Artikels

Het gramsciaans monster Don Quichot

David Becerra Mayor

—5 april 2018

PDF-versie

Don Quichot, het beroemde personage gecreëerd door Miguel de Cervantes, is een half feodaal, half kapitalistisch monster, het product van van twee naast elkaar bestaande en tegenstrijdige productiewijzen.

Don Quichotte, un monstre gramscien dans le clair-obscur

In zijn Gevangenis-geschriften omschreef Antonio Gramsci de crisis aan de hand van een ijzingwekkende metafoor : “Wanneer de oude wereld maar niet afsterft en de nieuwe wereld nog niet klaar is om geboren te worden : in dat schemerduister verrijzen de monsters.” De Spaanse samenleving van het begin van de 17e eeuw was een maatschappij vol schemerduister en monsters. In feite zouden we kunnen stellen dat Don Quichot, het beroemde personage gecreëerd door Miguel de Cervantes, niets anders was dan een Gramsciaans monster, het product van een tijdperk in volle overgang tussen twee naast elkaar bestaande en tegenstrijdige productiewijzen, waarvan geen enkele erin slaagde de andere eronder te krijgen.

Het tijdperk waarin Don Quichot zich afspeelt, wordt doorkruist door een diepe crisis : “het rijk waar de zon nooit onderging”1 werd niet enkel door elkaar geschud door een politieke, sociale en economische crisis, maar ook en vooral door een organische crisis die al eeuwen aansleepte. Het systeem van feodale uitbuiting, dat al minstens sinds de 14e eeuw in ontbinding was, stierf maar niet af en zijn ideologische restanten leefden hardnekkig verder in de politieke bovenbouw. Tegelijkertijd werd de burgerlijke maatschappij maar niet definitief geboren, laat staan dat ze zich consolideerde. We zitten dus in de overgang tussen het stervende feodalisme en de eerste opkomst van het kapitalisme.

In de woorden van Juan Carlos Rodríguez luidt het zo : “De transitie is geen stap maar een systeem op zich.” ( 2002 : 39 ) Daarin bestaan twee elkaar tegensprekende productiewijzen naast elkaar in hetzelfde tijdperk. Die doen specifieke sociale verhoudingen ontstaan die dan weer, zoals Rodríguez uitlegt, “een nieuw type leven, een nieuwe mentaliteit, nieuwe waarden en een nieuwe moraal voortbrengen, kortom een historische code of norm die op zijn beurt een nieuw collectief en subjectief onbewuste construeert. Wat ik een ‘ nieuw ideologisch onbewuste ’ genoemd heb.” ( 39 )

Don Quichot vervormt de werkelijkheid door zijn feodale blik op de nieuwe kapitalistische realiteit. Het beroemde hoofdstuk met de windmolens is een schoolvoorbeeld.

De notie van dat ideologisch onbewuste, door Rodríguez uitgewerkt in de traditie van Althusser, vat ideologie niet op als een externe structuur die via ideologische controlemechanismen verticaal binnendringt in het subject vanuit de superstructuren van de politieke macht. Ze bevindt zich integendeel binnenin het subject zelf, onbewust vanaf het moment waarop dat subject opgenomen wordt in een specifieke reeks materiële productieverhoudingen. De ideologie verdringt het subject niet maar brengt het net voort. Ideologie vormt zich van beneden af, in de sociale verhoudingen zelf en zal bijgevolg nooit volledig zuiver zijn, maar alle tegenstrijdigheden omvatten van de sociale matrix die haar produceert. Net daarom zullen in het ideologisch onbewuste van de overgang tussen het feodalisme en het kapitalisme alle contradicties van beide vechtende werelden losbarsten. Zo ook in Don Quichot, een subject dat leeft in de context van die wereld in transitie. Een Gramsciaans monster, half feodaal en half kapitalistisch.

