Honderd jaar geleden werd Fidel Castro geboren, decennialang het gezicht van socialistisch Cuba. Zijn politieke denken is een eigenzinnige synthese van drie tradities: het dekoloniale verzet van José Martí, de politieke economie van Karl Marx en de revolutionaire theorie en praktijk van Vladimir Lenin

“Ik denk dat mijn bijdrage aan de Cubaanse revolutie
erin bestaat een synthese te hebben gemaakt
van de ideeën van Martí en van het marxisme-leninisme
en die consequent te hebben toegepast in onze strijd.”1(Fidel Castro)
De ideologische bronnen
Een revolutionaire weg is grillig en vol gevaren, zonder stevige oriëntatie, zonder ideologisch kompas, riskeer je bij de eerste moeilijke beslissing uit de bocht te gaan. De les van de geschiedenis is ongenadig. Latijns-Amerika alleen al heeft in de voorbije eeuw tientallen revolutionaire opstanden gekend, maar slechts een handvol waren in staat om te zegevieren. “Zonder revolutionaire theorie is er geen revolutionaire beweging” had Che geleerd van Lenin.2 Ook Fidel Castro was overtuigd “dat er behoefte was aan een revolutionair programma”.3 Theorie is nodig om de maatschappij te analyseren, om de verbanden te zien tussen de vele op het eerste zicht onsamenhangende fenomenen die zich voordoen, om daaruit patronen of wetmatigheden te kunnen afleiden en om te zien welke richting het uit moet, welke strategie de meest geschikte is.
“Wie de politieke realiteit niet kent heeft geen recht om zelfs maar te beginnen aan een revolutionair programma, want die zal het volk niet naar de overwinning voeren en haar programma niet kunnen realiseren.”4
“Toen ik voor het eerst op het Communistisch manifest botste, zag ik een verklaring. Midden in de chaos van de gebeurtenissen was het moeilijk het waarom van de feiten te ontdekken en leek alles het gevolg van de slechtheid van de mens, van zijn gebreken, van zijn perversie en immoraliteit. Midden in die chaos begin je andere factoren te onderscheiden die niet afhangen van de mens en zijn moraal of individuele actie.”5
Fidel Castro vatte theorie ruim op. Hij beperkte die niet tot leerstellingen of abstracte principes. Het verleden was voor hem een zeer belangrijk leerschool. Concrete strijdervaringen uit de Cubaanse en Latijns-Amerikaanse geschiedenis waren minstens zo belangrijk voor hem als algemene historische wetten of patronen. Fidel Castro probeerde de fouten en valkuilen uit het revolutionair verleden te vermijden. Hij combineerde de inzichten uit de revolutionaire dekoloniale en anti-imperialistische traditie van Latijns-Amerika en Cuba met die van Europa: het marxisme.
“Maar wat gaf ons zicht op het pad dat ons vaderland naar een hoger politiek niveau zou brengen? Zonder de verlichte retoriek van Martí, zonder het krachtige voorbeeld van het onsterfelijke werk van Céspedes, Agramonte, Gómez, Maceo en zovele legendarische mensen uit de strijdgeschiedenis, zonder de buitengewone wetenschappelijke ontdekkingen van Marx en Engels, zonder de geniale interpretatie daarvan van Lenin en zijn wonderlijke historische heldendaden, zonder dat alles, zou er nooit een 26ste juli gepland zijn geweest.”6
Op 26 juli 1953 bestormde Fidel Castro met enkele tientallen rebellen de Moncada-kazerne in Santiago. De aanval mislukte, maar was in feite de start van de revolutionaire strijd die zes jaar later de overwinning behaalde. Twintig jaar na de aanval op die Moncada blikte Fidel Castro terug op zijn inspiratiebronnen en daarin speelde José Martí een vooraanstaande rol. In het Westen is deze dichter, filosoof en bevrijdingsstrijder nauwelijks gekend. Toch kan zijn invloed op de Cubaanse revolutie moeilijk overschat worden. Hij legde in de negentiende eeuw het intellectuele fundament voor de onafhankelijkheid van Cuba.

Naast Martí waren ook andere Cubaanse bevrijdingsstrijders een inspiratiebron voor Fidel Castro, ze waren vooral een voorbeeld op vlak van de gewapende rebellie.
“Céspedes gaf ons het sublieme voorbeeld hoe te beginnen met een handvol mensen, wanneer de omstandigheden er rijp voor waren, een oorlog die 10 jaar duurde. Agramonte, Maceo, Gómez en de andere leiders van onze onafhankelijkheidsstrijd, toonden ons de moed en strijdvaardigheid van ons volk, de guerrillaoorlog en de mogelijkheden om de gewapende volksstrijd aan te passen aan de topografie en aan het numerieke overwicht van de vijand.”7
Het is hier belangrijk even stil te staan bij de Cubaanse geschiedenis. Nadat Christoffel Columbus in 1492 op het eiland aanlandde, werd Cuba in 1512 een Spaanse kolonie. De inheemse bevolking werd gedecimeerd door ziekten en uitbuiting. Er werden massaal tot slaaf gemaakte mensen uit Afrika gehaald om in de lucratieve monoculturen van suiker en tabak te werken. Al in 1823 kwam Cuba in het vizier van de VS, die toen zelf nog aan de koloniale verovering van het westen en zuiden van Noord Amerika bezig was. Buitenlandminister en latere president John Quincy Adams noemde Cuba toen “een appel die, eenmaal losgeraakt van de Spaanse boom, door de zwaartekracht vanzelf in de Amerikaanse Unie zou vallen”.
