Artikel

De cultuurstrijd van de N-VA anno 2020

Robrecht Vanderbeeken

— 29 september 2020

Een Vlaamse leeuw zonder of met rode nagels, de kleuren van de burgemeesterssjerp of het cultuurprotest dat geel kleurt. Het zijn uitingen van een cultuurstrijd die onze toekomst zal bepalen.

‘Het is niet omdat de man Nederlands spreekt, dat hij een Vlaming is.’
(Bart De Wever over Herman De Croo)

Vanaf dag één bevestigt de Vlaamse regering-Jambon, onder supervisie van de N-VA, dat ze nog Vlaamser, antisocialer en elitairder is dan de vorige. Met hoog in het vaandel en als bindmiddel ‘de Vlaamse cultuurstrijd’. Met Gramsci voor ogen beseffen de boegbeelden van de N-VA dat hun cultuurstrijd een dwingende voorwaarde is om Vlaanderen naar hun hand te zetten. Maar dat lukt niet zonder slag of stoot; vraag dat maar aan de ministers Jambon en Beke. Die stootten op de reactie van een positieve tegencultuur in de zorg, de cultuursector en het middenveld. Daar gingen mensen in al hun diversiteit en met al hun ervaring de strijd aan vanuit een totaal andere visie op mens en samenleving. Hoe manifesteert die cultuurstrijd zich concreet? En wat is de onderliggende inzet?

Robrecht Vanderbeeken is filosoof en vakbondsverantwoordelijke voor ABVV-ACOD Cultuur. In 2015 schreef hij Buy Buy Art (EPO).

De cultuurstrijd is geen gebeurtenis die zich vandaag opeens voordoet, maar een proces dat zich continu voltrekt, in elke samenleving. Elke nationale cultuur splitst zich op in verschillende culturen. Er is niet één cultuur, er is niet één traditie. Er is cultuur die systeembevestigend werkt en cultuur die emancipatie uitdraagt. De cultuurstrijd is het deels verdoken deels openlijke gevecht om de culturele hegemonie. De wereld is dan wel ons dorp geworden, in elke straat van dat dorp doet zich een strijd voor en iedereen die door die straat loopt, moet positie kiezen. Zich bewust zijn van deze cultuurstrijd is een vereiste om dat bewust te kunnen doen, positie kiezen. Dat beschreef ik in mijn boek Buy Buy Art. Over de vermarkting van kunst en cultuur.1 Hoe is die strijd voortdurend aan het werk? Hoe gebruiken machthebbers kunst, cultuur en media om via hun wereldbeeld hun macht te continueren? Over dat inzicht draait het in dit artikel.

De N-VA als breekijzer voor rechts Vlaanderen

De cultuurstrijd van de N-VA heeft reeds allerlei grendels doen springen op weg naar een ondemocratische, asociale, xenofobe en elitaire Vlaamse staat. De N-VA verpakte de ideologie van het Vlaams Belang in een gematigde communicatie, noemde die ‘evolutionair’ en verkocht haar als ‘realistisch rechts’. Op die manier en met behulp van sluwe spindokters die perfect weten hoe ver ze kunnen gaan, is ze erin geslaagd haar ideologie dominant te maken in Vlaanderen. We worden overspoeld door die ideologie. Haar overtuigingen zijn zozeer gemeengoed geworden dat sommigen niet meer zien hoe ver Vlaanderen al in die richting is afgegleden. Zo komt het dat voorzitter Bart De Wever overtuigend over Vlaanderen kan spreken als ‘de andere democratie’ in België. Democratie wordt in de ideologische logica van deze uitspraak gelijkgeschakeld met ‘één publieke opinie, één taal, één cultuur’.

Er is niet één cultuur, er is niet één traditie. Er is cultuur die systeembevestigend werkt en cultuur die emancipatie uitdraagt.

De publieke opinie wordt zo stap voor stap meegesleurd in dat ideeëngoed in de schemerzone tussen extreemrechts en ‘nieuw’ rechts. Ze gaat dat ideeëngoed als normaal, evident en natuurlijk beschouwen. Het nestelde zich onder de hersenpan van velen en kleurt hardnekkig de waarneming van de realiteit. De Wever zelf is inmiddels incontournable geworden. Intussen mikken de N-VA en het Vlaams Belang openlijk op een coalitie in 2024 om dan een beslissende demarche te doen richting Vlaamse onafhankelijkheid en het werk af te maken. Een kikker die in water leeft dat stelselmatig opgewarmd wordt, voelt de pijn pas als een kritieke temperatuur overschreden wordt.

In die cultuurstrijd schuift Bart De Wever de filosoof van het elitarisme naar voor die vindt dat de samenleving vanuit de top bestuurd moet worden door een natuurlijke elite: Edmund Burke. Diens oude conservatisme kreeg in het tijdperk van het kapitalisme een naam: het corporatisme. Dat wil zeggen, de onvoorwaardelijke loyauteit aan de captains of industry en de bankiers. Al 200 jaar is Burke een inspiratiebron voor extreemrechts en fascisten. De heersende orde is voor hem een organische, natuurlijke ordening waarin iedereen zijn plaats heeft en moet kennen. Voor De Wever is de Vlaamse natie zo’n organische, natuurlijke ordening. Hij ziet ‘het Vlaamse volk’ als een idyllische, homogene gemeenschap zonder klassentegenstellingen, die zich laat leiden door de elite van die eigen ‘lotsgemeenschap’. In deze verbondenheid zou je dan als individu geborgenheid vinden als je jezelf er maar ondergeschikt aan maakt. Het is politieke begoocheling waarmee je de realiteit van de ongelijkheid en van de strijd ertegen handig kan wegdenken via een etnisch-cultureel ‘wij’ versus ‘zij’. Zo’n breuklijn plaatst werkende mensen tegenover elkaar. ‘Het volk’, dat zijn dan niet de werkende mensen maar slechts ‘onze mensen’. De economische breuklijnen en de sociale klassen vallen dan weg. De Wever spreekt graag schande over (opgeklopte) transfers van Vlaanderen naar Wallonië. De transfers in Vlaanderen van arm naar rijk zijn groter. Maar dat wordt verzwegen.