Tegenstelling tussen publiek en privé

Laten we om het personnage beter te leren kennen bij het begin beginnen, bij die openingszin die al duizenden malen herhaald werd en de paragraaf waar de roman mee opent :

In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten, leefde niet lang geleden zo ’ n edelman met een lans in zijn wapenrek, een antiek leren schild, een magere knol en een hazewind. Driekwart van de opbrengsten van zijn land werd opgeslokt door een dagelijkse stoofpot van helaas wat meer rund- dan schapenvlees, ’ s avonds meestal een gehakt prutje, hond in de pot op zaterdag, linzen op vrijdag en een enkel duifje toe op zondag. De rest ging op aan een zwartlakense kiel en een fluwelen broek met bijpassend schoeisel voor de feestdagen. Door de week hulde hij zich in zijn gewone goed van het fijnste grijze laken. Bij hem in huis woonden een huishoudster van boven de veertig, een nichtje van beneden de twintig, en voor het land en de markt een knaap die net zo handig de knol zadelde als hij het snoeimes hanteerde. Onze ridder liep tegen de vijftig; hij was sterk van gestel, mager, schraal in zijn gezicht, een voorstander van heel vroeg opstaan en een geestdriftig jager. Er wordt wel beweerd dat hij Quijada of Quesada heette, want dat verschilt enigszins bij de auteurs die hiervan melding maken, al valt uit aannemelijke veronderstellingen op te maken dat hij Quejana heette. Maar dit maakt weinig uit voor ons verhaal; het is voldoende dat bij de weergave geen duimbreed van de waarheid wordt afgeweken. ( de Cervantes et al., 1997, Deel I : 25-26 )

Eerst en vooral begint de tekst met enorme onnauwkeurigheid : de verteller kent de plaats niet waarin de actie zich afspeelt, aarzelt wanneer hij het personage bij naam noemt en geeft ook niet al te zorgvuldig aan wanneer datgene wat hij ons gaat vertellen, plaatsvond. Te midden van dat gebrek aan nauwkeurigheid breekt Cervantes echter ook met de epische afstand waarop de ridderromans gebouwd waren en die hij vanaf de eerste regel tekst begint te parodiëren. Die ridderromans, die Don Quichot tot waanzin zullen drijven, situeren zich in verafgelegen, mythische tijdperken en gebieden, die bol staan van de epiek. Niet zoals La Mancha, een plek zodanig gespeend van epiek dat het ongetwijfeld een schaterlach zou opwekken bij de lezers van die tijd. Alsof er vandaag een televisiereeks in première zou gaan met als titel CSI-Louvain-la-Neuve. Vanaf de titel zouden we al vermoeden dat het om een parodie gaat omdat Louvain-la-Neuve, in tegenstelling tot New York, Los Angeles of Las Vegas, geen deel uitmaakt van het fictieve universum van detectivereeksen. Op diezelfde manier maakte ook La Mancha, in de roman van Cervantes, bepaald geen deel uit van de fantasiewereld van de ridderroman.

Anderzijds geeft deze eerste paragraaf ons een hoop informatie over de sociale conditie van het personage, door middel van een eerste cruciale tegenstelling die de interne logica van de overgangsliteratuur tot uiting zal brengen : de dialectiek publiek/privaat ( Rodríguez, 1991 : 31 ). In de publieke ruimte spreidt het personage alle merktekens van zijn klasse tentoon : hij bezit wapens, heeft tijd om de sport van de luilekkerende klasse –de jacht – te beoefenen, kledij voor alle gelegenheden en, vanzelfsprekend, dienstpersoneel. Hij is een edelman en zoals elk lid van de adel moet hij er ook navenant uitzien. In zijn uiterlijke verschijning, schuilt zijn politieke macht. Om de positie die hij bekleedt in de publieke ruimte vast te houden dient hij de schijn hoog te houden.

De edelman wordt gek omdat hij met feodale ogen blijft kijken naar een werkelijkheid die gestopt is feodaal te zijn. Hij leest de boeken alsof ze hét Boek waren.

