Artikel

Eb en vloed van de roze golf in Latijns-Amerika

Isabelle Vanbrabant

— 16 december 2019

De linkse golf in Latijns-Amerika heeft het kapitalisme niet uitgedaagd daar waar het het kwetsbaarst is. Ondertussen herhaalt de geschiedenis van Amerikaanse inmenging zich via andere wapens.

Een tiental jaar geleden had driekwart van de Latijns-Amerikaanse bevolking een progressieve regering. Vele ogen waren op het continent gericht als baken van hoop. Je kon toen spreken van een ware linkse golf, ook wel eens de roze golf genoemd. Die lijkt nu echter achter ons te liggen; de verkiezing van de extreemrechtse president Bolsonaro in Brazilië staat hier symbool voor. Links zit in het defensief en rechts is aan zet, met een flinke duw in de rug vanuit de huidige VS-administratie. Sinds haar ontstaan hebben de Verenigde Staten consequent ingezet op destabilisatie van hun ‘achtertuin’ om hun eigen strategische en economische belangen te waarborgen.

Toch blijft Latijns-Amerika één van de regio’s met de grootste volksmobilisaties. Rechts greep terug naar een failliete ultra neoliberale politiek die grote wonden heeft geslagen in het collectief Latijns-Amerikaans geheugen. Daartegen komt het volk in verzet en de toekomst van het continent wordt vandaag op straat geschreven. In Chili, het land dat het neoliberalisme in de regio injecteerde, vindt momenteel één van de meest diepgaande revoltes van de recente geschiedenis plaats. Dit essay gaat dieper in op de opkomst en de neergang van de roze golf. We bieden ook perspectief want de progressieve geschiedenis van Latijns-Amerika is zeker nog niet ten einde.

De Washington-consensus

1982 is een cruciaal jaar in de recente Latijns-Amerikaanse geschiedenis. Dat jaar veroorzaakte de Mexicaanse schuldencrisis een economische kettingreactie die het volledige continent meetrok. Latijns-Amerikaanse regeringen hadden in de jaren 60 en 70 goedkope leningen aangegaan bij Westerse banken. Hun economieën boomden en ze wilden inzetten op industrialisatie. Maar toen de grote oliecrisis van 1973 het Westen trof, werden de kosten ervan allemaal afgewenteld op het Zuiden. Hun regeringen moesten hun schulden met hogere interesten vervroegd afbetalen, maar konden dit niet. De Westerse kapitaalmarkt panikeerde. Zo staakten of verminderden veel banken hun leningen aan Latijns-Amerika. Miljarden dollars aan leningen die voorheen uitgesteld konden worden door nieuwe leningen, moesten nu onmiddellijk betaald worden. In de jaren 80 werd maandelijks maar liefst 12 miljard dollar aan rente en aflossing aan de schuldeisers in het Noorden overgemaakt.

Dit alles was de aanleiding voor de zogenaamde Washington consensus: het beleid van internationale financiële instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB), die als missie kregen het continent te ‘redden’. Hun universele oplossing, de Structurele Aanpassingsprogramma’s, was een recept rechtstreeks gekopieerd uit het austerity-kookboek. Een van de voorwaarden die het IMF en de Wereldbank stelden om schuldaflossing en schuldherstructurering mogelijk te maken, was het volledig dereguleren van de kapitaalmarkten. Op de ruïnes van de Mexicaanse schuldencrisis van 1982 bouwde men overal op het continent neoliberale markteconomieën op: staatsbedrijven werden geprivatiseerd, markten vrijgemaakt en overheidsuitgaven tot het minimum beperkt. Deze Latijns-Amerikaanse landen werden op die manier heel afhankelijk van buitenlands kapitaal voor de import van zowel basisproducten als consumptiegoederen.

Miljoenen armen werden niet enkel uit de armoede gehaald, maar kregen ook een politieke stem.

Het ontwikkelingsmodel van het IMF bestaat er in essentie in het Zuiden te verplichten voorrang te geven aan productie voor de uitvoer boven de ontwikkeling van een gediversifieerde binnenlandse economie. Internationale competitie vaagde prille lokale industrieën weg. Landen moesten hun subsidies voor basisvoedsel en openbaar vervoer verminderen en de nationale munt devalueren om de uitvoer goedkoper te maken. Overheidsbedrijven werden geprivatiseerd en de lonen bevroren.

Deze besparingen verhoogden de armoede. Zo werd de voedselsubsidie afgeschaft, waardoor voedsel voor grote delen van de bevolking onbetaalbaar werd en kleine boeren het niet meer konden bolwerken. De besparingen beperkten de mogelijkheden van landen om een eigen sterke economie op te bouwen en gaven vrij spel aan de multinationale ondernemingen die de arbeiders uitbuiten en het milieu vervuilen. Arbeiders moeten zich in de vrijhandelszones uitsloven voor een hongerloon. Ze wonen in krotten en verdienen te weinig om hun gezin te onderhouden.

De armoede, die voorheen al wijdverspreid was, nam door die programma’s alleen maar toe terwijl de meeste landen eind de jaren 80 wel economische groeicijfers konden voorleggen. De ongelijkheid tussen arm en rijk was nog nooit zo groot geweest. In 1990 leefde in Latijns-Amerika 41 % van de gezinnen in armoede en 13 % in extreme armoede, in 2002 waren die cijfers zelfs gestegen tot 43,4 en 18,8 %. De sociale ongelijkheid is in Latijns-Amerika zelfs groter dan in Afrika of Azië, al hebben vele Afrikaanse landen een lager gemiddeld inkomen per gezin.1

De linkse golf

Deze rampzalige economische en sociale situatie putte het volk zodanig uit dat er eind jaren 90 en begin 2000 overal op het continent protesten uitbraken. In Bolivia bijvoorbeeld braken massale volksprotesten uit, eerst tegen de privatisering van het water in 2000, nadien tegen de goedkope verkoop van gas aan het buitenland. Evo Morales, een inheemse cocaboer, was in beide volksopstanden de trekker.

