Artikel

Een zorgvuldig opgebouwde illusie: de “communautaire crisis”

Paul Dirkx

— 29 september 2020

— PDF-versie

De schijnbaar eindeloze reeks Belgische staatshervormingen hebben een etnoliberale dynamiek geïnstalleerd, waarin extreemrechts goed gedijt.

België anno 2020 vertoont steeds meer gelijkenissen met onze planeet op 30 oktober 1938. Die avond luisterden honderdduizenden Amerikanen naar het radiohoorspel van de sciencefictionroman The War of the Worlds van H. G. Wells en ze geloofden echt dat onze planeet door Marsmannetjes werd aangevallen. Vandaag zijn veel Belgen ervan overtuigd dat er een geheime oorlog aan de gang is: het land verkeert in een “communautaire crisis”. En in die oorlog wordt intussen al meer dan een jaar lang openlijk slag geleverd, en het meest heikele mijnenveld is de onmogelijkheid om een federale regering te vormen.

De diepgewortelde autofobie

In 1938 hadden de Amerikaanse luisteraars het geluk dat ze al vlug uit hun nachtmerrie werden geholpen. De Belgische bevolking is dat geluk niet beschoren; die krijgt de fictieve oorlog tussen de gemeenschappen intussen al tientallen jaren lang bijna elke dag ingelepeld. En uiteindelijk zijn de Belgen erin gaan geloven. De lezers van Lava die zich niet aangesproken voelen, moeten er toch eens bij stilstaan, want dat fabeltje is zo stevig in het denken verankerd dat nationale media er doelbewust op kunnen inspelen en erin slagen de mensen voor de gek te houden, net zoals Orson Welles dat in 1938 deed.

Dat is namelijk exact wat er op 13 december 2006 is gebeurd, toen het eerste net van de Franstalige publieke omroep de reguliere uitzending onderbrak en aankondigde dat Vlaanderen de onafhankelijkheid had uitgeroepen, dat de koning gevlucht was en – o gruwel! – dat België had opgehouden te bestaan. Een puur Hollywoodscenario, en heel veel Belgen geloofden het, want dat doembeeld kregen ze al sinds kindsbeen voorgeschoteld. Tijdens dat tragikomische stukje toneel formuleerde Étienne Davignon, voormalig Europees commissaris en nu een machtige zakenman, het buitengewoon goed: “Er wordt al zo lang over gepraat, het moest er eens van komen. Mensen die nu wakker schrikken en zeggen: ‘Ik had nooit gedacht dat het zo ver zou komen’, die leven in een andere wereld, niet in België!”. De redactie “vergat” een halfuur lang onderaan in beeld te vermelden dat het om fictie ging, maar deze hele “grap” was maar nog eens een scène in het toneelstuk dat de politiek en de media al tientallen jaren spelen.

Veel Belgen geloven dat er een geheime oorlog aan de gang is: het land verkeert in een “communautaire crisis”.

Van alle Europeanen slagen de Belgen er beter in dan zowat alle andere volkeren om zichzelf bang te maken. Die angst is een ideale voedingsbodem voor onverschilligheid en voor een goed verborgen karaktertrek, de zelfhaat of de haat voor de andere (“les Flamands”, “de Walen” of “de Franstaligen”). Maar mensen krijgen die angst niet alleen ingeprent via directe mokerslagen, zoals de uitzending van de RTBF in 2006. De angst wordt constant gevoed, doorgaans minder direct, elke keer de actualiteit de media in staat stelt een verhaal te spinnen en hun speciale gezanten naar het communautaire front te sturen. Zo waren er bijvoorbeeld nauwelijks afkeurende stemmen te horen die ingingen tegen de weerzinwekkende mediacampagne die de belangrijkste “Waalse” en “Vlaamse” media gezamenlijk opzetten en meer dan een jaar uitmolken in aanloop naar “de moeder aller verkiezingen”, die van 25 mei 2014. Die stembusslag zou automatisch leiden tot de finale impasse, en het einde van België. Nog zeldzamer zijn de mensen zoals Dave Sinardet, onderzoeker aan de Vrije Universiteit Brussel, die de segregerende effecten analyseren van het discours van de meeste Belgische media, een discours dat aan weerskanten van de “taalgrens” opvallend gelijkaardig is.

