Artikel

De planeet slaat niet lukraak toe

Martin Dupont

— 25 maart 2019

De mensen zijn stevig ongelijk gewapend in hun strijd tegen de ecologische crisis. Die ongelijkheid is niet alleen het gevolg van geografische pech maar heeft structurele politieke oorzaken.

De klimaatverandering, de zesde massale uitsterving van levende soorten, de teloorgang van ecosystemen, almaar schaarsere bestaansmiddelen, vervuiling allerhande: dat zijn de gevolgen van de ecologische crisis veroorzaakt door blinde ontwikkeling van het kapitalisme. De weerslag ervan op onze sociale systemen valt nog moeilijk te ontkennen. Vanuit materialistisch standpunt moeten wij ons afvragen hoe zulke biofysische veranderingen de materiële productie beïnvloeden. Vervolgens moeten wij proberen inzicht te krijgen in de conflicten die zich voordoen inzake verdeling en sociale spanningen die dit nieuwe gegeven teweegbrengt.

In dit artikel bekijken we die problematiek vanuit twee standpunten. We vertrekken van de internationale economie, met groepen natiestaten als basiseenheden voor onze analyse. Dan nemen we vanuit een politiek-economisch perspectief de sociale klassen binnen of buiten het kader van de naties onder de loep. In beide gevallen blijkt dat de mensen fundamenteel ongelijk zijn en ongelijk gewapend zijn voor hun strijd tegen de ecologische crisis. Bovendien heeft die ongelijkheid ook structurele oorzaken en is ze niet alleen maar het gevolg van aardrijkskundige gegevens of goede of slechte ecologische omstandigheden.

Nationale ongelijkheid

Onderstaande kaart toont de materiële gevolgen van de huidige biofysische veranderingen. Ze meet de relatie tussen twee indicatoren voor alle landen van onze planeet: enerzijds de graad van fysieke kwetsbaarheid van een land voor de ecologische veranderingen, anderzijds de nationale capaciteit om op die uitdagingen een antwoord te formuleren. Daaruit kunnen we afleiden dat vandaag — en morgen nog meer — de economische en sociale gevolgen van de ecologische crisis wel degelijk gelden voor heel de planeet, maar ook dat die zeer ongelijk verdeeld zijn.

Zeer ongelijke risico’s

Wij beschikken over almaar meer en betere gegevens over de nefaste gevolgen van de klimaatverandering voor de productie (verliezen in de landbouw, vernietiging van vast kapitaal, stijgende uitgaven voor gezondheidszorg, slechtere arbeidsvoorwaarden …). Ook al slaat de economische verandering wereldwijd toe, daarom zijn de gevolgen nog niet evenredig verdeeld. Volgens de OESO zal die ongelijke blootstelling nog toenemen. Voor bijna alle landen van het Noorden zouden de verliezen verwaarloosbaar blijven. Maar de landen van Afrika, het Midden-Oosten en Azië bijvoorbeeld (zonder China en Oost-Azië) zouden binnen tien of twintig jaar te maken kunnen krijgen met een langdurige negatieve economische groei.1

Zo zullen bijvoorbeeld de arbeiders door de stijging van de temperaturen almaar minder opgewassen zijn tegen de hitte op de werkvloer. Dat zal leiden tot productieverlies voor het kapitaal, weliswaar in ongelijke mate. Landen als Cambodja of de Malediven zouden vóór het einde van de eeuw al een verlies aan arbeidsproductiviteit van 20 % per jaar moeten incasseren. In de Europese landen zou het verlies echter beperkt blijven tot 1 %2 (terwijl die ook nog veel beter uitgerust zijn om zich aan te passen). Zolang de internationale gemeenschap niet doortastend optreedt om de klimaatverandering in toom te houden en het Zuiden helpt bij de voorbereiding op wat komen gaat, kunnen de armere landen terechtkomen in een negatieve spiraal, die de economische ontwikkeling van die nochtans zeer dichtbevolkte regio’ s kan belemmeren.3

Vulnérabilité aux transformations écologiques et capacités d’ adaptation par pays
Kwetsbaarheid voor de klimaatverandering en aanpassingscapaciteit per land. Bron: ND-GAIN Country Index 2017 (Gegevens 2016)

Verklaring bij de figuur: de kleur van elk land geeft de verhouding weer tussen twee factoren; enerzijds de graad van kwetsbaarheid voor de klimaatverandering en vijf andere grote ecologische uitdagingen; anderzijds, het vermogen zich economisch, sociaal en politiek aan te passen aan dit gegeven. De landen waarin deze verhoudingen het minst gunstig is staan in het paars, terwijl groen de gunstigste verhouding weergeeft.