Op 27 en 28 februari 1989 werd in Venezuela een volksopstand brutaal door leger en politie onderdrukt. Aanleiding was de verhoging van de brood- en benzineprijzen, als onderdeel van el Paquete, een serie besparingen in ruil voor IMF-leningen. De bewoners van de volkswijken trokken massaal de straat op. De regering kondigde de noodtoestand af en schoot met scherp. Meer dan 3.000 Venezolanen werden gedood of nooit teruggevonden.

In Argentinië was dictator Carlos Menem de beste leerling van de IMF-klas. Door zijn beleid belandde Argentinië in zijn langste economische recessie ooit. Menems opvolger moest in 2001 met een helikopter het land ontvluchten toen een woedende massa in een volksopstand, de Argentinazo genoemd, het einde van het neoliberaal model afdwong.

Die volksopstanden brachten linkse leiders aan de macht, die hun roots niet hadden in de traditionele sociale organisaties zoals de vakbonden (met uitzondering van Luis Inácio da Silva — Lula in Brazilië) of in de bestaande communistische partijen.2 Voor het eerst in de geschiedenis was de inheemse beweging heel present in de strijd, meer bepaald in Ecuador en Bolivia. Evo Morales werd vanwege zijn rol in de Boliviaanse protestbeweging in 2005 verkozen tot president. Deze nieuwe leiders werden als het ware uit die massaprotesten naar omhoog geduwd, met een sterk en concreet programma gebouwd op de eisen van het volk.

Op een bepaald moment had driekwart van de Zuid-Amerikaanse bevolking — zo’n 350 miljoen mensen — een linkse regering: Venezuela, Argentinië, Brazilië, Chili, Uruguay, Paraguay, Ecuador, Nicaragua en Bolivia. Je kon spreken van een ware linkse golf (in de Engelstalige literatuur de Pink Tide genoemd).

De linkse golf slaagde erin de sociale ongelijkheid terug te dringen, en dit op het meest ongelijke continent ter wereld. Haar regeringen spanden zich hard in om rijkdom te herverdelen en de tendens van extreme concentratie van rijkdom, die de neoliberale praktijken in de hand hadden gewerkt, tegen te gaan. Het middel bij uitstek voor die herverdeling waren ambitieuze en radicale sociale programma’s.

Onder de Braziliaanse President Lula (2003-2010) ging bijvoorbeeld de Bolsa Familia van kracht: directe contante betalingen aan arme gezinnen, op voorwaarde dat zij ermee instemden hun kinderen op school te houden en regelmatig gezondheidscontroles bij te wonen. In 2013 had het programma zo’n 12 miljoen huishoudens (50 miljoen mensen) bereikt, waardoor de extreme armoede in Brazilië razendsnel terugliep en Brazilië de eerste Millenniumdoelstelling haalde.

Deze regeringen spaarden de elites niet. In Bolivia slaagde Evo Morales erin om onderhandelingen af te dwingen met de mijnbedrijven die actief waren in zijn land. Hierbij verkreeg hij dat de bedrijven 50% belasting moesten betalen, tegenover 18% eerder. Deze extra inkomsten uit de nieuwe contracten hebben het mogelijk gemaakt om een pensioen op te bouwen voor alle Boliviaanse 60-plussers, inclusief de informele werknemers — quasi de grootste sector in Latijns-Amerika.

In Venezuela werden met de hulp van Cuba op korte termijn grootse overwinningen gerealiseerd: iedereen kreeg toegang tot gratis onderwijs en gezondheidszorg, er vonden grootschalige alfabetiseringscampagnes plaats en sociale woningen werden aan een recordtempo bijgebouwd. Dit alles kon gebeuren door middel van tientallen sociale programma’s: de misiones. Dit zijn ad-hoc-administraties, parallel aan de overheid, waarin vrijwilligers uit de sociale bewegingen een grote rol spelen. Zo werd op korte termijn een hele generatie Venezolanen uit de armoede gehaald, en tegelijkertijd georganiseerd in en rond de sociale missies. De sociale bewegingen stonden sterker dan ooit.

Omdat deze nieuwe leiders uit de sociale protestbewegingen voortkwamen, werden deze brede sociale bewegingen nog versterkt. De beweging van de Landloze Boeren in Brazilië werkte bijvoorbeeld nauw samen met de Partido dos Trabalhadores (PT), de Arbeiderspartij van Lula, zonder echter haar eigenheid te verliezen.

Daarnaast werd in de landen van de linkse golf een belangrijke strijd voor democratie gevoerd. Miljoenen armen werden niet enkel uit de armoede gehaald, maar kregen ook een politieke stem. Dit kan letterlijk opgevat worden: via de massale en snelle alfabetiseringscampagnes konden ze zich eindelijk uitdrukken. Niet toevallig vonden er in verschillende landen ook intense participatorische processen plaats richting een nieuwe grondwet waarin de basisrechten van alle inwoners werden erkend, minderheden zoals bijvoorbeeld de inheemse gemeenschappen incluis.

In 2006 en 2007 werd de nieuwe Boliviaanse grondwet op een participatieve manier voorbereid via een grondwettelijke vergadering. Voor het eerst mochten inheemse en andere gemarginaliseerde groepen mee de pen vasthouden van het document dat de Boliviaanse spelregels bepaalt. Dit was historisch, want voorheen voelden sociale groepen zich nooit door de staat vertegenwoordigd.

