Artikel

De ECB geldmachine voor het kapitaal

David Hollanders

—6 oktober 2025

De Europese Centrale bank sluist via technische operaties miljarden euro’s naar de banken en de multinationals. We moeten ontsnappen uit de ijzeren eurokooi.

Sinds de zomer van 2022 verhoogde de Europese Centrale Bank (ECB) in 420 dagen haar rente(s) met 450 basispunten. Op 27 juli 2022 steeg de rente waartegen banken lenen van de ECB van 0% naar 0,5%. Op 20 september 2023 bereikte deze zogenoemde basisherfinancieringsrente met 4,5% haar maximum. Sindsdien is de rente stapsgewijs verlaagd om op het moment van schrijven te landen op 2,15%. Het nut van de renteverhogingen zoals deze was in de afgelopen jaren voer voor discussie.

David Hollanders (1978) doceert economie aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van Jacobin Nederland.

Dit debat valt uiteen in twee delen. Ten eerste is er de vraag of renteverhogingen het beste – of überhaupt een geschikt – middel zijn tegen inflatie. En als dat al het geval is, dan volgt er een tweede kwestie, namelijk of inflatiebestrijding een prioriteit moet zijn en voorrang moet krijgen het behoud van de werkgelegenheid. De eerste vraag betreft de effectiviteit van rentestijgingen.1

De tweede kwestie is van groot belang omdat, in de woorden van econoom Joseph Vogl, als “prijsstabiliteit en geringe inflatie even sterk door iedereen, […] zouden worden gewenst, zouden discussies en maatregelen met betrekking tot de autonomie van centrale banken overbodig zijn.” 2

Dat laatste is echter niet het geval. Voor wie kan leven van kapitaal, is geldontwaarding zonde. Voor wie moet leven van de verkoop van zijn arbeid, is baanverlies nefast. En dus moet de heiligverklaring van inflatiebestrijding in het Verdrag van Maastricht (1992) inderdaad ter discussie gesteld worden. In dat document, waarmee de Europese Unie werd opgericht, is vastgelegd dat ‘prijsstabiliteit’ het ‘hoofddoel’ is van de euro en het gemeenschappelijke monetair en wisselkoersbeleid.3

Het debat over de merites van renteverhoging en over het verband tussen renteverhoging en inflatiebestrijding is belangrijk, maar tegelijkertijd is het ook beperkt. Het richt zich doorgaans op beleid, niet op politiek. Het ontneemt al te snel het zicht op wat de ECB onderneemt náást haar rentebeleid. En daarmee raakt te vaak op de achtergrond dat de ECB in al haar vele praktijken compromisloos het kapitaal begunstigt. De ECB voert niet zozeer een bepaald beleid dat gecorrigeerd kan worden, maar belichaamt en institutionaliseert een klassenbelang, en vertegenwoordigt het kapitaal.

Het is belangrijk om dit klassenkarakter van de ECB goed te begrijpen. Zij behartigt niet zozeer de belangen van individuele bedrijven, maar van het kapitaal als klasse. In het bijzonder moet de ECB voorkomen dat schuldencreatie door banken – wat onvermijdelijk geldcreatie met zich meebrengt – uitmondt in algehele geldontwaarding die het hele systeem, inclusief de banken zelf, ontwricht. Ze heeft de opdracht om het monetair-economische systeem te reproduceren en te stabiliseren op een zo gunstig mogelijke wijze voor banken en grootbedrijven.

Daarvoor is het soms wel nodig om individuele banken te bestraffen, of om de bancaire sector als geheel kredietbeperkende maatregelen op te leggen. Renteverhoging is zo’n maatregel: die wordt niet doorgevoerd omwille van het algemeen belang, maar in het belang van vermogenden, banken en kapitaal als geheel en op lange termijn. De ECB zal nooit in het algemeen belang handelen – of liever, ze identificeert het belang van kapitaal met het algemeen belang. Daar is al haar beleid op gericht en daarom moet de ECB als totaliteit geanalyseerd én verworpen worden in plaats van discussie te voeren over één bepaald beleidsterrein, alsof dat veranderd kan worden zonder de ECB als zodanig te veranderen.

