Artikel

De terugkeer van Engels

John Bellamy Foster

— 21 december 2020

— PDF-versie

Decennialang is Friedrich Engels binnen het academische marxistische discours een handige zondebok geweest. Tijd om hem in ere te herstellen.

Maar weinige andere duo’s kunnen de politieke en intellectuele samenwerking tussen Karl Marx en Friedrich Engels evenaren. Niet alleen schreven ze tijdens hun deelname aan de sociale revoluties van 1848 samen hun beroemd geworden Communistisch Manifest, ook twee vroegere werken —De Heilige Familie (1845) en De Duitse Ideologie (1846)— waren van hun beider hand.

In de late jaren 1870 konden de twee wetenschappelijke socialisten eindelijk in elkaars nabijheid wonen en dagelijks met elkaar overleggen. Terwijl ze elk aan één kant ijsbeerden in het kantoor van Marx en bij elke draai met hun hakken groeven uitsleten in de vloer, bespraken ze hun ideeën, plannen en projecten. Vaak lazen ze elkaar hele passages voor uit hun werk.2

Engels denigreren, een linkse hobby

Meer dan veertig jaar geleden, op 12 december 1974, woonde ik een lezing bij van David McLellan, getiteld “Karl Marx: The Vicissitudes of a Reputation” [De lotgevallen van een reputatie] in het Evergreen State College in Olympia, Washington. Het jaar ervoor had McLellan zijn Karl Marx: His Life and Thought gepubliceerd, en ik had dat werk aandachtig bestudeerd.3 Ik kwam daarom die middag de collegezaal binnen in afwachting van zijn toespraak. Maar wat ik hoorde verontrustte mij ten zeerste. McLellans belangrijkste boodschap was niet meer dan dit: Karl Marx was niet Frederick Engels. Om de authentieke Marx te ontdekken moest het kaf van Engels worden gescheiden van het koren van Marx. Het was Engels, zo beweerde McLellan, die het positivisme had binnengebracht in het marxisme en hij verwees daarvoor naar de Tweede en Derde Internationale en uiteindelijk ook naar het stalinisme. Enkele jaren later zou McLellan enkele van zijn kritieken opnemen in zijn korte biografie van Frederick Engels.4

Dit was mijn eerste kennismaking met de anti-Engels-attitude die westers academisch links zou kenmerken, en nauw verbonden was met de opkomst van het ‘westers marxisme’ als aparte filosofische traditie —in tegenstelling tot wat soms het officiële of Sovjetmarxisme werd genoemd. In die zin kwam de belangrijkste stelling van dit westers marxisme neer op de verwerping van de dialectiek van de natuur van Engels of de “louter objectieve dialectiek” zoals Georg Lukács het noemde.5

Voor het merendeel van de westerse marxisten was de dialectiek een identieke relatie tussen subject en object: we konden de wereld begrijpen in de mate dat we die hadden gemaakt. Zo’n kritisch standpunt was een welgekomen correctie van het ruwe positivisme dat veel van het marxisme had besmet en dat in de officiële Sovjetideologie werd gerationaliseerd. Maar daardoor werd het marxisme wel in een meer idealistische richting geduwd, wat leidde tot het loslaten van de lange traditie die het historisch materialisme niet alleen verbonden zag met de humane en sociale wetenschappen —en uiteraard de politiek— maar ook met de materialistische natuurwetenschap.

Engels in diskrediet brengen werd een populair tijdverdrijf onder linkse academici. Sommigen, zoals de politieke theoreticus Terrell Carver, bouwden er hun hele carrière op. Engels werd bijvoorbeeld vaak gebruikt om Marx uit het marxisme weg te filteren. Zo schreef Carver in 1984: “Karl Marx ontkende dat hij een marxist was. Friedrich Engels herhaalde dat maar begreep het niet echt. Nu spreekt het voor zich dat Engels de eerste marxist was en wordt almaar meer aanvaard dat hij in zekere zin het marxisme uitvond.” Carver was van mening dat Engels met zijn uitvinding van het marxisme niet alleen een doodzonde beging, hij beging ook talrijke andere zonden zoals het promoten van het quasihegelianisme, het materialisme, het positivisme en de dialectiek, waarvan gezegd werd dat ze zich allemaal “mijlenver weg bevonden van het nauwgezette eclecticisme van Marx”.