Een front tegen het VS-hegemonie

De linkse golf verenigde en organiseerde zich tegen de hegemonie van de VS in de regio. Latijns-Amerika is van oudsher zeer belangrijk voor de VS, die het als hun achtertuin beschouwen. Om dit te begrijpen moeten we meer dan een eeuw terug in de tijd. Rond 1850 slaagden de Noord-Amerikanen erin hun territorium uit te breiden tot min of meer zijn huidige omvang en wilden ze zich vrijwaren van de invloed van de oude grootmacht Europa. Onder toenmalig VS President Monroe werd de Monroedoctrine33geboren. Met zijn oproep ‘Amerika aan de Amerikanen’ bedoelde hij: zowel Noord- als Centraal- en Zuid-Amerika voor de VS, en voor niemand anders.

Evo Morales verkreeg van de mijnbedrijven die actief zijn in zijn land dat ze 50% belasting betalen, tegenover 18% eerder.

Latijns-Amerika is rijk aan vruchtbare landbouwgrond, mineralen en natuurlijke grondstoffen. In het spel van de wereldhandel en de internationale productieketens is Latijns-Amerika daarom sowieso een belangrijke regio, maar voor de VS des te meer gezien de geografische nabijheid. Ook de aanwezigheid van petroleum speelt een grote rol. De regio is essentieel voor de VS om volledig onafhankelijk te worden van de oliebevoorrading uit het Midden-Oosten, wat een enorm strategisch voordeel oplevert.4

De VS-dominantie in de regio kan niet altijd en overal op bijval rekenen. Toen de VS onder Bush Jr. een vrijhandelszone wouden oprichten die het gehele Amerikaanse continent (behalve Cuba) zou omvatten — gemodelleerd naar de Noord-Amerikaanse vrijhandelszone NAFTA die al tussen Canada, Mexico en de VS bestond — kwam een gemeenschappelijk front tot stand van Venezuela, Brazilië, Argentinië en Bolivia. De vrijhandelszone is uiteindelijk nooit van de grond is gekomen. Deze overwinning was mede te danken aan de sociale bewegingen, die vreesden voor de rampzalige impact op de nationale economie en de planeet.

Onder impuls van Hugo Chávez en Cuba ging de linkse golf nog een stap verder. Ze verzette zich niet alleen tegen het VS-imperialisme, maar bouwde ook actief aan een alternatief. De landen van de linkse golf hadden al langer de internationale financiële instellingen zoals het IMF de deur gewezen, maar met de oprichting van het progressieve regionale blok ALBA,5 met in haar kielzog Petrocaribe en de CELAC, maakten ze er een prioriteit van om de regio economisch te integreren.

In 2011 werd onder impuls van Chávez de CELAC6 opgericht, de Gemeenschap van Latijns-Amerikaanse en Caribische Staten. Alle 33 Latijns-Amerikaanse en Caribische staten maken er deel van uit. Dit is historisch te noemen, want voor het eerst werd in Latijns-Amerika een regionaal orgaan opgericht zonder de VS en Canada. De Monroe-doctrine werd naar de prullenbak verwezen. Voortaan was Latijns-Amerika van de Latijns-Amerikanen.

De geschiedenis van VS-interventies

De VS-inmenging in Latijns-Amerika is een historische constante. Om de economische en strategische belangen in hun achtertuin te blijven waarborgen, pleegden de VS niet minder dan 56 staatsgrepen en militaire interventies, daar waar ze het niet voor elkaar kregen om een marionettenregering aan de macht te brengen.7

De meest emblematische staatsgreep en best gekend bij het grote publiek is die van generaal Augusto Pinochet in Chili tegen de socialistische regering van Salvador Allende. In september 1973 begon een 17 jaar durende dictatuur, waarin minstens 3.000 mensen vermoord en nog veel meer gemarteld werden. De staatsgreep werd opgezet door president Richard Nixon, die eerder de CIA de opdracht had gegeven om “de Chileense economie te laten schreeuwen” om Chili klaar te stomen voor een regimewissel.

In de jaren 70 en 80 werd het Latijns-Amerikaanse continent grotendeels geregeerd door VS-gezinde militaire dictaturen. De economische invloed van het neoliberale project van de Noord-Amerikaanse Chicago School, voor het eerst geïmporteerd in het Chili van Pinochet, liet zich ten volle gelden.8

De keerzijde van deze onophoudelijke buitenlandse inmenging is de diep ingebakken cultuur van verzet. Eind de jaren 70 en in de jaren 80 kristalliseerden de volksprotesten zich in de successen van de bevrijdingsbewegingen, met name de overwinning van de Sandinisten in Nicaragua en de guerrilla in El Salvador en Guatemala. In 1979 verdreef de Sandinistische beweging de dictator Somoza en voerde vervolgens een succesvol sociaal beleid binnen een democratisch kader. Een van de grootste successen van de revolutie was de alfabetiseringscampagne. In zes maanden tijd leerde een half miljoen mensen lezen, wat het percentage ongeletterden terugbracht van 50 tot 13.

Waar de VS geen marionettenregering kon instelleren, pleegde het niet minder dan 56 staatsgrepen en militaire interventies.

Noam Chomsky noemde dit de ‘dreiging van het goede voorbeeld’.9 De toenmalige Noord-Amerikaanse president Reagan was als de dood voor een tweede Cuba in zijn eigen achtertuin. De VS bouwden een terroristische beweging tegen de Sandinisten uit, de zogenaamde Contra’s. In 1990 verloren de Sandinisten de verkiezingen nadat de Contra-oorlog het land economisch en politiek totaal had uitgeput. Het doden van de Nicaraguaanse droom was echter niet louter een metafoor: de Contra-oorlog kostte het leven aan 30.000 mensen.

