Artikel

Werk en werknemers in duaal onderwijs

Philippe Hambye

+

JEAN-LOUIS SIROUX

— 25 maart 2019

Stagiairs en stagiaires in bedrijven worden enkel gezien als leerlingen in opleiding. Zo wordt hun arbeid verduisterd en zien we hen niet als volwaardige producenten van welvaart.

Het verschil tussen stagiairs en loontrekkenden vloeit niet voort uit hun bekwaamheid of de taken die ze uitoefenen. Het vloeit vooral voort uit een contract dat aan deze verschillende (sociale) statuten – stagiair en loontrekkende – een ander kwalificatieniveau en bijgevolg een andere verloning toekent. Het gaat ons er niet om dat stagiairs beter (of minder) zouden moeten worden betaald voor het werk dat ze daadwerkelijk uitvoeren. We willen net het politieke karakter van hun verloning benadrukken. Zodra het productieve aspect van hun stageactiviteit wordt erkend, moet de economische waarde die daaraan wordt toegekend niet gemeten, maar vastgelegd worden.

  1. Verlossing door afwisseling
    In Le salut par l’ alternance (Verlossing door afwisseling), in 2018 verschenen bij uitgeverij La Dispute, stellen Philippe Hambye en Jean-Louis Siroux de groeiende rol van het bedrijf in de onderwijs- en opleidingssystemen in vraag. Die groeiende rol blijkt uit de ontwikkeling van het duaal onderwijs, waarbij leerlingen van 15 jaar en ouder, die soms nog leerplichtig zijn, twee derde van hun tijd besteden aan stages in bedrijven. De steile opmars van opleidingen onder de vorm van duaal leren, stelt de essentie van het schoolsysteem zelf in vraag: wat wordt er geleerd, aan wie en met welke doelstellingen? In dit fragment uit het boek leggen de auteurs vooral de nadruk op nog een andere kwestie, namelijk de sociale werkrelaties. Stagiairs en stagiaires worden immers vaak alleen beschouwd als leerlingen ‘in opleiding ’ en niet (eveneens) als volwaardige producenten van welvaart.

Het laat zich makkelijk raden wat er op het spel staat als we een dergelijke discussie openen: toegeven dat stagiairs niet enkel ‘leerlingen ’ of ‘studenten ’ zijn, maar vooral producenten van rijkdom. Die moet onherroepelijk leiden tot de erkenning dat ze recht hebben op een volwaardig loon, in principe gekoppeld aan sociale bijdragen (waarvan bedrijven nu zijn vrijgesteld als ze stagiairs van het CDO in dienst nemen). En diegenen die suggereren dat het loon van een werknemer automatisch afhankelijk moet zijn van zijn productiviteit, herinneren we eraan dat in een kapitalistisch systeem het loon een overeenkomst blijft die voortvloeit uit de machtsverhouding tussen werkgever en loontrekkende, min of meer binnen het kader van de sociale wetgeving. De aard van die machtsverhouding bepaalt welk deel van de rijkdom die door de werknemers is geproduceerd rechtmatig aan de werknemers toekomt (via het loon: het netto loon en het sociaal loon) en welk deel aan de kapitaalhouders wordt overgedragen.

Semantische samenhang

Deze delicate kwestie, het statuut van stagiairs en hun eventuele loon, verdient volgens ons een publiek debat dat tot dusver in België nooit heeft plaatsgehad, behalve … in de antichambre van het politieke debat waar de kwestie al is afgehandeld. In de officiële teksten is nooit sprake van loon, maar van een ‘opleidingsvergoeding ’ of een ‘stagetoelage’. Net als altijd zit de angel hier in de terminologie. In tegenstelling tot ‘loon ’ verwijzen termen zoals ‘vergoeding’, ‘toelage ’ en ‘inkomsten ’ immers naar vormen van verloning die geen enkele intrinsieke band hebben met de rijkdom die door de werknemer geproduceerd wordt. Die loskoppeling tussen productieve arbeid en verloning is ook de reden waarom dagen waarop de stagiair op school onwettig afwezig was van zijn maandelijkse verloning kunnen worden ingehouden, en dat geldt ook voor afwezigheden op de stageplaats.

