Artikel

Divers verzet tegen nazi-Duitsland

Pieter Lagrou

— 25 maart 2020

Er leeft een beeld van een verenigd thuisfront tegen nazi-Duitsland, zowel in de strijd tegen de bezetter als in de voorbereiding van de naoorlogse samenleving. Dat is een veel te romantisch beeld.

“Verzet” dekt een grote verscheidenheid aan reacties tegen sterk uiteenlopende regimes die werden opgelegd en tegen diverse beleidskeuzes in verschillende landen en regio’s in Europa in de opeenvolgende periodes van nazi-expansie, van 1938 tot 1945. “Verzet” werd onder andere gebruikt voor aanvallen op Duitse troepentransporten, het verzamelen van militaire inlichtingen voor de geallieerden, het doden van collaborerende “verraders”, het organiseren van verbergen en soms het ontsnappen van vliegtuigbemanning, Joden, opgeëiste arbeiders, het drukken en verspreiden van ondergrondse kranten en pamfletten; de houding van de kerken tegenover de nazi’s, het voorbereiden door politieke bewegingen van de naoorlogse wereld. Naargelang van de definitie verwijst de term “verzet” naar kleine kernen van geradicaliseerde guerrillastrijders, militaire professionals met technische ervaring in het verzamelen en doorseinen van informatie, grote netwerken met de medewerking van honderden of duizenden individuen en de stilzwijgende ondersteuning van tien- of zelfs honderdduizenden, of zelfs de mainstream politieke opinie, waaronder de traditionele elite, in een bepaald land tijdens de laatste maanden van de bezetting.

De vormen van deze reacties (hun actiemiddelen, organisatie, ontwikkeling, politieke agenda en zelfs hun ideologie) werden eerst en vooral bepaald door de Duitse agressie waartegen zij reageren, en het opdringerige beleid van de bezetter om hun samenleving te veranderen. Pas op de tweede plaats komen factoren zoals het respectieve gewicht van radicale politieke bewegingen in het vooroorlogse politieke landschap, de tradities van opstand en gewapend verzet, van burgerlijke ongehoorzaamheid en het wantrouwen in het staatsgezag, de legitimiteit van de vooroorlogse politieke instellingen of het ontbreken ervan, de sociale cohesie of de afwezigheid hiervan ten gevolge van sociale, politieke of etnische polarisatie.

Verschillende radicale vormen van verzet worden veroordeeld als terrorisme, andere meer mainstream vormen worden dan weer afgeschreven als zwak.

Verschillen hebben betrekking zowel op de aard als de omvang van het fenomeen en elke definitie is ook impliciet normatief. Sommige meer radicale vormen van verzet worden dan ook veroordeeld als “terrorisme”. Andere meer mainstream vormen die zich toeleggen op de voorbereiding van de naoorlogse periode, worden dan weer afgewezen als “attentisme” of lafheid. Het meten van verzet in termen van militaire effectiviteit is hoogst problematisch. Het definiëren volgens de ideologisch coherentie is ook gedoemd om te falen. Niet alle antifascistische bewegingen waren altijd anti-Duits, noch waren alle anti-Duitse bewegingen noodzakelijkerwijze antifascistisch. De houding van de communistische partijen tijdens de periode van het Niet-aanvalsverdrag tussen de Sovjet-Unie en Duitsland is een voorbeeld van de eerste contradictie, de vroegtijdige radicale actie door ultranationalistische autoritaire bewegingen in bezette landen als Oekraïne, Polen, Servië en België van de tweede.

Tijd en plaats

Er zijn twee cruciale factoren in het uitwerken van een typologie van de oorlogservaring en de reacties erop: tijd en ruimte. Het aspect “ruimte” komt voort uit de fundamenteel en doelbewust asymmetrische aard van de naziheerschappij in Europa. Ruwweg zijn er drie geografische zones te onderscheiden.

Ten eerste stond de oorlog in het oosten het meest centraal in de nazi-ideologie, aangezien dit het Lebensraum was, de vitale plek voor de kolonisatie van het Duitse ras: een ruimte die moest worden leeggemaakt door een vernietigingsoorlog (Vernichtungskrieg), door de uitroeiing van lokale elites en het decimeren van de inlandse bevolking. De vernietigingsoorlog werd voornamelijk gevoerd in Polen, Oekraïne en Wit-Rusland en in minder mate in de Baltische landen. Dit ging gepaard met grootschalige moordpartijen, genocide, burgeroorlog en etnische zuivering. Collaboratie was een wanhoopsdaad, zonder enige hoop op een alternatief politiek systeem, want de nazi-bezetters boden nooit een ander perspectief boden dan een brutale en geplande politiek van kolonisatie, uithongering, plundering en deportatie, zoals dat bijvoorbeeld beschreven wordt in het gedetailleerde en sinistere General Plan Ost.