Dat “vanzelf” forceerden ze door zich eind 19e eeuw te mengen in de, door José Martí geleide, derde poging tot buitenzetten van de Spaanse kolonisator in Cuba. De Cubaanse vrijheidsstrijders werden na de overwinning op Spanje zelfs van de onderhandelingstafel geweerd. Zo werd Cuba in 1902 officieel onafhankelijk, maar functioneerde het de facto als een protectoraat van de VS, waar de Amerikaanse ambassadeur meer te zeggen had dan de president van dienst. De verzuchting naar soevereiniteit zou een rode draad blijven tot 1959.
Vanaf de dekoloniale oorlogen van de negentiende eeuw kende Cuba een lange traditie van gewapende revolte. Bij een gecontesteerde verkiezingsuitslag was het niet ongebruikelijk dat jonge mannen zich bewapenden en de bergen introkken om vandaar uit het regime te bestrijden.8 Dat was bijvoorbeeld het geval met Antonio Guiteras, een studentenleider die in de jaren dertig een guerrillabeweging leidde en plannen maakte om onder meer de Moncada-kazerne in te nemen. Zijn programma, met landhervormingen, nationaliseringen en revolutionaire wetten, vertoonde opvallende parallellen met de eerste maanden van 1959. Als vooraanstaande figuur van de kortstondige revolutionaire republiek van 1933 werd hij een belangrijke inspiratiebron voor Fidel Castro.9
Het sluitstuk van Fidel Castros politieke vorming was het marxisme. Zijn spontane drang naar gerechtigheid en afkeer van het kapitalisme kreeg doorheen de studie van de werken van Marx, Engels en Lenin een wetenschappelijke onderbouw. Als jonge student kwam hij ermee in aanraking en raakte er steeds meer door gefascineerd. Die geschriften waren voor hem een “echte politieke revelatie”, daardoor begon hij “de realiteit te snappen”.10 “Ik had tevoren utopische ideeën ontwikkeld, maar nu voelde ik vaste grond onder de voeten.”11 Toen hij zijn revolutionaire carrière begon had hij zich de belangrijkste marxististische beginselen eigen gemaakt. Zonder dat had hij – naar eigen zeggen – geen succesvolle strategie kunnen uitwerken.12
“Welke bijdrage leverde het marxisme aan ons revolutionair erfgoed in die tijd? Het klassenconcept van de samenleving die verdeeld is tussen uitbuiters en uitgebuiten, de materialistische opvatting van de geschiedenis, de burgerlijke productieverhoudingen als de laatste antagonistische fase voorafgaand aan het gesocialiseerd productieproces, de onvermijdelijke komst van de klassenloze maatschappij als gevolg van de productiekrachten in het kapitalisme en van de sociale revolutie. (…) Het marxisme leerde ons vooral de historische missie van de arbeidersklasse, de enige echt revolutionaire klasse, geroepen om tot en met de fundamenten van het kapitalisme om te vormen, en de rol van de massa’s in de revolutie. (…) Staat en revolutie van Lenin verklaarde ons de rol van de staat als onderdrukkingsapparaat van de overheersende klasse en de noodzaak een revolutionaire macht op te bouwen die de weerstand van de onderdrukkers kan verpletteren. Alleen in het licht van het marxisme is het mogelijk niet alleen de actuele loop der gebeurtenissen te begrijpen, maar ook de gehele historische evolutie van de natie en het Cubaanse politieke ideeëngoed van de voorbije eeuw.”13
Van de oorspronkelijke 26 juli beweging was Che Guevara de meest gevormde marxist. Uren en nachtenlang discussieerde hij met Fidel Castro. Deze Argentijnse intellectueel heeft ongetwijfeld een zeer grote invloed gehad op het denken van Fidel Castro, hun politiek-strategische, maar ook filosofische opvattingen waren zeer gelijklopend.14 De dood van Che in 1967 was een zware slag voor de Cubaanse revolutie. Zijn geschriften “zullen een blijvende waarde hebben in het revolutionair proces van Cuba en in het revolutionair proces van Latijns-Amerika,” aldus Fidel Castro.15
José Martí
Reeds als tiener geraakte Fidel Castro gefascineerd door José Martí. “Voor ik utopisch communist of marxist was, was ik Martiaan”, vertelde hij in zijn interview met de Braziliaanse theoloog Frei Betto. “Ik was het sinds het begin van mijn hogere studies: ik zal de enorme aantrekkingskracht van het gedachtegoed van Martí nooit vergeten.”16
Het kleurde zijn verdere leven op een doordringende manier. Bij zijn verdediging op het Moncada-proces citeerde hij de nationale held zeventien maal en op vraag van de rechter wie het brein was van de aanval, antwoordde hij doodernstig “José Martí”.
“Martí leerde ons zijn brandend patriottisme, zijn gepassioneerde liefde voor de vrijheid en de waardigheid van de mens, zijn afschuw voor despoten en zijn grenzeloos geloof in het volk. In zijn revolutionaire retoriek zat het morele fundament en de legitimatie van onze gewapende actie. Daarom zegden we dat hij de intellectuele auteur was van 26 juli.”17
In zijn speeches verwees hij telkens opnieuw naar de “Apostel van Cuba”. “Martí is en zal voor altijd de gids zijn van ons volk”, schreef hij in een voorwoord van de verzamelde werken van José Martí.18
José Martí was een pionier van het modernisme in Latijns-Amerika, een literaire stroming die rond het einde van de 19e eeuw ontstond. Het Latijns-Amerikaanse modernisme legde de nadruk op esthetiek en muzikale taal, op symboliek en zintuiglijkheid, en op verlangen naar universele schoonheid en vrijheid, vaak gecombineerd met een politieke en culturele kritiek op kolonialisme en sociale onrechtvaardigheid.