In de beweging van Mei ’68 ziet De Wever een van de vijanden die de natuurlijke Vlaamse ordening heeft verwrongen. Vandaar zijn parool: ‘Stop het identitaire nihilisme sinds Mei ’68!’ Hij argumenteert zijn afschuw ervoor als volgt: “De enige gemene deler van Mei ’68 was de anti-autoritaire kretologie. Alle gezag en traditie moesten op de schop. (…) Mei ’68 heeft een eindpunt gezet achter de vanzelfsprekende aantrekkingskracht van het katholieke Vlaamse cultuurideaal en dreef het traditionalisme uit de markt.”

De Wever spreekt graag schande over transfers van Vlaanderen naar Wallonië. De transfers in Vlaanderen van arm naar rijk zijn groter. Maar dat wordt verzwegen.

De cultuurstrijd van de N-VA is die van de restauratie, een tegenreflex tegen wie de heersende sociale hiërarchie omver wil halen, een terugstoot. In de woorden van Bart De Wever: “Het onwrikbare geloof in de absorberende kracht van onze Vlaamse identiteit is het antwoord. Aan ons om daar klare taal over te spreken. (…) De N-VA zal complexloos de Vlaamse identiteit vooropstellen. Wij zijn er klaar voor.”

De Wever zei al deze dingen in 2018, op de N-VA herdenking van ‘50 Jaar Leuven Vlaams’. De strijd van Vlaamse studenten en professoren voor de taalkundige splitsing van de KULeuven in de jaren 60 was voor hem een herdenking waard, want een ankerpunt op de weg naar de Vlaamse onafhankelijkheid. Een jaar later, bij het aantreden van de regering-Jambon, werd ‘de Vlaamse identiteit’ metterdaad complexloos vooropgesteld. De N-VA sleurde haar regeringspartners daar zoveel mogelijk in mee. Vlaanderen zou internationaal gaan ‘excelleren’, ‘stralen’, ‘boven zichzelf uitstijgen’. Media, cultuur en onderwijs werden daarvoor als instrument in stelling gebracht.

Drie fronten in de cultuurstrijd van de N-VA

De cultuurstrijders van de N-VA beschouwen de kunstensector als een frontlijn. De kunstenaars moeten ‘een uithangbord’ voor Vlaanderen worden, zo staat het in de formatienota van de regering-Jambon. Terwijl de vorige Vlaamse regering met de slogan “Flanders. State of the Art” het individuele artistieke talent wou claimen om Vlaanderen als economische regio in de markt te zetten, gaat Jan Jambon, de minister-president die zichzelf ook tot cultuurminister kroonde, een stap verder: de kunsten moeten de Vlaamse identiteit helpen vormgeven en uitdragen. Inhoudelijke sturing naar het voorbeeld van Hongarije, Turkije en Polen. Projecten die daaraan meewerken, kunnen op steun rekenen, net als rijke kunstspeculanten à la havenbaas Fernand Huts, die voor zijn spektakeltentoonstellingen als ‘cultureel ambassadeur’ in de bloemetjes zal worden gezet. De subsidies voor progressieve kunstenaars en cultuurorganisaties worden ondertussen afgeknepen. Literatuur Vlaanderen en het Vlaams Audiovisueel Fonds gaan achter gesloten deuren vooral aandacht geven aan die cultuurmakers die met de Vlaamse vlag en wimpel aan de slag willen gaan.

Jan en Randoald | www.janenrandoald.be

Ook in het onderwijs opent de N-VA een front. Via haar minister van Onderwijs wil de N-VA de Vlaamse jeugd inbinden in haar elitair nationalistisch project. Het onderwijs moet daarvoor komaf maken met Mei ’68 en een hervorming doorvoeren die ons wegleidt van een emanciperend onderwijs dat gelijkheid nastreeft. Die ongelijkheid aanpakken zet de N-VA weg als een nivellering en niveauverlaging. Elitescholen voor de besten, dat is haar prioriteit. En dus gaan de bescheiden maatregelen naar meer democratisering, via een betere sociale mix en een latere studiekeuze, op de schop en worden de absurde schotten tussen ASO, BSO, TSO en KSO behouden. Centrale examens moeten de concurrentie tussen scholen bovendien nog verder aanwakkeren.

Jan Jambon, de minister-president die zichzelf ook tot cultuurminister kroonde, gebiedt dat de kunsten de Vlaamse identiteit moeten helpen vormgeven en uitdragen.

Opvallend veel druk zet de N-VA om haar Vlaamse canon in het onderwijs door te drijven. “We mogen trots zijn op ons verleden. (…) Om het identiteitsbesef van de jongere generatie te bevorderen, stellen we een Vlaamse canon op, een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur en geschiedenis”, schreef Bart De Wever in zijn Startnota voor de regering-Jambon. De historicus Bruno De Wever antwoordde: “Moeten politici zich gaan bezighouden met wat er in de lessen geschiedenis wordt gezegd? Dat doen ze toch ook niet voor fysica?”

Bart De Wever ziet de Vlaamse canon als een concrete opsomming van Vlaamse hoogtepunten die de leerlingen moeten leren en kennen. Alsof er ook geen zwarte bladzijden zijn in onze geschiedenis, waaruit lering te trekken valt. Hij wil geschiedenis op die manier instrumentaliseren om zijn visie over wat een organische gemeenschap is door te drukken. Maar de ankerpunten van de Vlaamse geschiedenis zijn niet vast te leggen, ze zullen voor iedereen die in Vlaanderen woont verschillend zijn. Geschiedenisonderwijs moet meerdere perspectieven aanbieden en leren dat het verleden anders wordt naargelang de vragen die je stelt.