In wat volgt licht ik het klassenkarakter van de ECB toe aan de hand van twee onderbelichte operaties die zij uitvoert: goedkope kredietverlening aan multinationals en het vastleggen van hoge rentes voor depositobanken .

Goedkope kredieten voor multinationals

De ECB bezit het monetaire monopolie in de eurozone. Het Verdrag van Maastricht is daarover helder: “De ECB heeft het alleenrecht machtiging te geven tot de uitgifte van bankbiljetten binnen de Gemeenschap.” De ECB zet haar geldmonopolie op twee manieren in. Ten eerste leent ze uit aan commerciële banken, vooral in zogenoemde basisherfinancieringsoperaties.4 Ten tweede koopt ze obligaties, oftewel schuldpapier, op. Het VEU stelt daarover: “Om de doelstellingen van het ESCB (Europees Stelsel van Centrale Banken) te kunnen verwezenlijken […], mogen de ECB en de nationale centrale banken in de financiële markten opereren door aan- en verkoop.”

Het opkopen van obligaties, de tweede operatie, komt wel neer op kredietverstrekking, maar wijkt toch af van de eerste. In het eerste geval leent de ECB aan commerciële banken, waarmee ze een vordering op die commerciële banken verwerft, wat vaak gepaard gaat met een onderpand. In het tweede geval koopt ze een vordering op de partij die de obligatie uitgaf, wat vaak zonder onderpand gebeurt en daarom risicovoller is. Deze tweede operatie wordt kwantitatieve verruiming genoemd, omdat de geldhoeveelheid direct wordt vergroot. Het eerste scenario is dan weer gericht op de rente, oftewel op de ‘prijs van geld’, waartegen banken lenen, waarmee de kredietverstrekking en de geldhoeveelheid indirecter beïnvloed worden.

Na een eerste experiment in 2010-2012 werd op 22 januari 2015, middenin de Griekse schuldencrisis, besloten kwantitatief te verruimen. De ECB zou obligaties opkopen.5 In eerste instantie betrof het de aanschaf van staatsobligaties in het zogenoemde public sector purchase programme (PSPP, een aankoopprogramma voor de publieke sector). In 2016 besloot de ECB om naast de staatsobligaties ook bedrijfsobligaties aan te schaffen6. De ECB verstrekt daardoor nog tot tenminste 2051 krediet aan multinationals. Maar eerst meer over de aanschaf van staatsobligaties, waar de meeste aandacht naar uitgegaan is.

In het PSPP kocht de ECB staatsobligaties op tweedehandsmarkten. Ze kocht daarmee wel obligaties van staten (uitgegeven door staten), maar niet rechtstreeks van staten (staten als wederpartij). Banken functioneerden als tussenpersoon en ontvingen het verschil tussen de marktprijs van de obligatie en de prijs waartegen aan de ECB verkocht kon worden. Vooral in 2015 was dat verschil groot en dus lucratief. ‘De markt’ – wat in werkelijkheid natuurlijk neerkwam op de banken zelf – had staatsobligaties afgewaardeerd die het nu echter alsnog gegarandeerd bleek kwijt te kunnen aan de ECB. Kortom, door de ECB-garantie obligaties tegen de ‘marktprijs’ op te kopen steeg die ‘marktprijs’ vervolgens, ten gunste van de banken.

Dat deze operatie beperkt bleef tot de tweedehandsobligatiemarkt genereerde niet alleen financiële inkomsten voor banken, maar was ook politiek opportuun. Het voorkwam dat de ECB door financiële transacties direct in aanraking kwam met een lidstaat. De ECB wil dat koste wat kost voorkomen, zodat ze kan volhouden niet verantwoordelijk te zijn voor voorwaarden die ‘de markt’ oplegt aan lidstaten.

De ECB zal nooit in het algemeen belang handelen – of liever, ze identificeert het belang van kapitaal met het algemeen belang.

‘De markt’ wordt immers geacht lidstaten te disciplineren door hogere rentes op te leggen indien een lidstaat met ‘onverantwoord beleid’ haar kredietwaardigheid ondermijnt. In de praktijk komt dit erop neer dat rentebetalingen voorrang krijgen op de eisen of noden van de bevolking. ‘De markt’ vormt de buffer tussen de lidstaten, die op die manier haar handen af kan halen van de gevolgen van haar eigen beleid.