In een andere roman uit deze overgangsperiode, Lazarillo de Tormes, verschijnt bijvoorbeeld een schildknaap die er net als het personage van Cervantes een onbezoedeld publiek imago op nahoudt. Hij draagt een cape, heeft elegante en goed onderhouden kledij en een verzorgd kapsel, maar achter die façade gaat armoede schuil en ligt zijn miserabele en donkere huis er verlaten en vuil bij. Geen schilderijen aan de muren, amper meubels in de kamers, zelfs geen bezem om mee schoon te maken. Die schildknaap paradeert over de pleinen in zijn mooiste galakledij, maar wanneer hij thuiskomt en nadat hij omzichtig zijn publieke outfit opgevouwen heeft – met vers gewassen handen, om vooral geen vlekken te maken – trekt hij kleren aan die eruit zien alsof “ ze niet bijster vaak gewassen worden” ( 1554, III : 105 ).

Voor de oude feodale aristocratie bestaat er geen andere ruimte dan de publieke, die de edelman zijn macht verleent dankzij de erkenning van de gemeenschap. Wanneer Cervantes de deuren van het huis van zijn edelman opent zien we daarom, in de intimiteit van zijn privéruimte, een arme man wiens dieet van ‘ meer rund- dan schapenvlees ’ , met andere woorden : goedkope producten, van mindere kwaliteit, het leeuwendeel van zijn schamele vermogen opsoupeert. Volgens de feodale logica behoren zowel de edelman van Cervantes als de schildknaap uit de Lazarillo tot de adel, maar in de ontluikende nieuwe samenleving vertegenwoordigen ze het beeld van een “anachronistische marginaal ” ( Rodríguez, 2001 : 156 ) die niet in staat is zich aan te passen aan de nieuwe, vroegkapitalistische, sociale verhoudingen.

Deze eerste tegenstrijdigheid tussen het publieke en het private trapt het verhaal van de roman op gang. Tegen de adellijke ideologie in gaat die verpauperde edelman immers de private ruimte ontdekken en er bijgevolg ook achter komen dat hij een privéleven heeft. De tweede paragraaf bevat enkele sleutelzinnen :

Men moet weten dat de bewuste edelman zich de ogenblikken dat hij niets deed – en dat waren de meeste van het jaar – met zoveel liefde en plezier wijdde aan het lezen van ridderromans, dat hij bijna helemaal de beoefening van de jacht vergat en zelfs het beheer van zijn have; zijn belangstelling of dwaasheid op dit punt ging zo ver, dat hij hele lappen zaailand verkocht voor nieuwe ridderromans [ … ] ( I : 26 )

De edelman heeft ontdekt dat hij een eigen ruimte heeft van waaruit hij zijn eigen leven kan opbouwen, in alle vrijheid en volgens zijn eigen smaak en verlangens, in de marge van de feodale normen die hem er enkel toe verplichten om zijn imago te verzorgen. Zijn voorkeur voor het lezen – zijn private bezigheid – brengt hem ertoe om zijn publieke activiteiten – het beheer van zijn eigendommen en de jacht – te verwaarlozen en zelfs om zich op de versbakken kapitalistische markt te wagen om er enkele gronden te verkopen en zo nieuwe boeken te kopen. Dat is cruciaal : de waanzin van Don Quichot, de edelman die gek werd omdat hij ridderromans las, zou niet mogelijk geweest zijn als hij niet eerst zijn onroerende goederen ( bezittingen ) had omgezet in roerende goederen ( koopwaar ), om met de opbrengsten van de verkoop meer boeken te kopen en zijn verbeelding te blijven voeden. Met dit gebaar is de edelman gestopt een edelman te zijn om een ‘ vrij subject ’ te worden, een individu dat handelt volgens zijn eigen beslissingen en zijn eigen verlangens. En veelzeggend genoeg heeft hij dat gedaan door een beroep te doen op de ontluikende kapitalistische markt.

Het interessante van de vele dialogen tussen Don Quichot en Sancho Panza is de botsing tussen twee rivaliserende werelden in het overgangstijdperk.