De VVLG, de Vlaamse Vereniging van leraren Geschiedenis en Cultuurwetenschappen, schrijft: “Nee, het verleden is niet te vatten in lijstjes. Het verleden is niet eenduidig en geschiedenis is veranderlijk. (…) Een canon wil mensen opsluiten in één identiteit terwijl die altijd bestaat uit meerdere lagen. Waarom kunnen we leerlingen niet vertrouwen én respecteren in de keuzes die ze zelf maken?” Bovendien is het Vlaams-nationalisme pas recent ontstaan. Historicus Guy Vanthemsche schrijft: “Vlaanderen heeft zijn bestaan te danken aan België. Zonder de creatie van de Belgische staat in 1830 zou er ook geen ‘Vlaamse identiteit’ spelen. De mensen die voor de 19de eeuw leefden op het territorium dat nu Vlaanderen heet, voelden zich helemaal geen ‘Vlamingen’ en waren dat ook niet. Ook de Vlaamse beweging is een ongewild kind van die Belgische natiestaat.”

Vlaanderen heeft zijn bestaan te danken aan België. Zonder de creatie van de Belgische staat in 1830 zou er ook geen ‘Vlaamse identiteit’ spelen.

Rubens is in Duitsland geboren, Bruegel in Breda en de gebroeders Van Eyck in het prinsbisdom Luik. Hen gaan herdopen tot ‘Vlaamse Meesters’, verraadt dan ook dat het gaat om een politiek project. En hoe pas je Fransprekende kunstenaars uit onze streken als Horta, Ensor, Verhaeren, Nobelprijswinnaar Maeterlinck of Broodthaers in dit plaatje? Of de meertaligheid van de rijke Brusselse cultuursector?

En dan is er het mediafront waarop de N-VA met haar cultuurstrijd ten aanval trekt. De Vlaamse media spelen geen mooie rol in de opmars van de N-VA: in plaats van een kritische stem te laten horen, hebben zij vooral gediend als megafoon voor het gedachtegoed van de N-VA. Dat is alomtegenwoordig in onze media. Niet alleen in Terzake, De Zevende dag, het journaal of het nieuws, maar ook in de populaire bladen als Dag Allemaal, op internetfora en op sociale netwerksites is haar discours overal aanwezig. De partij permitteert zich daarbij almaar meer, wordt almaar vrijpostiger. In zijn Startnota voor de regering-Jambon toonde Bart De Wever zich sceptisch over ‘de representativiteit van de VRT ten aanzien van het ideologische landschap in Vlaanderen’. Minister-president Jambon liet in Humo optekenen wat daarmee bedoeld wordt. “Bij de N-VA vinden we dat links een te groot forum krijgt in vergelijking met zijn maatschappelijke relevantie. Dat vraagt om een correctie.” Eén volk, één stem!?

Hij gaf daarbij alvast een voorzet voor een nieuwe stem op de VRT. Gevraagd of het een goed idee was om eens een klimaatontkenner aan het woord te laten, antwoordde hij instemmend: ‘In een democratie mag je toch niet bang zijn voor een afwijkende mening?’ Lees: nog meer rechts in de vitrine. Of in de woorden van Siegfried Bracke van N-VA: “Het geld van de VRT dient niet alleen om programma’s mee te maken, het kan ook worden ingezet in het gevecht om de ziel.” De Vlaamse identiteit uitdragen – wat dat ook moge zijn – moet de nieuwe prioriteit van de omroep worden. De bestuursraad van de VRT is sinds 2020 voor de helft in handen van de Vlaams-nationalisten. “Het risico is reëel dat in hun handen de openbare omroep gaat verglijden naar een staatszender,” zegt vakbondsverantwoordelijke bij de VRT Michelle Graus.

De omroep krijgt ook een bespaarbeleid over zich heen, inclusief het politieke ontslag van een CEO die weigerde de VRT naar de slachtbank te begeleiden. De regering-Jambon kiest voor de afbouw van de openbare omroep ten voordele van de private Vlaamse mediagroepen. De publieke omroep moet zijn programma’s in de toekomst gaan aanbieden via de private ‘Vlaamse netflix’. Wat met belastinggeld gemaakt is, komt zo achter een betaalmuur te zitten van een buitenlandse multinational. Want Telenet is vooralsnog een Amerikaans bedrijf. De N-VA veroverde sleutelposities op deze drie fronten en boekte zo strategische vooruitgang. Jambon kan nu het media- en cultuurbeleid omturnen tot een propagandabeleid om het slotoffensief van de separatistische N-VA-agenda voor te bereiden.

Natuurlijk beseft hij wel dat ‘minder dan 20 procent van de Vlamingen interesse heeft in het confederalisme. In België ligt dat percentage nog veel lager.’ Zo formuleerde hij het althans in zijn openingslezing aan de Universiteit Gent in september 2019. Maar dat schrikt hem en De Wever niet af. Zij zien hun nationalisme immers als een ideologische constructie, een verbeelding die je via taal en een aangestuurde cultuur tot realiteit maakt. De inzet is metapolitiek: de grenzen van het publieke debat verleggen. De heimat Vlaanderen moet door ieders strot worden geduwd zodat elkeen mee kan marcheren naar de splitsing van België en naar de onafhankelijke republiek van VOKA, de Vlaamse werkgeversorganisatie. In navolging van VOKA ­– “Eerst en vooral moet er (voor een regeerakkoord) worden gepraat met het Vlaams Belang” – gaf de minister-president in de kerstdagen van 2019 aan dat zo’n machtsovername samen met het Vlaams Belang een reële optie wordt.