“De vergoeding dekt de periodes gepresteerd zowel in het bedrijf als in de schoolinrichting. De opleidingsvergoeding wordt pro rata temporis verlaagd wanneer in de loop van een maand de leerling zijn opleiding in het bedrijf of op school heeft laten vallen of wanneer hij zonder reden zowel in het opvangbedrijf als in de schoolinrichting afwezig is geweest. (Fragment uit de Overeenkomst voor Socioprofessionele Inschakeling – OSPI)”

Het voorbeeld is anekdotisch. Dit punt in de wetgeving is weinig bekend en voor zover wij weten wordt het maar weinig toegepast. Maar het toont wel een algemene samenhang omtrent het feit dat de toegevoegde waarde als gevolg van het werk van de stagiair ontkend wordt. Juist omdat ze niet gezien wordt als een loon, dat betaald wordt in ruil voor productieve arbeid, kan de verloning zowel afhangen van de opleidingstijd op school als die op de stageplaats. Opleiding of productie? – dat is de hamvraag. Andere onderzoekers hebben trouwens aangetoond hoe de marginalisering van de term ‘loon ’ ten voordele van bijvoorbeeld de term ‘inkomen ’ een veruitwendiging is van een historische verschuiving in onze perceptie van de sociale arbeidsverhoudingen.1

Verschillende partijen die betrokken zijn bij duaal onderwijs besteden in hun literatuur weinig aandacht aan die semantische verschillen of lijken in elk geval weinig moeite te doen die in vraag te stellen. In veel gevallen gebruiken ze ‘loon’, ‘inkomen ’ en ‘vergoeding ’ door elkaar en hebben ze het over wat stagiairs verdienen of kosten. Die teksten houden de verwarring ook in stand door formules te gebruiken zoals “het gemiddelde opleidingsloon van stagiairs”2 wat laat uitschijnen dat de leerlingen een loon ontvangen – wat betekent dat ze werken – maar dat ze dat loon ontvangen in ruil voor hun opleiding.

Als het gaat over het ‘belonen ’ van hun investering in opleiding, waarom die verloning dan bestempelen als loon? En als het gaat over het belonen van hun productieactiviteit, waarom spreken ze dan over opleiding? Het onzorgvuldige terminologiegebruik komt ook terug in de bewoordingen die gebruikt worden om stagiairs aan te duiden3: in plaats van termen zoals ‘leerlingen ’ of ‘werknemers ’ te gebruiken, heeft men het doorgaans over ‘jongeren ’ om de betrokken stagiairs te kwalificeren, zowel in bepaalde officiële teksten als in het dagelijkse leven bij het CDO. Het is niet zo onschuldig dat dit een vage term is (het komt spontaan in ons op dat niemand precies weet wanneer die ‘jeugd ’ begint of eindigt), zonder veel politieke inhoud.

Herdefiniëring van de voorwaarden voor arbeidsvergoeding

Los van het bedrag beschouwt een aantal van onze informatieverstrekkers de verloning van de stagiairs niet als loon gekoppeld aan een activiteit die economische waarde produceert, maar als een beloning die hen gegeven wordt zodat ze bepaalde commerciële verlangens kunnen vervullen. Het is dus geen recht dat vastgelegd is in het kader van de productieverhoudingen, maar een gunst die gezien wordt als een middel om te consumeren. De verloning wordt bijgevolg gezien in termen van ‘koopkracht ’ en staat los van de toegevoegde waarde die stagiair produceert.