Bovenstaande neemt niet weg dat kwantitatieve verruiming ook profijtelijk was voor lidstaten die rentes op nieuw uit te geven obligaties zagen dalen. Dat laatste was echter niet het doel van de ECB. Het doel had alles te maken met het uitsluiten van Griekenland.7 Historicus Adam Tooze stelt daarover dat het “gebruik van kwantitatieve verruiming de conservatieve meerderheid van de Eurogroep ertoe in staat stelde de linkse Griekse regering in het nauw te drijven zonder op haar hoede te moeten zijn voor een algemene crisis”. Dat is inderdaad aannemelijk. De ECB besloot immers op 22 januari 2015 – vier dagen vóórdat Syriza op 26 januari, zoals al lang duidelijk was dat zou gebeuren, de Griekse verkiezingen won – tot een aankoopprogramma dat de druk op de Griekse staat opvoerde.

Aan de andere kant kreeg de al genoemde aankoop van bedrijfsobligaties door de ECB in 2016 veel minder aandacht. Nochtans is dat een mysterieuze beslissing als men afgaat op de motivatie van de ECB zelf. In maart 2016 werd een corporate sector purchase programme (een aankoopprogramma voor de bedrijfssector, kortweg CSPP) opgestart dat vanaf 2020 – net als het PSPP – werd ondergebracht in het noodaankoopprogramma voor de coronapandemie (pandemic emergency purchase programme, PEPP).

Eind 2024 zijn zowel het CSPP als het PSPP formeel stopgezet. Het is belangrijk om goed te begrijpen wat dat betekent: er worden vanaf 2025 geen nieuwe kredieten meer verstrekt aan bedrijven, maar het duurt nog tot 2051 voordat de laatste kredieten afgelost worden. Daarmee heeft de ECB nog lang een direct financieel belang bij het voortbestaan van participerende bedrijven.8

De tabel geeft een overzicht van de bedrijven waarvan de ECB obligaties gekocht heeft. Het jaartal geeft aan wanneer het krediet afgelost moet zijn. Het overzicht is gedeeltelijk; er zijn te veel participerende bedrijven om een volledige lijst op te nemen.9

Zoals blijkt uit de lijst worden kmo’s uitgesloten van het CSPP: bedrijven dienen minstens 10 miljoen euro aan obligaties uit te geven. Er zijn geen andere uitsluitingsgronden. Met het CSPP worden bedrijven gesteund die na 2016 schuldig zijn bevonden aan fraude met uitstootdetectiesoftware (BMW, Volkswagen), belastingen ontduiken (Shell, Heineken)10, Israël ondersteunen (Coca Cola11) en medeverantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering (Ryanair, Easyjet, Schiphol, Airbus, Brussels Airport, Shell).

Dat laatste is bijzonder opvallend, aangezien de ECB al een aantal jaar beweert klimaatverandering tegen te gaan. Zo sprak ECB-president Lagarde in 2021: “Een ordelijke transitie naar koolstofneutraliteit […] is een no-brainer. Het is nodig dat we actie ondernemen. […] De raad van bestuur heeft overeenstemming bereikt over een uitgebreid actieplan om overwegingen omtrent klimaatverandering verder te integreren in ons beleidskader. We moeten niet gewoon aandachtig zijn maar actie ondernemen.”12Dit staat echter haaks op het feit dat de ECB er financieel belang bij heeft om faillissement of schuldenherstructurering te voorkomen van, bijvoorbeeld, Shell (tot 2039), Volkswagen (2041), Airbus (2040) of EasyJet (2028).

Het is uiteraard weinig verrassend dat een centrale bank kapitaal steunt, maar men zou mogen hopen dat de ECB het meer verlichte deel van de staat zou volgen, en de lange-termijnstabilisatie van het systeem zou laten voorgaan op de onmiddellijke belangen van individuele sectoren. Dat blijkt niet het geval. Vooralsnog wint de factie die te allen prijze het kapitaal steunt. Dit kan uiteindelijk leiden tot een dystopisch systeem waar het kapitaal mogelijk van profiteert, maar dat ook steeds onvoorspelbaarder en moeilijker controleerbaar wordt door de toename van klimaatrampen, hongersnoden en biotoopveranderingen.