‘De culturele elite’ als zondebok

In een kerstessay voor De Standaard in 2012 etaleerde voorzitter De Wever zijn appreciatie voor de hedendaagse kunst. Daar noemde hij kunstenaars ‘de lakeien van de gevestigde orde’. De inspiratie daarvoor haalde hij bij Geert Wilders in Nederland, die zichzelf toen ook graag een anti-establishment profiel aanmat door academici en kunstenaars aan te vallen. Dat jaar zette de Nederlandse staatssecretaris Halbe Zijlstra de hakbijl in cultuur. Hij zou ‘die kunstenaars met hun linkse hobby’ eens een lesje leren. De Wever gaf nog meer gas. Op de vraag of zijn polemiek met de culturele wereld ideologisch was, zei hij: “(blaast) Tja, misschien wel. Ik vind gemeenschapsvorming waardevol, ik vind dat er een verschil is tussen goed en slecht gedrag. En nogal wat cultuurdragers vinden dat paternalistisch. Want zij zijn onthecht en kosmopolitisch. Maar ik vraag mij af waaraan zij dan wél gehecht zijn, tenzij aan andere rijke mensen die ook een buitenverblijf in Toscane of Zuid-Afrika hebben.” “Onthecht”? Waarom kiest De Wever voor dat woord? Volgens het Van Dale Groot woordenboek betekent onthechten: “zich losmaken van het aardse”. Onthecht? Een onthechte kunstenaar? Een ontaarde, entartete kunstenaar?

Toen, in 2012, woedde de cultuurstrijd van de N-VA, die zich vandaag zo triomfantelijk gedraagt, al volop. Zodra De Wever Antwerps burgemeester werd, lag het stadsdichterschap onder vuur en volgde een polemiek met de ‘idiote’ culturele sector over de naam van het De Coninckplein. De Wever was niet vergeten hoe muzikant Tom Barman in Antwerpen tijdens de lokale verkiezingen van 2006 samen met heel wat cultuurmakers het muziekfestival ‘0110’ tegen de onverdraagzaamheid op gang trok waardoor Filip Dewinter van Vlaams Belang zijn kans op de sjerp miste. Hij was ook niet vergeten dat bij de impasse in 2011 rond de regeringsvorming, waarvoor hij toch persoonlijk verantwoordelijk was, er luid cultuurprotest tegen het nationalisme klonk met manifestaties en een protestevenement in de KVS: Niet in onze naam!

De frustratie zit natuurlijk nog dieper. De cultuurstrijders van de N-VA kunnen het niet hebben dat het sociale en culturele veld in onze regio geen propagandamachine van het conservatief flamingantisme willen zijn. Hoewel bijvoorbeeld Paul van Ostaijen, Oscar Jespers en Victor Servranckx de Vlaamse beweging begin vorige eeuw genegen waren, kwam het een generatie later, door de nazicollaboratie, tot een onherstelbare breuk met de Vlaamse cultuurmakers. Overigens was Van Ostaijen meteen na de Eerste Wereldoorlog zelfs naar Berlijn getrokken om zich bij de communistische Spartakusopstand aan te sluiten. Wat psychologisch ook speelt, is het historische trauma van de collaboratie. Die heeft het Vlaams- nationalisme tot op het bot gediscrediteerd tijdens de Tweede Wereldoorlog. De bevrijding van het fascisme wordt in flamingante kringen nog altijd als een nederlaag, als repressie en slachtofferschap beleefd. Door de ontvoogding die Mei ’68 op gang bracht, voelden deze conservatieve milieus zich nog meer in een schaamhoekje geduwd. De Wever speelt in op die rancune en frustratie met zijn cynische uithalen naar de morele superioriteit die de ‘gutmenschen’ van links zichzelf zouden aanmeten: de moral high ground van waarop ze zouden neerkijken op het volk.

De bevrijding van het fascisme wordt in flamingante kringen nog altijd als een nederlaag, als repressie en slachtofferschap beleefd.

De Wever dimde tijdelijk zijn offensief tegen de culturele wereld toen zijn N-VA in 2014 in de federale regering-Michel kwam. De separatistische agenda moest eventjes een beetje in de koelkast. In de federale regering zocht de N-VA wel de confrontatie met de federale musea: die moesten zwaar besparen. Het federale cultuur- en wetenschapsbeleid afbouwen was een beleidskans die de partij niet onverlet wou laten. Het Vlaamse niveau ging intussen voor intensieve investeringen in nieuwe musea, vooral in Antwerpen. Infrastructuuropbouw voor de overname van federale collecties in geval van een Belgische boedelscheiding? Niet de Vlaamse cultuurminister maar die van toerisme, Ben Weyts (N-VA), maakte 26,4 miljoen euro vrij voor de ‘Vlaamse Meesters’-campagne – gelinkt aan promo voor friet, bier en chocolade. Evenveel geld als zowat het jaarlijkse subsidiebudget voor alle Vlaamse musea samen. Intussen maakte de N-VA van haar positie in de regering gebruik om de aanval tegen de universele mensenrechten, de vakbonden en andere maatschappelijke tegenkrachten op te drijven en vooral om, met de haatpoliticus Theo Francken als staatssecretaris voor asiel en migratie, haar discours ten aanzien van migranten en vluchtelingen nog racistischer en negatiever te maken. Zo beschuldigde Francken Artsen Zonder Grenzen ervan mensensmokkelaars te zijn omdat ze mensenlevens redden op de Middellandse Zee. De campagne van de N-VA nam niet alleen de beelden van extreemrechts over, maar ook de gekende leugens van het Vlaams Belang over migratie en vluchtelingen.