“Het is hun zakgeld hé. Ik heb nooit 500 euro bij elkaar gezien.” (Begeleidster)

Vanuit dat standpunt vraagt men zich niet af wat men de leerlingen verschuldigd is, maar wel wat hen tevredenstelt, waar ze behoefte aan hebben en of ze in staat zijn met geld om te gaan. En we zouden daaruit kunnen besluiten dat de hoogte van de verloning niet belangrijk is, zolang ze er maar tevreden mee zijn, want die verloning gebruiken ze toch maar om ‘gadgets ’ te kopen en een krap budget is nog steeds het meest probate middel om ze te leren hoe ze met geld moeten omgaan.

“Voor de meesten geldt dat de ouders niet werken of zelf ook arbeider zijn. Dus als ze [later als loontrekkende] 1300 euro verdienen, zijn ze dik tevreden. Maar dat is, eerlijk waar, het beste wat je sommige leerlingen kunt toewensen.” (Begeleidster)4

“De leerlingen verdienen niet veel, maar “ze hebben wel allemaal de nieuwste toestellen. […] Zelf heb ik geen gsm en ik zie er het nut niet van in.” (Uitbater van een kapsalon)

“Laat ze een kleinigheid verdienen, laat ze een loon krijgen, geef ze de kans om met geld te leren omgaan. Normaal gezien is dat de taak van de ouders, maar die elementaire maatschappelijke zaken worden vandaag niet langer overgedragen.” (Begeleidster)

“Ik ben blij dat die gasten van 15-16 jaar geen 600 of 700 euro krijgen, want ze moeten een beetje beschermd worden, we weten niet wat ze met dat geld gaan doen.” (Begeleidster)

Los van het eeuwige klagen over de onvoorspelbaarheid van de onderklasse55 is het opvallend dat in de twee laatste uitspraken de verloning van de stagiairs vanuit de invalshoek van de opvoeding wordt bekeken. De lage verloning wordt niet langer gezien als onrechtvaardig voor het productieve werk van de stagiairs, maar als een manier om ‘gasten van 15-16 jaar ’ te ‘beschermen’, want die zouden hun vingers kunnen branden als ze een te hoge verloning kregen. En soms denken de leerlingen er zelf ook zo over, zoals de leerling-kapster die zegt dat voor haar ‘250 euro al veel is’. Toch komt het regelmatig voor dat die verloning gebruikt wordt, niet als ‘zakgeld’, maar als bijkomend inkomen, wanneer stagiairs hun gezin financiële hulp bieden, of zelfs als hoofdinkomen voor degenen die zichzelf moeten onderhouden. Dat is bijvoorbeeld het geval voor Khadija, leerlinge van het zesde jaar haartooi, van wie de lerares volgend kort portret schetst.

“Voor zover ik weet, is ze ongeveer in 2009 aangekomen. Ze woont alleen in een kleine studio en heeft amper familie hier in België. Het gaat nu beter met haar, omdat ze een stageplaats gevonden heeft. Maar vorig jaar had ze geen stage. Ze is afhankelijk van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Werk, maar omdat ze dit jaar dubbelt, oefent het OCMW druk op haar uit door te stellen dat ‘als ze nogmaals dubbelt, haar OCMW zal worden ingetrokken’. Daarom heb ik haar meteen meegenomen naar het Psycho-Medisch-Sociaal centrum. Het was zwoegen en zweten, maar uiteindelijk kwam ze breed glimlachend terug van het PMS omdat het haar had beloofd dat ze op school een broodje en een drankje zou krijgen elke keer dat ze kwam. Dat was niks enorms, ze gaat toch maar twee dagen per week. Maar het was iets … Idem toen ik haar vroeg hoe haar stage verliep. Dat weekend had ze 5 euro drinkgeld gekregen en het leek wel feest.” (Lerares)

Zakgeld, een bijkomend inkomen of een hoofdinkomen, in alle gevallen blijft de verloning van stagiairs vooral geassocieerd met verlangens, behoeften en meer koopkracht en niet zozeer met loon in de strikte zin van het woord. Bovendien blijft de verloning, zelfs als ze expliciet gekoppeld is aan de activiteit die tijdens de stage wordt uitgevoerd, losstaan van de toegevoegde waarde die de stagiairs door hun werk leveren. Het gaat niet over een schuld, maar over een beloning die voornamelijk van symbolische aard is. Het is een signaal dat, net als een stevige handdruk, erkent dat het werk goed is uitgevoerd en de verdienstelijke stagiair beloont voor zijn positieve houding.