In vergelijking met het Europese modernisme legde het Latijns-Amerikaanse modernisme meer nadruk op nationale identiteit, sociale en politieke kwesties, terwijl de Europese variant vooral experimenteerde met vorm, perspectief en individualisme.19

Voor Fidel Castro was Martí “de meest diepzinnige politieke en revolutionaire denker van de hemisfeer”. Maar hij was meer dan een denker; hij gaf zijn leven voor de bevrijding van Cuba van de Spaanse kolonisatie en kwam om in de strijd. Dat maakte een grote indruk op de jonge Fidel Castro.20
Je kan de Cubaanse revolutie en het leven van Fidel Castro maar ten volle vatten als je ziet welke kapitale rol de figuur en het denken van José Martí daarin spelen.21 Je vindt zijn standbeeld tot in het kleinste hoekje van het land. Cubanen vertonen een heilig respect ten aanzien van zijn persoon. Op het eerste congres van de communistische partij in 1975 werd een symbolische plaats voor hem voorbehouden in het sprekersgestoelte.22
In het begin van de negentiende eeuw verwierven praktisch alle landen van Latijns-Amerika hun onafhankelijkheid. Cuba miste deze trein. Martí maakte er zijn levensdoel van. Hij had snel door dat de Cubanen hun soevereiniteit niet cadeau zouden krijgen, maar dat ze er duur voor zouden moeten betalen, dat het een gevecht zou worden op leven en dood, maar dat het dat waard was.
Die consequente en strijdbare houding inspireerde Fidel Castro. Van Martí leerde hij dat je niet moet vragen om je rechten maar dat je ze moet nemen: “je moet ze afdwingen i.p.v. erom te bedelen”.23 Een geknecht leven heeft geen zin, “het is beter rechtop te sterven dan geknield te leven”.24
Martí zag snel in dat enkel de gewapende strijd een einde zou maken aan de slavernij en aan de kolonisatie: “de oorlog was onvermijdelijk en noodzakelijk”. De 26 juli beweging plaatste zich in die traditie: “onze revolutie heeft altijd deze toon, dit voorschrift en deze Martiaanse stijl gevolgd”.25
De strijdbaarheid en revolutionaire geest van Martí zijn heel belangrijk geweest voor de collectieve psychologie van de Cubanen. Hij schonk ze een diep gevoel van trots en zelfrespect. Van hem kregen ze “een bezield patriottisme en een notie van eer en waardigheid zoals niemand anders in de wereld” hen dat heeft bijgebracht.26
De Cubaanse onafhankelijkheidsstrijd werd zoals gezegd doorkruist door de expansiedrang van Washington. Het nationale gevoel kreeg daardoor een sterk anti-imperialistische dimensie, met Martí als katalysator. De ‘Apostel van Cuba’, zoals Martí genoemd wordt, maakte zich over de VS niet veel illusies, hij kende “het monster” omdat hij “jarenlang in zijn ingewanden had geleefd”.27
Hij had het voortdurend over het “imperialisme” en maakte zich vooral zorgen over het neokoloniaal expansionisme van de VS in “Ons Amerika”, zoals hij die regio omschreef. Tegenover deze reus waren de landen afzonderlijk weerloos, daarom was Martí “een van de meest fervente verdedigers van de eenheid van Latijns-Amerika”. Martí sloot hier aan bij het ideeëngoed van Simón Bolívar, een belangrijke bevrijdingsstrijder van Latijns-Amerika.
Die eenheidsgedachte heeft Fidel Castro sterk beïnvloed. Alle Latijns-Amerikanen “hebben dezelfde gevoelens, dezelfde belangen, hetzelfde ras, dezelfde gevoeligheid en dezelfde menselijke verlangens”. De kracht van het continent bestaat in de eenheid, “het is de eenheid die de volkeren toelaat hun rechten te verdedigen”.28 Fidel Castro was amper eenentwintig toen hij deelnam aan een expeditie om de Dominicaanse dictator omver te gooien.
Een jaar later nam hij deel aan een volksopstand in Colombia. Hij was heel actief in een pro-onafhankelijkheidsbeweging van Puerto Rico. In de jaren zestig gaf Cuba onvoorwaardelijke steun aan de revolutionaire plannen van Che. Voor Fidel Castro is de eenheid van het continent steeds een vitale kwestie gebleven. Bijna tweehonderd jaar na de onafhankelijkheid is Latijns-Amerika nog steeds “verdeeld en gebalkaniseerd”, zei hij.29
Van zodra de historische omstandigheden het toelieten heeft Fidel Castro werk gemaakt van zijn oude droom. Samen met Chávez richtte hij in 2004 de ALBA op, het Bolivariaanse Alternatief voor Latijns-Amerika. Het moest de eerste stap zijn naar een integratie van de landen uit de regio. Cuba speelde in de ogen van Martí een cruciale rol om het imperialisme te stoppen, hij wilde Cuba omturnen in “een loopgraaf, een verdedigingslinie voor de belangen van Ons Amerika”.30
Die historische verantwoordelijkheid heeft Fidel Castro tot de zijne gemaakt en is samen met de marxistische traditie de basis voor het sterk internationalisme dat de Cubaanse revolutie altijd heeft gekenmerkt.