Academici hebben tientallen jaren beweerd dat Engels de ideeën van Marx heeft ondermijnd en verdraaid.

Het idee alleen al dat Marx ‘een methodologie’ had, werd toegeschreven aan Engels en bijgevolg als fout bestempeld. Door hem los te koppelen van Engels en hem van zijn inhoud te ontdoen, werd Marx aanvaardbaar voor het status quo als een soort intellectuele voorloper. Zoals Carver onlangs en zonder enige zin voor ironie opmerkte: “Marx was een liberale denker.”6

De meeste kritiek op Engels is evenwel gericht tegen het zogezegd sciëntisme in zijn Anti-Dühring en zijn onafgewerkte Dialectiek van de Natuur. McLellan stelt in zijn biografie van Engels dat diens interesse in de natuurwetenschap “hem ertoe dwong de klemtoon te leggen op een materialistische opvatting van de natuur in plaats van de geschiedenis.” Hij wreef Engels aan dat hij “het concept van de materie” had binnengebracht in het marxisme, iets wat “het werk van Marx volkomen vreemd was”. Zijn belangrijkste fout was zijn poging om een objectieve dialectiek te ontwikkelen die “de subjectieve kant van de dialectiek” losliet, wat leidde tot “de geleidelijke assimilatie van de standpunten van Marx in een wetenschappelijke kijk op de wereld”.

“Het verrast geenszins,” zo haalde McLellan uit, “dat, met de consolidering van het Sovjetregime, de vulgarisaties van Engels de belangrijkste filosofische inhoud van de Sovjethandboeken vormden.”7 Net zoals Marx almaar meer werd voorgesteld als de verfijnde intellectueel, werd Engels almaar meer beschouwd als de ordinaire popularisator. Voor het academisch discours over het marxisme is Engels dus een handige zondebok geweest.

De wetenschap ter redding

Toch had Engels ook zijn bewonderaars. Zijn tanende faam binnen de hedendaagse marxistische theorie nam voor het eerst een gunstige wending dankzij de historicus E. P. Thompson, wiens werk The Poverty of Theory uit 1978 in eerste instantie gericht was tegen het structuralistische marxisme van Louis Althusser. Thompson verdedigde het historisch materialisme tegen een abstracte en hypostatische theorie die los staat van enig historisch onderwerp en van alle empirische referentiepunten. Daarbij —en in wat ik altijd heb beschouwd als een van de hoogtepunten in de Engelse letterkunde van de late 20e eeuw— kwam hij moedig op voor die “oude sufferd van een Friedrich Engels,” die zo vaak door Althusser onder vuur werd genomen.

Zo bouwde Thompson de verdediging op van een soort dialectisch empirisme —wat hij het meest bewonderde in Engels —als essentieel voor een historisch-materialistische analyse.8 Enkele jaren later begon de marxistische economist en oprichter/uitgever van Monthly Review Paul Sweezy zijn Four Lectures on Marxism met de stoutmoedige herbevestiging van het belang van Engels’ benadering van de dialectiek en zijn kritiek op mechanistische en reductionistische standpunten.9

Maar de echte ommekeer die Engels’ reputatie als een belangrijke klassieke marxistische theoreticus naast Marx in ere zou herstellen, kwam niet van historici en politieke economisten maar van natuurwetenschappers. In 1975 loofde Stephen Jay Gould in het tijdschrift Natural History openlijk Engels’ theorie van de menselijke evolutie, die de rol van arbeid had beklemtoond. Voor hem was ze het meest geavanceerde concept van de menselijke evolutionaire ontwikkeling in het Victoriaanse tijdperk —een die overigens de antropologische ontdekking van de Australopithecus africanus in de 20e eeuw had voorspeld. Enkele jaren later, in 1983, bouwde Gould zijn argument verder uit in de New York Review of Books en merkte op dat alle theorieën van de evolutie van de mens theorieën van “bioculturele co-evolutie” waren en dat “het beste negentiende eeuwse pleidooi voor een bioculturele co-evolutie werd geleverd door Friedrich Engels in zijn opmerkelijke essay uit 1876 (dat postuum werd gepubliceerd in Dialectiek van de Natuur), ‘De rol van arbeid in de overgang van aap naar mens’”.10