“Voor mij is dat niet gekoppeld aan een vaardigheid, niet gekoppeld aan werk, het is een beloning.” (Uitbater van een kapsalon)

“300 euro is een kleine beloning en dat is ook correct. Het moet een beloning blijven, het is geen loon. Het is een kleine motivatie.” (Uitbater van een winkel in sportartikelen)

Dat idee van ‘beloning ’ keert geregeld terug in het betoog van werkgevers. Het laat duidelijk zien dat het in hun ogen om een gunst gaat die, in tegenstelling tot een onvoorwaardelijk recht, discretionair is, willekeurig en omkeerbaar. In mindere mate vinden we dat idee ook terug in de uitlatingen van sommige begeleiders. In het volgende fragment worden verloning en arbeidsovereenkomst beschouwd als beloningen die a posteriori worden toegekend door de werkgever als die tevreden is over de geleverde prestaties.

“In het begin wordt ze [de stagiaire] niet betaald […] Ook al zegt de man over een maand “ach, ik ben supertevreden, we gaan je iets betalen”, “ik ben supertevreden, we gaan je iets meer betalen”, “ik ben super tevreden, ik bied je een contract aan”. Het is ook een vorm van integratie.” (Begeleider)

We moeten natuurlijk altijd enig voorbehoud aan de dag leggen bij het interpreteren van mondelinge verklaringen die tijdens relatief informele gesprekken zijn opgenomen. Tijdens het spreken worden de woorden minder gewikt en gewogen dan wanneer ze neergeschreven worden, want dan kan men de tijd nemen om ze te herlezen en te herwerken. Desalniettemin dragen deze uitspraken, en veel andere die we uit ons corpus hebben kunnen halen, bij om de eigenlijke voorwaarden voor arbeidsvergoeding te herdefiniëren: in plaats van onvoorwaardelijk te zijn, wordt verloning willekeurig; in plaats van bedoeld te zijn als tegenprestatie voor het produceren van toegevoegde waarde, wordt verloning een gunst die bedoeld is om aan behoeftes of verlangens te voldoen; in plaats van omgezet te worden in klinkende munt, wordt verloning gezien als het opdoen van beroepservaring of zelfs gewoon als symbolische erkenning.

Verloning, een socialisatiemiddel

Volgens sommigen is de verloning van stagiairs vooral een moreel gebaar, maar dat gebaar kan meerdere betekenissen aannemen. In de eerste plaats zet een lage verloning aan tot zuinigheid: wat de stagiairs (of studenten) krijgen, mag hen niet aanzetten hoge verwachtingen te koesteren. Integendeel, het moet hen alvast laten wennen om zich met weinig tevreden te stellen.