Nieuwe soorten oorlogsvoering

Ook de recente linkse golf in Latijns-Amerika was voor de Verenigde Staten van meet af aan onaanvaardbaar. De geschiedenis herhaalt zich, weliswaar met andere wapens. Onder het mom van de bestrijding van drugshandel en terrorisme werd Colombia de voorpost van het VS-imperialisme in de regio. Van 2000 tot 2015 pompten de VS ettelijke miljoenen dollars in het Plan Colombia, een militair initiatief gericht op de bestrijding van Colombiaanse drugskartels en linkse verzetsgroeperingen. De VS voorzag ook in de training van Colombiaanse soldaten en paramilitairen. Plan Colombia met zijn War on Drugs was de dekmantel om de militaire aanwezigheid van de VS in Latijns-Amerika te verhogen en de sociale protestbewegingen neer te slaan. In 2009 ging Colombia er mee akkoord zeven militaire basissen ter beschikking te stellen van de VS.

In 2002 beginnen de VS officieel de War on Corruption in het continent, waarin Brazilië als ultiem mikpunt fungeert. Net zoals de War on Drugs was de War on Corruption een voorwendsel voor rechtstreekse inmenging. De strijd tegen corruptie was in de praktijk een mechanisme ter handhaving van het neoliberalisme.

De War on Corruption-programma’s in Brazilië werden geleid door Otto Reich. Niet toevallig was hij ook actief in de VS-ambassade in Venezuela ten tijde van de coup tegen Chávez in 2002. Beschuldigd van een grootschalige witwasoperatie, Lava Jato genoemd, werd de Arbeiderspartij van presidenten Lula da Silva en Dilma Rousseff door het slijk gehaald. Een groep ambitieuze rechters getraind in de VS zoals Sergio Moro en met exclusieve banden met de ultraconservatieve mediagroep O Globo voerden als ware kruisvaarders een zeer mediagenieke strijd tegen corruptie.

Toenmalig presidente Dilma Rousseff werd via een slinkse zet door het parlement afgezet, hoewel er nooit één bewijs tegen haar hard werd gemaakt. Officieel is ze niet eens afgezet omwille van corruptie, maar omwille van het opsmukken van de begroting. Bijna niemand in Brazilië is zich daar echter van bewust. De PT wordt gelijkgesteld met corruptie, terwijl corruptie in het land een endemisch probleem is, waaraan alle politieke partijen zich schuldig maken.

In het kielzog van dit corruptieschandaal werd ook de populaire vakbondsman en voormalig president Lula gevangengezet. Hij was de populairste kandidaat voor de presidentsverkiezingen van oktober 2018, waardoor zijn uitschakeling een politieke noodzaak werd. Lula zou meer dan 500 dagen vastzitten. In het nieuwsmedium The Intercept werd nochtans zwart op wit bewezen dat Lula onschuldig is en het slachtoffer werd van een georkestreerde lastercampagne.

De gevangenschap van Lula maakte de weg vrij voor de verkiezing van huidig ultrarechts neoliberaal president Jair Bolsonaro. Een van de machtigste lobbygroepen, namelijk de agrobusiness, katapulteerde de reactionaire parlementair richting de presidentsrace. Zij wedden erop dat hun kansen groter zijn om een asociaal pro-business-beleid te voeren onder een extreemrechtse president, ook al stoot Bolsonaro tegen de borst van het meer traditionele Braziliaanse establishment.

Bolsonaro won eind oktober 2018 de verkiezingen met een polariserend verhaal dat inhakt op vrouwen en minderheden. Bovenal is zijn narratief echter gekant tegen de PT en corruptie, hoewel hij ook al decennia in datzelfde corrupte parlement actief is. Na zijn overwinning maakte hij gauw zijn kabinet bekend: anti-corruptie-kruisvaarder Sergio Moro kreeg de post van minister van Justitie terwijl Paulo Guedes, opgeleid in de Amerikaanse Chicago School en een van de architecten van het neoliberale beleid van de Chileense dictator Pinochet, het vertrouwen kreeg om als minister van Economie Brazilië’s toekomst uit te stippelen. De cirkel is opnieuw rond. Bolsonaro voert een uitgesproken conservatieve maar ook neoliberale koers. Alle sociale verworvenheden afgedwongen in de ambtstermijn van Lula werden in ijltempo ongedaan gemaakt. Lula en Dilma Rousseff probeerden het land zoveel mogelijk soeverein te besturen, Bolsonaro daarentegen breekt het land open voor privé-spelers uit het buitenland en levert de economie over aan de financiële markten.

Venezuela: een schoolvoorbeeld van economische oorlog

Van alle landen van de linkse golf werd Venezuela het scherpst geconfronteerd met de directe destabiliserende VS-inmenging. Niet toevallig beschikt het land over de grootste oliereserves ter wereld en onderhoudt het sterke economische banden met de belangrijkste uitdagers van het VS-imperialisme op lange termijn, in de eerste plaats China.

Toen Chávez aan het roer van Venezuela kwam te staan stonden de olieprijzen niet erg hoog. Hij stuurde er wel op aan om, onder andere binnen de OPEC, de olieprijzen te doen stijgen. Door zo de westerse wereld te belasten kon hij die inkomsten vervolgens herverdelen via sociale programma’s en steun aan arme energie-importerende naties.

Dit staat haaks op de neoliberale visie, die olie als een apolitiek handelswaar beschouwt, volledig onderworpen aan de marktprijs. Chávez deed net het omgekeerde. Hij politiseerde olie en gebruikte de inkomsten ervan om zijn politieke doelstellingen te bereiken, wat een doorn in het oog was van de VS en hun bondgenoten. In 1997 besteedde de overheid 77 miljoen dollar van de petroleumopbrengsten aan sociale projecten. In 2012 was deze som meer dan tweehonderdmaal gegroeid: 18 miljard dollar. Dit was een duidelijke politieke keuze en had zeer positieve gevolgen voor de Venezolaanse levensstandaard. Volgens de VN werd Venezuela onder Chávez, samen met Uruguay, een van de landen met de kleinste inkomensongelijkheid van Latijns-Amerika.

Bovendien was het Venezuela dat samen met Cuba een impuls gaf aan concrete internationale solidariteit, gedekt door oliedollars. Ook de regionale integratie van Latijns-Amerika werd door Venezuela vooruit gestuwd. De VS vreesden opnieuw voor een domino-effect.