In aanloop naar de verkiezingen van 2019 hervatte De Wever voluit zijn offensief tegen de cultuurwereld met zijn boek Over identiteit. Daarin haalt hij weer uit naar ‘de culturele elite’. Daar bedoelt hij niet mee de toplaag van rijke galerijhouders, kunsthandelaars en cultuurmarketeers. Maar wie dan wel? Hij noemt niemand bij naam. Het gaat over een vage, abstracte zondebok. Een retorisch amalgaam van relativisme, postmodernisme, cynisme en onverschilligheid. Die ethiek, die volgens De Wever door ‘de culturele elite’ wordt uitgedragen, zou verantwoordelijk zijn voor wat sinds Mei ’68 misloopt. Daar komt het zowat op neer. Handig, zo’n abstract en artificieel vijandbeeld: je negeert de waarden waar je opponenten werkelijk voor staan – zoals internationale solidariteit of het streven naar gelijkheid ongeacht kleur of geslacht – en je dicht hen alle zonden van de globalisering toe. Zo, met deze pseudovijand, houd je de echte vijand uit het vizier en kan je jezelf profileren als de oplossing. ‘De culturele elite’ zou volgens De Wever smalend neerkijken op identiteitsproducten als F.C. De Kampioenen. Zit de Vlaamse identiteit dan daar? Is dat ‘cultuurrelativisme’? Is er iets mis met een artistiek oordeel vellen? Wat De Wever doet is de grieven van mensen over de malaise waarin ze zich door de neoliberale globalisering bevinden, projecteren op ‘de culturele elite’ en hen wijsmaken dat die ervoor verantwoordelijk is. Het is de schuld van de ‘cultuurmarxisten’, roept Steve Bannon, de voormalige rechterhand van Trump die een extreemrechtse internationale wil smeden.2 Marius Meremans, de cultuurexpert van de N-VA in het Vlaams Parlement, klaagde ook al over de ‘provocerende kunst’ en ‘de dictatuur van de diversiteit’ in de cultuurwereld. Hij vond het “tijd voor de cultuurelite het roer om te gooien.” Wat kritisch of superdivers is, moet plaatsmaken voor Vlaams en conservatief en rechts.

Is dat niet in tegenspraak met het vertoog over ‘meerstemmigheid’ waarmee Jambon zijn Visienota Kunsten begint? Dat lijkt alleen maar zo. Net als bij de VRT hamert hij hypocriet op het argument ‘meer diversiteit’ om daarmee ruimte te creëren voor zijn rechtse cultuurstrijders. Zijn ‘meerstemmigheid’ dient om via subsidies de deur open te duwen voor meer commerciële, conservatieve en nationalistische projecten. Die zouden immers het slachtoffer zijn van ‘censuur en zelfcensuur’, zo schrijft hij.

In november 2019 ging de N-VA-fractieleider in de Kamer, Peter De Roover, onversaagd in de aanval. In een televisiedebat bevestigde hij dat de cultuurbesparingen een ideologische keuze zijn. ‘Kunstenaars die aan de subsidieslurf hangen’ – let op dat taalgebruik – zouden vooral zichzelf en hun emoties op de voorgrond zetten. Kritische kunst, het mag wel, maar niet op kosten van de Vlaamse belastingbetaler, vindt De Roover. En tussendoor: ‘Ik hoop dat we daar op termijn nog veel verder in kunnen gaan.’ Volgens de fractieleider moeten kunstenaars ‘meer met schoonheid bezig zijn, zoals vroeger’. Hetzelfde argument werd ooit in fascistische regimes gebruikt om kunstenaars te muilkorven en zelfs te verbieden. De Roover heeft er geen idee van hoeveel kunstenaars die vandaag tot de canon behoren, in hun tijd op premières werden uitgejouwd. In de visie van de N-VA is er te veel ruimte voor experiment en vernieuwing, voor kritische, emanciperende cultuur in een superdiverse samenleving, voor kunst die het publiek bevraagt en uitdaagt. Dat komt neer op de censuur van een vitale kracht van kunst en cultuur.

De dubbele aanval op cultuur en een succesvolle tegenstoot

Eind 2019, nog voor hij zijn cultuurkabinet goed en wel op poten had, botste Jambon op een breed, spectaculair en solidair cultuurprotest dat de publieke opinie wist te winnen en hem vervolgens in het defensief duwde. De hakbijl van 60 procent op de projectsubsidies voor kunstenaars – de achilleshiel van de cultuursector – werd het Macron-moment van Jambon. Zoals Macron de gele hesjes over zich heen kreeg na een verhoging van de brandstofaccijnzen, zo kreeg Jambon de cultuursector nu over zich heen met het middenveld daar bovenop. Maar de boosheid tegen zijn laatdunkende en genadeloze cultuurbesparingen barstte open in een grote ontlading. Het verdeel-en-heers waarmee de erfgoedsector tegen de hedendaagse kunsten werd opgezet, keerde als een boemerang terug. Het protest barstte los omdat er geen kruis is zonder munt, geen actie zonder reactie.

De hakbijl van 60 procent op de projectsubsidies voor kunstenaars – de achilleshiel van de cultuursector – werd het Macron-moment van Jambon.

De cultuurwerkers ‘staakten’: ze weigerden het werk dat Jambon hen probeerde op te leggen. Ze kaapten de kleur geel terug, als kleur van hun protest: geen censuur op media en cultuur! Nee, de Vlaamse cultuurdragers en basiswerkers willen geen bondgenoot zijn van een eng Vlaams-nationalistisch propagandabeleid, geen ‘lakeien van de gevestigde orde’. Ze willen collectief een bondgenoot van de bevolking blijven. Ze protesteerden solidair over de disciplines en sectoren heen. Ze beseften dat je met figuren als Jambon op straat onderhandelt. Met succes: een paar maanden later draaide de cultuurminister alvast de sanering van 60% op de projectsubsidies voor het jaar 2020 terug. Daarvoor moest hij zijn eigen taboe doorbreken: middelen buiten de cultuurbegroting vinden.

Ook nieuw in de Vlaamse geschiedenis: de cultuurvakbonden dienden samen een algemene stakingsaanzegging in om cultuurwerkers dekking te geven bij de acties. In grote getale gingen bekende gezichten – acteurs, auteurs, muzikanten, beeldend kunstenaars – de zittingen van de cultuurcommissies in het parlement bijwonen, terwijl andere artiesten, kunststudenten en cultuurwerkers op straat protesteerden. Genomineerden weigerden collectief de Ultima’s, de Vlaamse cultuurprijzen, in ontvangst te nemen uit de handen van Jambon. Bij de uitreiking van de Mia’s, de jaarlijkse muziekprijzen, werd de minister uitgejouwd. Op de Ultima’s kreeg hij tomaten naar het hoofd geslingerd, een symbolische actie die we moeten situeren in een traditie van theaterprotest.

