Artikel

Hoe een virus een revolutie teweegbracht in de openbare gezondheidszorg

Laura Spinney

— 23 juni 2020

De Spaanse griep en haar miljoenen slachtoffers veranderden onze manier van denken over ziekte en de rol van de overheid in de behandeling ervan.

Zo ’n honderd jaar geleden, in 1918, werd de wereld getroffen door een dodelijke vloedgolf, wellicht de grootste in de geschiedenis van de mensheid sinds de Zwarte Dood (1346-1351). Die catastrofe staat bij ons bekend als de Spaanse griep, en in het kielzog ervan kwamen heel wat veranderingen tot stand. Een van de meest ingrijpende revoluties deed zich voor in de openbare gezondheidszorg.

In die eerste decennia van de 20e eeuw zag de wereld er helemaal anders uit. Zo was er voor gezondheidszorg geen echt doordacht beleid. In heel de geïndustrialiseerde wereld werkten artsen voor eigen rekening of ze werden gefinancierd door religieuze of liefdadigheidsinstellingen. Veel mensen hadden helemaal geen toegang tot gezondheidszorg.

Individuele verantwoordelijkheid

Het zorgbeleid was — net zoals het immigratiebeleid — beïnvloed door de eugenetica. Doorgaans keek de geprivilegieerde elite neer op de werkers en de armen. Dat waren in haar ogen ondergeschikte categorieën mensen die door hun natuurlijke ontaarding voorbestemd waren voor ziekte of afwijkingen. Het kwam bij deze elites niet op de oorzaken te gaan zoeken in de vaak ellendige levensomstandigheden van de lagere klassen: overbevolkte krotwoningen, lange werkdagen, slechte voeding. Werden ze ziek en stierven ze aan tyfus, cholera of een andere dodelijke ziekte, zo argumenteerden de eugenetici, dan was dat hun eigen fout; zij misten nu eenmaal de drijfveer om te streven naar een betere levenskwaliteit. In de context van een epidemie was het zorgbeleid niet meer dan een rits maatregelen ter bescherming van die elite tegen besmetting door het door ziektes geteisterde gepeupel.

Na de Spaanse Griep kon het individu niet langer verantwoordelijk gehouden worden voor het hebben van een besmettelijke ziekte.

De eerste golf van de Spaanse griep sloeg toe in de lente van 1918. Veel Spaans was er overigens niet aan. De ziekte kreeg onterecht die naam doordat de pers in neutraal Spanje de ontwikkeling ervan op de voet volgde, in tegenstelling tot de streng gecensureerde kranten in de oorlogvoerende landen. Maar het was wel degelijk griep en zoals we weten wordt het griepvirus doorgegeven via de adem, door hoesten en niezen. Het is een zeer besmettelijk virus dat zich het makkelijkst verspreidt daar waar mensen dicht opeen gepakt zitten, zoals in sloppenwijken of loopgraven. “Massaziekte” is dan ook de tweede toepasselijke naam.

Die eerste golf was betrekkelijk mild, niet veel erger dan de jaarlijks terugkerende griep maar toen in de herfst van 1918 de tweede en dodelijkste fase van de pandemie uitbrak, kon nauwelijks iemand geloven dat het om dezelfde ziekte ging. Een alarmerend hoog aandeel van de besmette patiënten overleed — vijfentwintig keer meer dan bij andere grieppandemieën. Hoewel aanvankelijk slechts gewag werd gemaakt van de klassieke symptomen — koorts, keelpijn, hoofdpijn — kregen patiënten nu ademhalingsmoeilijkheden, bloedden ze uit neus en mond en liepen ze blauw aan in het gezicht. Ging het van blauw naar zwart, dan waren de zieken ten dode opgeschreven. Hun aangetaste longen zaten vol vocht en ze hielden het niet langer dan een paar dagen of zelfs maar een paar uren uit. Naar het einde van het jaar toe trok de tweede golf zich terug maar begin 1919 volgde nog een laatste derde golf die qua hevigheid zowat het midden hield tussen de eerste twee.

Griep wordt veroorzaakt door een virus maar in 1918 was dat een weinig gekend concept. De meeste artsen gingen ervan uit dat het om een bacteriële besmetting ging. Ze stonden dan ook zo goed als machteloos: er was geen griepvaccin, er waren geen antivirale middelen, zelfs geen antibiotica die hadden kunnen helpen tegen de secundaire bacteriële infecties (longontsteking bijvoorbeeld) die overigens de meeste slachtoffers maakten. Overheidsmaatregelen zoals quarantaine of het sluiten van openbare ontmoetingsplaatsen hadden kunnen werken maar als ze al werden opgelegd, gebeurde dat vaak te laat doordat griep in 1918 niet moest aangegeven worden. Artsen moesten de gevallen niet melden aan de overheid, waardoor die de pandemie niet zag aankomen.