Na zijn dood in 2013 werd Chávez opgevolgd door Nicolás Maduro, net te midden van een dramatische daling van de inkomsten uit de olieverkoop. De economische krimp was verwoestend: op een gegeven moment was 95 % van de Venezolaanse exportinkomsten, 60 % van de begrotingsinkomsten en 12% van het bbp afkomstig van olieopbrengsten. Deze economische crisis belemmerde de sociale herverdelingsprogramma’s die onder Chávez opgestart waren.

De VS dreven de economische oorlogsvoering sterk op, in samenwerking met de Venezolaanse topelite die haar kansen schoon zag om de regering omver te werpen. Deze economische oorlog uitte zich intern in de artificiële schaarste van basisgoederen en extern door de sancties van de VS en in hun kielzog de Europese Unie. Hiermee ging een diplomatiek offensief gepaard om Venezuela te isoleren, waardoor het land steeds meer een paria op het wereldtoneel werd.

Zo heeft de financiële dienstverleningsorganisatie Euroclear door de sancties 1,65 miljard dollar aan Venezuela onthouden, bestemd voor de aankoop van medicijnen en voedsel.

Schaarste wordt in de hand gewerkt door private importeurs die moedwillig tekorten van basisproducten scheppen. Zo heeft de regering meermaals grote loodsen in beslag genomen waar voedsel gewoon lag te beschimmelen, zodat het niet verkocht kon worden. We zien hier de echo’s van Make the economy scream-retoriek van Nixon in Chili. Als het volk danig economisch afziet, schreeuwt het om een regimewissel. De deiningen van de wereldwijde economische crisis doen zich extra gelden en de nationale topelite, actief in import en distributie, kan haar slag slaan.

Alsof dit allemaal niet volstond, hebben de VS en de EU het land met financiële sancties opgezadeld: een totale economische wurging met een directe doorslag op de bevolking. Zo heeft de financiële dienstverleningsorganisatie Euroclear door de sancties 1,65 miljard dollar aan Venezuela onthouden, bestemd voor de aankoop van medicijnen en voedsel.

De achilleshiel van de linkse golf: zwakke economieën en corruptie

In het geval van Venezuela waren de olie-inkomsten niet alleen de sterkte maar ook de achilleshiel van het progressief project. Onder Chávez was 67% van de inkomsten van de export afkomstig uit olie; aan het einde van zijn termijn liep dit op tot 96%. Het beperkte Venezolaanse agrarische en industriële weefsel werd dus helemaal tenietgedaan. Een daling van de olieprijzen op de internationale markten maakte Venezuela ’s afhankelijkheid zeer acuut en de financiële ruimte voor de sociale missies en andere sociale uitgaven werd in één klap erg krap.

De sociale missies betekenden een enorme verbetering van de levenssituatie van de armere bevolking, en haar consumptie steeg. De nationale productie steeg echter niet, waardoor Venezuela steeds meer moest importeren. Ten gevolge van de dalende olieprijzen maakte het land aanzienlijke schulden. Daarbij heeft Venezuela haar oliedollars onvoldoende ingezet om haar economische structuur te diversifiëren. Alles draaide om de petroleumindustrie terwijl de andere industriële takken wegkwijnden. De economie verschraalde.

Venezuela demonstreert de hoofdzwakte van de linkse golf. Alle regeringen kunnen bogen op enorme sociale verwezenlijkingen, maar de economische basis daarvoor was erg wankel. “Het Imperium slaapt nooit”, verwoordde de Boliviaanse president Evo Morales het treffend. Het ging op zoek naar de zwakste schakel, om zo de golf te breken.

Zelfs Venezuela, dat op vele vlakken het verst ging door de staatsstructuren aan te passen via grondwetswijziging, haar eigen media Telesur oprichtte en voortrekker speelde in tal van regionale allianties, bleef in essentie een gemengde economie, gedomineerd door de genationaliseerde oliesector. De overheid is er voor import van voedsel en andere basisproducten nagenoeg volledig afhankelijk van de private markt. Alle andere belangrijke industrietakken zoals distributie, farmaceutica en media bleven eveneens in de handen van de private sector. Venezuela probeerde deze tegenstelling op te lossen door de markteconomie te reguleren, maar de private importeurs zijn enkel uit op sabotage. Ze kunnen meer geld verdienen door te speculeren op voedsel dan dat ook werkelijk aan de man te brengen. Voor elke vijf dollar die ze aan een voordelig tarief van de overheid ontvangen, gebruiken ze bij wijze van spreken slechts één voor import en de andere vier om te speculeren op de zwarte markt.

De tweede zwakke schakel binnen de landen van de linkse golf is corruptie. Het waren protestbewegingen die de linkse golf hebben gevoed en vormgegeven, maar uit deze bewegingen zijn geen sterke linkse partijen gegroeid. Zo is de PSUV, opgericht door Chávez, een zeer diverse partij. Bij de oprichting ervan in 2008 hebben 5,5 miljoen mensen zich geregistreerd: heel veel progressieve krachten, maar ook opportunisten en overlopers van andere partijen die hun huik naar de wind hingen. Het is dan ook logisch dat er interne discussies waren over de radicaliteit van de veranderingsprocessen.

Regeringen van de linkse golf herwaardeerden de rol van de staat, die middels de radicale sociale programma’s als herverdeler optrad. Maar dit ging niet gepaard met een uitzuivering van de oude staatsstructuren, waardoor als het ware een nieuwe sociale klasse ontstond in de schoot van de staatsadministratie. Ter ondersteuning van de plaatselijke economie werkt ze samen met de private sector. Deze zogenaamde bolibourgeoisie heeft toegang tot overheidssubsidies, controleert de door de overheid gereguleerde prijzen, onderhoudt nauwe banden met importeurs en vindt geen graten in wat extra bijverdienen. Deze groep heeft er helemaal geen belang bij dat de impasse waar Venezuela zich in bevindt, verbetert of dat de verdieping van het linkse project toeneemt. Het is deze groep die, bijvoorbeeld, een volledige nationalisatie van de importsector tegenhoudt.