Ook nieuw in de Vlaamse geschiedenis: de cultuurvakbonden dienden samen een algemene stakingsaanzegging in om cultuurwerkers dekking te geven bij de acties.

De acties hebben bij de cultuurwerkers het inzicht aangescherpt dat hun sector langs twee kanten onder vuur ligt: een neoliberale pletwals maakt de weg vrij voor de nationalistische instrumentalisering. Met zijn neoliberaal cultuurbeleid wil Jambon de sector kapot besparen en de vermarkting van het kunstenveld nog meer aanjagen. “Kunstenaars zijn ondernemers an sich,” zo staat het in zijn Visienota Kunsten, en dat ondernemerschap is voor hem “een cruciale parameter”. Daarom wil hij “de zelfredzaamheid van kunstenaars stimuleren’. Want ‘het is onverantwoord geen aandacht te besteden aan basale economische principes”. Om dan te besluiten met: “Een ondernemende en slagkrachtige kunstensector doet de nodige inspanningen om aanvullende financieringsbronnen te onderzoeken. (…) Ik geloof dat de kunstensector veel kan bieden aan private, zelfs commerciële spelers en vice versa. Die samenwerking mag geen taboe zijn.”

Jan en Randoald | www.janenrandoald.be

Zo krijgt de uitverkoop van de kunsten zijn beslag. Kunst en cultuur van a tot z als deel van de markteconomie. De promotie van de kunstenaar-ondernemer, de inkapseling van kunst en cultuur in de creatieve industrie, de afbouw van de publieke cultuursector: het zijn de drie centrale thema’s van de neoliberale aanval op de sector. Alles wat los en vast zit aan de sociale welvaartstaat moet in de uitverkoop, zo schrijft het neoliberalisme voor. De N-VA kiest resoluut voor dit vermarkt Vlaanderen. Cultuurminister Jambon liet daar, wat de cultuursector betreft, alvast geen twijfel over bestaan. Van die uitverkoop aan de privé, genaamd ‘alternatieve financiering’, en van de precaire situatie waarin kunstenaars daardoor verzeild geraken, kan Jambon dan gebruikmaken om kunstenaars alsnog in te schakelen in de propagandamachine voor zijn cultuurstrijd.

‘Aanpassen of opkrassen’

Theo Francken is de man die het antimigrantenprofiel van de N-VA helpt hooghouden. In lijn met extreemrechts spuit hij de angst voor de ‘omvolking’ door etnische nieuwkomers en de angst voor de culturele onderwerping aan ‘de oprukkende islam’. Krijgt hij alleen maar uitgelegd waar zijn Vlaamse identiteit precies voor staat door er een negatieve invulling aan te geven? Hij wijst alvast op wat hij niet wil: geen hoofddoeken, geen moskees. Maar wel kerken en kathedralen.

Die variant van ‘aanpassen of opkrassen’ illustreert hoezeer achter het conservatisme van de N-VA een problematisch wereldbeeld schuilgaat. In zijn artikel “De kathedralenbouwers” in het boek Identiteit, diversiteit en ‘Culture Wars’ (2019) schrijft Francken dat hij met heimwee terugdenkt aan de kloosterordes en kathedraalbouwers van duizend jaar geleden. Hij beschouwt ze als door het christendom geïnspireerde pioniers van een culturele omwenteling die een economische en maatschappelijke ontwikkeling op gang bracht. Maar daar maakten de barbaren een einde aan, aldus Francken. Volgens hem zitten we vandaag in een vergelijkbare situatie. Maar nu zou het ‘identitaire nihilisme’ van Mei ’68 – een ‘bedreiging van binnenuit’ dus – ons ontworteld hebben. Daarom is een terugkeer geboden naar onze tradities en naar het ‘katholieke cultuurideaal dat onze ouders meegekregen hebben’.

Die nostalgie naar een verloren verleden verbindt Francken met de vrees nu zelf onderworpen te worden. Alsof er slecht twee opties zijn: overheersen of overheerst worden, meester zijn of slaaf. Dat binaire denken botst natuurlijk met de optie voor diversiteit en verlamt de verandering. De heroïsche toekomst ligt dan in een terugkeer naar een mythisch verleden dat eigenlijk nooit heeft bestaan. Of om het in de woorden van Bart De Wever te zeggen: ‘De Europese cultuur lijkt uitgeput. De hardware is er nog – grootse bouwwerken, kunstobjecten en instellingen als universiteiten vind je in elke grote Europese stad – maar de software hapert. Onze cultuur is doordrongen van een metafysische onrust. Het besturingssysteem crasht en Edmund Burke kan ons helpen te rebooten.’

Die nostalgische droom van een reactionaire nieuwe orde vereist evenwel de excommunicatie van een eindeloos lange lijst ‘nestbevuilers’ die niet tot ‘het volk’ behoren: te beginnen met de moslims, maar ook de Walen, de vluchtelingen, de werklozen, de ‘activistische’ rechters, de klimaatspijbelaars, de vakbonden, de ‘culturele elite’ en natuurlijk de PVDA als ‘restafval van de geschiedenis’. In feite viseren ze iedereen die anders is of denkt, of zich anders gedraagt. Tot er zelfs geen Herman De Croo meer overblijft. Getuige daarvan de oneliner aan het begin van dit artikel. Zo wordt ieder individu, elk apart, gewogen op de schaal van ‘het volk’. Maar wat is dat, ‘het volk’? Het Herrenvolk?

Die nostalgische droom van een reactionaire nieuwe orde vereist evenwel de excommunicatie van een eindeloos lange lijst ‘nestbevuilers’ die niet tot ‘het volk’ behoren.