Naar schatting stierven 50 tot 100 miljoen mensen, dat is tussen 2,5 en 5 % van de totale wereldbevolking. Ter vergelijking: de Eerste Wereldoorlog kostte het leven aan 18 miljoen mensen, de Tweede Wereldoorlog aan 60 miljoen. Het aantal zieken en doden verschilde van land tot land voor een resem complexe redenen die epidemiologen nog altijd bestuderen. In het algemeen kwamen de minderbedeelden er het bekaaidst van af — hoewel niet voor de redenen die de eugenetici naar voor schoven — maar ook de elites werden niet gespaard.

Gezondheidszorg, openbaar

De zorgautoriteiten trokken een belangrijke les uit de catastrofe: redelijkerwijs kan niet langer het individu met de vinger gewezen worden omdat hij of zij een besmettelijke ziekte heeft opgelopen noch met het oog op een behandeling volledig afgezonderd worden. Veel regeringen aanvaardden in de jaren 1920 het concept van gesocialiseerde (of universele) geneeskunde: een gratis ziekteverzekering voor iedereen. Rusland beet de spits af met een gecentraliseerde openbare gezondheidszorg, gefinancierd door een ziekteverzekering in handen van de overheid. Een aantal West-Europese landen volgden dit voorbeeld. De VS sloeg een andere weg in en verkoos ziekteverzekeringen die door de bedrijven werden aangeboden als onderdeel van het loonpakket, maar in de jaren na de grieppandemie nam het land ook maatregelen om de gezondheidszorg te consolideren.

In 1924 onthulde de Sovjetregering haar visie op de geneesheer van de toekomst die “in staat moest zijn om de werkomstandigheden en de sociale voorwaarden te bestuderen die ziekte veroorzaken, en niet enkel de ziekte te genezen maar ook manieren voor te stellen om ze te voorkomen”. Die visie vond geleidelijk wereldwijd ingang: de nieuwe geneeskunde zou niet alleen biologisch en experimenteel zijn maar ook sociologisch. Openbare gezondheidszorg begon alsmaar meer te lijken op wat we vandaag kennen.

Rusland beet de spits af met een gecentraliseerde openbare gezondheidszorg, gefinancierd door de overheid.

De hoeksteen van de openbare gezondheidszorg is de epidemiologie — de studie van patronen, oorzaken en gevolgen van ziektes — en die vakrichting wordt nu erkend als een volwaardige wetenschap. Epidemiologie heeft data nodig en men begon systematisch gegevens over de gezondheid van de bevolking te verzamelen. Tegen 1925 bijvoorbeeld werkten alle staten in de VS mee aan een nationaal rapporteringssysteem. Een vroegtijdig waarschuwingssysteem dat in 1918 nog zo jammerlijk ontbrak, begon vorm aan te nemen. Tien jaar later werd voor het eerst een nationale gezondheidsenquête afgenomen bij alle Amerikaanse burgers, een duidelijke weerspiegeling van de nieuwe belangstelling van de overheid voor eerstelijnszorg voor de bevolking.

Veel landen richtten in de jaren 1920 voor het eerst een zorgministerie op of hernieuwden het bestaande. Dat was een rechtstreeks gevolg van de pandemie, toen de leiders van de openbare gezondheidszorg uit kabinetsvergaderingen werden geweerd of niet meer konden doen dan bij andere ministeries te gaan bedelen voor fondsen en bevoegdheden. Maar het was ook een erkenning van de noodzaak om de openbare gezondheidszorg internationaal te coördineren, aangezien duidelijk was gebleken dat besmettelijke ziektes niet stoppen aan de grens. In 1919 werd in Wenen een internationaal bureau voor de bestrijding van epidemieën geopend, een voorloper van onze huidige Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Toen de WHO in 1946 het levenslicht zag, was eugenetica al in ongenade gevallen. De oprichtingsakte van de nieuwe organisatie verankerde een volkomen egalitaire benadering van gezondheid: “Iedereen heeft het fundamentele recht de hoogst mogelijke norm van lichamelijke en geestelijke gezondheid te genieten, ongeacht zijn ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale toestand.” Die filosofie zou geen einde maken aan de bedreiging van grieppandemieën — sinds haar ontstaan heeft de WHO er al drie meegemaakt en er komen er vast en zeker nog — maar het zou wel de manier veranderen waarop we ermee omgaan. En aan de basis ervan lag het begrip dat pandemieën geen individueel maar een sociaal probleem zijn.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels op Zócalo Public Square, een Amerikaans platform voor journalistiek.