Artikel

Gedaan met de globalisering?

Michael Roberts

—22 juni 2022

De imperialistische economieën vechten om hun deel van de winst. De instorting van de globalisering kan niet alleen twee vijandige blokken voortbrengen, maar ook een mengelmoes van concurrerende economische eenheden.

Het huidige economisch denken richt zich, behalve op inflatie en oorlog, vooral op het klaarblijkelijke falen van wat het orthodoxe of mainstream economisch denken graag “globalisering”1 noemt. Wat de orthodoxe economie onder globalisering verstaat, is dat de handels- en kapitaalstromen zich vrij over de grenzen heen kunnen uitbreiden. In 2000 heeft het IMF vier essentiële aspecten van globalisering vastgesteld: handel en transacties, kapitaal- en investeringsbewegingen, migratie en verplaatsing van personen en de verspreiding van kennis.

Al deze componenten kwamen ogenschijnlijk vanaf het begin van de jaren 80 op gang: dat zou deel uitmaken van de neoliberale ommekeer in de wijze waarop de regeringen hun nationale macro-economische beleid tot dan toe in het kader van de economische wereldorde van Bretton Woods (d.w.z. de VS-hegemonie) hadden gevoerd. Toen kwam de oproep om tariefmuren, quota en andere handelsbeperkingen af te breken en de multinationals toe te staan ‘vrij’ handel te drijven en hun investeringen in het buitenland te verplaatsen naar gebieden met goedkope arbeidskrachten om hun winstgevendheid te vergroten. Dat alles zou leiden tot een wereldwijde expansie en een harmonieuze ontwikkeling van de productiekrachten en hulpbronnen in de wereld, zo beweerde men.

Perioden van globalisering sinds het ontstaan van het kapitalisme

Er was niets nieuws aan dit fenomeen. Sinds het kapitalisme halverwege de 19e eeuw in de belangrijkste economieën de dominante productiewijze werd, zijn er perioden van toegenomen handel en kapitaaluitvoer geweest. In 1848 constateerden de auteurs van het Communistisch Manifest de toenemende onderlinge afhankelijkheid van staten als gevolg van het kapitalisme en voorspelden zij het universele karakter van de moderne wereldmaatschappij:

“De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. Zij heeft tot groot verdriet van de reactionairen aan de industrie de nationale bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. (…) In de plaats van de oude lokale en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid komt er een veelzijdig verkeer, een veelzijdige afhankelijkheid van de volkeren onderling.”

In plaats van een harmonieuze ontwikkeling te verwezenlijken, heeft globalisering de ongelijkheid doen toenemen, zowel tussen als binnen naties.

Er zijn inderdaad eerdere perioden van globalisering te onderkennen. Er was de periode 1850-70, waarin handel en investeringen in Europa en de VS (na de burgeroorlog) onder auspiciën van de Britse hegemonie een sterke expansie kenden. De depressie van de jaren 1870 tot 1890 betekende het einde van die golf. Een andere golf van wereldwijde expansie vond plaats in de jaren 1890 tot aan de Eerste Wereldoorlog, toen nieuwe kapitalistische machten de plaats van de Britse hegemonie aantastten. Geen enkele mogendheid kreeg de hegemonie in handen en de globaliseringsgolf werd door de wereldoorlog tot stilstand gebracht. Tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig en tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef deze golf teruglopen. Vervolgens was er een nieuwe golf van mondiale expansie onder Bretton Woods en de Amerikaanse hegemonie: die duurde tot de rentabiliteitscrisis van de jaren zeventig tot neergang en inkrimping leidde. Vanaf het midden van de jaren 1980 en doorheen de jaren 1990 was er de grootste expansie van handel en grensoverschrijdende investeringen in de geschiedenis van het kapitalisme. Het Amerikaanse en het Europese kapitalisme sloegen hun vleugels verder uit en China deed zijn intrede op de wereldmakten van productie en handel.

Volgens de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bleef een belangrijke indicator van globalisering, namelijk de verhouding tussen de export en het bbp op wereldvlak, tussen 1870 en de Eerste Wereldoorlog min of meer gelijk. In het interbellum daalde die indicator met bijna 40 %, van 1950 tot 1970 steeg hij met 50 % en daarna stagneerde hij tot de jaren 1990, waarna hij tot de Grote Recessie van 2009 weer steeg. Daarna daalde de indicator tijdens de Lange Depressie van de jaren 2010 met ongeveer 12 %, een daling die sinds de jaren 1970 ongezien was.

Sorry, dit artikel is alleen voor leden. Inschrijven of Login als u al een account hebt.