Het CSPP (voor de bedrijfssector) en het PSPP (voor de publieke sector) vielen beide onder kwantitatieve verruiming. Er waren echter drie verschillen en die zijn hier van belang. Het eerste verschil school in de aankoopwederpartij. In het CSPP werden obligaties direct overgenomen van bedrijven. Hier ontbraken dus bemiddelende banken, die in het PSPP als tussenpersoon een opslag ontvingen, terwijl die in het CSPP tenminste deels terechtkwam bij de multinationale ondernemingen zelf.13

Het tweede verschil betreft de omvang van de steun. In het PSPP werd maximaal 30% van de door staten uitgegeven obligaties gekocht. Dit was substantieel, maar beduidend minder dan het maximum van 70% in het CSPP.

Het derde verschil is dat eventuele verliezen in het CSPP voor rekening waren van de gehele eurozone; de lidstaten garandeerden gezamenlijk de kredieten. Dit was anders in het PSPP, waar 80% van het kredietrisico lag bij nationale centrale banken. Dat betekent dat als de Belgische staat in het PSPP opgekochte obligaties niet aflost, de Nationale Bank van België (NBB) 80% van het verlies draagt. Het is onduidelijk wat dit precies zou betekenen, aangezien de aandeelhouder van een centrale bank de betreffende lidstaat (in dit geval: België) zelf is. In elk geval is de conclusie: de ECB zou eerder een lidstaat aan de ketting leggen dan tot ‘hulp’ over te gaan.

Ook in het CSPP liet de ECB de daadwerkelijke aankoop over aan nationale centrale banken; eventuele verliezen worden hier echter door het hele Eurosysteem gedragen. Als Shell toch failliet gaat voor 2039, dan is het verlies voor de burgers van de twintig eurolanden. Zes nationale centrale banken, onder andere de Nationale Bank van België (NBB), kochten de bedrijfsobligaties op voor en namens de eurozone. De NBB neemt waar voor Nederland,de Nederlandsche Bank (DNB) neemt immers zelf niet deel.

Zowel in het PSPP als in het CSPP zijn nationale centrale banken onderaannemers en bepaalt de ECB de voorwaarden. Die voorwaarden zijn vanzelfsprekend gunstiger voor banken en bedrijven dan voor lidstaten. Dat is bij de depositofaciliteit van de ECB, waar ik hieronder op inga, niet anders.

Hoge rentes voor banken in de depositofaciliteit

Banken lenen van de ECB. Minder bekend is dat banken ook lenen aan het Eurosysteem. Zij mogen geld stallen bij hun nationale centrale bank tegen door de ECB bepaalde voorwaarden. De rente op deze zogenoemde depositofaciliteit is sinds de zomer van 2022 ook verhoogd naar inmiddels 2%. Van september 2023 tot juni 2024 was deze ruim een jaar lang 4%. Deze faciliteit is niet beschikbaar voor lidstaten en burgers. Dat is spijtig, want banken geven de rente die zijzelf ontvangen niet door aan hun burgers. De Nederlandse Autoriteit Consument en Markt stelde daarover dat het “aannemelijk [is] dat op de Nederlandse spaarmarkt sprake is van stilzwijgende afstemming tussen grootbanken.”14

Banken profiteren ruimschoots van de hoge depositorente omdat zij geld in overvloed hebben dankzij diezelfde ECB: een hoger basisbedrag levert immers vanzelf ook meer rente op.15 Die hoge geldreserve is een direct gevolg van de kwantitatieve verruiming van 2015-2024. In 2015 hadden banken nog 235 miljard euro op hun ECB-rekeningen staan. Dat liep op tot ruim 4.000 miljard euro, en bedraagt inmiddels nog steeds 2.800 miljard euro. Bovendien profiteren de banken dubbel: ze hebben immers financiële producten verkocht aan de ECB, en stallen de opbrengst daarvan sinds 2022 weer bij haar. Zo profiteren banken dubbel.

Het CSPP-programma van de ECB steunt bedrijven die frauderen, Israël ondersteunen en medeverantwoordelijk zijn voor de klimaatopwarming.