De regio was bovendien het toneel van veelvuldige bezettingen en veranderende frontlinies. De opdeling van Polen tussen Duitsland en de Sovjet-Unie in 1939 zorgde voor een enorme golf vluchtelingen, voornamelijk naar het oosten, maar de hoop op een beter leven in de Sovjet-Unie verdween snel door het harde beleid van Stalin. De Duitse invasie van de Sovjet-Unie in juni 1941 veroorzaakte nieuwe vluchtelingengolven en wraakmoorden . De loyaliteit van de Polen, Oekraïners, Litouwers en Joden aan een van de bezetters van het vooroorlogse Polen veroorzaakte onvermijdelijk breuklijnen waaruit een burgeroorlog zou kunnen ontstaan en die gedeeltelijk langs etnische grenzen liepen. Op die manier verwelkomden anti-Sovjet Oekraïense nationalisten in eerste instantie het Duitse leger als bevrijders, om dan te ontdekken dat, afgezien van het rekruteren van aanvullend burger- en politiepersoneel, de Duitse bezetters helemaal niet van plan waren een leefbare Oekraïense natie te creëren. Tegen 1943 maakte de veiligheidssituatie van het Oekraïense hulppersoneel in de door de Duitsers gecontroleerde strijdkrachten dat ze in groten getale deserteerden naar de Sovjet-partizanen of de Oekraïense nationalistische partizanen. Nadat ze actief hadden deelgenomen aan de eliminatie van de Joodse bevolking keerden de Poolse, Oekraïense en Litouwse nationalisten zich vanaf 1943 steeds meer tegen elkaar, om zo etnisch homogene gebieden te creëren in afwachting van een naoorlogse regeling. Al voerden zowel het Poolse anticommunistische Armia Krajowa (Thuisleger) als de communistische partizanen een heroïsche overlevingsstrijd tegen de nazi’s, toch was er nooit sprake van een verenigd front, zoals de brutale gebeurtenissen van de herfst 1944 tonen, toen het Rode Leger vanuit de buitenwijken van Warschau geduldig toekeek hoe de nationalistische opstand door het Duitse leger werd onderdrukt.

Zuidoost-Europa, met name de Balkan, vormde de tweede regio met een eigen lotsbestemming. De Duitse invasie beantwoordde aan de strategische noodzaak om de noordkust van de Middellandse Zee te bezetten om zo een Britse landing te voorkomen, eerder dan aan de uitvoering van een precies plan of een ideologisch ontwerp. De Griekse hongersnood in de winter van 1941-1942 was bijvoorbeeld het gevolg van het cynisch verwaarlozen en minachten van de levens van de lokale bevolking en maakte hoegenaamd geen deel uit van een bewuste strategie.

Alleen de interventie van 22.000 Britse troepen kon verhinderen dat de Griekse bevolking voor een communistisch regime koos.

Met name in Joegoslavië, een land dat sinds zijn ontstaan na de Eerste Wereldoorlog steeds op de rand van een burgeroorlog had geleefd, werd extreem geweld tegen de bevolking niet geschuwd. Dit geweld ging gepaard met een moorddadige verdeelpolitiek – uitgevoerd door de Duitse, Italiaanse en Hongaarse bezetters – wat de spanningen tussen de Serviërs, Kroaten en Bosnische moslims, Slovenen, etnische Hongaren, etnische Duitsers, Joden en zigeuners verscherpte. Dit ontaardde uiteindelijk in wijdverbreide wederzijdse moordpartijen. De creatie van een Kroatische fascistische ustaša-staat en de annexatiepolitiek in andere gebieden waren bijzonder gruwelijk.