“Van José Martí, gids en apostel van onze onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje, leerden we de internationalistische gezindheid. Die werd door Marx, Engels en Lenin versterkt in het bewustzijn van ons volk. Voor Martí was ‘vaderland hetzelfde als mensheid’, en hij schetste ons het beeld van een verenigd Latijns-Amerika tegenover het andere Amerika dat imperialistisch en arrogant was, ‘brutale ruziemaker’ – zoals hij het zei –, en dat ons verachtte.”31
Eenheid was niet alleen essentieel tussen de landen van het continent, maar ook binnen Cuba. Het is “essentieel voor een maatschappij die tegenover de problemen van onderontwikkeling staat en die zich in uiterst moeilijke omstandigheden van de wereld van vandaag moet ontwikkelen. Martí zag dat al meer dan 100 jaar geleden”.32
Volgens Martí was de eerste onafhankelijkheidsstrijd mislukt omwille van verdeeldheid binnen de leiding. Hij trok daar lessen uit en richtte een revolutionaire eenheidspartij op. Fidel Castro nam na de overwinning die historische draad weer op. Het meerpartijensysteem had bovendien zijn failliet bewezen. Tijdens de militaire dictatuur van Batista van ’52 tot ’59 hadden de kopstukken van de traditionele partijen een politiek front gevormd met de dictator.33
Dát zijn de redenen waarom de Cubaanse revolutie slechts één partij heeft, “zoals Martí één enkele partij had om de revolutie te maken”.34 Het is geen principiële of dogmatische opstelling, maar een resultante van historische omstandigheden en ervaringen uit het verleden.35 “Hoe had ons land kunnen standhouden als we versnipperd waren geweest in tien stukken” vroeg Fidel Castro zich af.36
“De ideale maatschappij voor het imperialisme is de verdeelde en verbrokkelde maatschappij. Want de krachten van de natie worden op die manier verkaveld en de één wordt tegen de ander opgezet. Ze staan dan niet meer in dienst van de natie maar in dienst van partijbelangen en in dienst van de imperialistische overheersing.”37
Het filosofisch denken in Latijns-Amerika was in de achttiende en negentiende eeuw geen kennis om de kennis, zoals in het Westen,38 maar was gericht op het verheffen van de mens. Het was een synthese tussen de analyse van de realiteit en het streven naar een betere toekomst. Vandaar de nadruk op onderwijs, ethiek, de subjectiviteit van de mens en het streven naar rechtvaardigheid en een betere wereld.
Martí was een subliem exponent van die traditie39 en in deze een belangrijke inspiratiebron voor Fidel Castro, vooreerst op het vlak van het leren. Martí achtte onderwijs en intellectuele vorming zeer belangrijk. Van hem was de uitspraak “gevormd zijn om vrij te zijn”.40 Niet toevallig zie je bij de ingang van elke school in Cuba het borstbeeld van José Martí. Fidel Castro leerde van hem “de waarde van een leer, de kracht van ideeën”.41 Kennis is niet alleen macht, het is de belangrijkste kracht waarover de revolutie beschikt. Een overtuigd volk is onoverwinnelijk.
“Rechtvaardige ideeën hebben een kracht die superieur is aan alle reactionaire krachten tezamen.”42
“Ideeën zijn niet enkel een middel om strijdbaar bewustzijn te ontwikkelen bij de volkeren, maar ze zijn tegelijk het belangrijkste strijdmiddel geworden op dit moment. Ze dienen niet enkel als inspiratie, gids of oriëntatie, maar zijn het belangrijkste wapen in de strijd.”43
“Het zijn de ideeën die ons verenigen, die ons tot een strijdbaar volk maken. Het zijn de ideeën die ons maken tot wat we zijn, niet enkel als individu maar ook collectief: revolutionairen. En dus, wanneer de kracht van allen zich verenigt dan kan een volk nooit verslagen worden. Wanneer de hoeveelheid ideeën sterk toeneemt, wanneer de ideeën en waarden waar we voor staan zich vermenigvuldigen, des te minder kan een volk verslagen worden.”44
De Batalla de ideas,45 de ideeënstrijd, had voor Fidel Castro absolute prioriteit. Die prioriteit vertaalde zich in grote inspanningen op het vlak van vorming en onderwijs. De eerste grote campagne na ’59 was de alfabetisering van de gehele bevolking. Dat gebeurde binnen het jaar. Cuba was daarmee het eerste land van Latijns-Amerika waar analfabetisme was uitgeroeid.
Het onderwijs kreeg van bij aanvang een vooraanstaande plaats in de revolutie. In 1975 was het budget voor onderwijs elfmaal groter dan dat van 1958.46 Op onderwijsvlak staat Cuba vandaag volgens de UNESCO met kop en schouders boven de rest van Latijns-Amerika47, en dat ondanks de verstikkende economische blokkade. Fidel Castro hamerde in zijn speeches steeds opnieuw op het belang van vorming. Studeren is een revolutionaire discipline: “Geen enkele revolutionair moet zich ooit schamen om zijn beperkingen te erkennen want het leven van elk revolutionair moet een permanent leren zijn”.48
Twee andere elementen van het ideeëngoed van Martí die bij Fidel Castro een heel bijzondere plaats innamen zijn de ethische en de utopische dimensie.
“In wezen kregen we van hem [Martí] de ethiek, vooral de ethiek. Wanneer hij de onvergetelijke zin uitsprak: ‘Alle glorie van de wereld kan in een maïskorrel’, leek me dat onnoemelijk mooi t.a.v. zoveel ijdelheid en ambitie die je overal ziet en van wiens verleidingen wij revolutionairen heel ons leven bewust moeten blijven. Ik heb me die ethiek eigen gemaakt. De ethiek als handelwijze is essentieel en een rijkdom die grenzeloos is.”49
“Martí zei dat de dromen van de idealist van vandaag de wetten van morgen zijn.”50
In het denken en handelen van Fidel Castro nam ethiek een centrale plaats in, het is de kern waarrond alles draaide. Het was het meest vernieuwende, maar ook minst gekende aspect van zijn denken. Morele waarden vormden de hefboom voor het communisme en de ziel van de Cubaanse revolutie.