De klimaatverandering gaat evenwel gepaard met nog andere ecologische gevaren. In de landbouw weegt de biofysische druk door de bodemaantasting minder zwaar door in de landen van het Noorden dan in het merendeel van de landen in het Zuiden (in het bijzonder die van Afrika, het Midden-Oosten en Azië). Hoewel het Noorden niet gespaard wordt – te wijten aan het slechte beheer van het ecosysteem door het agro-industriële systeem – zijn het toch de landen van het Zuiden die het grootste gevaar lopen. Tegen 2050 zou in Algerije bijvoorbeeld verwoestijning en klimaatverandering de vruchtbare landbouwgrond halveren.4 De nu al aanzienlijke voedselafhankelijkheid zou daardoor nog toenemen en tot hoge werkloosheid en economische problemen kunnen leiden. Het Noorden daarentegen zou aan minder grote economische en sociale gevaren blootgesteld worden, zelfs bij gelijke biofysische schade. De landbouw maakt in het Noorden maar een zeer klein deel uit van het nationaal inkomen. Bovendien beschikken die landen ook over een aanzienlijk grotere reactiecapaciteit in geval van een landbouw- of voedselcrisis.

Tot slot zijn er de gevolgen van de toenemende waterschaarste. Voor het Wereldeconomisch Forum wordt de waterschaarste de komende tien jaar een van de grootste risicofactoren wereldwijd.5 Dit zou vooral een enorme tegenslag zijn voor die landen van het Zuiden die de afgelopen jaren hun inkomensniveau zagen stijgen (in het bijzonder in Centraal-Afrika, China, India of het Midden-Oosten). Volgens de Wereldbank zouden de schaarste en de instabiliteit van de waterbevoorrading in die regio’ s de komende dertig jaar aanzienlijke economische verliezen (tot 6 % van het bbp) en sociale en gezondheidsproblemen veroorzaken.6 Zelfs de materiële infrastructuur van sommige landen zou er ernstig door gedestabiliseerd kunnen worden.

Het gevaar van toenemende rivaliteit tussen landen die op dezelfde zoetwatervoorraden aangewezen zijn, is reëel. In meerdere landen, waaronder China (stroomopwaarts ten opzichte van zijn buren langs de rivieren van de Himalaya) of Ethiopië (stroomafwaarts ten opzichte van Egypte langs de Nijl) is de situatie nu al zorgwekkend. Dat kan leiden tot openlijke conflicten. Van het Noorden daarentegen, met uitzondering van bepaalde delen van de VS (bv. Californië) of Europa (bv. Spanje) kan moeilijk gezegd worden dat de waterbevoorrading in de toekomst ernstig in het gedrang zal komen.

Landen in het Zuiden zouden vanwege klimaatgerelateerde kosten te maken kunnen krijgen met een langdurige negatieve economische groei.

Op de kaart onderscheiden we van groen tot paars en langsheen de Noord-Zuidas groepen naties die sociaal-ecologisch zeer ongelijk bedreigd worden. Dat kan niet alleen te wijten zijn aan geografische of zuiver biofysische factoren. Er is ook een historische en politieke oorzaak en die ligt in de structuren die, sinds de koloniale tijd, wereldwijd de verdeling van de arbeid en de natuur organiseren. Eduardo Galeano zegt hierover: “De arbeid is internationaal zo verdeeld dat sommige landen zich specialiseren in winnen en andere in verliezen.”7 Die regel geldt evenzeer voor de biosfeer.

De oorzaak: twee verdelingen van de internationale ruimte

Eerst gaan we de problematiek bekijken vanuit het perspectief van de internationale arbeidsverdeling. Die Noord-Zuid-hiërarchie in de socio-ecologische gevolgen heeft een historische oorzaak: de landen en ondernemingen van het Noorden hebben in de eerste globaliseringsgolven manu militari een ongelijke wereldorde ingesteld, in dienst van de kapitaalaccumulatie in hun deel van de wereld. Die orde heeft geleid tot een sinds lang ingewortelde, asymmetrische relatie tussen het centrum (het Noorden) en de periferie (het Zuiden) van de wereldeconomie. Vandaag komt die relatie er in feite op neer dat de grote kapitalistische ondernemingen van het Noorden massaal de arbeidskrachten van het Zuiden kunnen uitbuiten tegen een kostprijs die lager ligt dan de gemiddelde waarde op wereldvlak, wat woekerwinsten op de rug van de werkers mogelijk maakt.8

Die asymmetrische handelsrelatie wordt nog in de hand gewerkt door wat de ongelijke ruil wordt genoemd: de goederen vanuit de periferie naar het centrum (vooral goederen met lage toegevoegde waarde zoals landbouwproducten, grondstoffen of goedkope maakproducten) worden verhandeld aan prijzen die systematisch lager liggen dan die van de goederen vanuit het centrum naar de periferie (eindproducten met hoge toegevoegde waarde, dure producten en gepatenteerde technologieën). Dit onevenwicht geldt ook voor technologieën en eigendomsrechten (met name intellectuele eigendom), die fanatiek beschermd worden door vrijhandelsakkoorden en de landen zelf.