In deze context van anarchie ontwikkelde de kleine vooroorlogse communistische partij zich tot de meest efficiënte en geloofwaardige endogene kracht. Partizanenrepublieken, die de landverdeling organiseerden en etnisch geweld konden stoppen, zowel door een alternatief politiek geloof als door het meedogenloze elimineren van nationalistische tegenstanders, richtten in Albanië en Joegoslavië de enige, naast de Sovjet-Unie, communistische regimes van eigen bodem in Europa op. In Griekenland kon enkel een interventie van 22.000 Britse soldaten een gelijkaardig scenario afwenden. In tegenstelling tot het naoorlogse Frankrijk, Italië of de Duitse Democratische Republiek, politieke regimes met een retoriek die beweerde dat ze zijn ontstaan uit het verzet, bouwden de Albanese en de Joegoslavische communistische partij een clandestien ondergronds netwerk effectief uit tot nieuwe heersende elite.

Ten derde is er een diverse groep van bezette landen van West- tot Centraal-Europa – Noorwegen, Denemarken, Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Tsjecho-Slowakije. Hier voerden de nazi’s beperkte aanhechtingen van regio’s bij het Reich uit: het Sudetenland, Elzas-Lotharingen, het volledige Luxemburg en Eupen-Malmedy, in 1919 aan België afgestaan. De bezetting had echter hoofdzakelijk Aufsichtsverwaltung tot doel: een beleid van economische uitbuiting tegen een zo laag mogelijke kost, waarbij ze de nationale administratie intact liet.

De institutionele setting in deze derde regio was uiterst divers. Tsjecho-Slowakije werd opgesplitst in het geannexeerde gebied, het protectoraat Bohemen-Moravië en de fascistische klerikale marionettenstaat Slowakije. Denemarken, dat de inval van de Duitse troepen had aanvaard, werd onder de bescherming geplaatst van de Duitse gouverneur, maar overigens werd het toegestaan zijn instellingen te behouden. In Frankrijk liepen politieke gebeurtenissen vooruit op de Duitse beslissingen over het lot van zijn instellingen, vermits de Assemblée Nationale van de Derde Republiek zichzelf ontbond en een held van de Eerste Wereldoorlog, Philippe Pétain, tot hoofd van een nieuwe autoritaire staat verkoos. De eerste beslissing van Pétain was een wapenstilstand aan te bieden en de voorwaarden van de nazi-bezetters onvoorwaardelijk te aanvaarden. In Noorwegen, Nederland, Luxemburg en België waren de nationale regeringen en staatshoofden (met uitzondering van het Belgische staatshoofd) nog voor de Franse ineenstorting naar Londen gevlucht, in de hoop zo de oorlog verder te kunnen zetten. In Noorwegen installeerden de Duitsers eerst een militair bestuur en hielpen ze later de fascistische regering van Vidkun Quisling aan de macht. In België opteerden ze gedurende de hele periode van de bezetting voor een militair bestuur, terwijl ze in Nederland een burgerlijk nazibestuur oplegden onder Rijkscommissaris Arthur Seyss Inquart.

Geen land dat beter het verschil tussen anti-fascisme en verzet illustreert dan Italië.

Ondanks deze erg uiteenlopende institutionele omgevingen, waren de beleidskeuzes in deze derde groep van landen zowel gelijkaardig als gecoördineerd. Nationale en lokale administraties werden behouden, met een relatief voorzichtig beleid om weerspannige ambtenaren te vervangen door meer politiek onderdanig personeel. De voornaamste bezorgdheid was de Duitse aanwezigheid te beperken en grote verstoringen te vermijden. Het leger, het ministerie van economie en de SS-leiders hadden verschillende meningen over de prioriteiten van de bezettingsstrategie: ze wilden respectievelijk de militaire veiligheid garanderen door het vermijden van radicale posities, het economisch gewin maximaliseren of de “nazificatie” met inbegrip van totale oorlog tegen de ideologische vijanden van het Reich. De eerste twee imperatieven overheersten het beleid, met slechts één gruwelijke uitzondering: de deportatie van alle Joden uit deze gebieden naar de massavernietigingskampen in het oosten was, ondanks de erg disruptieve aard van de operatie, een onbetwistbare prioriteit op de nazi-agenda. De massadeportatie van de Joden in de zomer van 1942 was een voorbeeld van een operatie gepland voor de hele regio in een gecoördineerde tijdspanne. Een ander is, na het beleid van vrijwillige rekrutering, de deportatie van werknemers voor de Duitse industrie, die in de zomer van 1943 haar hoogtepunt bereikte. Deze geplande acties veroorzaakten in de hiervoor vermelde landen gelijkaardige reacties en bezorgden de lokale verzetsbewegingen gelijkaardige doelstellingen voor hun acties.