In dit geval, maar ook bij vele andere kwesties, maakte het feit dat de belangrijkste media niet functioneerden zoals het hoort, dat een sereen nationaal debat en elke min of meer democratische besluitvorming onmogelijk werd. Dit is met name het geval bij de journalistieke fictie, een vorm van journalistiek die zich tot echte journalistiek verhoudt zoals sciencefiction tot “science” (wetenschap). Maar de media op zich zijn niet de oorzaak van de collectieve autofobie. Zoals elke angst is deze een grotendeels denkbeeldige reactie op iets onbekends. In België is dat onbekende best bijzonder. Het gaat niet alleen om een buitenaards wezen dat angst aanjaagt, van wie je de taal niet begrijpt en dat steeds onzichtbaarder wordt gemaakt, dus “le” Flamand in de ogen van “le” Wallon en “de” Waal in de ogen van “de” Vlaming. Het onbekende is ook dat wat de een met de ander verbindt, België zelf. De Belgische autofobie berust grotendeels op het ontbreken van grondig ‘gecheckte’? informatie over België en de verschillende landsdelen (die uit meer bestaan dan enkel de gemeenschappen).

Een staat die losstaat van geschiedenis en cultuur

Die informatie kan niet worden aangereikt door de journalistiek, die zichzelf tot taak stelt de actualiteit te behandelen en op korte termijn werkt. Dit is het terrein van de menswetenschappen en de sociale wetenschappen, en in de eerste plaats van de geschiedenis. Dus moeten we ons afvragen: wat doet de wetenschap? Een lastige vraag om in zo’n korte tijd te beantwoorden, maar vanwege de manier waarop de mensen nu misleid worden, is ze des te dringender.

Laten we eerst enkele problemen in verband met de geschiedschrijving aankaarten en laten we bij het begin beginnen: het ontstaan van België. Heel wat historici, zowel Franstalige als Nederlandstalige, schrijven gemakshalve dat België sinds 1830 een onafhankelijk land is. Die bewering strookt met een gezond nationaliteitsgevoel. Op zijn officiële website stelt de staat zich ook op die manier voor: “België werd in 1830 onafhankelijk.” Nochtans is die bewering allesbehalve vanzelfsprekend: ze verwart de begrippen land en staat. De Belgische staat werd soeverein in 1830, na een ontstaansgeschiedenis die een zekere tijd in beslag nam. Wanneer we het over “België” hebben, bedoelen we meestal “de Belgische staat”. Het door elkaar halen van die twee begrippen heeft geleid tot ontelbare invullingen, fouten en misverstanden. En dus, omdat de Belgische staat doorgaans voorgesteld wordt als “kunstmatig” (bestaat er iets zoals een natuurlijke staat?), moet België dat ook zijn, en vice versa.

De staat lijkt dus synoniem te zijn met heel België, terwijl je echt geen overtuigde liberaal moet zijn om te snappen dat die vereenvoudiging niet overeenstemt met de werkelijkheid in de betreffende ‘contreien’. Die is namelijk een pak ingewikkelder. Ook de (weinige) elementen uit de “Belgische geschiedenis” die relevant zijn voor mensen die in een van die gebieden leven, hebben doorgaans betrekking op de staat. Die betreurenswaardige verwarring verdringt elk ander bewustzijn, ook al bestaat dat bewustzijn, ondanks alles, in de geest van iedereen en behelst het alle aspecten van het leven die niet met de staat samenvallen: de relatie met het gezag (vooral de staat), de relatie met het buitenland, het lichaam, geld, kunst, natuur, toponymie, humor, taal, of beter gezegd talen, in het meervoud, waar je ook gaat in België, van Wallonië tot Brabant, in Picardië, Vlaanderen, Lotharingen of de Oostkantons.