Ook de medische socioloog en arts Howard Waitzkin schreef in zijn baanbrekende boek The Second Sickness uit 1983 uitvoerig over Engels’ pioniersrol als sociaal epidemioloog. Hij vertelde hoe de vierentwintigjarige Engels in 1844, toen hij werkte aan De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, de etiologie van ziekten had bestudeerd en daarmee vooruitliep op latere ontdekkingen in de openbare gezondheidszorg.11 In 1985 verscheen het nu klassieke werk The Dialectical Biologist van Richard Lewontin en Richard Levins, dat ze bewust opdroegen “Aan Friedrich Engels, die het vaak mis had maar die het juist had wanneer het er toe deed.”12

Socialisme en metabolisme

In de jaren 80 ontstond een ecosocialistische traditie binnen het marxisme. De eerste fase werd vertegenwoordigd door het pionierswerk van Ted Benton, die Marx en Engels bekritiseerde omdat ze de natuurlijke beperkingen uit het Malthusianisme niet ernstig hadden genomen. Maar naar het einde van de jaren 1990 toe leidden de debatten tot een tweede fase, te beginnen met Marx and Nature van Paul Burkett in 1999, die de ecologische elementen onderzocht binnen de klassieke grondslagen van het historisch materialisme zelf.13 Hij focuste in eerste instantie op Marx maar hield ook rekening met de ecologische bijdragen van Engels. Dit werd nog versterkt door het vernieuwde project MEGA (Marx-Engels Gesamtausgabe) waarin de natuurwetenschappelijke notitieboeken van Marx en Engels voor het eerst werden gepubliceerd. Het resultaat was een revolutie in het begrip van de klassieke marxistische traditie, vaak doordrongen van een nieuwe, radicale ecologische praktijk die het gevolg was van de huidige overrompelende crisis (zowel economisch als ecologisch).

De toenemende erkenning van de bijdragen van Engels aan de wetenschap samen met de opkomst van het ecologisch marxisme hebben de interesse in Engels’ Dialectiek van de Natuur maar ook in zijn andere geschriften over natuurwetenschappen, doen heropleven. Veel van mijn eigen onderzoek sinds 2000 focust op het verband tussen Engels —en anderen die door hem werden beïnvloed— en de ontwikkeling van een ecologische dialectiek. Hierin sta ik niet alleen. De politieke econoom en ecologische marxist Elmar Altvater publiceerde onlangs een boek in het Duits over Dialectiek van de Natuur.14

De toenemende erkenning van de bijdragen van Engels aan een ecologisch marxisme hebben de interesse in zijn Dialectiek van de natuur doen heropleven.

Dat Engels onmisbaar is voor de kritiek op het kapitalisme in onze tijd wortelt in zijn beroemde stelling uit zijn Anti-Dühring: “De natuur is de proef op de dialectiek.”15 De westerse marxistische filosofie dreef daar vaak de spot mee. Nochtans zou de stelling van Engels, die een weerspiegeling was van zijn eigen grondige dialectische en ecologische analyse, evengoed vandaag kunnen opgenomen worden in het discours: de ecologie is de proef op de dialectiek. Weinigen zouden bereid zijn de betekenis van dit voorstel te ontkennen. Vanuit dit standpunt is makkelijk te zien waarom Engels zo’n belangrijke plaats inneemt in de hedendaagse ecosocialistische discussies. Werken over ecologisch marxisme citeren doorgaans zijn beroemde waarschuwingswoorden uit “De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens”:

“Maar laten we niet te hoog oplopen met onze menselijke overwinningen op de natuur. Voor elk van die overwinningen wreekt de natuur zich op ons. Het is waar dat elke overwinning in de eerste plaats de verwachte gevolgen oplevert, maar in de tweede en de derde plaats komen er behoorlijk verschillende, onvoorziene gevolgen die al te vaak de eerste ongedaan maken…Wij worden er dus bij elke stap aan herinnerd dat wij hoegenaamd niet over de natuur regeren zoals een overwinnaar over een vreemd volk, als iemand die buiten de natuur staat —maar dat we, met vlees, bloed en brein toebehoren aan de natuur en bestaan in haar midden, en dat al onze kennis ervan betekent dat we een voordeel hebben op alle andere schepselen, namelijk dat wij haar wetten kunnen leren en correct toepassen.”16

Zowel voor Engels als voor Marx was de sleutel tot het socialisme de rationele regeling van het metabolisme van de mensheid en de natuur, opdat het grootst mogelijke menselijke potentieel zou kunnen aangeboord worden, en tegelijk de noden van toekomstige generaties gevrijwaard zouden blijven. Geen wonder dan dat Engels weer opduikt in de 21e eeuw. Samen met Marx blijft de terugkeer van Engels de strijd begeesteren en de hoop inspireren die onze door crisis geteisterde en noodzakelijk revolutionaire tijd definiëren.

