaan is. Daniel T. Rodgers bijvoorbeeld heeft in zijn boek Age of Fracture een verbluffend overzicht gegeven van hoe zowel intellectueel rechts als intellectueel links vanaf de jaren 1960 versplinterd raakte en hoe collectieve ideeën over maatschappij en politiek geëvolueerd zijn naar maatschappijbeelden waarbij vaak de vele, dikwijls onverenigbare belangen en wensen van autonome individuen naar de voorgrond treden. Recenter heeft Stephanie Lee Mudge met Leftism Reinvented: Western Parties from Socialism to Neoliberalism geschetst hoe sociaaldemocratische partijen in de jaren 1980 en 1990 een neoliberale ideologie hebben omarmd die de markt boven de politiek plaatst.

Volgens mij is de neoliberale hegemonie een feit kunnen worden omdat centrumlinkse partijen geleidelijk zijn bezweken voor het idee dat de overheid niet aan individuele behoeften kan beantwoorden. Dat drong door in hun politieke ideologie en praktijk, en dus begonnen ze te beweren dat de mogelijkheden van het individu om zijn/haar eigen leven en de moderne samenleving vorm te geven meer gebaat waren bij marktkrachten dan bij bescherming door overheidsinstellingen.

In die context speelde het argument van de democratische, efficiënte en soevereine consument een doorslaggevende rol. Centrumlinkse partijen traden bijvoorbeeld niet alleen in de voetstappen van neoliberale ideologen, ze stelden ook hogere ambities door de soevereine consument in te zetten als een motief en een instrument om in de openbare sector hervormingen door te voeren. We mogen niet vergeten dat het nieuwe centrumlinkse beleid aansloot op de economische ontwikkelingen van na de oorlog, waarbij de rol van de staat als nemer van collectieve beslissingen en het uitwerken van sociale plannen steeds meer in vraag werd gesteld en consumentensoevereiniteit verheven werd tot de enige norm om maatschappelijk welzijn te meten. Met andere woorden, de ommezwaai die het pad effende voor de verspreiding van de neoliberale ideologie gebeurde op tal van gebieden en bij verschillende instanties in de maatschappij.

U lijkt ook te beweren dat in de jaren 1960 belangrijke personen van radicaallinks dat discours tegen de overheid ook hadden overgenomen …

Ja, ik ben van mening dat de kritiek van links op de staat van doorslaggevend belang is geweest bij de triomftocht van het neoliberalisme. Die kritiek heeft bijgedragen tot het reframen van moderne debatten over hoe we rijkdom en macht in de maatschappij eerlijk kunnen verdelen. In plaats van te focussen op de uitdaging van het kapitalisme, gingen de debatten opeens over de niet-nagekomen beloften van de welvaartsstaat en vroeg men zich af of de staat wel in staat was een goede maatschappij te creëren. Veel linkse mensen waren bijvoorbeeld niet langer overtuigd dat de staat een rol te vervullen had, dat die de markt moest reguleren.

Een opvallend voorbeeld daarvan is consumentenactivist Ralph Nader die bekend werd voor zijn inspanningen om de markt strenger te reguleren. Maar in de jaren 1970 evolueerde hij naar een positie die dicht aanleunde bij die van Milton Friedman. Volgens hem moesten inefficiënte federale agentschappen, die vooral zichzelf bedienden, worden afgebouwd – economisch efficiëntie zou komen met een marktderegulering waardoor het individu vervolgens als consument bevrijd kon worden.

Veel linkse intellectuelen en politici zijn daarin meegegaan en hebben hun kijk op de staat, de markt, en de gewenste relatie tussen die twee aangepast. Vandaag lijkt iedereen te geloven dat de uitdagingen om een goede maatschappij tot stand te brengen niet in het kapitalisme schuilen maar in de onvolkomenheden van staatsinstellingen en van acties van mensen die die instellingen leiden.

Die overtuiging is stevig verankerd in een idee dat niet alleen gangbaar is in het neoliberalisme, maar opgaat voor zowat elke economische filosofie, namelijk dat eigenbelang een stevige motor is voor menselijke activiteit. Dat betekent dat mensen alleen voor overheidsinstellingen werken om hun eigen voordelen te maximaliseren – en niet omdat ze zich voor het algemeen belang willen inzetten. Dat is de achtergrond, en economen en politici willen politieke beslissingen naar de markt verschuiven. Ze stellen de markt voor als een plek met sociale interactie die ons dingen kan geven die de staat niet kan verwezenlijken – efficiëntie, vrijheid, ondernemerschap en democratie.

Tot slot, ik vind het boeiend dat u aanstipt dat de consument belangrijk was voor de totstandkoming van de Europese Unie. Kunt u daar iets meer over zeggen?

 Ik probeer aan te tonen hoe het Europese integratieproject vanaf de jaren 1980 de soevereine consument als politiek instrument heeft ingezet om een eengemaakte Europese markt op te richten, in stand te houden en te versterken. Dat politieke instrument was gebaseerd op het idee dat individuele keuze en concurrentiële markten de beste verdediging waren voor de belangen van de consument: keuze zou consumenten macht geven. Ik zou eraan willen toevoegen dat het enorme belang van het soevereine individu in deze context gelinkt is aan het feit dat de EU weinig andere instrumenten heeft om een soort legitimiteit op te bouwen die haar politieke project ondersteunt en niet afhankelijk is van de lidstaten.