Die landen verlenen hun ondernemingen de vrije hand om hun monopolie op te leggen op een wereldwijde vrije markt waardoor zij torenhoge prijzen kunnen handhaven en van hun rivalen in de periferie de systematische verliezers van de buitenlandse handel maken. Zonder een beleid dat ingaat tegen de bestaande vrijhandelsdoctrines kunnen de perifere landen zich niet uit de onderontwikkeling bevrijden. Om te kunnen industrialiseren en een groter aandeel in de wereldwijde waardeketen te veroveren moeten zij hun economie kunnen beschermen tegen de onhoudbare concurrentie van het Noorden en daar slagen ze helaas niet in.9

Die ongelijke economische wereldorde verklaart waarom de sociale last van de ecologische crisis zwaarder weegt in het Zuiden dan in het Noorden. Om te beginnen financieel: de ongelijke handel en de concurrentie houden de periferie structureel onderontwikkeld. Met een inkomensniveau per inwoner dat al tientallen jaren stagneert of maar langzaam stijgt, vallen de binnenlandse middelen om de nodige investeringen te doen en de ecologische problemen aan te pakken maar magertjes uit. Dit wordt nog versterkt doordat de landen van het Noorden de kapitaalstromen beheersen en de wereldinstellingen (IMF, Wereldbank) die ze ondersteunen, ook door hen worden gedomineerd. Het gevolg is dat de landen van het Zuiden gebukt gaan onder schulden en speculatie en hun regeringen machteloos staan. Een monetair en budgettair beleid om hun land te ontwikkelen wordt zo onmogelijk gemaakt.

De onderontwikkeling duwt de meeste landen ook naar een bepaalde productiespecialisatie, wat een handicap is in de strijd tegen de huidige en toekomstige catastrofes. Aangezien een groot deel van hun nationaal inkomen afkomstig is van ontginningsactiviteiten met weinig toegevoegde waarde en waarvan de productiviteit rechtstreeks afhankelijk is van de productiviteit van de ecosystemen zelf (in het bijzonder de landbouw10), lopen die landen van meet af aan meer risico. Die activiteiten zijn uiteraard gevoeliger voor ecologische veranderingen dan de activiteiten van sectoren met hoge toegevoegde waarde in de ontwikkelde landen, die meer aanleunen bij een ‘niet-grondgebonden ’ model.

Zuid-Soedan, een van de armste landen ter wereld, is een goed voorbeeld: 95 % van de bevolking leeft van landbouw, houtwinning of visvangst. Maar net die activiteiten zijn zeer gevoelig voor de gevolgen van de opwarming van de aarde.11 Zonder internationale technologieoverdracht of massale investeringen in de productie om de economie voor te bereiden op de toekomst, zal het land het wellicht niet in zijn eentje kunnen klaren. Als de verwachte productieverliezen realiteit worden, zal de huidige humanitaire ellende omslaan in een regelrechte catastrofe. In deze subtropische regio zijn de gevolgen van de klimaatverandering immers rampzaliger dan in de meeste andere regio’ s van onze planeet.

Boven die arbeidsverdeling met zijn vele noodlottige gevolgen staat een nog veel fundamentelere verdeling: de internationale verdeling van het milieu. Dit tweede aspect van de Noord-Zuid-hiërarchie steunt op het concept van de ongelijke ecologische ruil, dat zowat twintig jaar geleden werd geïntroduceerd12 in een poging om de analyse van het wereldsysteem te integreren in het Aardesysteem: hier gaat het niet langer om de hoeveelheid arbeid en geld die geruild wordt maar om de volumes materie en energie als dusdanig. En wat blijkt? Die stromen zijn grotendeels onevenwichtig: voor fysieke materie is de handel van het Zuiden met het Noorden in het algemeen deficitair. Het Zuiden exporteert structureel meer fysieke materie dan het importeert, terwijl het Noorden de overschotten opslaat.

We kunnen de internationale uitwisseling van materie dus beschouwen als een tweede asymmetrische relatie: enerzijds worden de economieën van de periferie en hun ecosystemen opgeofferd aan ontginningsactiviteiten en moeten ze hun natuurlijke bronnen op de wereldmarkt ter beschikking stellen; anderzijds worden die natuurlijke rijkdommen door de economieën van het centrum geïmporteerd, geconsumeerd of eerst verwerkt en daarna gecommercialiseerd als eindproducten.

Op die manier verleggen de landen van het centrum een groot deel van de ecologische druk, veroorzaakt door de ontginning, naar hun commerciële ‘partners ’ in de periferie en verlagen ze hun eigen ecologische voetafdruk. De landen van het centrum — op enkele uitzonderingen na — rijven dus een proportioneel groter aandeel van de natuurlijke rijkdommen van de wereld binnen.13 Onderzoekers hebben voor een periode van 60 jaar, van 1950 tot 2010, het volume van de materie die door verschillende landen werd geaccumuleerd via de internationale handel, in fysieke eenheden berekend. De kapitalistische landen van de Triade behoren allemaal tot de top. Zo hebben de VS in die 60 jaar in de rest van de wereld meer dan 50 ton natuurlijke rijkdommen per hectare geroofd, de Europese landen tussen 100 en 500 ton, Japan en Zuid-Korea meer dan 1.500 ton.14 De ontginning van al die rijkdommen vertegenwoordigt dus een ecologische druk op de ecosystemen van de andere landen en niet van hun eigen land.

Dit geeft ons een beter idee van wat ecologische schuld echt betekent. De ecologische schuld is het resultaat van de accumulatie van ongelijke ecologische uitwisselingsstromen in de loop der tijd en vertegenwoordigt het totaal van de natuurlijke rijkdommen die op lange termijn geruild worden tussen twee landen. Maar dat houdt niet alleen de natuurlijke hulpbronnen in die noodzakelijk zijn voor de historische ontwikkeling van een land, zoals olie of andere grondstoffen. Tot de ecologische schuld behoort ook het aandeel van de mondiale ecosystemische putten die het afval moeten opslorpen dat gepaard gaat met de ontwikkeling van de Aarde: de atmosfeer, de oceanen of de grond.15

Arbeiders zullen door de stijging van de temperaturen almaar minder opgewassen zijn tegen de hitte op de werkvloer.