Kortom, België beperken tot een institutionele structuur zorgt ervoor dat alles wat voorafgaat aan de Belgische staat of wat die staat overstijgt, nauwelijks wordt bestudeerd. En die aspecten worden maar zelden overgedragen, tenzij kleinschalig en fragmentarisch, bijvoorbeeld door het bewonderenswaardige werk van naarstige mieren in plaatselijke heemkundige kringen. Zoals in elk land is dat erfgoed ook vastgelegd in speciale archieven, met name de literatuur, in de boeken van Maurice Maeterlinck, Stijn Streuvels, Georges Simenon, Hugo Claus, Claire Lejeune, Tom Lanoye, Eugène Savitzkaya, Dimitri Verhulst, en zo verder. En in andere cultuurvormen, zoals theater, strips, film, liederen en schilderkunst. Maar anders dan in de meeste andere landen wordt dat erfgoed veel te zelden geïnventariseerd en geanalyseerd, en worden de resultaten van dat studiewerk nog minder om op een behoorlijk manier onder het grote publiek verspreid.

Om te beseffen dat dat klopt hoef je jezelf slechts twee vragen te stellen. De eerste vraag luidt: Bestaat er zoiets als Belgian Studies, vergelijkbaar met de in Groot-Brittannië en wereldwijd alom bekende English Studies, en net zoals er French Studies bestaan (les Études françaises), Dutch Studies, American Studies, Studii italiani, German Studies, Luxembourg Studies, enz. Het antwoord is nee. Tweede vraag: wie van de achtenveertig ministers in België is bevoegd voor het beheer van het Belgisch patrimonium? Het antwoord: niemand. “De cultuur” van ons land mag dan een rijke en complexe geschiedenis hebben, op duizend manieren voortbestaan en aanzien genieten in het land en vooral in het buitenland, in de ogen van de Belgische staat bestaat ze niet. Die erkent de “federale culturele instellingen” maar niet de “federale” culturele uitingen: die worden automatisch gecommunautariseerd, geëtniseerd door het onwaarschijnlijke label “bicommunautair”.

Waarom negeert de staat die informatie over België in het algemeen en over zichzelf in het bijzonder? Ten eerste omdat hij nooit de eigen geschiedenis heeft onderwezen, tenzij vanuit ivoren torens, via cursussen aan de universiteit enz. De Belgische staat is niet de enige die daarin zo terughoudend is. Zowat overal proberen staten de productie en verspreiding van informatie over zichzelf (via statistieken, enz.) te monopoliseren. De staat heeft de geschiedenis van België gebruikt om België tot staat te maken en de staat te “nationaliseren”, er op een “natuurlijke” wijze een natiestaat van te maken. De officiële geschiedenis is een vereenvoudigd, geharmoniseerd verhaal. En tussen 1970 en 1993 is het begrip “België” nog in een veel zorgvuldiger omlijnd kader gegoten door de gemeenschappen zeggenschap te geven over de openbare omroep, onderwijs, hoger onderwijs en het overgrote deel van het wetenschapsbeleid. Al decennialang daalt het aantal onderzoeksprogramma’s dat zich bezighoudt met het hele land, en dat in tegenstelling tot wat er in de meeste landen wereldwijd gebeurt.

België beperken tot een institutionele structuur zorgt ervoor dat dat alles buiten de staat nauwelijks wordt bestudeerd.

Met andere woorden, de middelen om een nationaal samenhorigheidsgevoel te creëren – de veelbesproken “nationale identiteit” of het “nationaal bewustzijn” – worden dus ontmanteld. Vooraleer dat toe te juichen of te betreuren moeten we weten waar dat soort suïcidaal gedrag vandaan komt. Ziehier enkele hypothesen.