De opkomst van het vrije subject en van de vrijheid verstoorde de feodale orde grondig. Onder het feodalisme was ‘ het bloed ’ de sociale markeerder die de positie van een individu bepaalde; iemands klassenpositie werd erfelijk overgedragen en was bijgevolg onveranderlijk van de wieg tot het graf. Klassenmobiliteit was in de feodale maatschappij ondenkbaar. Juan Carlos Rodríguez noemde deze sociale logica organisch ( 1991 : 59 ) : de samenleving functioneerde als een organisch lichaam; opdat het lichaam niet ziek zou worden, moest elk van de organen zijn functie vervullen, aangezien een storing in één enkel orgaan het lichaam/de samenleving als geheel ziek kan maken. Het hart moet kloppen en de longen verzorgen de ademhaling, zoals de koning dient te regeren en de landbouwer het veld bezaait. Elke omkering van die organische positionering zou de sociale vrede in het gedrang kunnen brengen. Gaan handelen naar de eigen belangen en verlangens en niet volgens de toegewezen functie, zou de orde overhoop kunnen halen. Vrijheid werd gezien als een prelude op chaos. Vanuit de feodale bovenbouw moest de opkomst van het vrije subject, de wil van het individu om vrijuit zijn eigen leven op te bouwen of te zijn wat hij wilde of zijn functie in de sociale structuur te veranderen, onderdrukt worden, en het bestaan van privéruimte die ontsnapte aan de sociale normen en controle verboden worden. Wanneer Don Quichot terug thuiskomt na zijn eerste uitstap, besluiten de bewakers van de feodale orde, de priester en de barbier, daarom om de boekenkamer dicht te metselen. Het was het private rustoord waar de edelman zijn publieke functie vergat en zijn intieme fantasieën om een dolende ridder te worden cultiveerde evenals zijn verlangen om te zijn wat hij wilde en niet wat de feodale normen en codes van de aristocratie hem opdrongen.

De dialectiek vergeten / herinneren

Desalniettemin is de transformatie van edelman in vrij subject niet gespeend van tegenstrijdigheden ( I : 28 ). Juan Carlos Rodríguez ( 2003 ) nodigt ons uit om de roman van Cervantes op een radicaal historische manier te lezen, en wijst erop dat een andere dialectische tegenstelling, vergeten/herinneren, cruciaal is om het ideologische onbewuste van Don Quichot te begrijpen. Terwijl de edelman de zorg voor zijn landgoed vergeet om zich op te sluiten in zijn privékamer, te lezen en uiteindelijk te veranderen in een dolende ridder, voelt hij tegelijkertijd de nood om de herinnering aan zijn voorouders te activeren : “En het eerste wat hij deed was een wapenrusting schoonmaken die van zijn voorvaderen was geweest en eeuwenlang vergeten, onder een laag roest en schimmel, in een hoek had gestaan.” ( I : 28 ).

De ideologie van de vrijheid, die het voor de edelman mogelijk maakt om ridder te worden, zijn naam te wijzigen, van sociale status te veranderen en zich een nieuw leven uit te vinden, bestaat hier zij aan zij met de feodale logica, die hem verplicht de verandering van zijn status te legitimeren met behulp van zijn afkomst, zijn voorouders en de traditie. De feodale ideologie blijft doorwegen in het onbewuste van dit nieuwe vrije subject genaamd Don Quichot, dat een beroep moet doen op de sociale markeerder bij uitstek van het organisme – de bloedverwantschap – om, hoe tegenstrijdig ook, de stap naar de vrijheid te zetten. Tegelijkertijd wordt hij zo een anachronistisch middeleeuws personage, alsof er in zijn onbewuste een nostalgisch verlangen schuilging naar een wereld die niet meer bestaat, een wereld waarin het zin en sociale betekenis had om te behoren tot de adel, niet zoals in het opkomende kapitalistische bestel waarin dat nergens meer toe diende en er niets anders opzat dan te leven in armoede.

Maar we kunnen niet negeren dat de waanzin van Don Quichot en zijn transformatie van edelman in ridder plaatsgrijpt door het lezen van ridderromans.