Dat laatste punt is essentieel: de ecosystemen hebben maar een beperkte opslorpingscapaciteit voor afval. Doordat de centrumlanden aanvankelijk hebben kunnen profiteren van nog maagdelijke ecosystemen, loopt er een scherpe scheidslijn tussen henzelf, de landen die zich als eersten historisch hebben ontwikkeld, en de landen die dat vandaag proberen te doen (de periferie). De eerste groep heeft zich kunnen industrialiseren zonder de zware gevolgen van de industriële pollutie terwijl de tweede groep er wel mee geconfronteerd wordt, tijdens of zelfs nog vóór hun industrialisering. Voor veel zogenoemde ‘ontwikkelingslanden ’ zijn de productieverliezen door de klimaatverandering al een feit, terwijl ze moeilijk met de vinger kunnen gewezen worden.

Alleen al voor CO2 (zonder broeikasgassen dus) hebben de OESO-landen van 1750 tot vandaag meer dan 900 gigaton uitgestoten. Dat is meer dan het historische ‘CO2-budget ’ dat het klimaatevenwicht waarvan onze aarde al 12.000 jaar geniet, niet zo erg zou verstoord hebben als nu het geval is.16 Ondanks de huidige, op lange termijn geaccumuleerde, aanzienlijke jaarlijkse uitstoot van India (8 %) en vooral van China (30 %) vertegenwoordigt die niet meer dan 15 % (3 +12) van het totaal sinds 1750.17 Is er nog meer bewijs nodig voor de historische verantwoordelijkheid van de centrumlanden?

Ecologisch neo-kolonialisme

De ecologische schuld is enorm en de gevolgen ervan worden almaar groter. Met de internationalisering van de productieketens hebben de landen van het Noorden een belangrijk deel van hun productieve activiteiten overgebracht naar het Zuiden. Zoals tijdens het koloniale tijdperk oefent het Noorden niet alleen ecologische druk uit op het Zuiden via de handel maar ook via de rechtstreekse plundering van de ecosystemen.18 Tijdens de periode 2000-2016 werd meer dan 42 miljoen hectare grond19 opgekocht door buitenlanders. Het gaat hier vooral om kopers uit landen van het Noorden (zoals de VS, het Verenigd Koninkrijk of Nederland) of uit Aziatische opkomende kapitalistische landen (zoals Maleisië of Singapore — China staat hier maar op de negende plaats in tegenstelling tot de uit de lucht gegrepen mediaberichten). Bovenaan de lijst van verkopers vinden we dan weer de landen uit de weinig ontwikkelde regio’ s van Afrika, Azië en Latijns-Amerika.20

De ongelijke ecologische ruil vertaalt zich in een onrechtvaardige toe-eigening van grond. De grond die de centrumlanden opkochten in de periferie, wordt doorgaans gebruikt voor vervuilende ontginningsprojecten (agro-industriële activiteiten of mijnbouw). Via de internationale handel voldoen ze aan de behoefte aan producten of voedingsmiddelen van de oorspronglanden. Ondertussen speelt de lokale bevolking haar grond kwijt en worden de ecosystemen langzaam vernietigd. Daardoor worden de landen van de periferie verzwakt en hun weerstand tegen de komende ecologische veranderingen ondermijnd.

Tegen 2050 zouden in Algerije verwoestijning en klimaatverandering de vruchtbare landbouwgrond halveren.

Die vernietigende toe-eigening van de ecosystemen van de periferie door het centrum, met de steun van de internationale instellingen zoals de Wereldbank, komt bovenop de misdaden van het koloniale tijdperk. Een aanzienlijk deel van de zware industrie werd overgebracht naar de landen van de periferie (of semiperiferie). Voor de landen die industrialiseren (zoals vooral de landen van Oost-Azië de voorbije tientallen jaren hebben gedaan) is de druk op de ecosystemen en de gezondheid van de mensen heel groot. Daardoor wordt de draagkracht van al demografisch overbelaste ecosystemen verder uitgeput. Catastrofes op gezondheidsvlak vloeien eruit voort: in India bijvoorbeeld is één op vier sterfgevallen rechtstreeks verbonden met milieuvervuiling door economische activiteiten.

Ook de export van toxisch afval naar het Zuiden is al een tijd een standaardpraktijk van de landen van het Noorden. Vandaag worden chemisch afval, verouderde industriële uitrusting, elektronicaproducten of zware metalen die niet door de industriële ondernemingen van het centrum worden verbrand of gerecycleerd, naar het Zuiden uitgevoerd. Daar moet het afval dan wél ‘verwerkt ’ worden, wat de ecosystemen verontreinigt en de mensen rechtstreeks besmet. De landen van het Zuiden proberen zich tegen deze vergiftigde invoer te verzetten (sinds kort doet ook China dat) maar het probleem is dat die heel erg afhankelijke economieën vaak moeilijk vervanging vinden voor die bron van internationale inkomsten.