Een lange geschiedenis van zelfontmanteling

De Belgische staat was lange tijd zelfverzekerd, ook al was het een jonge, kleine staat waar de buurlanden, drie grote wereldmachten, verlekkerd naar keken. Deze parlementaire monarchie, een vreemde mix van tegenstrijdige principes van de Verlichting en het Ancien Régime, heeft nooit ingezet op het “Belgische volk” in zijn geheel, maar alleen op de elites: de bourgeoisie, de adel en de clerus. Van het motto van de Franse republiek nam ze alleen het begrip “vrijheid” over; bij de inrichting van de maatschappij was er weinig aandacht voor gelijkheid en broederschap.

Om de interne spanningen in de maatschappij te bezweren heeft de Belgische staat er altijd de voorkeur aan gegeven om die via omwegen te bedwingen. Enerzijds beschouwt hij export en internationale handel als de veiligste manier om de sociale vrede te bewaren. Al sinds de jaren 1830 kiest de staat voor een heel krachtdadig beleid van synergieën met de Europese markten. Hij toont openlijk dat een verbintenis met de financiële wereld en de industrie van existentieel belang is. Anderzijds, op binnenlands vlak, stelt hij alles in het werk om alle politieke, economische en andere machten tevreden te houden door compromissen te sluiten die ieders goedkeuring kunnen wegdragen (het beroemde “Belgisch” compromis).

De staat neemt zelfs zijn toevlucht tot het delegeren van de macht: hij draagt bevoegdheden over die spanningen zouden kunnen veroorzaken. Door die overdracht van politieke taken, zowel uitvoerende als wetgevende, aan de drie politieke “regeringspartijen” (katholieken, liberalen en socialisten) wordt België een van de eerste en belangrijkste voorbeelden van particratie. Het overdragen van publieke dienstverlening aan de “zuilen” die aan die partijen zijn verbonden, verdeelt de maatschappij in drie werelden die zo goed als volledig losstaan van elkaar. Het bekendste voorbeeld van de overdracht van openbare diensten aan privébedrijven is het exploitatiebedrijf dat van 1885 tot 1960 in Congo actief was.1

De gevolgen van die verschillende soorten onderaanneming zorgen ervoor dat de Belgische staat zijn zaakjes goed voor elkaar heeft, in goede verstandhouding met “het volk”. Maar hij is vooral trots op zijn internationaal economisch beleid. Tussen 1860 en 1914 zorgen de verovering van nieuwe markten en overzeese gebieden ervoor dat België zich in de kopgroep van de economische grootmachten nestelt. Dankzij zijn cocktail van politiek nationalisme en economisch internationalisme groeit België uit tot een kampioen van de vrijhandel. Het is de eerste Europese natie die die doctrine principieel toepast op al zijn handelsrelaties. Het buitenlands beleid wordt alsmaar meer bepaald door commerciële doelstellingen die vooraf door de zakenwereld geformuleerd worden.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw is de Belgische staat een voorvechter van echt liberaal internationalisme. Uitgaand van het idee dat “kleine landen” meer baat hebben bij de integratie van markten dan bij de concurrentie tussen “grote landen”, gokt de Belgische staat zwaar en ijvert hij met hart en ziel voor de oprichting van internationale economische instanties. Na 1945 zet hij in op de nieuwe supermacht, de VS, en legt hij nog meer inventiviteit aan de dag om supranationale instanties op te zetten die politiek en economie onlosmakelijk verbinden.

De zelfontmanteling van de Belgische staat door supranationale instanties volgt de gewoonte om riskante aangelegenheden uit te besteden.

De Belgische staat kiest zo voor een beleid waarbij hij zijn soevereiniteit in ijltempo overboord gooit. Geen enkel ander land heeft op zo’n korte tijd zoveel internationale verdragen ondertekend, en dat op de meest uiteenlopende terreinen. België, of beter gezegd de Belgische staat, is medeoprichter van alle instellingen die zich inzetten voor de liberale, Atlantische reorganisatie van de wereld. En die instellingen belonen de Belgische staat rijkelijk: het IMF, het GATT, de OESO, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, het Europees parlement, de eerste leider of voorzitter van al die gloednieuwe instellingen is een Belg. In 1958 wordt Brussel de hoofdstad van de EEG en in 1966 vestigt de NAVO er zijn hoofdzetel.