Jongeren zouden vandaag onwetend zijn over ‘de geschiedenis van onze beschaving’ vanwege ‘een zelfdestructieve tendens’ in onze samenleving en met name aan onze universiteiten, zo schrijft Francken in zijn artikel. Daar leren zij niet meer hoe ze trots kunnen zijn op ‘onze beschaving’, maar dat ze die integendeel moeten zien als ‘een bron van schaamte’.‘Onze beschaving dient gedeconstrueerd te worden en “gedekoloniseerd” en wat nog meer.’ Francken jammert nog even door: ‘Die ontwikkeling toont zich uitstekend in de wereld van de kunst en architectuur. De Romaanse en Gotische kunst vormen een synthese van oud en nieuw, maar hedendaagse kunst belichaamt net de overwinning op al wat eigen is. Onze hedendaagse architectuur wordt gebouwd zonder enige referentie naar het verleden, zonder identiteit. Het resultaat bestaat uit enorme onherkenbare gebouwen waar we als vreemdelingen doorheen dwalen. Altijd tijdelijk, zonder verleden, ontworteld, thuisloos.’

Gelukkig is er nog de Notre-Dame van Parijs die – zoals de Vlaamse kathedralen en kerken – ‘een cultureel tegengif’ vormt, klinkt het. In een zoveelste Twitter-tirade deelde Francken weliswaar verkeerdelijk foto’s van het interieur van de Notre-Dame in… Montreal. ‘Kunnen we opnieuw iets achterlaten dat de tand des tijds kan overwinnen en dat mensen binnen duizend jaar zullen bezingen?’ mijmert Francken afsluitend, in koor met de traditie van het christelijke millennarisme. Wat die nieuwe synthese is, zullen we volgens hem ‘pas in 3019 weten’. De Bijbelse profetie van het duizendjarige rijk na de terugkeer van Christus en de versie die de nazi’s van dat rijk wilden maken, moet u er zelf maar even bij denken.

Het primaat van de politiek

Wie de meerderheid haalt, heeft in de visie van N-VA een absoluut recht om te regeren, zonder tegenstem. Deze visie reduceert democratie tot verkiezingen: om de zoveel jaar een bolletje kleuren, zo de macht veroveren, waarna ‘het primaat van de politiek’ jarenlang zijn heerschappij top-down kan dicteren. Op die manier beperkt de N-VA beleid tot een politiek van voldongen feiten. Het tegensprekelijke parlementaire debat moet dan plaatsmaken voor staatsmededelingen die de oppositie soms eerst in de pers te lezen krijgt.

Een democratische samenleving is bovendien zoveel meer dan de partijpolitieke dynamiek in het parlement. Ze vereist ook een civiele democratie: burgers moeten zich collectief kunnen organiseren in bewegingen en verenigingen die voor participatie kunnen zorgen. Zonder een breed middenveld sta je als individu immers machteloos, helemaal alleen. Dan heb je misschien wel nog je formele rechten, maar niet de collectieve slagkracht om je daar daadwerkelijk op te beroepen. Democratie veronderstelt een beleid dat daadkracht toont om de samenleving uit te bouwen met iedereen, door iedereen en voor iedereen. Je kan de kwaliteit ervan afmeten aan de mate waarin er een macht bestaat van onderuit.

In de weken van het kunstenprotest eind 2019 schreven 185 organisaties een open brief aan de Vlaamse regering: ‘Het beleid tornt aan het verenigingsleven in plaats van het uit te bouwen. Zo verliest het hart van de samenleving, het sociale weefsel, zijn zuurstof. Zonder onze verenigingen, belangenbehartigers en spreekbuizen, wordt elke burger een eiland dat zelf maar moet zien te overleven wanneer zijn rechten worden ingeperkt.’ Natuurlijk voelt het middenveld zich, naast de vakbonden, kop van jut bij de N-VA en rechts. Die zetten waar mogelijk de knip op de subsidies aan het middenveld en proberen het emanciperend karakter ervan te fnuiken. Middenveldorganisaties moeten ambassadeurs worden van de ‘Vlaamse gemeenschapsvorming’ en wie dat niet doet, vliegt eruit.

Burgerbeweging Hart boven Hard schreef in die weken aan het adres van Jambon: “De Vlaamse regering eist “het primaat van de politiek” op. Ze vindt blijkbaar dat het niet langer de rol is van verenigingen en organisaties om alternatieve beleidsvoorstellen naar voor te schuiven. Ze wil dat alleen ‘de politiek’ nog aan politiek doet. Ze stelt zich op als een ‘sterke Jan’ die verenigingen van minderheden opdoekt. Die de sociale partners aan banden legt. Die chargeert tegen ngo’s en burgers die in de bres springen voor nieuwkomers. Die georganiseerde tegenstemmen verstikt. Zo dreigt een proces dat zich al enige jaren voltrekt, vandaag zijn beslag te krijgen. Zo isoleert de politiek niet enkel zichzelf van de burger, ze schrapt ook de essentie van democratie.”

Jan en Randoald | www.janenrandoald.be

Het systematisch ondergraven van het democratisch draagvlak van onze samenleving heeft uiteindelijk ook een ontmoedigend effect op de brede bevolking die ondertussen via sociale media wordt opgejaagd met nepnieuws, haatzaaierij en sturende algoritmes. Mensen verliezen hun geloof in de politiek en daarmee ook in zichzelf, namelijk dat zij zelf als een democratische burger kunnen handelen. Dat ze rechten hebben en daar samen voor kunnen strijden. Dat ze inspraak kunnen eisen en voor elkaar kunnen opkomen. Zo eindigen we in een bestel dat zichzelf officieel nog wel als een democratie zal bewieroken, maar waarin alle structuren die nodig zijn om een democratie te doen functioneren, monddood zijn gemaakt.

Ten slotte, door ‘het primaat van de politiek’ brengt de N-VA ook nog eens de macht van het gerecht in het gedrang. De N-VA voerde campagne tegen ‘wereldvreemde en activistische rechters’ en als staatssecretaris voor Asiel en Migratie ging Theo Francken los over rechtelijke beslissingen. Zo reageerde hij samen met zijn partij tegen de beslissing van het Brusselse Hof van beroep over het toekennen van humanitaire visa aan een Syrisch gezin. Het College van het Openbaar Ministerie, een van de hoogste instanties binnen justitie, reageerde ‘met klem’: ‘Het betreft een onaanvaardbare invraagstelling van de scheiding der machten.’ Het College herinnerde er ‘uitdrukkelijk aan dat de regels van de rechtsstaat van toepassing zijn op iedereen en dat de uitvoerende macht zich niet mag inlaten met justitiële beslissingen, noch de onpartijdigheid van de leden van de rechterlijke macht in vraag mag stellen zonder enige grondslag.’