Het perspectief dat een volledige analyse van deze erg heterogene situaties kan bieden, is natuurlijk dat van de Duitse bezetter. Nazi-Duitsland mocht dan, afhankelijk van de geografische omstandigheden, zeer uiteenlopende doelstellingen najagen, het had een aanzienlijke expertise ontwikkeld in het organiseren van bezetting en het neerslaan van verzet – wat na 1945 grondig bestudeerd werd door het Amerikaanse leger. De wetenschap van het bezetten begon met de analyse van wat zich in 1914-1918 had afgespeeld. De eerste bezetting van België had een buitensporige hoeveelheid aan militair en administratief personeel gemobiliseerd, met een teleurstellend resultaat op economisch vlak en een catastrofale impact op het beeld van Duitsland bij de bevolking. Deze fouten wilden de nazi’s in 1940 koste wat het koste vermijden.

Voor het bestuderen van de bezettingstactiek van de nazi’s is het leerzaam te kijken naar SS-Obergruppenführer Werner Best. Hij zou zijn ideeën uitvoeren als Duits gouverneur van Denemarken. Al was hij een overtuigd nazi en antisemiet van het eerste uur, toch stond hij niet alleen de verkiezingen van juli 1943 toe, maar hij organiseerde ook de evacuatie van de kleine Deense Joodse gemeenschap over de Sont of liet ze tenminste oogluikend toe. De te verwachten chaos en polarisering ten gevolge van eventuele razzia’s in de hoofdstad was een prijs die Best niet wou betalen om duizend slachtoffers toe te voegen aan de moord op miljoenen op het continent. Hij gooide het met het Deense verzet ook op een akkoord over een wederzijds aanvaard programma van “demonstrative Sabotagetätigkeit”: het verzet zou symbolisch een reeks spectaculaire maar onschadelijke bomaanslagen plegen, genoeg om de geallieerden te overtuigen van de ernst van het Deense verzet, maar niet verwoestend genoeg om de Duitse logistiek te dwarsbomen, noch om de bezetter te dwingen om terug te slaan met terreur en contraterreur die de wederzijds voordelige Aufsichtsverwaltung – de “toezichtsbezetting” waarbij de Duitsers met een minimum aan eigen personeel het Deense bestuur controleerden – zou bedreigen.

Een twee parameter is chronologie, meer bepaald de duur en nabijheid van de strijd. Aan het oostfront woedde de oorlog onafgebroken van juni 1941 tot april 1945 en daarbij groeide ook de spiraal van geweld tussen de strijdende partijen en tegen de burgerbevolking die gevangen was tussen hamer en aambeeld, met een intense partizanenactiviteit achter de Duitse linies. De moeilijke positie van Italië illustreert de toepasselijkheid van de chronologische parameter. Tot september 1943 was het aan het oostfront een bezettende mogendheid en bondgenoot van de Wehrmacht. Vanaf de Italiaanse overgave en tot april 1945 doorkruiste de zich uiterst langzaam terugtrekkende frontlijn het schiereiland, met de polariserende gevolgen van massageweld die ook elders werden waargenomen vandien. Van de stadsrevolte in Napels tot de guerrillastrijd in de heuvels van Toscane en Emilia Romagna liep de militaire confrontatie over in lokale burgeroorlogen. Hierbij werden meer dan 10.000 burgers gedood door Duitse troepen en hun helpers van de marionettenrepubliek van Salò. Geen land dat beter het verschil tussen antifascisme en verzet illustreert dan Italië. In 1926 had Mussolini alle verzet tegen zijn regime onschadelijk gemaakt. Antifascisme bleef beperkt tot de kringen van de politieke ballingen, terwijl de binnenlandse publieke opinie eerder meegaand was dan geneigd tot oppositie en subversie op ruime schaal. De geallieerde en, als een gevolg daarvan, de Duitse invasie leidden tot erg verschillende reacties. Louter het geweld en de verplaatsing van de militaire confrontatie mobiliseerden een verzetsbeweging die qua grootte en strategie meer leek op die in de Balkan dan op die in de andere bezette landen in West-Europa. Een jaar later zou de opmars van het Rode Leger in het zuiden van Centraal-Europa voor korte maar zeer gewelddadige confrontaties zorgen in de As-landen Hongarije, Roemenië en Slowakije. In dit opzicht zijn er evidente problemen om het Hongaarse verzet van april 1945 te vergelijken met het verzet in Noorwegen in april 1940.