Het beleid van zelfontmanteling van de Belgische staat door middel van supranationale instanties is in lijn met de aloude gewoonte om risicovolle aangelegenheden uit te besteden. En de staat zal ook overgaan tot uitbesteding om de “taalkwestie” aan te pakken. Ook voor dat beleid kiest hij ten koste van zichzelf.

Neoliberale zelfontmanteling

Allereerst moeten we eraan herinneren dat deze staat altijd al het belang heeft onderschat van het culturele patrimonium dat gelinkt is aan het grondgebied en aan de bevolkingsgroepen die er wonen. Een van de belangrijkste culturele daden die de staat heeft gesteld, is de taal van de elites die de macht in handen hadden, het Frans, tot de taal van de staat te maken en tegelijk in de Grondwet vast te leggen: “het gebruik van de in België gesproken talen is vrij”. Die spreidstand vormt de aanzet tot het ontstaan van de Vlaamse beweging. Zoals bij elke vrijheid die in liberale zin gedefinieerd wordt, konden alleen de burgers die er het geld voor hadden zich de luxe permitteren om van de taalvrijheid te genieten – grofweg de Franstalige bourgeoisie die stemrecht had. Voor alle anderen, de meerderheid van de bevolking in alle landsdelen, maakt die taal het moeilijker om de sociale ladder te beklimmen, ze is immers niet hun moedertaal. Zo ontstaat een gevoel van onrechtvaardigheid, wrok en soms, zeker in streken waar de dialecten niet aansluiten bij het Frans, haat.

De staat houdt koppig vol en blijft het Frans een rol toebedelen die tot dan toe geen enkele taal in België heeft vervuld. Zo geeft de staat zelf de aanzet tot twee autonomistische stromingen. In plaats van akte te nemen van de meertalige realiteit in het land vaardigt de staat “taalwetten” uit voor het “Vlaamse” landsdeel, de opmaat voor het ontstaan van een “taalgrens”. De staat ziet zich gedwongen het noorden van het land taalkundig te homogeniseren, en van de weeromstuit ook het zuiden, en hij (inclusief het staatshoofd) gaat steeds meer geloven dat er in het land twee volkeren leven, een situatie die hijzelf heeft gecreëerd. De Vlaamse beweging en haar Waalse tegenhanger volgen de Belgische staat in die redenering en nemen eenzelfde “etnoterritoriale”2 logica aan. Die combinatie van onbezonnenheid en koppigheid van de machthebbers verklaart veel van de historische paradoxen, onder meer het feit dat de Belgische staat, op het moment dat hij zichzelf een pluim geeft omdat na 1918 het Belgisch nationalisme een flinke boost krijgt, zichzelf begint op te splitsen door de administratie, het leger, justitie en het onderwijs op te delen in twee taalkundige “stelsels” die elk op een afgebakend territorium van toepassing zijn.

Maar de Vlaamse beweging volgt het Belgische voorbeeld niet alleen op het vlak van de eentaligheid – “de taal is gans het volk” –, maar ook op economisch vlak. Nee, het Belgische federalisme is niet ontstaan als een compromis tussen Vlaamse culturele eisen en Waalse economische eisen, zoals een naïeve legende verkondigt op de website van “België” of Wikipedia. De Vlaamse beweging formuleert vanaf het einde van de 19de eeuw zowel culturele als socio-economische eisen en werkt ook een samenhangend economisch programma uit. De belangrijkste bezieler daarvan, de econoom Lodewijk De Raet, stelt dat de etnische energie (“volkskracht”) zich slechts kan ontwikkelen als de Vlaamse etnie (de “Vlaamse volksstam”) opgeleid wordt in het Nederlands, voor een arbeidsmarkt die volledig van het Frans is bevrijd. Dan pas zal de Vlaamse etnie de vrije concurrentie kunnen aangaan met het Waalse volk binnen een wereldwijde etnische concurrentie (“wereldmededinging”).