Brazilië is een ander voorbeeld waar corruptie de voorlopige doodsteek is geweest voor hun sociaal project. In het land werd de endemische corruptie nooit hard aangepakt, ook niet onder 20 jaar progressief beleid van de Arbeiderspartij van Lula en Dilma. In het Braziliaanse parlement zetelen vandaag niet minder dan 28 politieke partijen die zonder uitzondering allemaal in dat parlement geraakt zijn door de financiële steun van machtige lobbygroepen. Zowel het politieke als het juridische systeem zijn door en door corrupt en partijdig. De krachten die werkzaam waren om de Arbeiderspartij onderuit te halen, buitten dat zwakke democratische apparaat ten volle uit.

Het corruptieschandaal Lava Jato dijde daarna als een olievlek uit in heel Latijns-Amerika en bracht ook de linkse presidenten Correa uit Ecuador en Kirchner uit Argentinië in diskrediet. Vandaag wordt de linkse golf in Latijns-Amerika geassocieerd met corruptie, ook bij de lagere klassen, terwijl precies zij haar aan de macht hebben gebracht.

Een diepgaande transformatie

Nu rijst de vraag of het terecht is dat de linkse golf vandaag bekritiseerd wordt omdat ze niet radicaal genoeg was. In het meest ongelijke continent ter wereld is ambitieus werk maken van sociale rechtvaardigheid reeds radicaal. In de achtertuin van de grootste supermacht ter wereld een alternatief op poten zetten dat effectief weerstand biedt en overwinningen boekt, is dat ook.

De belangrijkste verworvenheid van de linkse golf is dat ze werkt maakte van een zelfstandige soevereine ontwikkeling ten gunste van de eigen bevolking. Dat aspect heeft de maatschappijen in kwestie ook grondig getransformeerd. De regeringen van de linkse golf hebben in meerdere of mindere mate gezorgd voor een democratisering van de macht. Dat was een unicum in de context van Latijns-Amerika.

Anderzijds heeft de linkse golf het kapitalisme niet uitgedaagd, daar waar het het kwetsbaarst is, met name in de economische onderbouw. De productieverhoudingen werden niet reëel onafhankelijk van het imperialisme. De linkse regeringen werden ook niet gevormd vanuit sterke partijen, wat dan weer de weg vrijmaakte voor opportunisme en corruptie en zo het linkse project van binnenuit ondermijnde.

Doch ook hier mag men de manipulatie van de informatiestroom niet uit het oog verliezen. Het is in de feiten onjuist dat enkel de Arbeiderspartij van Lula en Dilma zich bezondigd heeft aan corruptie, en toch leeft die perceptie. Zo ‘doodt men de droom’: het sociale alternatief wordt letterlijk en figuurlijk gecorrumpeerd. De PT heeft ongetwijfeld fouten gemaakt. In de eerste plaats heeft ze de corrupte staatsstructuren afkomstig uit een broze democratie (slechts 20 jaar ‘oud’) nooit fundamenteel hervormd. De elite werd door Lula grotendeels gespaard en diezelfde elite heeft hem nu ook geneutraliseerd.

Bolsonaro heeft alle sociale verworvenheden van Lula afgebroken, het land voor privé-spelers geopend en de economie aan de financiële markten overgeleverd.

In een objectieve evaluatie van de periode van de linkse golf moeten we kritisch zijn, maar mogen we ons niet laten vangen door de westerse framing die aan de crisis van Latijns-Amerikaans links wordt opgedrongen. Huidige evoluties in Latijns-Amerikaanse landen worden wars van de context ook hier in België misbruikt om het failliet van een sociaal recept te bewijzen. Een sociaal recept waarin de overheid en de publieke dienstverlening centraal staan en waar sociale rechtvaardigheid de belangrijkste opdracht is. Het draait voor het imperialisme vooral om the killing of a dream: het vernielen van de hoop dat er wél een alternatief bestaat voor de neoliberale status quo van soberheidspolitiek voor de massa en winstaccumulatie voor de elite.

Het sociaal verzet, terug van nooit weg geweest

Het sociale alternatief dat hoogtij vierde in de linkse golf werd in ver­schillende regio’s teruggeslagen door het aloude neoliberaal recept. Maar het failliet van dat beleid werd al meermaals bewezen, dus de weerstand ertegen wordt breed gedragen. Dat zien we vandaag in Argentinië en Ecuador: twee landen die ooit deel uitmaakten van de linkse golf, maar waar een neoliberaal president aan de macht kwam. In beide landen verzette het volk zich elk op zijn eigen manier.

De beelden van de massale betogingen van oktober 2019 in Ecuador tegen de door het IMF opgedrongen besparingsmaatregelen deden denken aan de protesten in Venezuela van 1989. Verdubbeling van brood- en brandstofprijzen waren bij beide volksprotesten de trigger. Onder progressief president Rafael Correa voer Ecuador een uitgesproken soevereine koers. Correa zette het IMF aan de deur en liet niet toe dat de VS een militaire basis bouwde. Hij investeerde de olie-inkomsten, die onder zijn bewind een sterke groei kenden, in gezondheidszorg, onderwijs en armoedebestrijding. Hij kon indrukwekkende cijfers voorleggen: tussen 2007 en 2016 daalde de armoede van 37 naar 23%, en het bruto binnenlands product (bbp) steeg met 68%.

Lenín Moreno volgde hem op, maar sloeg snel een totaal ander pad in. Hij brak radicaal met de politiek van nationale soevereiniteit en schaarde zich achter de inmenging van de Verenigde Staten in Latijns-Amerika. Hij sloot een akkoord met het IMF dat de regering verplicht een programma met neoliberale hervormingen uit te voeren.