Kortom, hij ging zo op in zijn lectuur, dat hij alle avonden en nachten van zonsondergang tot zonsopgang en alle dagen van de ochtend- tot de avondschemer doorbracht met lezen; en van het weinige slapen en het vele lezen droogden zijn hersens zo uit dat hij zijn verstand verloor. Zijn brein vulde zich met alles wat hij in zijn boeken las, [ … ] en zijn verbeelding werd zo geprikkeld, dat hij dat hele stelsel wonderlijke spinsels als waar ging beschouwen en er voor hem niets waarachtiger op de wereld bestond. ( I : 27 )

Als de edelman waanzinnig wordt van het lezen van ridderromans is dat niet omdat Cervantes de lezer wil waarschuwen voor de kwalijke effecten die lezen op ons kan hebben, zoals de priester en de barbier zullen doen in hoofdstuk VI, wanneer ze beslissen de bibliotheek van Don Quichot te verbranden omdat ze die ‘ kwaadaardige boeken ’ gevaarlijk vinden. De waanzin van Don Quichot wordt niet zozeer veroorzaakt door de boeken, maar door de manier waarop hij ze leest. De edelman wordt gek omdat hij met feodale ogen blijft kijken naar een werkelijkheid die gestopt is feodaal te zijn. Hij leest de boeken alsof ze hét Boek waren.

De dialectiek Boek/boeken is fundamenteel om de transformatie van Don Quichot te begrijpen : in het feodalisme bestond slechts het ene Boek, dat de waarheid en het eensluidende woord van God bevatte. Het kritische lezen, het vermogen om het oneens te zijn en de mogelijkheid om het boek te sluiten uit verveling bestonden niet : de lezer was geen vrij subject dat onafhankelijk tegenover het boek stond, maar een dienaar onderworpen aan een strikt liturgische lezing.

Gedurende het hele eerste deel, dat gepubliceerd werd in 1605, zal Don Quichot de werkelijkheid vervormen door zijn feodale blik op te dringen aan de nieuwe kapitalistische realiteit. In die zin is het beroemde hoofdstuk met de wind-
molens ( II : hoofdstuk 8 ) een schoolvoorbeeld. Het is geweten dat Don Quichot in zijn waanzin windmolens verwart met reuzen, maar dat komt vooral doordat windmolens in die tijd spitstechnologie waren en het is meer dan waarschijnlijk dat een verpauperde edelman zoals hij, die ongetwijfeld niet veel van de wereld gezien had, geen idee had van hun bestaan. In zijn ridderlijke verbeelding was het bestaan van reuzen waarschijnlijker dan dat van windmolens.

Op die manier, door middel van een hele reeks vervormingen van de werkelijkheid, ziet Don Quichot legers waar er enkel een kudde schapen is ( I : hoofdstuk 18 ), denkt hij dat een groep monniken een bende tovenaars is die een jonkvrouw gegijzeld houden ( I : hoofdstuk 8 ), verwart hij een herberg met een kasteel, de uitbater met een koning en de lokale prostituees met prinsessen ( I : hoofdstukken 3 en 16 ), of aanziet hij een stoet van rouwende mannen die met brandende toortsen een dode ten grave dragen, voor een troep ridders die een gewonde strijd makker vervoeren ( I : hoofdstuk 19 ).

Zowat al die avonturen lopen slecht af voor ons hoofdpersonage en zijn metgezel. Want tijdens al deze belevenissen wordt Don Quichot vergezeld door Sancho Panza, een platvloerse boer die door Don Quichot uitgeroepen wordt tot schildknaap en voor wie de kritiek gewoonlijk de rol weglegt van pragmatische tegenhanger van de idealistische Don Quichot. Het interessante van hun vele dialogen is echter de botsing tussen die twee rivaliserende werelden die langs elkaar bestaan in dat overgangstijdperk. Sancho blijft bijvoorbeeld onvermoeibaar aan de ridder vragen om een loon, waarop Don Quichot voortdurend antwoordt dat er in geen enkele ridderroman sprake van is dat schildknapen verloond werden. Sancho vraagt hem ook of dat loon, mocht hij het ooit krijgen, per maand of per dag betaald zou worden ( I : 196 ), en dringt op die manier een burgerlijke tijdslogica op aan het natuurlijke tijdsverloop van het feodalisme, waarin de relatie tussen meester en horige niet onderhandeld of opgedeeld werd, maar integendeel vastlag voor het leven. Om de discussie af te sluiten belooft Don Quichot om hem, in ruil voor zijn trouwe dienst, gouverneur te maken van een eiland, wat een verrukte Sancho aanneemt zonder dat hij eigenlijk weet wat een eiland precies is.