Wat is het gevolg van dit alles? Terwijl het centrum een onevenredig deel van de mondiale natuurlijke rijkdommen en meerwaarde inpalmt, zit de periferie opgescheept met een onevenredig deel van de ecologische druk die door die plundering wordt veroorzaakt. Zouden de economieën van het centrum de voorbije tientallen jaren ‘groener ’ geworden zijn? Verre van. Het is de overdracht van de zware ecologische druk naar de periferie die hen in staat heeft gesteld om via de internationale handel zeer hoge consumptieniveaus in stand te houden zonder te moeten opdraaien voor de ecologische kosten van de zeer hoge productieniveaus.

Op wereldvlak zijn die kosten hoger dan ooit: volgens een studie uit 201721 zou de milieuvervuiling onder al zijn vormen (lucht, water, voeding …) in heel de wereld 9 miljoen doden per jaar veroorzaken en daarmee wereldwijd de eerste doodsoorzaak zijn. De vervuiling zou ook nog andere jaarlijkse kosten meebrengen: voor gezondheidszorg, reiniging en herstel, maatregelen tegen vervuiling, productieverlies, rechtstreekse vernietiging van kapitaal … Die kosten worden geraamd op meer dan 4.000 miljard dollar, dat is 6 % van het jaarlijkse bbp van de wereld (wat meer is dan dat van de Duitse economie). Die last wordt hoofdzakelijk gedragen door de volkeren van het Zuiden, in het bijzonder die van Afrika en Azië, waar de wereldwijde zware productie en het bijhorende afval zich grotendeels bevinden. De vernietigende economische ecologische orde van de kapitalistische centrumlanden is dus heel winstgevend voor sommigen, maar dodelijk voor anderen.

Transnationale ongelijkheid

Wie zijn nu echt de enen en de anderen? Door de nadruk te leggen op de ongelijkheid tussen de landen riskeren we een essentieel feit te verdoezelen. Binnen of buiten het kader van de landen is het vooral tussen de sociale klassen en etnische groepen dat er sprake is van een zeer ongelijke blootstelling aan de ecologische crisis en dat de spanningen toenemen. Bovendien wordt de ecologische voetafdruk van elk individu bepaald door de plaats die hij of zij inneemt in de wereldwijde productieve hiërarchie van het kapitaal en die is ook doorslaggevend voor zijn of haar capaciteit om aan de problemen het hoofd te bieden.

Ongelijkheid heeft te maken met klasse

Het verschijnsel van ‘klimaatgentrificatie ’ dat enkele jaren geleden opdook in Florida, spreekt boekdelen. Met de almaar snellere stijging van de zeespiegel sinds de jaren 2000, verloren tal van woningen aan de rand van de oceaan in de regio van Miami veel van hun waarde. Op initiatief van de verontruste lokale burgerij werden die gronden aan een razend tempo verkocht en hoger gelegen percelen aangekocht. De huur in de hoogstgelegen wijken ging pijlsnel omhoog en verjoeg geleidelijk de volksklassen. Maar ook de lagere middenklassen aan de rand van de oceaan delen in de brokken: zij zitten met een dertigjarige hypotheek vastgeketend aan hun woning. Verhuizen is geen optie want daarvoor moeten ze eerst hun huis verkopen en dat heeft zijn waarde verloren en hen tot aan de nek in de schulden gestoken.22

Zelfs in de VS, een centrumland dat heel erg profiteert van de internationale arbeids- en milieuverdeling, zijn burgers rechtstreeks het slachtoffer van de milieucrisis. In een wereld die overheerst wordt door de vrije markt en de privé-eigendom, bepaalt in laatste instantie het inkomensniveau – met andere woorden de sociale klasse – hoe groot je capaciteit is om individueel te reageren op ecologische tegenslagen. Die ongelijke regel geldt voor alle landen, ook voor de meest ontwikkelde. Waar je je ook bevindt op de planeet, met een plaatsje op een hogere sport van de inkomensladder maak je altijd kans om te ontsnappen aan de meest vijandige milieuomstandigheden.

Met de klasse als vertrekpunt kunnen we de ecologische verantwoordelijkheid herinterpreteren. Dan kunnen we de klimaatverandering zien als de geaccumuleerde ecologische schuld van het Noorden tegenover het Zuiden. Het zijn immers vooral de grote ondernemingen van de landen in het Noorden en hun aandeelhouders die in het verleden en tot op vandaag het meest hebben geprofiteerd van die asymmetrische verhouding. De oliereuzen (die je bij wijze van spreken op twee handen kunt tellen) hebben tot op heden van een kolossale rentabiliteit kunnen genieten. Maar meer in het algemeen, in de productie, zijn het de grote bedrijven die de zwaarste koolstofbalansen hebben en de meerderheid van de olie in de wereld consumeren. Om het voorbeeld van België te nemen: vandaag zijn 300 bedrijven verantwoordelijk voor 40% van de nationale uitstoot van broeikasgassen.23

Zulke megaondernemingen opereren op een grotendeels gedeterritorialiseerde basis en hun aandeelhouders zijn zowel terug te vinden onder de elites van het Zuiden als van het Noorden. Om een oplossing te vinden voor de onrechtvaardige gevolgen van de klimaatverandering moeten we ons niet blindstaren op de nationale verschillen tussen de volkeren noch de eindconsumenten de mantel uitvegen: de grote boosdoener van de klimaatcrisis is het productief grootkapitaal.