Economen De Grauwe en Ji schatten het cadeau van het Eurosysteem aan commerciële banken in de periode september 2023-augustus 2024 op 126 miljard euro. Voor de periode juli 2022-januari 2025 zal de overdracht minstens 200 miljard euro zijn.16 Ook in 2025 verdienen banken nog aan de spaarregeling, maar de precieze omvang wordt niet prijsgegeven door de ECB en is moeilijk in te schatten, omdat ze afhankelijk is van meerdere factoren (de rente, omvang van het door banken gestalde geld en verschillende ‘technische’ voorwaarden).

Een rechtstreeks gevolg van deze overdrachten is dat nationale centrale banken verlies maken, dat gedragen wordt door de lidstaten. De rentebetalingen zijn daarmee indirecte giften van staten aan banken. Econoom Paul De Grauwe stelde hierover op de VRT “het is toch godgeklaagd dat banken die nu massaal veel geld krijgen van de ECB […] 6 á 7 miljard, en dat gaat dus niet naar de spaarders. Waar gaat dat wel naar toe? Naar de aandeelhouders. Dat kan toch niet. Het is eigenlijk de nationale bank die haar eigen winsten transfereert naar private banken. […] Nu is het een bonanza.”17

De verliezen van centrale banken hebben tot enige discussie geleid onder centrale bankiers. Robert Holzmann, president van de Oesterreichische Nationalbank, zocht zelfs de publiciteit en stelde in april 2024 dat “de Europese Centrale Bank moet stoppen met commerciële banken te subsidiëren en zou de rentebetalingen moeten schrappen op de stapels cash die kredietverstrekkers goedkoop van de centrale bank gekregen hebben”.18 Dat leidde echter niet tot een beleidswijziging – integendeel, de depositorente werd op 18 september 2024 met een technische aanpassing verhoogd met 0,35 procentpunt. Gelet op de daarvoor ingezette rentedaling (van zowel de basisherfinancieringsrente als de daaraan gekoppelde depositorente) in de zomer van 2024, kwam dat voor banken gelegen. Het zorgde voor een zachte landing.

Dit was overigens niet de eerste keer dat de depositorente werd aangepast. In 2019 was de depositorente negatief, en werden de deposito’s vrijgesteld van rente. Met andere woorden, de banken zouden hebben moeten bijbetalen, maar die verplichting werd hen kwijtgescholden. Toen de rente positief werd, werd die ‘vrijstelling’ echter weer opgeheven en mochten de banken weer incasseren. Het is allicht de treffendste illustratie van het klassenkarakter van de ECB: regels gelden wel voor lidstaten en burgers, maar om banken te behoeden voor de nadelige gevolgen van de regels, kunnen er plots uitzonderingen worden gemaakt.

Slotsom

De ECB motiveert haar operaties steeds door te verwijzen naar haar officiële hoofddoel, namelijk prijsstabiliteit, en naar de optimalisering van wat zij het “monetaire transmissiekanaal” noemt.19 Met dat laatste wordt gedoeld op het bankenstelsel, dat in het Verdrag van Maastricht aangewezen wordt als cruciaal voor het doorgeven van het monetaire beleid.20Daarmee geldt dat wat goed is voor de banken, goed is voor de “transmissie” van het ECB-beleid. Op zijn beurt leidt eender welk ECB-beleid zogenaamd steeds weer tot prijsstabiliteit. Dat laatste schept weer de voorwaarden, althans volgens de ECB zelf, voor “stabielere economische groei en een stabieler financieel systeem. Vertrouwen dat de centrale bank haar mandaat van prijsstabiliteit naleeft geeft mensen en bedrijven meer vertrouwen om geld uit te geven en te investeren.”

Daarmee is de cirkel rond, en het klassenkarakter van het monetaire beleid geïnstitutionaliseerd: wat goed is voor de banken, is goed voor het doorgeven van het ECB-beleid, wat weer goed is tegen inflatie, wat dan weer goed is voor ‘de economie’ en hoe dan ook het ‘hoofddoel’ dichterbij brengt.