Hij stelde: “Elke revolutionaire gedachte begint met een beetje ethiek.”51 Ethiek is de sleutel voor succes, het is “de belangrijkste kracht waarover men kan beschikken”,52 de overwinning in de oorlog “hangt af van een minimum aan wapens en een maximum aan moraal”.53 Ethiek is ook de essentie van goed leiderschap, “een leider heeft geen behoefte aan titels, maar nood aan morele autoriteit, aan morele kracht”.54.
Volgens Fidel Castro kwam de ethiek van de Cubaanse revolutie fundamenteel via Martí.55 Ook Che Guevara deelde het uitgangspunt dat ethiek een essentiële rol speelt. Che geloofde sterk in morele waarden en in het bewustzijn van de mens als motor van communistische verandering.56
Ethische principes ontstaan echter niet vanzelf, maar moeten via intensief onderwijs en cultuur worden aangeleerd. Er kan geen socialistische maatschappij komen “zonder dat bepaalde ideeën onverzettelijke ethische principes worden van elke burger”.57 Opvoeden betekent het systematisch “verspreiden van waarden die vaak haaks staan op die natuurlijke en spontane impulsen”.58 Er moet, om het met de woorden van Che te zeggen, een “nieuwe mens” gecreëerd worden.59
De focus op ethiek vertaalde zich in indrukwekkende sociale prestaties, zoals een uitstekend gezondheids- en onderwijssysteem. Cuba bestrijdt actief armoede en ondervoeding, en zorgt nauwkeurig voor kwetsbare groepen zoals gehandicapten. Fidel Castro benadrukte dat de revolutie voor iedereen zorgt en “absoluut niemand vergeet, of die nu blind is, of doof, of om het even welke handicap heeft”.60
De revolutie zette daarnaast zwaar in op het uitschakelen van racisme en seksisme. Hoewel dat soort vooroordelen diep geworteld waren als gevolg van de patriarchale koloniale erfenis, studeren er inmiddels meer vrouwen aan de universiteit dan mannen. Voor Fidel Castro “is er niets absurder en crimineler dan discriminatie”.61 Hij streefde naar een samenleving waarin blanken en zwarten samen het hatelijke racisme op de werkvloer stoppen.
Ondanks honderden Amerikaanse moordpogingen op Fidel Castro en een langdurige economische blokkade, toonde Cuba opvallend genoeg geen anti-Amerikanisme.62 De Cubaanse overheid maakte steeds een strikt onderscheid tussen de Amerikaanse regering en haar burgers. Toen president Reagan werd bedreigd met een moordplan, gaven de Cubaanse veiligheidsdiensten die informatie direct door.63
Ook binnenlandse tegenstanders werden met een strikte ethische code behandeld. Aan het begin van de revolutie droeg Fidel Castro leraren op om kinderen van oorlogsmisdadigers met liefde te behandelen. Hij stelde over deze kinderen: “Als dit kind het ongeluk heeft dat zijn vader een misdadiger is, heeft het daar geen schuld aan.”64
Cuba beschouwt internationale solidariteit als een morele en principiële plicht om haar schuld aan de mensheid te vereffenen. Het land stuurt tienduizenden artsen en leraren naar het buitenland voor gratis hulp. Fidel Castro verklaarde: “We moeten de anderen helpen, hoewel niemand ons zal helpen. Dat is gewoon een morele plicht.”65
Het land aarzelde ook niet om gevaarlijke, militaire missies te ondernemen in Afrika, vaak tegen de zin van bondgenoot de Sovjet-Unie. Meer dan tweeduizend Cubaanse vrijwilligers verloren hierbij het leven. De Cubaanse troepen brachten in Angola een beslissende slag toe aan het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime, wat de machtsbalans definitief deed omslaan.
Nelson Mandela prees deze Cubaanse steun aan Afrika uitvoerig en noemde het palmares van altruïsme ongekend. Volgens Mandela was de militaire overwinning in Cuito Cuanavale een absoluut keerpunt voor de Afrikaanse bevrijdingsstrijd. Hij verklaarde destijds dankbaar dat deze cruciale overwinning zijn eigen vrijlating uit de gevangenis mogelijk had gemaakt.66
Minstens zo merkwaardig is de aanwezigheid van de utopische dimensie bij een overtuigd marxist. Volgens Fidel Castro moet een revolutionair dromen en idealen koesteren, zelfs al zijn die niet volledig haalbaar. Don Quichote was voor Marx de karikatuur van het utopisch socialisme, het prototype van de tot mislukken gedoemde naïeve idealist. Hij gebruikte de held van de Cervantes als een scheldnaam voor zijn ideologische tegenstrevers.67
Uitgerekend deze schertsfiguur was Fidel Castro’s grote held, evenals die van Che.68 De roman over Don Quichote was het eerste boek in Cuba dat op miljoenen exemplaren gedrukt en verspreid werd na de overwinning.69 Op het eiland vind je overal standbeelden van deze edelman die het opneemt tegen windmolens. We zijn hier ver verwijderd van de antihouding tegenover ethiek en utopieën in het marxisme.