De consumptiestatistieken tonen aan dat ook hier het transnationale gewicht van de sociale klasse doorslaggevend is voor de ecologische voetafdruk van elk individu. Niet alleen ligt het materiële consumptieniveau in het Noorden gemiddeld veel hoger dan in het Zuiden, maar de 10 % rijkste personen van de planeet zijn verantwoordelijk voor de helft van de uitstoot van broeikasgassen. Onder hen bevinden zich zowel Amerikanen en Europeanen als Japanners, Latino’ s, Afrikanen, Chinezen of Indiërs.24

De export van toxisch afval naar het Zuiden is al een tijd een standaardpraktijk van de landen van het Noorden.

De opkopers van grond in de landen van het Zuiden zijn voor het grootste deel veeleer privé-ondernemingen en investeringsfondsen (49 %) dan overheden (20 %) of individuele ondernemers (7 %). Meestal zijn de overheidselites van de periferie medeplichtig aan die handel. In Colombia bijvoorbeeld hebben de opeenvolgende neoliberale regeringen de voorbije twintig jaar niet minder dan 40 % van het nationale grondgebied verkocht aan privé-ondernemingen die actief zijn in de mijnbouw25, terwijl zulke activiteiten het water besmetten en de ecosystemen van de volkeren kilometers in het rond vervuilen.

Het enige echte verschil met de koloniale periode is dat die heerschappij over de natuurlijke rijkdommen van de landen van het Zuiden niet meer rechtstreeks opgelegd wordt door overheidsstructuren maar het gevolg is van de private toe-eigening van ecosystemen door de wereldwijde juridische uitbreiding van de kapitalistische eigendomsrechten. De collectieve verantwoordelijkheid tegenover de samenleving en het milieu wordt geëxternaliseerd. De wereldelite meent zo te kunnen ontkomen aan de compensatie van de kosten die ze door hun exploitatie aan de rest van de wereld opdringen.

Naar de ecologische proletarisering

Maar de wereldwijde ecologische onrechtvaardigheid volgt ook een etnische verdeling.26 Zulk ecologisch racisme is niet onbestaand in de centrumlanden (dat is historisch gebleken in de VS), maar vooral in de ontwikkelingslanden zijn deze problemen zichtbaar. Ze duiken op waar bepaalde inheemse gemeenschappen of etnische minderheden de economische agenda van de machthebbers storen. In India bijvoorbeeld oefent het nationale groeibeleid almaar meer druk uit op de natuurlijke rijkdommen. De regering verdrijft de bevolking van sommige zeer rijke gronden in het binnenland om ze in handen van de privésector te geven. Hoewel de stammengemeenschappen slechts 8 % van de bevolking vertegenwoordigen, maken ze wel meer dan de helft uit van alle bevolkingen die door de regering werden verdreven en onteigend.27

Zoals elders worden de geviseerde etnische groepen altijd gekozen onder de meest kwetsbaren, die zelden op kunnen tegen de gewapende arm van de overheid. Die aarzelt dan ook niet om hen op gewelddadige manier te onteigenen en de grond toe te wijzen aan ontginningsprojecten die meegefinancierd worden door nationaal of internationaal kapitaal.

In de eerste hoofdstukken van het kapitaal beschrijft Marx vanuit de vorming van de klassen hoe het socio-ecologisch proces zich op lange termijn voltrekt. Op het einde van de Middeleeuwen werd de boerenklasse geleidelijk onteigend (enclosures) door de opkomende kapitalistenklasse in Engeland. Dat heeft tegelijk de vorming van de eerste kapitalistische fortuinen in de hand gewerkt en de Engelse boeren de controle over hun grond (de productiemiddelen) ontnomen. Daardoor ontstond een nieuwe sociale klasse van proletariërs (‘vrij in dubbele zin’, zoals Marx het uitdrukte). Die diefstal op grote schaal werd mede mogelijk gemaakt door de uitbuiting van ongerepte grondgebieden en hun rijkdommen door de verschillende Europese koloniale mogendheden, via onteigening, moord op en verknechting van de autochtone bevolking. Dit historische proces van plundering, dat wij kennen onder de naam ‘primitieve accumulatie’, is zeer belangrijk om het ontstaan van het kapitalisme te begrijpen.

In Miami ging de huur in de hoogstgelegen wijken pijlsnel omhoog, wat geleidelijk de volksklassen verjoeg.

Vandaag doet zich een nieuwe vorm van onteigening van de producenten voor, veroorzaakt door de ecologische crisis die wortelt in de kapitalistische ontwikkeling. In het Zuiden bedreigen de biofysische veranderingen de ecosystemen met de totale vernietiging. Die ecosystemen zijn van levensbelang voor talrijke gemeenschappen, want daardoor kunnen ze voorzien in hun behoeften zonder zich tot de markt te wenden. Door de veranderingen worden de mensen die tot op vandaag buiten de kapitalistische klassenverhoudingen leefden, nu in versneld tempo omgevormd tot proletariërs. In sommige landen van het Zuiden worden de landbouw, de veehouderij, de visvangst en andere productieve activiteiten voor levensonderhoud op basis van de ecosystemen en die een zekere mate van autonomie in de marge van het systeem mogelijk maken, bedreigd door de klimaatverandering en de milieucrisis.