Al van bij hun oprichting vormt die “De Raet-doctrine” de basis van de “Vlaamsgezinde” werkgeversorganisaties. En net als de “Belgischgezinde” werkgeversorganisaties staat die stroming helemaal achter een op export en concurrentie gebaseerde markteconomie, door de overheid aangemoedigd, maar dan zonder interventionisme. Dus precies wat de Belgische staat nastreeft.

Tijdens het interbellum realiseert de Vlaamse beweging de vernederlandsing van de Universiteit Gent, ze richt haar eigen banken op, enz. Ze beschikt over steeds meer sleutelfiguren in de opeenvolgende regeringen. Een van de vele voorbeelden: het ministerie van Economie wordt in die periode bijna ononderbroken geleid door politici die de Vlaamse beweging genegen zijn. Het beleid van het ministerie steunt niet zozeer “Vlaamse” aspiraties dan wel de nationale economie, waarvan het de fundamenten goedkeurt. Het combineert economisch liberalisme en interventionisme, ofwel staatsautoritarisme. Dat syncretisme resulteert in de neoliberale “derde weg” die overal in Europa aan kracht wint en die de staat wil omvormen tot een instrument dat de markt stimuleert.

Een van de Vlaamsgezinde economen uit de jaren dertig is Gaston Eyskens, professor aan de Katholieke Universiteit Leuven en een rijzende ster binnen de katholieke partij. De “katholieke De Raet” vervolledigt zijn studies in de Verenigde Staten, onder meer bij Frank Knight, een van de leermeesters van het neoliberale icoon Milton Friedman. Eyskens staat voor liberalisme dat getemperd wordt door katholiek corporatisme en gelooft in de zelfregulerende kracht van “wereldmededinging” en probeert beide etnieën, zowel de Vlaamse als de Waalse, daartoe over te halen. Eyskens heeft goede banden met de Oostenrijker Richard Coudenhove-Kalergi, een van de pioniers van het federalistische, neoliberale pan-Europeïsme, en is zelf voorstander van Europees en wereldwijd federalisme gekoppeld aan een geïntegreerde wereldeconomie. Voor België droomt hij van een economische regionalisering op basis van etnie als voorbereiding op een Belgisch federalisme in lijn met het Europese federalisme.

Eind de jaren 1950 verschuift het economisch epicentrum van het land van Wallonië naar Vlaanderen. Eyskens wordt eerste minister in een coalitie van christendemocraten en liberalen. Daarvoor was hij gouverneur van de Wereldbank geweest en was hij ook al minister van Economie, minister van Financiën en premier geweest. Met zijn Eenheidswet van 1960 wil hij nieuwe industriesectoren stimuleren, met de steun van de (Amerikaanse) multinationals en de “modernistische” fractie van de Belgische bourgeoisie: de nieuwe Vlaamse bourgeoisie, in België grote voorstander van “wereldmededinging”. Voor het eerst volgt de staat de logica van regionalisering op basis van etnie, maar tegelijkertijd is hij de schuldeisers ter wille en voert hij besparingen door, ten koste van de bevolking en de sociale rechten. Zo neemt de Belgische staat als een van de eerste in Europa de rol op zich die in een neoliberale maatschappij voor de staat is weggelegd: die van een instelling die de productiviteit en de rentabiliteit stimuleert, ook in het eigen apparaat.