Overigens expliciteerde Christine Lagarde dat zelf op 22 september 2023. Zij schreef in een brief aan Europese parlementsleden die kritisch waren over de renteafdrachten aan banken: “De daaruit voortvloeiende stijging van de rente-inkomsten van banken op reserveholdings en de daarmee samenhangende verslechtering van de financiële resultaten van de ECB en de nationale centrale banken zijn dan ook een direct neveneffect van het voornemen van de raad van bestuur om ervoor te zorgen dat de inflatie tijdig terugkeert naar onze middellangetermijndoelstelling van 2%.”

In mensentaal betekent dit: wat goed is voor inflatiebestrijding, is toevallig, als “neveneffect”, ook goed voor de banken. Prijsstabiliteit is daarmee niet zomaar een ideologisch vooropgestelde mening, maar het grondbeginsel van de reeks praktijken en verdragen die samen de operationele praxis, de bestuurlijke logica en het juridisch weefsel vormen van de Economische Monetaire Unie (EMU).

Hieruit kan slechts één conclusie volgen: het volstaat niet om de ECB te overtuigen of onder druk te zetten om haar rentebeleid te veranderen. Er bestaat in de ijzeren eurokooi geen argumentatieve uitweg. Er is alleen de antagonistische weg. De ECB kan niet hervormd worden – althans niet in linkse richting. De ECB wordt immers voortdurend hervormd, maar naar rechts model. Wie haar verzoekt om minder acht te slaan op de geldwaarde van kapitaal, verzoekt haar om haar eigen bestaansreden te laten varen. Maar dat zal noch het kapitaal noch de Duitse staat toestaan. Zij zullen de euro opblazen zodra deze gedemocratiseerd dreigt te worden.

Duitsland is immers de drijvende kracht achter het beleid om geen gezamenlijke schuld uit te geven, en wel met een heldere reden: de Duitse staat en het Duitse kapitaal willen de mogelijkheid behouden de euro weer in te wisselen voor de Deutschmark zonder daarbij gehinderd te worden door in euro genoteerde, gezamenlijke schuld.