Dit artikel is een herwerkte versie van een ouder essay met dezelfde titel, gepubliceerd in Jacobin op 28 november 2016 ter gelegenheid van de 196e verjaardag van de geboorte van Engels.

Footnotes

  1. Eleanor Marx Aveling, “Frederick Engels” in Institute of Marxism-Leninism, Reminiscences of Marx and Engels, Foreign Languages Publishing House, p. 186.[/note[ Zo las Engels het volledige manuscript voor van zijn Anti-Dühring (waarvan Marx een hoofdstuk voor zijn rekening had genomen) nog voor het naar de uitgever ging. Marx schreef dan weer een inleiding bij De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap van Engels. Na de dood van Marx in 1883 werkte Engels boekdelen II en III van Het Kapitaal af op basis van de ontwerptekst van zijn vriend. Hoewel Engels de eerste was om toe te geven dat hij in Marx’ schaduw stond, was hij niettemin op zijn beurt een intellectuele en politieke reus.

    Toch hebben academici tientallen jaren beweerd dat Engels de ideeën van Marx heeft ondermijnd en verminkt. De politieke wetenschapper John L. Stanley bijvoorbeeld stelde in Mainlining Marx, zijn postuum werk uit 2002, vast dat pogingen om Marx en Engels van elkaar te scheiden —naast het overduidelijke feit dat het ging om twee afzonderlijke individuen met verschillende interesses en talenten— almaar meer Engels, als bron van al wat stuitend is aan het marxisme, losmaakten van Marx, die wordt verheerlijkt als het toonbeeld van de beschaafde letterkundige en zelf geen marxist.1John L. Stanley, Mainlining Marx, New Brunswick, NJ: Transactie, 2002.

  2. David McLellan, Karl Marx: His Life and Thought, New York: Harper and Row, 1973.
  3. David McLellan, Frederick Engels, Harmondsworth: Penguin, 1977.
  4. Georg Lukács, History and Class Consciousness, Londen: Merlin, 1968, 24, 207.
  5. Terrell Carver, “Marxism as Method”, in Terence Ball en James Farr, red., After Marx, Cambridge, Cambridge University Press, 1984, p. 261-78; Terrell Carver, “Terrell Carver Recommends the Best Books on Marx and Marxism”, Five Books, 4 Augustus 2016. Voor een kritiek op Carvers standpunten, zie Stanley, Mainlining Marx, p. 32-33, 50-54, 123-30. Zie eveneens Carvers recensie van Gareth Steadman Jones, (“Karl Marx”, Marxism and Philosophy Review of Books, September 28, 2016) waarin staat dat Marx in zijn politiek project gewoon “ernaar streefde om bij te dragen aan een brede populaire beweging voor democratische instellingen”.
  6. McLellan, Frederick Engels, p. 79-107.
  7. E. P. Thompson, The Poverty of Theory, Monthly Review Press, 1978, p. 50-57.
  8. Paul M. Sweezy, Four Lectures on Marxism, Monthly Review Press, 1981, 11-25.
  9. Stephen Jay Gould, Ever Since Darwin, Norton, 1977, p. 207-13; An Urchin in the Storm, Norton, 1987, p. 111.
  10. Howard Waitzkin, The Second Sickness, Free Press, 1983.
  11. Richard Lewontin en Richard Levins, The Dialectical Biologist, Harvard University Press, 1985.
  12. Ted Benton, “Marxism and Natural Limits”, New Left Review 178, 1989, p. 51–86; Paul Burkett, Marx and Nature, Haymarket, 2014. Zie ook John Bellamy Foster, Marx’s Ecology, Monthly Review Press, 2000.
  13. Zie de bespreking van “Altvater’s Engels neu entdecken” door Palle Rasmussen in Marxism and Philosophy Review of Books, 6 augustus 2016.
  14. Friedrich Engels, Anti-Dühring, Inleiding, “I. Algemeen gedeelte”.
  15. Friedrich Engels, Dialectiek van de Natuur, “De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens”.