De federalisering, waartoe voor de oorlog al een aanzet was gegeven, krijgt zo ook vorm op economisch vlak. Eens na de Eenheidswet het ministerie van Cultuur was opgesplitst en de taalgrens “gebetonneerd”, heeft het partijensysteem maar een paar jaar nodig om zonder noemenswaardige debatten in het parlement de “verouderde” structuren van de eenheidsstaat “aan te passen aan de nieuwe realiteit” die de staat zelf heeft gecreëerd. Die nieuwe realiteit wordt bestendigd door de grondwetswijziging van 1970, opnieuw met Eyskens als premier. Het nieuwe organigram is uniek in de wereld en heel gedurfd: twee niveaus die gelijkwaardig zijn met de centrale staat (in 1994 omgedoopt tot “federale” staat): de gewesten en de gemeenschappen. Zo maakt Eyskens “zijn federalistisch jeugdideaal” waar: een economische regionalisering gebaseerd op communautaristische logica. In 1980 besluiten het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap samen te gaan en zo ontstaat de deelstaat “Vlaanderen”. De doctrine van De Raet is op die manier bijna gerealiseerd: vanaf dan controleert de Vlaamse Gemeenschap bijna alle hefbomen in verband met onderwijs en werk en een deel van de economische hefbomen.

De zeven staatshervormingen zijn er vooral gekomen door de conflictvermijdende ingesteldheid van de Belgische staat.

De zeven staatshervormingen zijn er grotendeels gekomen door de oorspronkelijke ingesteldheid van het Belgische staatsapparaat: conflicten vermijden door gevoelige bevoegdheden over te hevelen. Uiteindelijk leidt dat beleid van denationalisatie tot het overdragen van alle niet-regale bevoegdheden. Zonder het “Belgische volk” daar één keer rechtstreeks bij te betrekken schaart de Belgische staat zich zo achter een sleutelprincipe van de neoliberale inperking (of, preciezer, machtsinperking) van natiestaten: uitbesteden, “ofwel door te privatiseren, ofwel door aan autonome entiteiten over te dragen”.3

De etnoliberale motor van de “communautaire crisis”

In de jaren 1970 zorgt de “schuldspiraal”, ontketend door de “crisis” van 1973, ervoor dat begrotingsbesparingen in de neoliberale economie uitgroeien tot een waar dogma. Tussen de federale “entiteiten” (of, minder goed, deelstaten) ontstaat een onvervalste concurrentiestrijd op het vlak van begroting en fiscaliteit. De Nederlandstalige liberalen onder Guy Verhofstadt zijn de eersten die het federalisme openlijk prijzen als neoliberale hefboom: het is verstandig ministeries op te delen op grond van het nieuwe managementprincipe dat je taken moet verdelen. De Vlaamse nationalisten van de Volksunie hoeven slechts net iets verder te gaan in die redenering en komen zo uit bij het motto dat het credo van de besparingen ten dienste moet staan van de ontmanteling van de Belgische staat an sich. Wanneer hun leider Hugo Schiltz in 1991 minister van Begroting wordt, vat hij met één oneliner dat neoliberale en tegelijk etnische, etnoliberale beleid, waarvoor de kiem werd gelegd in de Eenheidswet van 1960, perfect samen: “Federaliseren is saneren”. Of eigenlijk, saneren leidt tot federaliseren, tot ontmantelen. Die dodelijke link tussen “hervormingen” van de staat en neoliberale “hervormingen” houdt sindsdien politiek België in haar greep.

In 2001 wordt de separatistische Nieuw-Vlaamse Alliantie opgericht, met massale steun van de “progressistische” Vlaamse werkgevers en een groot deel van de media (ook Franstalige). Die partij is de lang verhoopte politieke belichaming van de etnoliberale ideologie die het Vlaamse nationalisme al zo lang inspireert. In slechts zes jaar groeit ze uit tot de grootste speler in de Belgische particratie. In 2014 leidt ze een coalitie met slechts één Franstalige partij (de Mouvement Réformateur, MR, die nauwelijks een kwart van de Franstalige stemgerechtigden vertegenwoordigt). Ze heeft expliciet de bedoeling het neoliberale besparingsbeleid nog verder aan te scherpen om “de Franstaligen” een afkeer te doen krijgen van hun eigen land en hen te verplichten de opsplitsing van wat er van de “federale” staat overblijft te aanvaarden, te beginnen met de sociale zekerheid (die door de regering di Rupo al gedeeltelijk is opgesplitst). Met die politiek wil het “de Franstaligen uitroken”, zoals ratten.4