“Persoonlijk vind ik dat studenten te veel betaald krijgen in vergelijking met iemand die begint […] Ik denk dat het loon van een student 10 euro per uur bedraagt. Als je voltijds werkt, betekent dat dus dat je aan het eind van de maand 1500 of 1600 euro netto hebt. En later, als je begint te werken, verdien je 1100 of 1200 euro. Het gevolg is dat de jongeren een verkeerd beeld hebben van wat ze later zullen verdienen. Dat gebeurt vaak. Ze willen bij ons blijven, ze zeggen dat ze willen stoppen met school om bij ons te werken. Ze komen solliciteren. We zeggen: “Oké, we waren tevreden over je werk.” En dan komt het loon ter sprake, we zeggen hen: “Jullie zullen hetzelfde verdienen als een student, maar je moet voortaan wel bijdragen betalen.” […] Het is niet realistisch, we geven studenten het idee dat ze als ze beginnen te werken minstens hetzelfde verdienen als een student. En dat is niet correct […] In Nederland bijvoorbeeld,verdienen studenten slechts 3 tot 4 euro per uur. En dat is een pak realistischer. Het is ook beter, want zo halen de studenten zich niets in het hoofd. Hier krijgen ze meer dan iemand die hier werkt, voor een job die ze nog niet kunnen. Dus als je me vraagt of er iets moet veranderen, dan is het volgens mij dat. Dat ze maar eens aan de jongeren denken. Want voor ons blijft een student in dienst nemen sowieso voordelig, we moeten immers geen bijdragen betalen. Maar we moeten ook denken aan de studenten zelf, iets doen opdat ze zich niet vastpinnen op waanvoorstellingen zoals: “Ik ga stoppen met school en 2000 euro in mijn zakken steken.” Want in de werkelijkheid gaat het niet zo.” (Uitbaatster van een grote kledingwinkel)

De socialiserende dimensie die ‘loonmatiging ’ in de ogen van sommige werkgevers heeft, komt hier duidelijker dan ooit naar voren. Als het erom gaat het bedrag van de verloning van studenten te beperken, dan is dat in de eerste plaats om te voorkomen dat ze zich illusies maken en daarnaast dat ze geen onredelijke eisen stellen over de hoogte van hun toekomstige loon. Een vrij bescheiden verloning van ‘3 of 4 euro per uur’, naar het voorbeeld van wat in de andere landen gebruikelijk is, lijkt ‘realistisch ’ omdat zo de kansen vergroten op gelukkige werknemers die als loontrekkende relatief beter hun brood verdienen.

Op diezelfde manier lijkt de opwaartse trend van de verloning voor leerlingen van het CDO, die bij beginners soms negatieve affecten oproepen, bij leerlingen van het 5e of 6e jaar om te slaan in positieve affecten, ondanks het nog steeds belachelijk lage niveau van hun verloning (“Leerlingen van het 5e en 6e jaar beginnen tevreden te zijn, maar de derdejaars zijn erg teleurgesteld dat ze zo weinig krijgen. En dan krijg je soms hoogdravende uitspraken over uitbuiting te horen”, vertelt een lerares). Maar eigenlijk zouden deze maatregelen minder in het belang zijn van de werkgevers, maar vooral goed zijn voor de stagiairs (en de studenten) zelf (“Dat ze maar eens aan de jongeren denken.”) Het is belangrijk dat ‘ze zich niks in het hoofd halen ’ en zich niet vastpinnen op ‘waanvoorstellingen’. Kortom, het is een kwestie van hen teleurstellingen te besparen over gemakkelijk verdiend geld en over verlangens die niet ingelost worden.

In dezelfde zin mag verloning niet de eerste ambitie zijn van de stagiairs. Sommige van onze informatieverstrekkers zijn van mening dat de verloning van de leerlingen laag moet blijven, zodat de stage geen middel wordt, maar een doel op zich blijft. Ook hier komt nogmaals naar voren dat een te hoge verloning geen ‘negatief ’ signaal mag geven op moreel vlak.

“De SBO [startbaanovereenkomst] […], ik denk dat dat een slecht systeem is. We bewijzen hen er helemaal geen dienst mee door hen een startbaanovereenkomst te geven terwijl ze nog op school zitten. Ik ken weinig studenten die betaald worden om te studeren. Het systeem heeft een zeer slechte invloed op de mentaliteit. Die gasten zullen nooit ergens geraken.” (Uitbater van een winkel in sportartikelen)