Als onderdeel van deze hervormingen vielen de subsidies van brandstof weg, zodat de prijs verdubbelde. Het waren de inheemse bewegingen die het voortouw in het verzet namen. Ze hielden hun protesten vol totdat Moreno zich genoodzaakt voelde de hervormingen in te trekken en de inheemse en andere sociale bewegingen uit te nodigen aan de onderhandelingstafel. Maar de strijd wordt verdergezet. Een eerste grote overwinning is binnengehaald: door verzet van onderuit kan zelfs een machtige, door de VS gedomineerde internationale instantie zoals het IMF plooien. Met het IMF onderhandel je op straat.

In Argentinië betekende het einde van het Kirchner-tijdperk ook een terugkeer naar de IMF-leningen. Neoliberaal Macri kwam aan het roer van het land te staan. Vier jaar later is dit het bilan: massale privatiseringen hebben het land opengesteld voor internationaal kapitaal, terwijl de armoede en de buitenlandse schuld de pan uitswingen. Meer dan een derde van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Op vier jaar tijd steeg de werkloosheidsgraad van 5,8% naar 10,6%, wat samen met de armoedecijfers wijst op een immens aantal werkende armen.

Tegelijkertijd steeg de buitenlandse schuld van 70 (41% van het bbp) naar 160 miljard dollar (91%). Macri ging een lening aan bij het IMF voor een recordbedrag van 57 miljard dollar, gekoppeld aan besparings- en afbetalingsvoorwaarden zwaarder dan die waar Griekenland in 2015 mee gewurgd werd.10

Gedurende Macri’s korte ambtstermijn vonden maar liefst vijf nationale stakingen plaats, die massaal opgevolgd werden in zowat alle sectoren, van de transportsector tot het onderwijs. In 2017 wou Macri de pensioenen hervormen, maar kon de maatregelen niet doorvoeren omwille van het sociale verzet. De revolte tegen het IMF, de Argentinazo van 2011, staat nog in het collectief geheugen gegrift. Diezelfde sociale organisaties mobiliseerden massaal.

Dit leidde op 27 oktober 2019 tot de verkiezingsoverwinning van Alberto Fernández, kandidaat van een brede coalitie van linkse en centrumkrachten genaamd Frente de Todos (Front van Iedereen). Het neoliberalisme in Argentinië bevindt zich na amper vier jaar weer in een doodlopend straatje.

Ook Venezuela blijft standhouden, ondanks de grootschalige economische oorlogsvoering. Onder de Trump-administratie wordt die nog kordater doorgezet. Het land is sinds januari 2019, net zoals Cuba, aan een blokkade onderworpen. Haar bevolking wordt economisch gewurgd met als logisch gevolg een grote Venezolaanse migratie. Maar terwijl het Westers establishment het een half jaar geleden nog over Juan Guaidó had, de zelfverklaarde interim-president van Venezuela, riskeert hij nu niet meer dan een voetnoot in de Venezolaanse geschiedenis te worden. Hoe je het draait of keert, de door de VS ondersteunde oppositie in Venezuela leed een ongelooflijke nederlaag. De bedoeling om ze door de financiële injecties vanuit de VS tot een eengemaakt oppositieblok te smeden, met als enige doel de omverwerping van de regering van Maduro, is op een sisser afgelopen. De enige andere maatregelen die deze oppositie kan voorstellen is erop gericht om de verworven werknemersrechten in te krimpen, het binnenbrengen van massale IMF-leningen en zo meer. Het gekende neoliberale recept, dat niet alleen in Latijns-Amerika maar ook in andere regio’s in het Zuiden gefaald heeft.

Voor het Venezolaanse volk staat de bloedig neergeslagen volksopstand tegen el Paquete voor altijd in het geheugen gegrift. Dat Venezuela kon standhouden heeft ook te maken met hoe de Bolivariaanse revolutie de bevolking organiseerde in massa-organisaties naar Cubaans voorbeeld: op wijkniveau, in de bedrijven, maar ook per sector. Een georganiseerd sociaal verzet is slagkrachtiger in haar mobilisaties.

Sterkhouder Cuba zorgde met de Cubaanse Revolutie van 1959 voor een politieke aardschok in de regio en inspireert en stimuleert al deze strijdbewegingen en de ideeënstrijd. De factor Cuba wordt vaak onderschat omdat haar revolutie met haar uitgesproken socialistisch karakter van een andere aard is dan de bredere linkse golf. Maar Cuba zorgt voor de lijm binnen het volledig project. Het vormt een inspiratiebron en stimulans voor de progressieve regeringen, de volksklassen en de strijdbewegingen.

Het meest inspirerende recente voorbeeld van volksverzet zien we vandaag in Chili. Hier werd het neoliberalisme voor het eerst via een dictatuur ingevoerd. Het ultra-neoliberale systeem is er ook het meest consequent doorgevoerd. Alles is er geprivatiseerd, van onderwijs tot gezondheid en pensioenen, en zelfs het water. 1% van de rijksten beschikken er over meer dan 25% van het bruto nationaal product. De trigger voor de mobilisaties was de zoveelste verhoging van de metrotickets in hoofdstad Santiago. Jongeren besloten om niet meer te betalen, omdat ze dat geld gewoonweg niet konden ophoesten. Amper een week later liepen er meer dan anderhalf miljoen Chilenen door de straten van Santiago in de grootste protestmars sinds het einde van de dictatuur. De mobilisaties dijen uit naar alle Chileense provincies en richten ook hun pijlen op de multinationals die sinds de dictatuur van Pinochet de touwtjes in handen hebben.