“Martí zei dat de dromen van de idealist van vandaag de wetten van morgen zijn. Tegen ons zei men ook dat we dromers waren toen we de strijd tegen Batista begonnen, maar vandaag maken we de revolutionaire wetten van de republiek. Meer nog: hoewel de doelen misschien niet bereikt worden, is erover dromen en ze ambiëren op zich reeds de éérste stap tot hun realisatie. Als we dat zo hoge doel niet bereiken, maar slechts de helft ervan, is dat al veel. Je moet het hoogste nastreven om zoveel mogelijk te bereiken.”70
De grote nadruk op ethiek betekent niet dat Fidel Castro terugkeerde naar het utopisch of ethisch socialisme, omdat ‘zijn’ ethiek klassengebonden was en in functie stond van een revolutionair project. Hij zag moraal niet als een vals bewustzijn dat de status quo in stand houdt, maar integendeel als een onvervangbare kracht tot verandering. Die strijdmoraal wordt gevoed door de strijdervaringen van de voorvaderen. Het was José Martí die hem dat inzicht bijbracht. In de ogen van Fidel Castro doet links er niet verstandig aan om de ethische kracht niet te gebruiken. Het recupereren van de ethische dimensie en het humanisme is wellicht een van zijn belangrijkste bijdrage aan het marxisme.
Antidogmatisch maar beginselvast
Fidel Castro was autodidact. Hij was geen adept van een of andere denkstroming of partij maar ontwikkelde zijn politiek denkkader op eigen houtje en vanuit zijn eigen realiteit. Het resultaat was een originele en onorthodoxe mix, een variant van het marxisme, zoals we dat ook terugvinden bij de Peruviaan José Mariátegui.71
Om enkele punten te noemen waarin hij afweek van het klassieke marxisme: de 26 juli beweging begon de gewapende strijd zonder dat er van een voorhoede partij sprake was en zonder dat er een lange en grondige politieke voorbereiding aan voorafging. De gewapende strijd was niet ondergeschikt aan de centrale politieke leiding van een communistische partij.
Fidel Castro geloofde net zoals Che dat niet alle voorwaarden hoefden voldaan te zijn om de revolutie te starten maar dat die zich doorheen de strijd zouden ontwikkelen. Ethiek, waarden en ideeën speelden voor hem een prominente rol. Andere verschilpunten hebben betrekking op de rol van religie, de utopische dimensie en de manier waarop basisdemocratie wordt gecombineerd met democratisch centralisme.72
De marxistische traditie baseerde zich op rede en wetenschappelijkheid en was een reactie op de utopische en idealistische traditie binnen het socialisme. Fidel Castro slaagde erin het socialisme te verrijken met utopische en idealistische elementen.
Voor Fidel Castro was het marxisme geen set van eeuwige waarheden, “geen catechismus”.73 Hij zag het als een instrument om de werkelijkheid te interpreteren, een “kompas”74 om de historische koers te bepalen, of beter, te helpen bepalen, want op dat vlak zijn er nooit absolute zekerheden.
Fidel Castro gaf zelf toe dat één van de grootste fouten die ze in het begin maakten en ook vaak verderop tijdens de revolutie, erin bestond te geloven “dat we duidelijk wisten hoe we het socialisme moesten opbouwen”.75 Hij verzette zich tegen elke vorm van canonisering. “Ik ben fundamenteel antidogmatisch” zei hij in het honderd uren durend interview met Ignacio Ramonet.76 De werkelijkheid heeft het laatste woord.
“Want er bestaat niets antimarxistischer dan het dogma, niets kan meer onmarxistisch zijn dan versteende waarheden. Er bestaan bovendien zogenaamde waarheden waarmee het marxisme geschermd heeft die echte fossielen blijken te zijn. … Het marxisme moet zich kunnen ontwikkelen, loskomen van een zekere verkramptheid, de realiteiten van vandaag met objectiviteit en wetenschappelijkheid analyseren, zich gedragen als een revolutionaire kracht en niet als een pseudo-revolutionaire kerk.”77
“Heel mijn leven ben ik tegen dogma’s geweest en wij moeten vermijden dat het gedachtegoed van de meest illustere politici, van de meest verlichte revolutionairen tot dogma verwordt. Elk gedachtegoed is gelieerd aan een bepaald moment en correspondeert met bepaalde omstandigheden. Zo zijn zaken die Lenin op een bepaald moment als de gepaste formule zag voor een gegeven situatie, niet zomaar toepasbaar in andere, verschillende omstandigheden of in andere tijden.”78
Dat betekent niet dat de Cubaanse revolutie niet vasthoudt aan zijn principes. Toen bijvoorbeeld halverwege de jaren negentig fundamentele ideologische afwijkingen werden vastgesteld in twee studiecentra van de communistische partij, werd niet geaarzeld om kordaat op te treden.79 “De revolutie zal nooit aan zijn principes verzaken, nooit zal ze de verwezenlijkingen voor het volk opgeven of haar ideeën of doelstellingen vergeten. Nooit zal ze op de knieën gaan voor het imperium.”80
Deze beginselvastheid mag echter niet verward worden met verkramping of verstening. Verkramping is een teken van zwakte en onzekerheid. Het is precies een stevige ideologische basis die een soepele en creatieve toepassing ervan mogelijk maakt.