In elk geval mag verloning niet de basis zijn voor de mate van betrokkenheid van de werknemers bij hun beroepsactiviteit. Zo doet een stagebegeleider uitdrukkelijk zijn beklag over het feit dat “motivatie het probleem is, voor sommigen is die extrinsiek, terwijl die intrinsiek zou moeten zijn.” Hier vinden we bijna woordelijk de rode draad terug uit Frédéric Lordons analyse over de nieuwe vormen van inschakeling van loontrekkenden die in de literatuur worden aangereikt en door managers in de praktijk worden gebracht: “Het is dus de activiteit zelf die objectief en subjectief opnieuw ervaren moet worden als bron van onmiddellijke vreugde. Het verlangen naar een betaalde baan mag niet langer enkel het indirecte verlangen naar goederen zijn, die door het loon kunnen worden verworven, maar het intrinsieke verlangen naar de activiteit zelf.”6 Die aanmaning om te verlangen naar de activiteit vanwege de activiteit neemt een heel paradoxale vorm aan als je bedenkt in welke mate het succes van het neoliberalisme, gesteund door de managementorthodoxie, geleid heeft tot een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden.7 In zekere zin gaat het erom om meer te doen met minder: meer voldoening halen uit minder bevredigende omstandigheden. (…)

Uitholling van de loonvoorwaarden

Net als andere werknemers die aangeworven worden met een zogenaamd ‘apart ’ statuut (iets wat in de realiteit steeds vaker voorkomt), oefent de stagiair objectief gezien druk uit op de standaard loontrekkende die op die manier gedwongen wordt zijn aanspraken naar beneden toe bij te stellen. Loontrekkenden moeten immers de concurrentie aangaan met werknemers waarvan verwacht wordt dat ze, zonder dat ze hetzelfde statuut hebben (en de bijbehorende rechten en verloning), dezelfde functies uitvoeren. Dus een verschil in statuut en economische waarde van de werknemers, ook al zijn er op het vlak van het concrete werk dat ze uitvoeren nauwelijks verschillen.

Wat rechtvaardigt het feit dat sommige werknemers niet hetzelfde statuut hebben als hun collega’ s? In het geval van de stages in een bedrijf is het vooral, zoals we gezien hebben, het gebrek aan kwalificatie. De opleiding die de stagiairs krijgen, rechtvaardigt dat ze ingeschakeld worden met een statuut dat lager is dan dat van de gewone loontrekkenden. Door in te stemmen met de aanwerving van stagiairs die hun initiële opleiding nog niet met succes hebben afgerond (en die soms nog maar net met de opleiding begonnen zijn), geeft de wetgever de werkgevers een gouden argument om ze niet het gebruikelijke loon te hoeven betalen.

Algemeen kunnen we stellen dat die ‘aparte ’ statuten gebaseerd zijn op een structuur van ad hoc-categorieën (de ‘jongeren’, de ‘stagiairs’, de ‘laaggeschoolden’, enz.) die bijdragen tot een te lage inschaling van de arbeidskracht. Omdat ze als onvoldoende opgeleid worden beschouwd, zijn die werknemers niet voorbereid genoeg, niet volwassen genoeg en niet competent genoeg om betaald te worden volgens de standaard van de andere loontrekkenden, zelfs als ze hetzelfde werk even efficiënt uitvoeren. Het voorstel van de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA) – momenteel de grootste partij van België – om het minimumloon voor jongeren onder de 21 jaar te verlagen, is een schoolvoorbeeld van die logica van interne sociale dumping.8

We kunnen de stage ook zien als een soort vroege ‘kennismaking ’ met de bedrijfswereld in plaats van als een echte scholingservaring, een periode die erkend wordt als beroepsactiviteit en recht geeft op een loon vergelijkbaar met een beginnende loontrekkende. Deze eerste beroepservaring omschrijven als socialisatie en associëren met het aanleren van bepaalde attitudes en basisvaardigheden, alsof het enkel over acculturatie, het corrigeren van een afwijking of een terugkeer naar een veronderstelde normale situatie zou gaan, is uiteraard een bevestiging, in woorden, van een politieke visie op de dingen. Dit zet de maatschappelijke invulling van een bepaald beroepsstatuut weg als een eenvoudige vaststelling.