De communistische partijen waren steeds de meest actieve en georganiseerde van de antifascistische alliantie.

In West-Europa werd het verzet vooral gekenmerkt door de fysieke scheiding met het slagveld. In mei en juni 1940 gaf Nederland zich over na vijf dagen, België na 18 en Frankrijk na 40 – een te korte tijdsspanne voor enig georganiseerd burgerverzet. Verzet bleef, tot de terugkeer van het front in 1944, beperkt tot het overbrengen van informatie, het organiseren van ontsnappingsroutes en clandestiene drukpersen en het voorbereiden van de volksmilities in afwachting van D-Day en H-Hour. Bomaanslagen of aanslagen op het Duitse leger werden in de meeste ondergrondse kranten afgekeurd; ze achtten zo’n strategie zinloos uit militair oogpunt en keurden het nodeloos lijden af dat de wreedaardige represailles op de burgerbevolking veroorzaakten. De geallieerde invasie leidde een volledig nieuw en zeer gewelddadig hoofdstuk in: verzetstroepen werden volop ingezet in de strijd en de veralgemeende guerrillaoorlog. Grootschalige moordpartijen op burgers, zoals in het Franse dorpje Oradour, waar 642 burgers omgebracht werden, of in de Vercors, waar een partizanenopstand afgeslacht werd door terugtrekkende Duitse troepen, kwamen enkel voor na de geallieerde invasie. Dit was ten dele te wijten aan de ijlings overgebrachte oostfronttroepen, die hun meedogenloze anti-verzetsmethoden meebrachten. Tijdens de Slag om de Ardennen (december 1944-januari 1945) vonden soortgelijke geweldpartijen plaats. De West-Europese partizanenstrijd was voornamelijk een plattelandsfenomeen en viel samen met de duur van ‘gewone’ militaire confrontaties in een bepaalde plaats. Grote steden als Parijs en Brussel bleven gespaard van mogelijks bloedige bevrijdingsgevechten.

Gemeenschappelijke kenmerken

Deze fundamentele verschillen pleiten tegen het veralgemenen van een globale interpretatie van het fenomeen ‘verzet’ in het bezette Europa. Toch zijn er enkele gemeenschappelijke kenmerken van het georganiseerde verzet tegen het nazibestuur in West-Europa. Een eerste nuttig onderscheid slaat op de vormen waarin men de strijd aangaat. Men mag “intentioneel” verzet van sterk gemotiveerde pioniers niet verwarren met het minder politieke “functionele” verzet van grotere netwerken. Intentioneel verzet betreft patriotten en nationalisten, die de Duitse bezetting afwijzen omdat ze de nationale soevereiniteit schendt, met daarbij een breed antifascistisch bondgenootschap, waarvan de communistische partijen het meest actieve en georganiseerde deel vormen. Bij functioneel verzet gaat het over individuen, groepen en instituties die een bepaalde plaats in de samenleving innemen waardoor ze cruciale steun kunnen bieden aan het georganiseerde verzet. Onder boeren en clerus zijn er opvallend weinig “intentionele verzetsstrijders” en toch hebben beide sociale groepen een essentiële rol gespeeld in het verbergen en voeden van een steeds groter wordende clandestiene bevolking: verzetsstrijders die door de vijand ontmaskerd waren, geallieerde krijgsgevangenen en vliegeniers, Joden en werkweigeraars.

Verzet is ook intrinsiek een gok op de toekomst. De militaire en geopolitieke vooruitzichten zijn daarom een cruciale factor: de invasie van de Sovjet-Unie in juni 1941, de Amerikaanse oorlogsverklaring in december 1941, het stoppen van het Duitse offensief aan de fronten in het oosten en Noord-Afrika, de eerste Duitse nederlagen, met name in Stalingrad in het begin van 1943, en de geallieerde landingen in Noord-Afrika, Italië, Normandië en de Provence waren allemaal gebeurtenissen die de publieke opinie in de bezette landen bepaalden en, door het creëren van hoop op bevrijding, verzet aanmoedigden.

Het falen van de verplichte tewerkstelling in de zomer van 1943 was zonder twijfel het grootste succes van het verzet in West-Europa.