Footnotes

  1. Rentestijgingen stimuleren sparen ten koste van consumptie en investeringen; in bijzonder met schuld gefinancierde consumptie en investeringen worden ontmoedigd. De opgetelde vraag naar goederen en diensten daalt hiermee, waardoor prijzen dalen. Dat is de standaardredenering. Deze heeft enige plausibiliteit: indien de rente maar genoeg stijgt, zullen deflatie en recessie inderdaad volgen. In 2022-2024 (b)lijkt echter niet een overmatige vraag het probleem. Het grootste deel van de inflatie is gevolg van [i] aanbod reducerende en kosten opdrijvende logistieke problemen in productie- en distributieketens, gevolgd door [ii] prijsopdrijving door grote bedrijven – zie Weber, I. & E. Wasner (2023) Sellers’ Inflation, Profits and Conflict: Why can Large Firms Hike Prices in an Emergency?, Review of Keynesian Economics 11(2), 183–213; de auteurs stellen dat prijsplafonds effectiever zijn dan reductie van de geaggregeerde vraag door renteverhogingen. Zie ook Ben Van Duppen, Inflatie of geen inflatie, het is de klassenstrijd die bepaalt wie betaalt, Lava Tijdschrift, n°24, 2023.
  2. Vogl, J. (2016), Het Financiële Regime, Boom.
  3. Het is daarbij aan de ECB overgelaten om te bepalen wat als inflatie geldt. De ECB richt zich op wat ze zelf de geharmoniseerde Consumptieprijsindex noemt; deze index laat aandelen- en huizenprijsstijgingen buiten beschouwing. Ze problematiseert daarmee alleen prijzen van consumptiegoederen, niet van kapitaal(goederen). Hiermee is begunstiging van kapitaal geïntegreerd. in de beleidsdoelstelling (het ‘hoofddoel’ van ‘prijsstabiliteit’) en daarmee in het beleid.
  4. De ECB leent niet uit aan burgers of lidstaten. Het Verdrag van Maastricht verbiedt de ECB aan lidstaten te lenen: “Het verlenen van voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten bij de ECB […], ten behoeve van […] centrale overheden, […] alsmede het rechtstreeks van hen kopen door de ECB of nationale centrale banken van schuldbewijzen, zijn verboden.”
  5. De ECB doet dit via nationale centrale banken, waarbij nationale centrale banken (en daarmee lidstaten als de aandeelhouders) het kredietrisico grotendeels dragen. De ECB bepaalt echter de voorwaarden.
  6. Daarnaast schaft de ECB in nog weer twee andere programma’s ook gebundelde (hypotheek)pakketten aan die voor en tijdens de financiële crisis nefast waren want overgewaardeerd bleken. Hiermee steunt de ECB financiële markten in het algemeen en (zaken)banken in het bijzonder. Deze covered bond purchase programme (CBPP3) en asset-backed securities purchase programme (ABSPP) blijven hier buiten beschouwing.
  7. In 2020 werd Griekenland wel toegelaten tot het PEPP, waarin het PSPP werd ondergebracht. In het in mei 2010 gelanceerde prototype van kwantitatieve verruiming – het programma voor de effectenmarkten (Securities Markets Programme, SMP) – werden in augustus 2010 per geheime brieven voorwaarden opgelegd aan Spanje en Italië – zie D.A. Hollanders (2018), Wie de geldpers controleert, is soeverein, Lava 6, pp. 83-97. A. Tooze, Crashed: How a decade of financial crises changed the world, Penguin Random House, 2018, p. 405)
  8. Daarnaast accepteert de ECB bedrijfsobligaties als onderpand in basisherfinancieringsoperaties. Dit helpt bedrijven om rentekosten te drukken; hun obligaties zijn immers meer waard. In bijzonder aarde opwarmende bedrijven profiteren hiervan, zie C. Murphy (2024), COLLATERAL DAMAGE: Ending the ECB’s support to fossil fuel companies, publicatie van Reclaim Finance.
  9. Het ECB stelt een overzicht beschikbaar op de thuispagina.
  10. Zie trouw.nl/nieuws/een-oplossing-voor-shell~b55464fc/en ftm.nl/artikelen/zo-ontwijkt-heineken-afrikaanse-belastingdiensten
  11. Zie bdsmovement.net/news/coca-cola-quenching-israel%E2%80%99s-genocidal-soldiers%E2%80%99-thirst’
  12. Uit op 12 oktober 2021 gegeven speech van Lagarde bij het Finance at Countdown event, beschikbaar op thuispagina van de ECB.
  13. De ECB stelt: “Purchases of eligible debt instruments with a negative yield to maturity were permissible”. Dat betekent concreet dat de ECB het acceptabel acht minder terug te ontvangen van het bedrijf dan het zelf aan het bedrijf gaf.
  14. Zie het op 28 mei 2024 gepubliceerde nieuwsbericht ACM: spaarrentes blijven achter door te weinig concurrentie, beschikbaar op acm.nl/nl/publicaties/acm-spaarrentes-blijven-achter-door-te-weinig-concurrentie
  15. De NBB stelt hierover in het jaarverslag 2023: “Door de overvloedige liquiditeit in het banksysteem werd er nagenoeg geen beroep gedaan op de basisherfinancieringstransacties.” Banken hebben dus zoveel geld dat zij niet hoeven te lenen van de ECB. Zij hebben dan nauwelijks last van de hogere rente waartegen zij lenen, terwijl zij profiteren van de rente waartegen zij stallen.
  16. De Grauwe, P. en Y. Ji (2024), How to fight inflation without subsidizing bankers at taxpayer’s expense, Social Europe, 23 oktober 2024.
  17. Zie vrt.be/vrtnws/nl/2023/05/19/econoom-paul-de-grauwe-bottom-line-is-dat-banken-te-veel-macht/
  18. Zie reuters.com/markets/europe/ecb-needs-stop-subsidizing-banks-holzmann-says-2024-04-03/
  19. Zo moet het CSPP leiden tot: “further enhancing the transmission of monetary policy, facilitating credit provision to the euro area economy, easing borrowing conditions for households and businesses and contributing to returning inflation rates to levels below, but close to, 2 % over the medium term, consistent with the ECB’s primary objective of maintaining price stability.”
  20. Het Verdrag van Maastricht stelt: “Teneinde hun werkzaamheden te kunnen verrichten, zijn de ECB en de nationale centrale banken gerechtigd rekeningen te openen ten behoeve van kredietinstellingen.”