In de loop van de roman, en vooral in het tweede deel dat in 1615 gepubliceerd werd, zal Don Quichot geleidelijk aan beseffen dat de wereld niet in elkaar zit zoals zijn feodale blik het hem voorspiegelt, vooral wanneer hij ontdekt dat boeken, in tegenstelling tot het Boek, liegen. Het eerste besef hiervan sijpelt binnen wanneer hem bij het begin van deel twee, door middel van een meta-literair spel avant la lettre, het nieuws bereikt dat zijn avonturen gepubliceerd zijn in een boek.

Hoewel hij zich aanvankelijk inschikkelijker toont dan Sancho tegenover de onnauwkeurigheden van de auteur, besluit hij uiteindelijk dat “ de schrijver van mijn historie geen geleerde is geweest, maar een of andere onwetende kletsmajoor ” ( II : 607 ). De schrijver van zijn verhaal is immers de Moor Sidi Hamid Benengeli, en “van Moren kon je geen enkele waarheid verwachten ” ( II : 603 ). Voor het eerst ziet Don Quichot, wanneer hij zich weerspiegeld ziet in de roman die zijn verhaal vertelt, onder ogen dat literatuur niet altijd synoniem is voor waarheid.

De edelman zette een flinke stap vooruit door te beslissen vrij zijn eigen leven te leiden, en ging er twee achteruit door te veranderen in een dolende ridder.

Boeken liegen. Wanneer Don Quichot beseft dat literatuur en waarheid niet op hetzelfde neerkomen, stort zijn wereld die gebouwd is op literaire referenties die hij voor waar aanzag, in elkaar. Het besef dat alles wat hij gelezen had, fictie was bewijst dat al zijn inspanningen om een leven op te bouwen dat de moeite waard was, gebouwd waren op los zand. Voor de ridder die op een dag besloot om Don Quichot te worden, was lezen een middel om te ontsnappen aan zijn miserabele leventje : “ [ … ] lees deze boeken en u zult zien hoe ze mogelijke zwaarmoedigheid verdrijven en een mogelijk slecht humeur verbeteren. Wat mijzelf betreft kan ik zeggen dat ik, sinds ik dolend ridder ben, moedig, beheerst, vrijgevig, welopgevoed, grootmoedig, hoffelijk, onverschrokken, mild, geduldig en lijdzaam ben bij ontberingen, gevangenschappen en betoveringen ” ( I : 542 ).

Wanneer hem het lezen ontnomen wordt is het voor Don Quichot onmogelijk om in zijn verbeelding alles te blijven zijn wat hij maar kan. Zonder het lezen zit er niets anders op dan terug te keren naar zijn ellendige leven van arme edelman. Zodra hij ontdekt dat boeken liegen en, dat ze dus zijn ingebeelde werkelijkheid niet meer ondersteunen, zal hij ten onder gaan aan een diepe melancholie die hem uiteindelijk het leven zal kosten.

Don Quichot is een gramsciaans monster dat leefde in een tijd van schemerduister. Wanneer het feodalisme maar niet afsterft en het kapitalisme nog niet klaar is om geboren te worden, kwam daar opeens Don Quichot om, in de woorden van Lenin, één stap vooruit en twee stappen achteruit te zetten. De edelman zette een flinke stap vooruit door te beslissen zijn eigen leven te leiden, vrij en naar eigen goeddunken, en zo een vrij subject te worden, en ging er twee achteruit door te veranderen in een dolende ridder, door zijn besluit om Don Quichot te worden. Hij vervelde niet tot burgerman en investeerde de opbrengst van de verkoop van zijn gronden niet in een molen, wat hem toegelaten zou hebben winsten op te strijken; hij schoolde zich niet om tot handelaar of koopman, noch maakte hij van zichzelf een strontvervelend burgermannetje. Liever kocht hij zich een stapel boeken en wekte hij de herinnering aan zijn voorvaderen tot leven, om een anachronistische middeleeuwse ridder te worden zoals die waarover hij las in zijn ridderromans, om te leven in een wereld die enkel nog bestond in die romans en in zijn nostalgische verbeelding.