Nog meer bepalend was het concrete beleid van nazi-Duitsland in de bezette landen. Tijdens de moordtochten van de Einsatzgruppen aan het oostfront in de zomer van 1941 was er nauwelijks georganiseerd verzet en de lokale Joodse bevolking werd volledig verrast door dit inderdaad onnoemelijk wreed optreden. Pas in de daaropvolgende maanden begonnen de partizanen hun acties te plannen. Tijdens de razzia’s in West-Europa in de zomer van 1942 was de Joodse bevolking zich eveneens volledig onvoorbereid. Het feit dat twee derden van alle deportaties plaats vonden in de eerste drie maanden, toont hoe doeltreffend de verschillende vormen van verzet tegen de Duitse plannen in de daaropvolgende maanden waren. Onder die vormen van verzet waren Joodse geïmmigreerde militanten van de communistische partij – de befaamde Francs-tireurs et Partisans – Main d’Œuvre Immigrée – in zowel Frankrijk als België de meest radicale eenheden van de stadsguerrilla in deze strijd om te overleven, waarbij ze ook het personeel dat de deportaties organiseerde, op de korrel namen. Nog een jaar later neemt de verplichte tewerkstelling de vorm aan van massale razzia’s, maar naar het einde van de zomer 1943, daalden de resultaten van de arbeidswerving sterk, maar ze zorgde voor tienduizenden werkweigeraars die naar het verzet toestroomden en die allen moesten worden verborgen, gevoed en – voor een deel van hen – opgeleid tot maquis-eenheden voor de guerrilla. Het falen van de verplichte tewerkstelling in de zomer van 1943 was zonder twijfel de grootste triomf van het verzet in West-Europa en vormde de belangrijkste factor in het omvormen van een actieve minderheid in een massabeweging waarbij alle sectoren van de bezette samenleving betrokken waren.

De combinatie van deze factoren helpt ons het vroege engagement van de nationalisten in het verzet te verklaren, tijdens de herfst 1939 in Polen, de zomer 1940 in Noorwegen, Nederland en België, vanaf april 1941 in Servië en Griekenland, gevolgd door het gelijktijdige toetreden van communistische militanten in het bezette Europa in juni en juli 1941. Vanaf eind 1942 en gedurende 1943 verbreedde de basis voor dit verzet, voornamelijk door de dynamiek van het functionele verzet dat voor verzetsstrijders met een sterk verschillend profiel zorgde. Vanaf eind 1943 en in 1944 creëerde de verwachting van een Duitse terugtocht ruimte voor een proces van vereniging van een nationaal weerstandsfront met het oog op de vorming van een nieuwe naoorlogse politieke coalitie, wat in de meeste West-Europese landen gebeurde, dan wel voor een toestand van burgeroorlog door het ontbreken van vooruitzichten op een coalitie of machtsdeling, wat zich in Oost- en Zuid-Europa voordeed. Bijgevolg is verzet een cruciale categorie om de ervaringen van de oorlog en de naoorlogse koers van de Europese samenlevingen te begrijpen. De impact ervan moet echter zorgvuldig gemeten worden in politieke, sociale en zelfs culturele termen, afhankelijk van de geografische en chronologische omstandigheden, en met een onderscheid maken tussen de verschillende vormen van engagement in de strijd.

Ulrich Herbert Best, Biografische Studien uber Radikalismus, Weltanschauung und Vernunft, p. 1903-1989, Bonn, Dietz, 1996.

Christian Gerlach, Kalkulierte Morde: die deutsche Wirtschafts- und Vernichtungspolitik in Weissrusland 1941-1944, Hamburg, Hamburger Edition, 1999.

Mark Mazower, Inside Hitler’s Greece. The experience of occupation, 1941-1944, New Haven, Yale UP, 1993.

Bob Moore (ed.) Resistance in Western Europe, Oxford, Berg, 2000.

Roderick Kedward, In Search of the Maquis. Rural Resistance in Southern France, 1942-1944, Oxford UP, 1993.

Timothey Snyder, The Reconstruction of Nations: Poland, Ukraine, Lithuania, Belarus, 1569-1999, Yale University Press, 2003.

Jan Gross, Revolution from abroad: the Soviet Conquest of Poland’s Western Ukraine and Western Belorussia, Princeton UP, 2002.

Jan Gross, Polish Society under German Occupation: the Generalgouvernement, 1939-1944, Princeton UP, 1979.

Jozo Tomasevich, War and Revolution in Yugoslavia, 1941-1945. Occupation and Collaboration, Stanford UP, 2001.

Tatjana Toensmeyer, Das Dritte Reich und die Slowakei 1939-1945. Politischer Alltag zwischen Kooperation und Eigensinn, Paderborn/Munich, 2003.