Omdat de N-VA in zijn nek de hete adem voelt van de neofascisten van Vlaams Belang, stapt de partij eind 2018 uit de regering. Op sociale netwerken en in de media zegt ze dat “België” niet werkt. Maar eigenlijk is het niet België maar de Belgische staat die niet werkt, en dat is maar logisch ook. Gedurende tientallen jaren is er een logica gehanteerd die voor de ene helft berust op particratie en voor de andere helft op een etnoliberale bezuinigingstechnocratie. Het knip- en plakwerk in de Belgische institutionele inrichting resulteert in een complex en contraproductief geheel dat het “Belgische volk” nog altijd niet overtuigt om komaf te maken met België. De N-VA haalt die complexiteit aan als argument om, heel cynisch, voor de ultieme stroomlijning te ijveren: “confederalisme” als opstapje naar de totale opsplitsing van de Belgische staat. Dat scenario, dat bepaald onfris naar apartheid ruikt, zonder eerlijke cijfers of draaiboek, wordt nu al een jaar lang ernstig bestudeerd door de particratie en sommige media die berichten over de moeilijke “regeringsonderhandelingen”.

Eigenlijk is het niet België maar de Belgische staat die niet werkt, en dat is maar logisch ook.

Zo komt het dat de werkelijkheid de fictie al een hele tijd heeft ingehaald. De RTBF had onderaan in beeld geen band lopen waarop stond “Dit is fictie”, maar heel veel kijkers die het gewoon zijn om in deze mallemolen mee te draaien, zijn blijven kijken, er vast van overtuigd dat wat ze zagen de werkelijkheid was. Sinds 26 mei 2019 slaagt men er niet in een regering te vormen, maar het probleem is niet de N-VA. Jazeker, die separatistische partij speelt blufpoker en komt daar nog mee weg ook, omdat des te meer daar de partijen van de regering Michel niet ronduit zeggen dat de N-VA dat doet. Maar inzake de “debelgificatie” van de staat op etnische gronden, het wegmoffelen van de “bicommunautaire” culturele realiteit, het gijzelen van de democratie door de particratie en, als laatste, de neoliberalisering van het overheidsbeleid. Het etnoliberalisme is niet uitgevonden en zelfs niet geradicaliseerd door de politieke werkgeversbeweging genaamd N-VA.

Die heeft alleen een klein zetje moeten geven aan de segregerende “efficiëntie” die de basis vormt van een “federalisering” die voor de heersende particratie al vlug oncontroleerbaar is geworden. Ze heeft geprofiteerd van de wereldwijde “crisis” van 2008, daarna van de “immigratiecrisis” van 2015 en vervolgens heeft die partij de rode loper betreden die gedienstig is uitgerold en schoongeveegd door degenen die zo ijverig de opeenvolgende “staatshervormingen” hebben doorgedrukt.

Footnotes

  1. Voor het nieuwste onderzoek naar dat andere verleden dat zo onderbelicht blijft, lees Zana Matthieu Etambala, Veroverd. Bezet. Gekoloniseerd. Congo 1876-1914, Gorredijk, Sterck & Devreese, 2020.
  2. Olivier Boehme, Greep naar de markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum, Leuven, Lannoo Campus, 2008, p.426.
  3. Françoise Dreyfus, “La révision générale des politiques publiques, une conception néolibérale du rôle de l’Etat?”, Revue française d’administration publique, 4, 2010, 136, p.857-864, p.858.
  4. Paul Dirkx, “L’autre laboratoire européen du séparatisme. En Belgique, le poker menteur comme méthode de gouvernement”, Le Monde diplomatique, 64, 764, november 2017, p. 10-11.