Don Quichot werd waanzinnig, hoewel die waanzin misschien vooral het gevolg was van de impasse tussen twee uiteenlopende, onverenigbare werelden die zich verplicht zagen om samen te leven. Don Quichot was niets anders dan een monster dat bezeten werd door de ideologische contradicties van het overgangstijdperk waarin hij genoopt was te leven, half feodaal en half kapitalistisch.

Voor Juan Carlos Rodríguez, in memoriam

Bibliografie

  • Anónimo ( 1554 ). La vida de Lazarillo de Tormes. Edición de Reyes Coll y Anthony N. Zahareas. Madrid : Akal, 1997.

  • David Becerra Mayor, “El inconsciente ideológico de don Quijote y la locura necesaria”, Revista de crítica literaria marxista, 2009, nr. 2, p. 7-32.

  • Miguel de Cervantes, Don Quijote de la Mancha ( 1605 ), uitg. John Jay Allen, Madrid, Cátedra, Deel I, 1998.

  • Miguel de Cervantes, Don Quijote de la Mancha ( 1615 ), uitg. John Jay Allen, Madrid, Cátedra, Deel. II, 1998.

  • M. de Cervantes Saavedra, G. Doré & B. Van de Pol, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, Amsterdam, 1997, Athenaeum-Polak en Van Gennep.

  • Antonio Gramsci, Quaderni del carcere, Turino, 2007, Einaudi, 4 delen.

  • Juan Carlos Rodríguez, Teoría e historia de la producción ideológica. Las primeras literaturas burguesas, Madrid, 1991, Akal.

  • Juan Carlos Rodríguez, La literatura del pobre, Granada, 2001, Comares.

  • Juan Carlos Rodríguez, De qué hablamos cuando hablamos de literatura, Granada, 2002, Comares.

  • Juan Carlos Rodríguez, El escritor que compró su propio libro. Para leer El Quijote, Madrid, 2003, Debate.

  • Julio Rodríguez Puértolas, Carlos Blanco Aguinaga, Iris M. Zavala, Historia social de la literatura española (in het Castilliaans), Madrid, 2000, Akal, 2000, 2 delen.

  • Pierre Vilar, “La transición del feudalismo al capitalismo” , in VVAA, El feudalismo, Madrid, 1963, Ayuso, p. 53-69.

Footnotes

  1. Deze zin wordt gewoonlijk toegeschreven aan Filips II, maar werd met zekerheid voordien al uitgesproken door broeder Francisco de Ugalde in het bijzijn van keizer Karel V. We kunnen stellen dat de crisis van het keizerrijk haar oorzaken vindt in het onvermogen om zich aan te passen aan de nieuwe, kapitalistische, economische verhoudingen die geleidelijk aan de kop opsteken in de maatschappelijke onderbouw. De terughoudendheid van de heersende klasse, verankerd in een feodaal economisch systeem, stort het land in een onhoudbare ellende, die het rijk uiteindelijk ten gronde zou richten. Zoals de auteurs van de studie Historia social de la literatura española aangeven : “omdat Spanje in deze vroege ontwikkelingsfase van het kapitalisme en dankzij de Amerikaanse mijnen een van de steunpilaren is van de kapitaalaccumulatie die het Europese bankwezen en de Europese industrie mogelijk maakten, maar tegelijkertijd zelf een kapitaalvlucht ondergaat, ontwikkelt het geen eigen industrie en ziet het sociale structuren opkomen die zich tegen de bourgeoisie kanten zonder zelf over enige productiecapaciteit te beschikken. Ze zullen het gebied ten langen leste aan de marge van de Europese ontwikkeling doen stranden ” (Rodríguez Puértolas et al., 2000, vol. I : 386 )