“De weg van de opbouw van het socialisme is een gebaande weg. Dat wil niet zeggen dat de voorwaarden overal dezelfde zijn, dat het socialisme in elk land op dezelfde manier opgebouwd moet worden, dat men rigoureus moet nabootsen wat elders al gebeurde. Neen. Elk land heeft zijn eigenheid en precies daaraan moet elke land zijn programma, methodes en tactieken aanpassen, en dat is ook wat wij moeten doen.”81
Fidel Castro vatte het marxisme niet op als een uniek recept dat overal onveranderd kan toegepast worden. Integendeel, elk land heeft zijn eigen problemen, stijl en doelstellingen. Geen twee revolutionaire processen zijn dezelfde. Er bestaat dus ook geen standaard recept om een revolutie tot een goed einde te brengen, maar er kan wel geleerd worden “van de beste ervaringen en van de grootste fouten”.82
Toen Fidel Castro de vraag werd gesteld of de weg die Allende in Chili bewandelde in tegenspraak was met die van Cuba, antwoordde hij resoluut: “Wij zagen niet alleen geen contradictie, we zullen altijd aangenaam verrast zijn door elke variant die opduikt, en dat elke variant maar tevoorschijn komt! Als alle wegen naar Rome leiden dan kunnen we alleen maar hopen op duizend wegen naar revolutionair Rome!”83 Een gelijkaardige reflex had Fidel Castro ten aanzien van de Chinese revolutie (’49) en die van Nicaragua (’79).84
Die eigen weg gold ook voor Cuba zelf. In vergelijking met de Oostbloklanden was Cuba kwetsbaarder en omwille van de economische blokkade door de VS, economisch meer afhankelijk van de SU. Toch heeft het zijn eigen, autonome koers koppig blijven varen, soms zeer tegen de zin van Moskou.85 Dat Cuba na de val van de Berlijnse Muur overeind bleef in tegenstelling tot de socialistische landen in Europa heeft daar vermoedelijk veel mee te maken.
“Het socialisme is hier niet door klonering gekomen, noch door kunstmatige inseminatie. Dat moet je in rekening brengen wanneer je Cuba met andere processen of pogingen om het socialisme te bouwen in Oost-Europa vergelijkt, waar het vandaag de bedoeling is om het kapitalisme te installeren.”86
Footnotes
- Betto F., Fidel y la religión, Havanna 1994, p. 148.
- Guevara E., Obras Escogidas 1957-1967. Tomo 1, Havanna 1970, p. 92.
- Martin L., The early Fidel Castro, Secaucus 1978, p. 94.
- Betto F., op. cit., p. 162.
- Ibid., p. 143.
- Discurso, 26 juli 1973. De meeste redevoeringen van Fidel Castro bevinden zich op http://www.cuba.cu/gobierno/discursos. Indien dit het geval is vermelden we als referentie Discurso, gevolgd door de datum.
- Ibid.
- Gott R., Cuba. A New History, New Haven 2004, p. 9.
- Gómez García H., Cuba. Génesis del Socialismo. Historia Contemporanea de Cuba 1895-1944. Del Colonialismo Español al Imperialismo Norteamericano, Caracas 2004, p. 264-8; Gott R., op. cit., p. 139-143; Mártinez Heredia F., La revolución cubana del 30. Ensayos, Havanna 2007, p. 38-119. Voor een vergelijking tussen Guiteras en Fidel Castro, zie Suárez Suárez R., Un insurreccional en dos épocas con Antonio Guiteras y con Fidel Castro, Havanna 2001.
- Betto F., op. cit., p. 145.
- Ramonet I., Cien horas con Fidel, Havana, 2006, 3de uitgebreide druk, p. 140.
- Miná G., Un encuentro con Fidel, Havanna 1988, p. 171.
- Discurso, 26 juli 1973.
- Voor een beknopt overzicht van de politieke ideeën van Che, zie Vandepitte M., Ernesto Che Guevara – Política; https://www.scribd.com/document/219124916/Ernesto-Che-Guevara-Politica.
- Discurso, 18 oktober 1967.
- Betto F., op. cit., p. 142.
- Discurso, 26 juli 1973.
- Geciteerd in Revista de la Sociedad Cultural José Martí 2000, nr. 3, p. 4.
- https://www.britannica.com/art/modernismo.
- Guerra D., Concepción M. & Hernández A., (ed.), José Martí en el ideario de Fidel Castro, Havanna 2004, p. 249.
- Voor de betekenis van José Martí in het denken van Fidel Castro, zie Rice D., The Rhetorical Uses of the Authorizing Figure: Fidel Castro and Jose Marti, New York 1992; Guerra D., Concepción M. & Hernández A., (ed.), op. cit.
- Ponte A., ‘José Martí: historia de una bofetada’, Mundo nuevo – nuevos mundos 25 april 2008, http://nuevomundo.revues.org/index30622.html.
- Guerra D., Concepción M. & Hernández A., (ed.), op. cit., p. 45.
- Discurso, 26 juli 1964.
- Discurso, 18 november 1971.
- Discurso, 29 januari 2003, geciteerd in http://www.cuba.cu/gobierno/discursos/2008/esp/f280108e.html.
- Martí J., Obras escogidas, Havanna 1981, Volume III, p. 576.
- Discurso, 23 januari 1959.
- Discurso, 24 juli 1993.
- Discurso, 14 oktober 1995.
- Discurso, 22 december 1972.
- Guerra D., Concepción M. & Hernández A., (ed.), op. cit., p. 283.
- Hart Dávalos A., Ética, Cultura y Política, Havanna 2006, p. 96.
- Discurso, 14 oktober 1991.
- Cfr. Gómez García H., op. cit., p. 15, 46v; Harnecker M., Fidel. La estrategia política de la victoria, Havanna 2001, p. 98.
- Borge T., Un grano de maíz, Havanna 1992, 111.
- Discurso, 11 februari 1993.
- Dat ideaal gaat terug tot de Griekse filosofie. Bij Plato en Aristoteles stond theoria, het beschouwende denken, zeer hoog aangeschreven. De filosoof zoekt waarheid niet omdat die meteen iets oplevert, maar omdat waarheid, inzicht en begrip op zichzelf waardevol zijn. De hoogste vorm van leven was niet het nuttige of productieve leven, maar het leven van de vrije mens die de werkelijkheid probeert te begrijpen.
- Hart Dávalos A., ‘Dialectica de la relación entre el ideal socialista y la tradición martiana’, in Hart Dávalos A., Ética, Cultura y Pólitica, Havana, 2006, 141-152.
- Granma 22 juni 2000, p. 5.