Producenten die elke kans wordt ontnomen om zelf in hun behoeften te voorzien, hebben geen andere keuze dan hun arbeidskracht te verkopen om te overleven. Zo worden ze proletariërs, niet door de overheid of het kapitaal, maar door de natuur zelf. Vaak zijn de sociale structuren van de arbeidsmarkt en de goederenmarkt maar weinig ontwikkeld in de landen waar die ecologische proletarisering zich voltrekt. De verarmde bevolkingen komen terecht in de grootste onzekerheid of voelen zich gedwongen te emigreren om elders hun arbeidskracht te verkopen, daar waar de kapitalistische productie meer ontwikkeld is.

Van ongelijkheid naar conflict

Het is dus geen toeval dat alle mensen niet even ontwikkeld of even ‘bevoorrecht ’ zijn, net zoals het geen toeval is dat het milieu niet iedereen met dezelfde geschenken overlaadt. En zoals de rentenier en de proletariër hebben ook het Noorden en het Zuiden niet dezelfde schuld aan de crisis noch delen ze dezelfde bekommernissen. De oorzaak ligt in de werking van een systeem waarvan ecologische onrechtvaardigheid een wezenlijk bestanddeel is.

Dit betekent meteen ook dat de socio-ecologische ongelijkheid in de toekomst zal toenemen. Onder het kapitalistisch regime tekent zich binnen de mondiale ecosystemen een almaar vijandiger scenario af. De grenzen en de ingrijpende veranderingen van onze planeet verhinderen nu de oneindige groei van de materiële wereldproductie in de toekomst. Maar binnenkort zullen ze de ongebreidelde voortzetting van de groei — historisch een winnend spel — omvormen tot een zero game. Zolang de waardeproductie en de exploitatie van materiële rijkdommen (in het bijzonder fossiele energie)28 niet van elkaar worden losgekoppeld, zolang er geen diepgaande verandering komt in de economische en politieke motivatie van de heersende kapitalistenklasse, is zo’ n perspectief eigenlijk onvermijdelijk.

Zonder die omwenteling zal de huidige accumulatie van een krimpend materieel surplus schadelijke gevolgen hebben voor de geopolitieke en macro-economische wereldorde en ook voor het sociopolitieke evenwicht in de individuele landen. De verdere accumulatie zal enkel de ongelijkheid in de verdeling en de eruit voortvloeiende conflicten tussen landen en sociale klassen verder aanwakkeren.

Wij treden vandaag een tijdperk binnen waarin het kapitalistisch systeem ingehaald wordt door zijn roofzuchtige en zelfvernietigende tendensen. Het wordt niet alleen geconfronteerd met de beperkingen van onze planeet en haar toenemend verweer, maar tegelijk ook met de verscherping van de andere structurele tegenstellingen die eigen zijn aan het systeem (overaccumulatie van kapitaal, sociale crisis, buitensporige private en openbare schuldenlast, toenemende rivaliteit tussen verschillende kapitalistische landen …). Zo’ n perspectief betekent de voortzetting van de ergste catastrofes voor de levende wereld in zijn geheel. Maar het is tegelijk een grote politieke kans: hoe meer het vernietigende karakter van dit systeem aan het licht komt, met de vinger gewezen en ontmaskerd wordt, hoe meer mannen en vrouwen een radicaal ander alternatief zullen eisen dat kan redden wat er nog te redden valt van de planeet en de mensheid. Net daarom zal het nooit te laat zijn.

Maar laten we realistisch blijven: milieurampen voorkomen is heel waarschijnlijk al niet meer mogelijk. Nochtans moeten we alles blijven doen wat in onze macht ligt om de omvang van de milieucatastrofes te beperken en we moeten er ons aan aanpassen op de meest menselijke en solidaire manier. Op lange termijn echter moet gewerkt worden aan de opbouw van een sociale beweging die een antwoord kan bieden op die uitdaging, want enkel een democratische planeconomie die gedragen wordt door een antikapitalistische massabeweging, zal er vroeg of laat in slagen te verhinderen dat van onze planeet enkel nog een hoopje as overblijft.