Het idee dat een stage ‘een eerste contact met het bedrijf ’ is, verliest veel van zijn geloofwaardigheid wanneer niet langer de eerste stap in de beroepsloopbaan is, maar verandert in een duurzaam statuut waaronder een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking werkt. De spectaculaire toename van het gebruik van het stagiairsstatuut in Italië is daar een bijna karikaturale illustratie van. In 2016 werden in het land niet minder dan 143.000 stagiairs geteld, een stijging met 116 % tegenover de 63.000 stagiairs geteld in 2012. Onder hen bijna 13.000 (14,4 %) ‘stagiairs ’ ouder dan 45 jaar.9 Bij wijze van voorbeeld schetste het journaal van de Franse tv-zender France 2 op 11 april 2017 de situatie van de 60-jarige Stefano, een voormalige informaticus die nu ‘stagiair ’ is bij het Hof van Cassatie. “Ik houd me bezig met dossiers, het archiveren en de voorbereiding van de hoorzittingen”, vertelt hij. Zijn stage loopt intussen 7 jaar, hij krijgt een werkloosheidsuitkering van 600 euro en een stagevergoeding van 400 euro. Als stagiair draagt hij niet bij voor zijn pensioen.

Het onderzoek dat we gevoerd hebben bij werkgevers en stagiairs toont ook aan hoe dodelijk deze eindeloze achteruitschakellogica is: loontrekkenden worden vervangen door werknemers met gesubsidieerde contracten,die op hun beurt ook de concurrentie moeten aangaan met andere ‘aparte ’ statuten. Het gaat zelfs nog verder achteruit, leerlingen van het vijfde en zesde jaar deeltijds onderwijs verliezen omwille van de concurrentie hun stageplaats aan nog jongere leerlingen.

“Normaal gezien krijgen 18-jarigen een parttime contract. Maar de baas wil dat niet. […] Alleen overheidsbedrijven zijn daartoe bereid, omdat zij subsidies krijgen om stagiairs in dienst te nemen.” (Begeleider)

“Jennifer is net “haar salon kwijtgeraakt”. Ze werkte er al bijna twee jaar. Maar omdat ze nu in het zesde jaar zit, kostte ze ‘meer ’ dan de leerlingen uit het derde jaar die pas aan hun opleiding waren begonnen. Haar begeleider onderbreekt de les haartooi om haar een voorstel te doen voor een contract in een nieuw salon dat hij gecontacteerd heeft. Het meisje is eerst niet erg enthousiast, want het kapsalon ligt een heel eind van waar ze woont, helemaal aan de andere kant van de stad. Maar omdat ze bang is dat er geen beter voorstel komt, aanvaardt ze het toch, al is het niet van harte.”

Het is veelzeggend dat, wanneer werkgevers de mogelijkheid opwerpen om een stagiair van het CDO in dienst te nemen, de kostprijs daarvan automatisch naar beneden toe wordt bijgesteld, niet naar de kostprijs voor een gewone loontrekkende, maar naar die voor een jobstudent of een van de andere werknemers met een ‘apart ’ statuut.

De situatie is intussen zo erg dat de gewone loontrekkende vandaag bijna de uitzondering is. Hij wordt voorgesteld als een ‘luxeproduct ’ waarvan een hoge mate van tevredenheid en rentabiliteit wordt verwacht. Wanneer we de leerjongen carrosserie vragen of hij hoopt aan het einde van zijn opleiding aangeworven te worden door de garage waar hij stage loopt, antwoordt hij bevestigend, hoewel hij er niet helemaal gerust op is.