- Discurso, 26 juli 1973.
- Discurso, 2 december 2001.
- Het citaat is afkomstig uit een speech van Fidel Castro van 10 december 1998, waaruit hij citeert in deze speech. Discurso, 5 december 2004.
- Discurso, 17 november 2005.
- De ‘Batalla de Ideas’ werd in 2000 gelanceerd naar aanleiding van de zaak Elián. Op 25 november 1999 overleefde de vijfjarige Elián González een illegale overtocht naar de VS, waarbij zijn moeder overleed. Familieleden in Miami weigerden hem terug te geven aan zijn vader in Cuba. Daarop braken in Cuba massale protesten uit. Uiteindelijk kon Elián op 28 juni 2000 terugkeren naar Cuba.
- Silva León A., Breve historia de la revolución cubana, Havanna 2003, p. 45.
- https://www.unesco.org/en/articles/education-all-2000-2015-only-cuba-reached-global-education-goals-latin-america-and-caribbean.
- Discurso, 13 maart 1968.
- Ramonet I., op. cit., p. 142.
- Discurso,16 februari 1959.
- Discurso, 17 november 2005.
- Discurso, 9 augustus 2000.
- Suárez Pérez E. & Caner Román A. (ed.), De cinco palmas a La Habana, Havana, 1998, p. 221.
- Discurso, 9 augustus 2000.
- Ramonet I., op. cit., p. 140.
- Discurso, 18 oktober 1967.
- Discurso, 8 januari 1989.
- Discurso, 2 september 2002.
- . Bij Che Guevara verwees ‘de nieuwe mens’ naar een moreel en spiritueel getransformeerd individu dat niet langer gedreven werd door egoïsme of geld, maar door solidariteit, opofferingsgezindheid en plichtsbesef voor de gemeenschap. Dit was volgens hem cruciaal omdat het louter veranderen van economische en politieke structuren niet zou volstaan om het kapitalisme echt te overwinnen; de oude, materialistische mentaliteit moest ook verdwijnen. Alleen wanneer mensen zich uit innerlijke, morele motivatie inzetten voor de samenleving, kon er volgens Guevara een werkelijk rechtvaardige en duurzame socialistische maatschappij ontstaan. Guevara E., Che GuevaraEl socialismo y el hombre en Cuba, 1965, https://www.marxists.org/espanol/guevara/65-socyh.htm?utm_source=chatgpt.com
- Discurso, 5 februari 1987.
- Discurso, 29 maart 1959.
- Jayatilleka D., Fidel’s Ethics of Violence. The Moral Dimension of the Political Thought of Fidel Castro, Londen 2007, p. 185.
- Reflexiones del comandante en jefe, El imperio y la mentira, 11 september 2007, http://www.cuba.cu/gobierno/discursos/2007/esp/f110907e.html.
- Discurso, 14 september 1959.
- Discurso, 4 april 1982.
- Jayatilleka D., op. cit., p. 108.
- Bijvoorbeeld Marx K., Grundrisse der Kritik der Politischen Ökonomie. (Rohentwurf), Hamburg 1978, p. 77.
- Guevara, E., op. cit., p. 693.
- Jayatilleka D., op. cit., p. 180.
- Discurso,16 februari 1959.
- Zie bvb. Arico J., Mariátegui y los origenes del marxismo latinoamericano, México 1978; Ibanez A., Mariátegui: Revolución y utopia, Lima 1978; Mohetic Y., Mariátegui, Santiago de Chili 1970.
- Democratisch centralisme is het besluitvormingsproces binnen een traditionele communistische partij. Over alle beslissingen wordt uitgebreid gediscussieerd op alle niveaus. De hogere niveaus houden rekening met de besluiten van de lagere. Dat is het democratische luik. Eenmaal de besluitvorming rond is, wordt ook verwacht dat iedereen zich daaraan houdt en naar buiten uit die beslissing verdedigt. Dat is het luik van het centralisme. In een basisdemocratie worden zoveel mogelijk beslissingen op een zo laag mogelijk niveau genomen, bij voorkeur zonder vertegenwoordiging (rechtstreeks) of tussenkomst (via een partij bijvoorbeeld) en wordt een zo groot mogelijke participatie nagestreefd.
- Geciteerd in Bourne P., Fidel: A Biography of Fidel Castro, New York 1986, p. 235.
- Ramonet I., op. cit., p. 144.
- Ibid., p. 706.
- Ibid., p. 444.
- Discurso, 12 januari 1968.
- Borge T., op. cit., p. 85.
- De studiecentra werden herschikt, enkele kopstukken ervan werden overgeplaatst. Dat gebeurde in het kader van het vijfde Plenum in 1996. De ideologische verslapping was een neveneffect van de zware economische crisis na de val van de SU. Na het zesde plenum kwam er een soort ideologische rectificatie. Zie Vandepitte M., De gok van Fidel Castro. Cuba tussen socialisme en kapitalisme? Berchem 1998, p. 183-190.
- Discurso, 26 juli 1995.
- Discurso, 2 december 1961, https://www.abertzalekomunista.net/images/Liburu_PDF/Internacionales/Castro_Fidel/Fidel%20Castro.%20Discurso%20sobre%20el%20marxismo-leninismo%20-K.pdf.
- Discurso, 23 november 2004.
- Geciteerd in Balfour S., Profiles in Power. Castro, Londen 1990, p. 124.
- Dat behandelt hij expliciet respectievelijk in Discurso, 26 juli 1979 en Discours, 2 december 1961, op. cit.
- Zo bijvoorbeeld de steun aan revolutionaire bewegingen in Latijns-Amerika en de meeste militaire operaties in Afrika.
- Ramonet I., op. cit., p. 326.