Footnotes

  1. Zie OESO, “The economic consequences of climate change”, Uitgaven van de OESO, 2015. De gebruikte methodologie van deze studie is vatbaar voor kritiek maar wij zijn vooral geïnteresseerd in de grootteordes en de kloof tussen verschillende economiegroepen.
  2. ONU, CVF, “Climate change and Labour: Impacts of heat in the workplace”, 28 april 2016.
  3. De stelling van het risico op een wereldwijde deflatoire spiraal, veroorzaakt door klimaatschade en algemene privéschulden, wordt ondersteund door een groep economisten bij het Agence Française de Développement. Zie F. Bovari, G. Giraud & F. Mc Isaac. “Coping with collapse: A Stock-Flow Consistent Monetary Macrodynamics of Global Warming”, Ecological Economics, Jaargang 147, p. 383-398, mei 2018.
  4. Geciteerd op p. 21 door T. Pouch in “L’ appropriation des terres agricoles, nouvelle étape de la mondialisation”, L’ Économie Politique, 2018/2, nr. 78, p. 19-29.
  5. Zie de “Global Risks Reports” van het Wereldeconomisch Forum. In die van de vijf voorbije jaren worden onder de ergste en meest waarschijnlijke bedreigingen vooral milieurisico’ s vernoemd.
  6. Wereldbank, “High and Dry: Climate Change, Water and the Economy”, World Bank Group, Washington D.C., 2016.
  7. Eduardo Galeano, De aderlating van een continent, Vijf eeuwen economische exploitatie van Latijns-Amerika, Van Gennep / NOVIB Amsterdam 1991, p. 9.
  8. J. B. Foster, “The New Imperialism of Globalized Monopoly-Finance Capital”, Monthly Review, juli 2015.
  9. Om het eenvoudig te houden hebben we hier niet het lot opgenomen van landen die er zo goed en zo kwaad als het kan in slagen zich geleidelijk omhoog te werken via een ‘semiperiferie’. Dit onderscheid is van fundamenteel belang om de opkomst van China te begrijpen.
  10. Of sectoren met een hogere meerwaarde die toch daarvan afhankelijk zijn zoals het toerisme.
  11. UNDP South Soudan, “Confronting climate change in South Sudan”, 29 juli 2017.
  12. A. Hornborg, “Towards an ecological theory of unequal exchange: articulating world system theory and ecological economics”, Ecological Economics, Jaargang 25 (1), p. 127-136.
  13. Enerzijds exporteren bepaalde weinig bevolkte landen die over talrijke natuurlijke rijkdommen beschikken (Noorwegen, Australië of ook nog Canada) meer materie dan ze invoeren. Anderzijds zijn sommige landen van de periferie of semiperiferie die zeer dicht bevolkt zijn en over relatief weinig natuurlijke rijkdommen beschikken (Pakistan, India of China), netto invoerders.
  14. A. Mayer & W. Haas, “Cumulative material flows provide indicators to quantify the ecological debt”, Journal of Political Ecology, Jaargang 23, 2016, p. 350-363.
  15. R. Walrenius, “Linking ecological debt and ecologically unequal exchange: stocks, flows and unequal sink appropriation”, Journal of Political Ecology, Jaargang 23, 2016, p. 364-380.
  16. Berekeningen van de auteur op basis van gegevens in termen van volumes CO2 van de landen van de OESO in H. Ritchie & M. Roser, “CO2 and other greenhouse gases emissions”, OurWorldInData.org, 2017, alsook op basis van de duurzaamheidsdrempels in termen van atmosferische ppm, vermeld in W. Steffen en coauteurs, “Planetary Boundaries: Guiding human development on a finite planet”, Science, nr. 347, 1 259 855. Aan de hand van een eenvoudige rekenregel die tot op heden zegt dat een gigaton uitgestoten CO2 leidt tot een verhoging van 0,13 atmosferische ppm, kunnen we de twee metingen met elkaar verbinden.
  17. H. Ritchie & M. Roser, “CO2 and other greenhouse gases emissions”, OurWorldInData.org, 2017.
  18. Het verschil met de koloniale periode is dat vandaag die greep op de natuurlijke rijkdommen niet langer loopt langs de controlestructuren van de staat maar via de rechtstreekse rechten van de overheden en ondernemingen van het Noorden op de ecosystemen en hun gebruiksvoorwaarden dankzij de wereldwijde juridische uitbreiding van de kapitalistische eigendomsrechten.
  19. Die gegevens onderschatten vast en zeker de omvang van het probleem want er wordt geen rekening gehouden met de koopcontracten voor percelen van minder dan 200 hectare.
  20. Gegevens van het project Land Matrix 2016. Geciteerd door T. Pouch op p. 26, zie hoger.
  21. The Lancet, 2017, zie hoger.
  22. Zie J.-M. Valantin, Géopolitique d’ une planète déréglée, Seuil, Collection Anthropocène, Parijs, 2017 (hoofdstuk 2: “Le Janus américain”).
  23. https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/dashboards/emissions-trading-viewer-1
  24. Zie T. Gore, “Extreme Carbon Inequality. Why the Paris deal must put the poorest, lowest emitting and most vulnerable people first”, Oxfam Media Briefing, 2015.
  25. Zie M. Swampa et A. Antonelli, “Minería transancional”, Biblos, Buenos Aires, 2010.
  26. Daarnaast zou in sommige landen ook de verslechtering van de milieuvoorwaarden de patriarchale overheersing van mannen over vrouwen verder in de hand werken. Vaak ondergaan de vrouwen als eersten de gevolgen van een bruuske schaarste door hun sociale rol die hen doet vastlopen, en van de privatiseringen die hun opgelegd worden.
  27. Cijfers, geciteerd door A. Bhaduri in “A study in development by dispossession”, Cambridge Journal of Economics, 2017.
  28. Zie Tim Jackson, Prosperity without Growth. Foundations for the Economics of Tomorrow, Routledge, 2017 (Hoofdstuk 5. The Myth of Decoupling).