“Ja, maar als hij me in dienst neemt, zal ik nog meer moeten opbrengen. Dat zal moeilijk zijn, maar ik zal op mijn tanden bijten.” (Leerling, 6e jaar carrosserie)

De toename van al die onvolwaardige statuten wordt door veel beroepsmensen voor sociaal-professionele inschakeling echter als vrij positief ervaren, omdat ze voor bepaalde sociale categorieën en welbepaalde individuele gevallen een betere toegang tot de arbeidsmarkt zouden opleveren. De uitspraken van de begeleiders die wij ondervraagd hebben, zijn daarbij geen uitzondering op de regel. De toon waarop ze hun voorstellen formuleren, geeft vaak aan dat ze hulp aanreiken of een reddingsboei aanbieden. Stages worden gezien als ‘opportuniteiten ’ om ‘hulp te bieden ’ en een ‘redmiddel ’ voor ‘probleemjongeren’. Het zou nochtans voldoende zijn om de blik te verbreden, de hele arbeidswereld in beschouwing te nemen en zo op een ingrijpend andere manier te kijken naar die dynamiek die de loonvoorwaarden uitholt. In werkelijkheid dragen de verschillende maatregelen die genomen zijn voor de professionele inschakeling van jongeren bij aan de slechtere voorwaarden om tot de arbeidsmarkt toe te treden en aan de destabilisering van de arbeidswereld in zijn geheel.

Philippe Hambye en Jean Louis Siroux, Le salut par l’ alternance. Sociologie du rapprochement école-entreprise, La Dispute, “L’ enjeu scolaire”, Parijs, 2018, p. 182-190 en 199-202.

Footnotes

  1. Friot Bernard, L’ enjeu du salaire, La Dispute, “Travail et salariat”, Parijs, 2012; Gobin Corinne, “From ‘Wage-friendly ’ to ‘Employment-friendly ’ Growth. Looking Back on 44 years on European Union History (1968-2012)” in Clasquin Bernardette, Friot Bernard (eds.), The wage under attack. Employment policies in Europe, Brussel, PIE Peter Lang, 2013, p. 245-272.
  2. Christoph F. Buechtemann, Dana J. Soloff, Juergen Schupp, “Formation par apprentissage : Défis pour l’ Allemagne et perspectives pour les États-Unis”, Formation Emploi, nr. 45, 1994, p. 52.
  3. Het door elkaar gebruiken van termen zorgde trouwens ook voor problemen tijdens het schrijven van dit boek. In de mate dat ons werk erop gericht is het gebruik van die termen te problematiseren, en niet de ene of de andere term met dwang op te leggen, hebben we onszelf er ook op betrapt van de ene term naar de andere over te stappen, waarbij we de term ‘stagiair ’ gebruiken als het gaat over wat er tijdens de stage gebeurt en de term ‘leerling ’ als we aandacht besteden aan de schoolomgeving.
  4. Zoals we in het eerste hoofdstuk van dit boek hebben aangetoond, is de positie van de stagebegeleiders, de tussenschakels tussen de leerling en het bedrijf, complex en hun verklaringen zijn heel wat subtieler en diverser dan uit deze enkele fragmenten zou kunnen blijken.
  5. Zie over dit onderwerp de tijdloze analyse van Richard Hoggart, La culture du pauvre, Minuit, “Le sens commun”, Parijs, 1970/1957).
  6. Fréderic Lordon, Capitalisme, désir et servitude. Marx et Spinoza, La Fabrique, Parijs, 2010, p. 76.
  7. Philippe Hambye, Vincent Mariscal, Jean-Louis Siroux, “Le capitalisme néolibéral et la réalisation de soi par le travail” in Hadrien Buclin, Jospeh Daher, Georgiou Christakis, Pierre Raboud, Penser l’ émancipation: offensives capitalistes et résistances internationales, La Dispute, Parijs, 2013, p. 87-109.
  8. “N-VA stelt voor om het minimumloon voor jongeren te verlagen”, Le Vif/L’ express, online gezet op 3 oktober 2014.
  9. “En Italie, près de 15% des stagiaires ont plus de 45 ans”, Le Figaro, online gezet op 20 februari 2017 en geüpdatet op 22 februari 2017.