De mobilisaties zijn breed gedragen door de hele samenleving, omdat Chili’s democratische transitie nooit grondig is doorgevoerd. Leger, ministers, multinationals, fiscaal beleid en grondwet stammen allemaal uit de tijd van Pinochet. Deze opstand gaat daarom om zoveel meer dan een socio-economische bekommernis. Het gaat over een heel volk dat vindt dat 30 jaar te veel is geweest.

Wat we nu zien in Zuid-Amerika is verontrustend, maar dit is niet het einde van de progressieve geschiedenis zoals sommigen beweren. Deze woorden sprak Boliviaans vicepresident García Linera eind oktober 2018, enkele dagen na de overwinning van Braziliaans president Bolsonaro. Als het Chileense verzet erin slaagt om het neoliberalisme te verdrijven, dan zal dat een overwinning zijn voor het hele continent. Het Ecuadoriaanse en Chileense sociale verzet, maar ook dat in Uruguay, Honduras, Haïti en Brazilië, gaven Latijns-Amerika weer de uitstraling van een baken van hoop. Het is een inspirerend voorbeeld, ook voor ons hier in het Westen. Het bewijst dat de geschiedenis van een land op straat wordt gemaakt, zelfs in de achtertuin van ’s werelds grootste supermacht.

Footnotes

  1. S. Chen & M. Ravallion, The Developing World Is Poorer Than We Thought, But No Less Successful in the Fight against Poverty, World Bank, 2008, p. 35.
  2. René Rojas, “The Latin American left’s shifting tides”, Catalyst, Vol. 2, nr. 2, september 2018. Zie www.catalyst-journal.com/vol2/no2/the-latin-american-lefts-shifting-tides.
  3. Dit naar president James Monroe genoemde beginsel hield in dat de VS zich zouden verzetten tegen elke Europese inmenging op het westelijk halfrond en zelf ook niet zouden tussenkomen in Europa of haar kolonies in Azië en Afrika. In het begin van de 20e eeuw voegde president Theodore Roosevelt hieraan de stipulatie toe dat de VS zichzelf wel het recht toekenden om tussen te komen in de rest van het Amerikaanse continent. De Monroe-doctrine werd de facto onder president F.D. Roosevelt verlaten ten voordele van een wereldwijde invloedssfeer. In 2013 verklaarde Obama de doctrine officieel dood.
  4. Zie www.atlanticcouncil.org/blogs/new-atlanticist/here-s-why-latin-america-matters/ en http://globalpublicsquare.blogs.cnn.com/2012/06/13/why-the-u-s-cant-afford-to-ignore-latin-america/.
  5. De Bolivariaanse Alliantie voor de Volkeren van Ons Amerika werd door Venezuela en Cuba opgericht in 2004. Bolivia is kort na de start tot het verdrag toegetreden. Nicaragua, Ecuador, en veel van de kleinere Caribische naties zijn sindsdien gevolgd. Talrijke andere landen hebben zich ook als waarnemer aangesloten. ALBA-akkoorden hebben in tegenstelling tot de traditionele vrijhandelsakkoorden wel aandacht voor de sociale, ecologische aspecten van het akkoord. Deze regionale samenwerking vertrekt vanuit het principe dat economische ontwikkeling endogeen moet zijn en berusten op een economische alliantie in de regio. Maar in tegenstelling tot de politieke, culturele en ideologische blokvorming bleef de economische integratie uit. Wel succesvol was Venezuela’s Petrocaribe-programma waarin het olie levert aan een aantal Caribische en Midden-Amerikaanse landen tegen zeer gunstige tarieven. Naar schatting is de via Petrocaribe verleende steun gelijk aan of groter dan die van het Marshallplan.

    Zie ook: Dario Azzellini, Julia Eder, “ALBA, an alternative regional alliance?”, Rosa Luxemburg Brussels, 27 maart 2017. Zie www.rosalux.eu/topics/solidarity-and-emancipation/alba-an-alternative-regional-alliance/.

  6. Isabelle Vanbrabant, “Integratie van Latijns-Amerika is streep door de rekening van de VS”, DeWereldMorgen, december 2011. Zie www.dewereldmorgen.be/artikel/2011/12/08/integratie-van-latijns-amerika-is-streep-door-de-rekening-van-de-vs/.
  7. Het begon met oorlog tegen Mexico in 1846, gaande tot de invasie in de Cubaanse Varkensbaai in 1961, de daaropvolgende staatsgrepen in Ecuador, Brazilië en de Dominicaanse republiek, en nog eens tientallen staatsgrepen tijdens de Koude Oorlog in El Salvador, Nicaragua, Guatemala, Grenada, Honduras en Panama.
  8. De Chicago School streefde naar een perfecte vrije markt. Dit kader eiste drastische programma’s van deregulering, privatisering en bezuiniging, die in normale omstandigheden politiek onhaalbaar zijn. Radicale ingrepen die in normale omstandigheden onmogelijk zijn, kunnen volgens Friedman echter wel worden doorgevoerd in periodes van grote crisis of schok. In de ‘shockperiode’ na de staatsgreep tegen Allende bekleedden de Chicago Boys prominente posities als economische adviseurs. Tegelijkertijd trainde de CIA het Chileense leger in “het onder controle houden van de subversie”. Ook in andere Zuid-Amerikaanse landen werden autoritaire regimes economisch bijgestaan door de theoretici van de Chicago School en kregen ze onderricht in martel- en ondervragingstechnieken van de CIA.
  9. “Teaching Nicaragua a Lesson”, Noam Chomsky, uittreksel uit What Uncle Sam Really Wants, 1992. Zie www.chomsky.info/unclesam08/.
  10. Maarten Geeroms, “Een knauw voor het neoliberalisme in Argentinië: Macri verliest presidentsverkiezingen”, Cubanismo.be, 28 oktober 2019. Zie www.cubanismo.net/nl/artikels/een-knauw-voor-het-neoliberalisme-argentini-macri-verliest-presidentsverkiezingen.