Zo gaat achter ‘het primaat van de politiek’ het proces schuil waarbij democratische en sociale rechten stelselmatig worden ondergraven.

Zombiedemocratie

In de jaren 1930 zag het kapitaal het fascisme als de reddingsboei tegenover de opgang van de arbeidersbeweging en van het marxisme. Democratie mocht wijken voor dictatuur, zo vonden grote industriëlen en bankiers. Van Max Horkheimer komt uit die jaren de fameuze zin: “Wie over het kapitalisme niet wil praten, die moet ook over het fascisme zwijgen.” En hij vervolgde: “Want deze totalitaire orde is niets anders dan haar voorgangster die haar remmingen verloren heeft. Zoals oude mensen soms kwaadaardig worden omdat zij in de grond altijd zo waren, zo neemt de klassenheerschappij uiteindelijk de vorm aan van een Volksgemeenschap. (…) De theorie (van het marxisme) heeft de mythe van de harmonie tussen ieders belangen onderuitgehaald. Ze heeft het liberale economische proces beschreven als reproductie van de machtsverhoudingen via verdragen die door de eigendomsongelijkheid werden afgedwongen. Die bemiddeling wordt nu afgeschaft.” Horkheimer besloot: “Het fascisme fixeert de extreme verschillen die de waardewet uiteindelijk produceerde.” (Citaten uit Die Juden und Europa, 1939)

De Vlaamse werkgeversfederatie VOKA wil een politiek kartel van N-VA met Vlaams Belang alle kansen geven.

Vandaag, nu na de zegetocht van het neoliberalisme de ongelijkheid groter is dan ooit, nu de situatie van de zogenaamde middenklassen onzeker is geworden, nu het miljoenenleger van precaire werknemers blijft aanwassen en het imperialisme verschillende plaatsen in de wereld in vuur en vlam zet, blijven de woorden van Horkheimer hun actualiteit behouden. We zien dezelfde mechanismen en hetzelfde proces aan het werk. Ook vandaag staan de breekbare pijlers van de democratische rechtsstaat langs alle kanten onder druk. De geglobaliseerde kapitaalmarkten sturen aan op autoritaire besturen die ‘democratie’ slechts als een vlag gebruiken. Concurrentiedwang en winstbejag – de totalitaire wetten van de ‘vrije’ markt – belonen beleidsvoerders die achterpoortjes creëren om aan de democratisch opgebouwde regelgeving te ontkomen. Maar zouden de elites vandaag een democratie opgeven die ze controleren en naar goeddunken kunnen uithollen? Michael Parenti wees er in zijn Democracy for the few3 al op hoe het grote geld in de VS alles naar zijn hand zet via een kapitalistische staat die het volledig controleert. Het is een politiek theater dat vandaag in het Trump-tijdperk met zijn mediageniek spektakel zijn limieten verkent.

Voor de Vlaamse werkgeversfederatie VOKA kan het met die mechanismen en ontwikkelingen niet snel genoeg gaan. De federatie wil een politiek kartel van N-VA met Vlaams Belang alle kansen geven. Met de actie Fast Forward Flanders is het VOKA om de concurrentiepositie te doen, in naam van ‘onze’ economie: ‘Vlaanderen moet voluit vooruit. Niet gaan, maar sprinten voor goud. Vanaf nú.’ Het corporatistisch nationalisme is een ideale ideologische bondgenoot voor deze wedloop. Ondertussen blaast Jambon 1 een rookgordijn op. Soms klinkt het ogenschijnlijk onschuldig. Zoals de passage in zijn Visienota Kunsten waar hij de tegenstelling tussen erfgoed en hedendaagse kunsten wil overstijgen. Geen innovatie zonder traditie, schrijft hij. Maar dan wel met zoveel nadruk en omslachtig, tot in de kleinste details, – bijvoorbeeld door ‘aandacht voor cultureel erfgoed, canon en historische tradities’ in te schrijven als een criterium bij de beoordeling van subsidieaanvragen onder het Kunstendecreet – dat je daarachter een poging voelt om de hedendaagse kunsten te verengen tot het loutere verlengde van erfgoed. Modernistische benaderingen die net willen breken met de traditie, lijken in zo’n context op z’n zachtst gezegd minder gewenst. Kunstenaars die zonder de springplank van de klassieken willen werken aan mogelijke toekomstige tradities, dreigen bij de subsidieverdeling een bank achteruit te vliegen.

Het cultuurprotest is een cultuurstrijd die bepalend zal zijn voor de toekomst van onze samenleving.

De discussies over een Vlaamse leeuwenvlag zonder of met rode nagels, of Jambon die de kleur rood weg wil uit de Vlaamse burgemeesterssjerp, het gaat allemaal echt niet over louter symboliek. Het cultuurprotest dat de kleur geel als censuurgeel terug opeist, gaat ook niet louter om centen. Het gaat om een cultuurstrijd die bepalend zal zijn voor de toekomst van onze samenleving. Of zoals de schilder Luc Tuymans het zei: ‘Het gaat niet alleen over de besparingen op cultuur, het gaat over een fundamentele politieke en sociale strijd die nog maar net begonnen is.’

Footnotes

  1. Robrecht Vanderbeeken, Buy Buy Art. Over de vermarkting van kunst en cultuur, EPO, 2015.
  2. Zie ook Alexander Aerts, “Geschiedenis van een cultuurmarxistisch complot”, Lava, 2020.
  3. Michael Parenti, Democracy for the few, St. Martin’s Press, 1974. In het Nederlands uitgegeven bij Uitgeverij EPO onder de titel Democratie voor de elite (2008).